Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

de Burbure, Léon

Dendermonde, 16/08/1812 > Antwerpen, 08/12/1889

Biografie

de Burbure de Wesembeek, Léon

door Jan Dewilde

Léon de Burbure de Wesembeek werd op 16 augustus 1812 geboren in een oude adellijke familie uit Dendermonde. Zijn vader was ridder Philippe Édouard Guillaume Marie de Burbure de Wesembeek, lid van de Staten-Generaal, districtscommissaris en inspecteur van het onderwijs. In 1805 huwde hij in Dendermonde met Hélène Thérèse Joséphine de Schoutheete de Ter Varent et Ter Walle, waarna ze vier zonen en een dochter kregen. Naast Léon was ook Gustave (1815-1893) muzikaal begaafd. Hij was een uitstekende zanger en klarinettist, componeerde vooral romances en muziek voor harmonie en was jarenlang inspecteur van het Gentse conservatorium.

Op zijn zevende kreeg Léon muzieklessen (notenleer en cello) van Joseph Troch, een plaatselijke kapelmeester. Hij etaleerde veel aanleg en mocht al vlug als cellist in het orkest van de Onze-Lieve-Vrouwekerk meespelen. Zijn humaniorastudies deed hij aan het Koninklijk College in Gent waar hij verder cello studeerde bij François de Vigne, een leerling van de Franse cellist-componist Nicolas Baudiot. Tijdens zijn rechtenstudies aan de Gentse universiteit stichtte de Burbure het symfonisch orkest 'La Lyre Académique'. Het is met dat orkest dat hij zijn eerste orkestcompositie uitvoerde toen Willem I in juni 1829 een bezoek bracht aan de universiteit van Gent.

Bij het uitbreken van de revolutie van 1830 keerde de Burbure naar zijn geboortestad terug. Met behulp van theoretische werken van Johann Georg Albrechtsberger, Antoine Reicha en François-Joseph Fétis zette hij als autodidact zijn muziekstudies verder. Het is in die periode dat hij Chant des bardes (voor vierstemmig gemengd koor en orkest) schreef. Volgens Fétis (in zijn Biographie universelle des musiciens) speelde de Burbure in die gedwongen jaren van thuiszitten met zijn vader en zijn broers kwartetten van Ignace Pleyel en Joseph Haydn door. Bij de heropening van de universiteit keerde hij naar Gent terug om zijn studies te voltooien: op 8 augustus 1832 behaalde hij zijn diploma in de rechten. Maar zoals Fétis opmerkt : « la jurisprudence avait peu d'attrait pour lui, et son doctorat ne fut guère que le luxe de son éducation. Tous ses penchants se résumaient dans son amour pour la musique. »

Na zijn terugkeer in Dendermonde werd de Burbure gevraagd de 'Société philharmonique de Sainte Cécile' te leiden. Samen met de dichter Prudens van Duyse (1804-1859), zijn vriend en stadsgenoot, was hij in die jaren bijzonder actief in het plaatselijke culturele leven. In 1832 schreven ze samen L'épée d'honneur offerte au général Chassé. (De Nederlandse generaal David Henry Chassé, door Napoleon "Général Baïonette" genoemd, die in 1830 met veel élan Antwerpen verdedigde tegen de Belgische revolutionairen en in de citadel stand hield tot in 1832. Dat de Burbure deze generaal, die Antwerpen heeft gebombardeerd en daarbij veel slachtoffers heeft gemaakt, bewijst de Burbures orangistische inborst).

De Burbure dirigeerde ook de koormaatschappij 'Société des choeurs'. In 1834 en 1835 dirigeerde hij dit koor tijdens de carnavalsfeesten, waarbij hij zich voor de gelegenheid in het kostuum van een Italiaanse kapelmeester had gestoken. Het koor, dat vooral operakoren op het repertoire had, fusioneerde in 1841 met de 'Société de l'union' en de 'Société Mélophile-solo' tot de 'Société des échos de la Dendre'. Als dirigent werd de Burbure afgevaardigd om in augustus 1845 het eerste 'Beethovenfest' in Bonn bij te wonen. (Op deze driedaagse manifestatie ter gelegenheid van de 75ste geboortedag van Beethoven, was onder andere Franz Liszt aanwezig en werd Louis Spohrs Festkantate voor de onthulling van het standbeeld van de componist uitgevoerd).

De 'Société des échos de la Dendre' speelde een prominente rol in het zich ontwikkelende koorleven dat toen vooral in de streek rond Dendermonde floreerde. Het koor behaalde meerdere overwinningen in concoursen, niet zelden met werken van de Burbure. Ook Gioacchino Rossini's Stabat Mater en Le désert van Félicien David stonden op het repertoire. Naast veel koormuziek componeerde de Burbure in die jaren concertouvertures, religieuze muziek, romances en, tussen 1832 en 1835, 37 (!) strijkkwartetten en -kwintetten.

De Burbure volgde het internationale muziekleven op de voet: al kort na de wereldpremière van Giacomo Meyerbeers Les Huguenots (29 februari 1836) schreef Léon de Burbure samen met zijn broer Gustave een orkestfantasie op thema's uit deze opera, een werk dat ze opdroegen aan de 'Société royale d'Harmonie' van Antwerpen. Uit erkentelijkheid werden beide broers erelid van de Antwerpse concertvereniging. In de daarop volgende jaren componeerde Léon ondermeer nog een Te Deum en de opera La Serafina. Zijn ouverture voor harmonie-orkest Charles Quint werd in 1840 bekroond door de 'Société des sciences, des arts et des letters du Hainaut' uit Bergen. Die bekroning ging in de Denderstad niet onopgemerkt voorbij: de componist werd in stoet naar zijn ouderlijk huis geleid dat feestelijk versierd was. En Van Duyse publiceerde een artikel in de Gazette van Gent dat begon met de regels: "Er woont een zoete nachtegael / Niet verre van de Denderboorden". Een componist betekende toen nog iets in het maatschappelijke leven...

Ondertussen was de Burbure ook steeds meer als musicoloog actief. Op vraag van Fétis transcribeerde en bestudeerde hij in 1838 geschriften van Joannes de Muris (ca. 1290-na 1344) en Egidius Carlerius (ca. 1400-1472). Zijn faam groeide en al vlug werd hij gevraagd als lid van de jury van de Prix de Rome, de prestigieuze tweejaarlijkse staatsprijs voor compositie. In 1842 werd hij lid van de kerkraad van de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Dendermonde waar hij de archieven ordende en bestudeerde.

Na de dood van zijn moeder in 1846 verbleef hij een tijdje in Luik waar hij de archieven van de kapittelkerk Saint-Lambert onderzocht. Daarna verhuisde hij met zijn vader naar Antwerpen, uitgezwaaid door het koor 'Les échos de la Dendre' dat een volledig afscheidsconcert aan hem wijdde. Zijn oude leermeester Troch componeerde voor de gelegenheid het koor Adieux à Monsieur Léon de Burbure.

Ook in Antwerpen bleef hij aan een hoog tempo verder componeren. Voor het koorfestival dat de 'Association lyrique anversoise' ter gelegenheid van de kermis van 1850 organiseerde, schreef hij De slag bij Doggersbank, een koorwerk dat door 1.500 zangers met begeleiding van een militair muziekkorps werd uitgevoerd. Kort daarna, op 26 augustus 1850, werd in Dendermonde 's morgens zijn Missa in ut uitgevoerd en werd in de namiddag zijn 'ode-symphonie' voor de inhuldiging van het borstbeeld van de historieschrijver David Lindanus door koren en het korps van de burgerwacht gecreëerd. (Lindanus publiceerde in 1612 een geschiedenis van Dendermonde).

De Burbure schreef wel meer gelegenheidswerken: de festiviteiten van de Antwerpse 'Vereniging voor Taal en Kunst' ter gelegenheid van de meerderjarigheid van de Hertog van Brabant (de latere Leopold II) luisterde hij op met de cantate Hoop van België (op tekst van Hendrik Conscience die hij tijdens diens legerdienst ca. 1835 in Dendermonde had leren kennen). Andere gelegenheidscomposities zijn de cantate Hulde aan de kunst, in 1854 geschreven voor het 400-jarig bestaan van de Sint-Lucasgilde, en de ouverture David Teniers of de boerenkermis die tijdens de Antwerpse kermisfeesten van 1864 werd uitgevoerd bij de inhuldiging van het standbeeld van Teniers. Het tijdschrift De Vlaamsche school schreef toen een artikel waarin de Burbures betekenis voor de Vlaamse muziek werd geduid: "Dit stuk, een zijner laatste gewrochten, kenmerkt zich nog steeds door het gemak van schrijven, door den rijkdom aan melody, die in alle de werken van de Burbure doorstralen. Over eenige jaren, uitte een schrijver het gevoelen, dat de Burbure's toonzettingen naar den duitschen stijl overhellen; dit gedacht deelen wij geenszins: vele zijner stukken doen soms aan sommige italiaansche meesters denken, terwijl andere vlaamsch, echt vlaamsch zijn. Wij weten dat het woord van "vlaamsch muziek" aan vele personen vreemd voorkomt; dat aan vele, het bestaan van een vlaamsch opera onmogelijk toeschijnt. Het is waar, die personen hebben tot staving hunner ongerijmde bewering, den staat van onbezieldheid, van levensloosheid, waarin onze nationale muziekkunst sedert zoo vele jaren verkeerd heeft; zij hebben voor hun, de verbastering die bij onze Belgische toonzetters, een tweede natuur geworden was; doch, wie sinds eenige jaren twijfelt nog aan de verrijzenis onzer vlaamsche muziekkunst? Wie, die niet door vooringenomenheid verblind is, miskent nog den sterken spoorslag die onze nationale muziekkunst gegeven wordt door de werken van Benoit, Van den Eede, en andere jonge toonzetters? Nu het verheugt ons te bestatigen, dat ridder Leo de Burbure veel gedaan heeft voor de vlaamsche muziek: de vlaamsche kooren en kantaten, die hij sinds dertig jaren geschreven heeft, zijn daar om het te bewijzen; zijne geschriften over de geschiedenis der oude vlaamsche muziekschool in de 16e en 17e eeuwen bekrachtigen ons gezegde.

De Burbure componeerde ook absolute muziek, zoals in 1853 de Symphonie triomphale die op 26 september 1856 werd uitgevoerd tijdens een publieke zitting van de 'Académie royale de Belgique'. Daarnaast schreef hij veel religieuze muziek. Zijn psalmen Exultate Deo (1849), Caeli enarrant gloriam Dei (1851), In exitu Israël (1858) en de motetten Jesu dulcis memoria, Cantantibus organis, Levavi oculos weerklonken vele jaren lang van op het doksaal van de belangrijkste kerken van het land.

De Burbure legde jarenlang een onvermoeibare dadendrang aan de dag. Naast het componeren, stortte hij zich steeds meer op het musicologisch onderzoek, schreef hij een waslijst publicaties bijeen en was hij bovendien werkend lid van diverse culturele en wetenschappelijke verenigingen. Zo ordende hij jarenlang - van oktober 1846 tot 1853, volgens Fétis - het archief van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, dat sinds 1797 in de grootste wanorde verkeerde. Ook in het Antwerps stadsarchief worstelde hij zich door omvangrijke collecties stadsrekeningen en schepenbrieven.

Op basis van dit jarenlange archiefwerk in Dendermonde, Luik en Antwerpen publiceerde hij een resem bijdragen over, onder anderen, Ockeghem, Pevernage, Pottier, Susato, Luython, Verdonck, Waelrant, Bull en Gossec. Als Dendermondenaar claimde hij iets te voortvarend Ockeghem als een stadsgenoot, nadat hij in de plaatselijke archieven ene Jan Van Hockeghem had getraceerd en daaruit deduceerde dat dit familie van de componist moest zijn. Dat was trouwens een van de betrachtingen van zijn musicologisch onderzoek: aantonen dat de polyfonisten van groot-Nederlandse afkomst waren. In zijn studie uit 1853 over Ockeghem schreef hij: "Hoe zonderling was het lot van de meeste onzer vaderlandsche kunstenaers! Hun naem blonk schitterend by den vreemde, terwyl hy van hunnen geboortegrond soms gansch verdwenen was. Vooral was dit het lot der toonkunstenaren, wier bestaen in de vergetelheid ware gebleven, hadden de kerken hunne meesterstukken niet als een heiligen schat bewaerd. (...) Het is op Nederlandschen bodem dat de grootste toonkundigen der verledene eeuwen geboren werden; in onze kerken vormden zy zich; zoo lang wij onze oude rekeningen en registers niet vergaderd en met de grootste nauwkeurigheid doorzocht zullen hebben, mogen wy de hoop voeden van in ons midden de bewyzen des bestaens onzer groote meesters te vinden, mogen wy de hoop voeden van eens, met de bewysstukken in de hand, al die glansryke namen, welke ons de vreemden zoo lang betwistten, als ons erfdeel terug te eischen.

Toch leverde hij, gezien de tijdsomstandigheden, verdienstelijk musicologisch werk. Werk dat hij bovendien soms onbaatzuchtig ter beschikking van anderen stelde. In een in het AMVC-Letterenhuis bewaarde brief uit 1851 aan ene Peter Jozef Visschers schrijft hij: « C'est Mr. Fétis qui a rédigé la note qui concerne quelques unes de mes découvertes relatives à l'histoire de la musique Belge, dont je lui avais communiqué verbalement les détails au mois de janvier dernier. » Het is geweten dat de Burbure Fétis veel informatie aanreikte voor diens éénmans-encyclopedie Biographie universelle des musiciens. Iets wat Fétis trouwens in die encyclopedie in zijn artikel over de Burbure dankbaar bevestigt: de Burbure zou hem informatie over meer dan honderd componisten bezorgd hebben.

Ook de Antwerpse componist en musicoloog Alphonse Goovaerts benadrukte de Burbures generositeit: « Léon de Burbure ne connaissait pas la jalousie. Il savait applaudir ceux qui, sur les mêmes terrains qu'il défrichait avec tant de science, produisaient de bons travaux. D'un autre côté, nous ne l'avons jamais entendu critiquer ceux qui en faisaient de médiocres. »

En over zijn verdiensten als musicoloog getuigde François-Auguste Gevaert: « Il a contribué, dans une proportion considérable, à enrichir l'histoire de notre ancienne et glorieuse école de musique, en exhumant de l'oubli beaucoup de compositeurs belges, en apportant une foule de détails ignorés sur la vie de quelques-uns des plus célèbres. On peut dire qu'il possédait à un haut degré les qualités essentielles du vrai chercheur : une curiosité universelle et toujours en éveil, une patience inaccessible au découragement, une sagacité rare et, en même temps que tout cela, un enthousiasme juvénile pour la gloire artistique de notre patrie. (...) Peu d'hommes ont connu aussi à fond notre grand période musicale du XVe et du XVIe siècle. »

De Burbures belangstelling beperkte zich trouwens niet tot de muziek: hij was ook actief bezig met beeldende kunsten, architectuur, geschiedenis en vooral archeologie. Ook in al deze domeinen heeft hij meerdere publicaties op zijn naam staan en werd op zijn expertise een beroep gedaan. Zo was hij in Antwerpen voorzitter van de commissie die de publicatie van de catalogus van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten voorbereidde, werd hij in 1858 administrateur van de Academie voor Schone Kunsten, was hij ondervoorzitter van de 'Commission royale des monuments' en voorzitter van de 'Académie d'archéologie'. Om maar enkele van zijn vele (onbezoldigde) functies te noemen. Daarnaast engageerde de Burbure zich ook in de armenzorg en liefdadigheidswerk. Hij was lid van een commissie die sinds 1853 in Antwerpen soep bedeelde en was bestuurslid van het Sint-Julianusgasthuis.

Vanaf het begin van de jaren 1880 belemmerde een oogziekte de Burbure het turen op archiefpapieren en stokten zijn publicaties. Dat zijn oogproblemen een zware handicap vormden, toont een brief die hij op 7 augustus 1888 aan Emanuel Hiel liet schrijven, waarin hij meedeelde dat het "mij volstrekt onmogelijk [is] de vleiende taak van erevoorzitter der De Keyserfeesten te aanvaarden. Mijne zwakke gezondheid laat mij niet toe dergelijke functien waar te nemen. Het spijt me bovendien geen mijner samenstellingen in het album te kunnen plaatsen, daar mijn verzwakt gezicht alle muziekschrijven onmogelijk maakt. (De De Keyserfeesten werden georganiseerd ter gelegenheid van het bezoek van Polydoor De Keyser, de Lord-Major van Londen, aan zijn geboortestad Dendermonde. Benoit componeerde toen zijn Heilgroet).

Door zijn oogproblemen verlegde de Burbure zijn aandacht noodgedwongen naar een jeugdliefde, de archeologie. De werken in de oude haven en de oude stad volgde hij op de voet en zo lukte hij er in om vele objecten in veiligheid te brengen. Zo zou hij Romeinse potten aan het Museum Vleeshuis hebben geschonken. Hij vatte nog een studie over de Burg aan, maar dat werk heeft hij niet meer kunnen voltooien. Na een lange ziekte stierf hij in Antwerpen op 8 december 1889. Hij werd begraven in het familiegraf op het kerkhof van Wezembeek waar sinds mensenheugenis het Château de Burbure staat.

Na zijn dood constateerde het muziektijdschrift Le guide musical (22 december 1889): « La ville de Termonde a perdu dans la personne de Burbure un de ses plus éminents citoyens, et Anvers qu'il affectionnait presqu'à l'égale de sa ville natale, conserva longtemps le souvenir des travaux incessants et des recherches consciencieuses qu'il y fit, pendant plus de quarante années, dans le domaine des beaux-arts et des belles lettres. »

Na zijn dood schonk zijn weduwe zijn manuscripten, bibliofiele uitgaven, curiosa en partituren aan de stad Antwerpen. Een belangwekkend deel van die preciosa wordt bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen. Uit dankbaarheid voor die schenkingen gaf de stad Antwerpen de naam Léon de Burbure aan een van de straten rond het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde