de Jong, Marinus

Oosterhout (NL), 14/08/1891 > Ekeren, 13/06/1984

Biografie

de Jong, Marinus

door Luc Leytens

Een Nederlander die Vlaming werd
Reeds zijn voornaam klinkt “Hollands” in de oren. En inderdaad, hij werd geboren op 14 augustus 1891 te Oosterhout, wel niet zo ver van de Belgische grens, als vijfde kind in een arbeidersgezin van twaalf. Nooit heeft hij zijn bescheiden afkomst verloochend. Terecht ging hij er fier op dat hij 'door noeste arbeid', naar het voorbeeld van zijn ouders, zijn rechtmatige plaats had veroverd. Een zekere ruigheid was hem hierbij wel eigen gebleven.

Al heel vroeg kwam het talent van de Jong naar boven. Hij leerde piano en viool. Met de hulp van plaatselijke mecenassen kreeg hij de gelegenheid om professionele muziekstudies te ondernemen. Zo werd hij op vijftienjarige leeftijd toegelaten op het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen, dat dichter bij huis lag dan Amsterdam. Drie jaar later had hij al eerste prijzen op zak voor fuga (bij Lodewijk Mortelmans) en piano (bij Emile Bosquet). Om aan de kost te komen, speelde hij als altist mee in verschillende Antwerpse orkesten.

Marinus de Jong ging er zo hard tegen aan dat hij overwerkt raakte. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, trok hij zich in zijn geboortedorp terug. Nederland bleef immers buiten de vijandelijkheden. In de bekende Benediktijnerabdij van Oosterhout kwam hij tot rust. Daar ontdekte hij a.h.w. het Gregoriaans dat altijd een van zijn belangrijkste inspiratiebronnen zou blijven. In 1915 verscheen zijn opus 1, een bescheiden, tweestemmige Missa Ave Maria. In die jaren bekwaamde hij zich als organist.

Onmiddellijk na de wapenstilstand keerde de Jong weer naar Antwerpen. In het Conservatorium won hij, in 1919, de compositiewedstrijd De Vleeshouwer, met een Prelude en Tripelfuga, op. 2 (1917) voor orgel.

Sedertdien integreerde hij zich volledig in het Vlaamse muziekleven. De Noord- werd Zuid-Brabander. Hij trouwde met de Belgische pianiste Johanna Corthals (+1979), een huwelijk dat kinderloos zou blijven. In 1926 nam hij de Belgische nationaliteit aan. In de jaren dertig vestigde hij zich definitief te Kapellenbos. De Kempische natuur met haar heide en dennenbossen was zijn geliefkoosd domein.

Een veelzijdig musicus
Aanvankelijk liet Marinus de Jong zich vooral opmerken als een uitnemend pianovirtuoos. Door bemiddeling van Gabriëlle Radoux, echtgenote van Lodewijk Mortelmans, kon hij in de jaren 1920-1922 met uitgesproken succes als solist optreden in de Verenigde Staten. Ook in Duitsland kende hij bijval, zonder de vele recitals en concerten in eigen land te vergeten. Zijn repertoire was voor die tijd zeker modern te noemen en omvatte werken van o.m. Debussy, Ravel, Glazoenov en Skriabin. Vooral zijn vertolking van de Beelden uit een Tentoonstelling van Modest Moessorgski (in de originele pianoversie) wekten bewondering. Hij ging er prat op uit het hoofd elk van de 48 preludes en fuga’s van Bachs Welgetemperde Klavier naar om ’t even welke andere toonaard te kunnen transponeren, een krachttoer die weinigen hem zullen nadoen. Al wie hem aan het werk heeft gezien, kan getuigen dat hij inderdaad verbluffend piano kon spelen. Eveneens trad hij op in kamermuziekverband.

Maar een virtuozenbestaan vond hij kennelijk onvoldoende. In dit kleine land biedt het ook te weinig bestaanszekerheid. Geleidelijk ontpopte hij zich dan ook als pedagoog en vooral als componist.

Op aanbeveling van Lodewijk Mortelmans (en als diens opvolger) werd de Jong in 1926 benoemd tot leraar contrapunt en fuga aan het Lemmeninstituut dat toen nog te Mechelen gevestigd was. Hij zou er blijven doceren tot 1963. In 1932 volgde zijn aanstelling tot pianoleraar aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen, waar hij in 1948 de klas van contrapunt en fuga toegewezen kreeg. Hele generaties musici heeft hij aldus opgeleid en een stevige basis meegegeven.

Deze pedagogische activiteit vond haar weerslag in twee belangrijke didaktische werken: een gepubliceerde Theoretische en Praktische Harmonieleer in zes delen, en een vijfdelig werk, Het Contrapunt, dat spijtig genoeg onuitgegeven bleef.

Toch zal de Jong vooral in de herinnering voortleven als componist. Vermits hij tot op zeer hoge leeftijd actief bleef - hij overleed te Ekeren op 13 juni 1984 - en het hem nooit aan werklust en doorzettingsvermogen ontbrak, groeide zijn oeuvre uit tot meer dan 190 opusnummers, waar nog talrijke bladzijden moeten aan toegevoegd worden die geen opusnummer kregen. Deze nummering is trouwens nogal eens verwarrend omdat de componist soms achteraf werken tussenvoegde ofwel omdat composities al een nummer kregen toen er aan begonnen werd, terwijl ze soms pas jaren later voltooid geraakten.

Een uitgebreid oeuvre
Het zou natuurlijk een onbegonnen werk en bovendien een saaie bedoening zijn enigermate volledige opsomming te geven van de werken van Marinus de Jong. Geïnteresseerden kunnen hiervoor terecht bij CeBeDem. Niemand zal bovendien kunnen beweren alles gehoord te hebben want verschillende, in omvang zelfs belangrijke partituren wachten nog op hun (meer dan problematische) creatie. In dit opzicht staat de Jong niet alleen: het illustreert helaas de ontoereikende mogelijkheden van ons muziekleven zowel als de verregaande desinteresse bij de beleidsverantwoordelijken ten aanzien van het eigen muziekpatrimonium.

Vanzelfsprekend willen wij niet insinueren dat de Jong louter meesterwerken zou nagelaten hebben. Wel was hij van alle markten thuis in die zin dat hij werken schreef in zowat alle genres die in zijn tijd in zwang waren. En vermits deze composities immer blijk geven van technische degelijkheid, staat het buiten kijf dat hij - alleen al door de veelheid van zijn productie - als een van de notoire figuren in de Vlaamse muziek van zijn tijd moet beschouwd worden. Als pianist is het niet verwonderlijk dat hij vanuit het klavierwerk vertrokken is. Geleidelijk breidde hij zijn actieradius uit. Het laatst kwam hij, op vrij hoge leeftijd, terecht bij de opera.

Stijl en karakter
Stilistisch heeft de Jong zelf geschreven dat hij een viertal fasen van ontwikkeling had doorlopen. Vertrekkend vanuit de romantische toonspraak die tijdens zijn opleiding overheersend was, ontdekte hij, onder invloed van het Gregoriaans, de charme van de oude kerktoonaarden. Het benadrukken van deze modi was op dat ogenblik in de Vlaamse muziek zeker iets nieuws. In een volgende, impressionistisch genoemd periode, verrijkte hij ze met chromatismen. Dan volgde een bijzondere belangstelling voor het contrapunt en voor zogeheten “kleurenharmonieën”. En ten slotte herontdekte hij ook nog het oud-Nederlandse volkslied als "bron tot verwezenlijking van een nationale kunst".

Met deze laatste uitspraak benaderde de Jong feitelijk zeer dicht een van de uitgangspunten - een eeuw tevoren - van Peter Benoit, voor wiens figuur hij overigens steeds een hoge bewondering koesterde.

De vraag rijst echter of er inderdaad wel degelijk zo’n evolutie heeft plaatsgevonden. Zeker, er was de constante van de oude modi, maar het contrapunt is al in sommige vroege werken opvallend aanwezig. Hetzelfde kan gezegd worden van het volkslied zoals de fraaie Vlaamse Rapsodie nr. 1 (1935) (versies voor piano, op. 32 en voor orkest, op. 34) aantoont, al is het bewust en systematisch aanboren van “de liederenschat” met de jaren fel toegenomen. Deze voorkeur kan misschien ook weer verklaard worden door het feit dat het Marinus de Jong wel eens mangelt aan melodische kracht. Hij was ook geen overtuigend liedcomponist, al heeft hij heel wat liederen geschreven, waaronder enkele heel mooie; een echt populair inslaande melodie, zoals dat menig romanticus lukte, heeft hij niet nagelaten. Ook in ritmisch opzicht gaf hij weinig blijk van individualiteit.

Hiermede zitten wij al volop in de kritiek die niet altijd mals geweest is, ook al bleef ze meestal binnenskamers. De Jong werd door sommigen afgeschilderd als een hopeloos conservatieve figuur, academisch en/of eclectisch. Wij menen dat dit niet helemaal terecht is. Zelf had de componist er een onverholen pret in dat hij, in 1954, te Haarlem met een anoniem ingestuurde Prelude and Quadruple Fugue for Organ in dodecaphonic style, op. 99 een eerste prijs wegkaapte. Voor hem was dit het klinkende bewijs dat - indien hij het zou gewild hebben - even goed als wie ook “progressief” had kunnen componeren. Met vuur kwam hij echter op voor wat hij “de wetten van de eufonie” placht te noemen en hij haatte elk experiment dat niet gebaseerd was op een diepgaande kennis van het sonore materiaal en van de klassieke techniek. In die zin was hij ongetwijfeld conservatief. Hij verkondigde zijn standpunten ook luidop en zoiets werd natuurlijk niet door eenieder in dank aanvaard.

Marinus de Jong had trouwens een alles behalve gemakkelijk karakter. Hij zei ongezouten wat hij op de lever had en diplomatie was niet zijn sterkste kant. Het bracht hem in onmin met heel wat van zijn collega’s, ook met hen die esthetisch op dezelfde golflengte zaten. Het heeft hem parten gespeeld.

In 1955 won hij bijvoorbeeld met zijn Vioolconcerto, op. 103 de wedstrijd voor het schrijven van een werk voor de eindproeven van de Koningin Elisabethwedstrijd. Toch werd het tijdens de finales niet gespeeld (zogezegd omdat het te lang was) en vervangen door een even lang en vooral langdradig stuk van een volslagen onbekend Luiks toondichter. De Jong was van oordeel dat de reden dieper zat, namelijk in het feit dat hij als Vlaming in de hoofdstad bij voorbaat werd afgewezen. Of had het met zijn persoon te maken?...

De eerste werken waren dikwijls de beste
Ruziemakerij heeft wel meer het Vlaamse en Belgische componistenwereldje ontsierd (’t zal ook elders wel gebeuren) maar de Jong, die ook nogal naïef was, meende dat hij propagandistisch niet beter gediend was dan voor zichzelf. Het heeft hem verleid tot bepaalde uitspraken die, nuchter beschouwd, af en toe potsierlijk overkwamen en de indruk lieten van een niet geringe eigenwaarde. (Zo bijvoorbeeld zegde hij tijdens en radio-interview over een van zijn werken dat, mocht Bach het kunnen horen, hij zou verklaren: “Ich habe meinen Meister gefunden!…” - sic).

Een zeker tekort aan zelfkritiek is ten andere al af te lezen uit de omvang van zijn productie en de uitgebreidheid van sommige werken. Onbewust wellicht herhaalde hij nogal veel zichzelf. Is het daarom dat in menig genre de eerste werken dikwijls de beste lijken?

Nemen wij bijvoorbeeld zijn concerti. De Jong heeft het repertoire met niet minder dan 13 exemplaren verrijkt: 3 pianoconcerti, en verder telkens één voor respectievelijk viool, altviool, cello, fluit, hobo, klarinet, fagot, hoorn, trompet en orgel, naast nog enkele kortere concertante stukken. Welnu, verreweg het meeste succes oogstte hij - zelfs internationaal - met zijn Eerste Pianoconcerto, op. 21 (1924), op afstand gevolgd door het Trompetconcerto, op. 49 (1937). De latere concerti verdwenen in de “grijze massa”.

Ook de vroege klavier- en kamermuziekwerken zoals bijvoorbeeld de Zes Preludes, op. 5 (1921) voor piano, of de Sonate pacis, doloris et amoris, op. 18 (1927) voor viool en piano, of het Eerste Strijkkwartet, op. 20 (1923), "in oude toonaarden", overtuigden nu veel meer dan menige latere compositie. Veralgemenen is nochtans gevaarlijk; zijn pianowerk bijvoorbeeld behoort ongetwijfeld tot het betere in de Vlaamse muziek.

De grote doorbraak van Marinus de Jong situeert zich onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog toen zijn zevendelig oratorium Hiawatha’s Lied, op. 37 (1947) een opmerkelijk succes kende. Terecht trouwens, en het valt op dat juist dit werk een lange voorbereidingstijd kende. De componist had het epos van Longfellow ontdekt tijdens zijn concertreizen in Amerika in de jaren twintig. Eerst vatte hij het plan op om het om te werken tot een opera. Slechts daarna maakte hij kennis met de meesterlijke vertaling van Guido Gezelle waaruit hij dan het libretto voor een oratorium samenstelde. De prachtige teksten worden volstrekt gerespecteerd door de inschakeling van een recitant.

Uit dezelfde muzikale thematiek puurde hij tevens een symfonisch gedicht, Hiawatha, op. 36 (1946), dat eveneens een van zijn beste orkestwerken is. De bijval, ook in Nederland, voor Hiawatha’s Lied spoorde De Jong aan om in dezelfde richting verder te gaan maar noch Imitatio Christi, op. 104 (1956), op tekst van Thomas a Kempis, noch Kerkhofblommen, op. 108 (1957), opnieuw op een tekst van Gezelle en met declamatie, konden, op verre na niet, het succes van Hiawatha evenaren.

Het “Vlaams humoristisch zangspel” Proverbia Breugeliana, op. 121 (1959) op woorden van Bert Peleman - in feite een uitgebreide cantate - werd dan weer wel een aantrekkelijk en origineel werkstuk.

Nadat hij in de vijftiger jaren een reeks balletten had gecomponeerd voor Jeanne Brabants, waagde de Jong zich eerst in de jaren zestig aan de opera. Het komt niet vaak voor dat een componist van zo hoge leeftijd - hij was toen de zeventig voorbij - zich nog op dit veeleisende terrein begeeft. De Jong schreef op vijftien jaar tijds liefst drie avondvullende operapartituren. Alweer was de eerste de beste. Immers, bij de creatie van De lelijke meisjes van Bagdad, op. 135 (1964) in de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen, kreeg het stuk zo’n enthousiast onthaal dat het - wat in ons land toch werkelijk zeer uitzonderlijk is - het volgende seizoen nog hernomen werd. Esmoreit, op. 155 (1969) (het Middeleeuws abele spel herdicht door Anton van de Velde) daarentegen viel als de spreekwoordelijke baksteen. Zijn langste opera, Mitsanoboe, op. 124 (1968), kwam nooit tot uitvoering. Overigens was de Jong duidelijk meer lyrisch dan dramatisch geaard.

De vocale muziek beoefende hij zijn hele leven lang in talrijke koorwerken en niet in het minst in religieuze muziek waaronder een negental missen.

Verrassend was ook dat hij zich in zijn latere jaren nog ging toeleggen op de symfonie. De mooie Eerste Symfonie, op. 35 (1932), eveneens "op oude en nieuwe toonaarden" bleef immers lag de enige. De orkestratie was trouwens niet het sterkste wapen van de Jong, die nochtans meermaals het werk van vakgenoten beknibbelde met de stelling dat zij blijkbaar “het orkesttraktaat van Rimski niet gelezen” hadden. De Tweede Symfonie, op. 141 kwam er in 1965. Hierin werden talrijke volksliederen verwerkt; het meest opvallende deel van dit werk is het tweede (Improvisazione-Corale) dat doorspekt is met solistische cadenzen voor de onderscheiden orkestinstrumenten. De Derde Symfonie, op. 171 (1976) werd opgedragen aan de nagedachtenis van zijn ouders. Alle verhoudingen in acht genomen moet de Vierde Symfonie, op. 186 (1981), geschreven ter nagedachtenis van zijn geliefde echtgenote, als een merkwaardige prestatie beoordeeld worden, al was het maar omdat het hier gaat om een stuk van een negentigjarige. In niets is er enige verzwakking te bespeuren, vergeleken bij zijn vorig werk. Deze laatste symfonie eindigt met een Tripelkoraal en Fuga.

Tussen oud en nieuw
Samenvattend mag gezegd worden dat Marinus de Jong er in slaagde, binnen het traditionele stramien, een eigen, te herkennen taal te ontwikkelen. Zijn grote kracht lag in een persoonlijk harmonisch denken. In menige composities wordt de onbevooroordeelde luisteraar getroffen door schitterende invallen, spijtig genoeg te vaak verdronken in overtollige uitweidingen.

Ook zijn contrapuntisch kunnen is onbetwistbaar. Een voorbeeld onder vele is het symfonisch gedicht Ruimteraket Atlas, op. 122 (1964) waarin vier thema’s op een uitermate schrandere manier worden gecombineerd. Maar het klinkend resultaat is niet zo meeslepend en de bewondering die het opwekt, blijft eerder cerebraal. Op zich hoeft dat nog geen negatieve beoordeling te zijn, ware het niet dat de Jong wel vaker koel en afstandelijk overkomt.

Niettemin ontsnapt zijn oeuvre grotendeels aan een aantal kritische bedenkingen die dikwijls - terecht of ten onrechte - gemaakt worden in verband met de Vlaamse muziek van zijn tijd. Zo wordt er bijvoorbeeld gemakkelijk gezegd dat onze componisten te weinig techniek in huis hadden om internationaal mee te tellen. Wanneer echter die zelfde toondichters zich wél voor bepaalde nieuwe technieken en stijlen bleken te interesseren, dan werd betoogd dat ze er de diepere zin niet van begrepen en er epigonaal mee omgingen.

Professioneel was Marinus de Jong zeker. Hij bleef vertrouwen stellen in vakkennis, misschien zelfs te veel. Anderzijds had hij een te weinig plooibaar karakter om zich op sleeptouw te laten nemen door een of ander modeverschijnsel. Eenzaam, zelfs wat eigenzinnig en niet altijd naar waarde geschat, ging hij een eigen weg in het grensgebied tussen oud en nieuw, tussen romantiek en modernisme.

© Luc Leytens

Leytens, L.: Marinus De Jong, in: Kaderblad Jeugd en Muziek Vlaanderen, juni 1991, nr. 170, p. 3-8.