Bosmans, Arthur

Brussel, 13/10/1908 > Belo Horizonte (BR), 14/05/1991

Biografie

Bosmans, Arthur

door Jan Dewilde en Annelies Focquaert

Brusselaar Arthur (Arturo) Bosmans was een autodidact maar dat belette hem niet om op zijn twaalfde violist te worden in het Symfonisch Orkest van Mons en daarbovenop de piano, de klarinet en de trompet te bespelen.

Vanaf 1926 reisde hij de wereld rond als officier bij de Belgische Marine. Tijdens een van die reizen componeerde hij in Port Said een Romance voor cello en kamerorkest. In 1931 gaf hij wegens oogproblemen zijn beroep op, vond aan wal een job in de haven en had opnieuw tijd om zich aan muziek te wijden. Hij werd lid van de Société des Auteurs et Compositeurs in Parijs en won in 1933 won met zijn rapsodie La Rue de compositieprijs “César Franck” in Luik. Rond die periode werden ook een aantal van zijn werken gepubliceerd. Tijdens de Wereldtentoonstelling in Brussel (1935) werd er een Arthur Bosmans-festival georganiseerd, waarop verschillende van zijn symfonische werken werden uitgevoerd. Tijdens deze Antwerpse jaren studeerde hij orkestdirectie bij Löwenstein en Defauw en werd hij aangesteld als assistent-dirigent bij het Philharmonisch orkest van Antwerpen.

Een aantal van zijn werken uit deze periode zijn onder meer James Ensor (een symfonisch scherzo), Cymbalum voor piano en orkest en de orkestsuite La vie en bleu. Intussen werden zijn werken steeds meer in het buitenland uitgevoerd: onder meer in Frankrijk, Hongarije, Zwitserland, Nederland, Duitsland, Italië en Polen. La Rue verkreeg een grote populariteit: in 1939 stond de teller op 100 publieke uitvoeringen. Bosmans dirigeerde concerten in Brussel, Parijs en Antwerpen, en werd vaste dirigent van het Philharmonisch orkest van Antwerpen. Zijn vroegste werken werden gepubliceerd door Buyst en Senart (Parijs), Melodia (Brussel) en Eulenburg (Leipzig). In 1938 werd Bosmans redacteur van de Revue Musicale Belge en directeur van het Ballet Belowa.

De Duitse invasie bracht hem opnieuw bij de Belgische Marine. Hij nam deel aan de evacuatie van de troepen in het Kanaal en kwam als vluchteling via Londen terecht in Lissabon, waar in 1940 een festival plaatsvond met zijn composities. Hij leerde er ook Darius Milhaud kennen. Milhaud, die van daar naar Amerika zou vertrekken, sprak zijn relaties aan en regelde het zo dat Bosmans een visum voor Brazilië kreeg. Daar landde hij zonder diploma’s op zak en met een zeer beperkte kennis van het Portugees. Maar Bosmans was een vechter. In Rio de Janeiro kwam hij in contact met Heitor Villa-Lobos, zelf ook in grote mate autodidact. Villa-Lobos liet hem arrangementen van Braziliaanse volksliederen maken en zo raakte hij langzaam in het Braziliaanse muziekleven ingeburgerd. In 1941 en 1942 dirigeerde hij het Orquestra Sinfonica Brasileira en het orkest Pro Musica. In die periode werd hij ook hij leraar compositie en instrumentatie aan het Nationale Conservatorium in Rio de Janeiro en componeerde hij muziek voor Braziliaanse films en een ballet Visiones de la guerra.

In 1943 werd hij directeur van het Internationaal Seizoen van Opera en Ballet, in het Teatro Municipal van Rio. In België werden tijdens de Duitse bezetting de premières opgevoerd van zijn Cymbalum (in het Brusselse Conservatorium) en van zijn ballet Le Jardin des Hespérides (door het symfonisch orkest van de Nationale Radio). Zijn werken werden intussen ook uitgevoerd in Brazilië, de Verenigde Staten, Canada en Montevideo. In 1944 werd hij door het stadsbestuur van Belo Horizonte (hoofdstad van de provincie Minas Gerais) uitgenodigd om er het symfonisch orkest onder zijn leiding te nemen als artistiek directeur en vaste dirigent.

Hij huwde met een Braziliaanse, liet zich naturaliseren en werd in 1955 benoemd tot staatsadviseur voor muziek. Daarnaast was hij ook professor compositie en orkestdirectie aan de universiteit van Belo Horizonte, waar hij tevens medeoprichter was van het symfonisch orkest, Hij verbreedde het muzikale perspectief van Belo Horizonte door zowel nieuwe 20e-eeuwse muziek uit te voeren, als door Braziliaanse muziek in het buitenland te promoten. Daarnaast werd hij chef-dirigent en artistiek adviseur van het Orquestra Simfonica Estadual. Met verschillende Braziliaanse orkesten dirigeerde hij werk van Belgische componisten als Peter Benoit, Joseph Jongen, Marcel Poot en Gaston Brenta.

Naast al deze activiteiten vond Bosmans nog de tijd om te componeren. Pianomuziek bijvoorbeeld, zoals Sonatina Lusitana uit 1945, opgedragen aan Claudio Arrau; Toccata uit 1947, opgedragen aan Alexis Weissenberg; Ballo Barroco (1958); 3 Valsas (1982), of orkestwerken met titels als Duas danças sinfônicas (1943), L’isle galante. Suite de ballet em 5 movimentos (1975) en Blue requiem. Balada coreográfica (1980). Verder ook liederen, kamermuziek, gitaarcomposities (de aan Victor Van Puyenbroeck opgedragen gitaarsuite Brasileiras) en bewerkingen van werk van onder anderen Cimarosa, Corelli, Händel, Pachelbel en Carlos Gomes.

In de zestiger jaren maakte hij als dirigent verschillende tournees in Latijns-Amerika en in Europa. In die periode stond hij onder andere voor het BRT-orkest dat verschillende opnames van zijn werken maakte. Het omroeporkest creëerde bijvoorbeeld in 1968 zijn Lyrica (Suite breve para orquestra), een elegante sinfonietta in vier delen. Bosmans ontving de eerste prijs met gouden medaille voor klassieke muziek op de 7e Grote Internationale Wedstrijd in 1975, toegekend door de Académie Internationale de Lutèce in Parijs.

Bosmans componeerde een zeer uitgebreid oeuvre bij elkaar: van liederen tot koorwerken en van kamermuziek tot filmmuziek. Zijn orkestwerken getuigen van een laatromantische stijl. Ook zijn vele wereldreizen hadden een invloed op zijn werken: ofwel door een algemene sfeerschepping, of door het gebruik van volksmuziek. Verraden zijn werken aanvankelijk invloeden van Debussy, Ravel en Gershwin, dan evolueerde hij later naar een idioom dat hij zelf kosmopolitisch noemde. Als pianist gebruikte hij de piano niet alleen als solo-instrument, maar ook als een speciaal timbre in het orkest.

Arthur Bosmans stierf in 1991 en liet een grote hoeveelheid muzikaal materiaal achter, dat verdere studie en uitvoering verdient. Verschillende van zijn werken werden uitgegeven en de collectie berust bij zijn weduwe, Walkyria, die ook opnames bezit.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde en Annelies Focquaert