Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

De Sutter, Jules-Toussaint

Gent, 10/04/1889 > Fréjus (FR), 02/12/1959

Biografie

De Sutter, Jules-Toussaint

door Luc Leytens

Jules Toussaint De Sutter - Toussaint was zijn tweede voornaam, maar toch is hij in bepaalde encyclopedieën onder de T terug te vinden - was tijdens zijn leven een van de meest geachte toondichters in het land, "een der grote figuren onzer hedendaagse nationale muziekbeweging" (Karel de Schrijver). Naar Belgische maatstaven verliep zijn loopbaan schitterend. Hij kende vele successen en werd tot de hoogste ambten geroepen.

Een schitterende carrière
Reeds toen hij nog student was aan het Koninklijk Muziekconservatorium van zijn geboortestad Gent werd J.T. de Sutter algemeen beschouwd als een zeer veelbelovend talent. Hij verzamelde vele eerste prijzen, o.m. voor piano. Compositie leerde hij bij de toenmalige directeur Emile Mathieu (1844-1932), wiens lievelingsleerling hij was, en bij Paul Lebrun (1863-1920), de onfortuinlijke Romeprijs-laureaat (die had namelijk het ongeluk gehad om Guillaume Lekeu te kloppen, iets wat de Walen hem nooit hebben vergeven) en de lieveling van de overwegend Franstalige Gentse burgerij. De Sutter behoorde tot ditzelfde milieu.

Zijn naam kwam voor het eerst in de actualiteit in 1913 toen hij met zijn cantate Les Fiancés de Noël een tweede Romeprijs wegkaapte. Alles liet veronderstellen dat hij bij de eerstvolgende sessie de eerste prijs zou halen, maar toen brak de oorlog uit. Hij verbleef een tijdje in Engeland (waar hij in het huwelijk trad), maar kwam in 1917 als kanonier aan het Ijzerfront terecht. Hij werd hierom vereerd met het Vuurkruis. In 1918 werd hij echter benoemd tot tweede (en later tot eerste) dirigent van het Symfonisch Orkest van het Belgisch Veldleger. Dit orkest werd, na het einde van de oorlog, ontbonden. Het was het jaar 1919. De Sutter kon toen eindelijk opnieuw mededingen voor de Romeprijs. Hij won die ook met vlag en wimpel, met de cantate Thyl Ulenspiegel banni, op. 25.

In die tijd betekende het behalen van die onderscheiding zowat de garantie van een mooie officiële loopbaan. Als laureaat kon hij studiereizen ondernemen naar Italië, Frankrijk en Duitsland. Nog tijdens hetzelfde jaar werd hij benoemd tot directeur van de Stedelijke Muziekacademie van Oostende, als opvolger van Léon Rinskopf (1862-1915). In die jaren ging hij zich vervolmaken in de orkestdirectie, te Keulen bij de befaamde Hermann Abendroth.

In Oostende ontplooide De Sutter een buitengewoon drukke activiteit. Hij wist de reeds gunstig bekend staande academie, die echter door de oorlog was verwaarloosd, nieuw leven in te blazen en verder uit te bouwen. In 1926 bekwam hij het voorrecht dat de school voortaan de titel van Stedelijk Conservatorium mocht voeren. Hij werd dirigent in het Kursaal, naast zijn vriend François Rasse (1873-1955). Daar leidde hij tevens de concerten van vermeld Conservatorium. Hij liet zich opmerken door zijn ijver om Belgische muziek in zijn concerten in te schakelen. Zo programmeerde hij onder andere - en met een koor dat door hem was gesticht - belangrijke oratoria en cantates van César Franck, Peter Benoit, Edgar Tinel, Joseph Ryelandt enz.

Maar het was vooral als componist dat De Sutter van zich liet spreken, o.m. met een Symfonie in Re, op. 28 (1921), het symfonisch gedicht Ivan Tchernovitsch, op. 26 (1922), de symfonische elegie Sur la Mort d'un Enfant, op. 30 (1922), ter nagedachtenis van zijn zoontje, het oratorium Vlaanderen, op. 31(1927), het lyrisch poëma Tsilla, op. 32 (1929) e.a.

Lambrecht Lambrechts beschreef hem in die Oostendse jaren als "een rijzige man, met bleek gelaat en donkren baard" die als dirigent ook boeide "door zijn levendigheid, zijn wilskracht en zijn gloed". Maar, zo voegde hij eraan toe: "Een geweldenaar is De Sutter daarom niet, want hij weet wat de woorden voornaamheid en stijl betekenen... Hij weet dat er, zonder distinctie, geen muziek mogelijk is."

In 1936 volgde zijn benoeming tot directeur van het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent. Tegelijk werd hem er, zoals het de gewoonte was, de leiding opgedragen van de Conservatoriumconcerten. In die beide functies volgde hij Martin Lunssens (1871-1944) op. Deze laatste was toentertijd eveneens een geëerd toondichter, al viel de "grote uitgebreidheid" (Floris van der Mueren) van zijn werken niet in ieders smaak. Wie de programma's naleest van de concerten die Lunssens dirigeerde, komt tot het besluit dat hij eveneens van zeer lange concerten moet gehouden hebben. Toen De Sutter het roer overnam, werd de duurtijd dadelijk tot redelijke proporties herleid. Voor het overige werd een klassiek en gedegen programmabeleid voortgezet, waarbij vaak beroemde vedetten als solist werden uitgenodigd. Waar Lunssens een duidelijke voorliefde voor Wagner had aan de dag gelegd, ging De Sutters smaak blijkbaar eerder in de richting van de Fransen (o.m. Saint-Saëns en d'Indy) en de Russen.

Als opmerkelijke uitschieters noteren wij in de loop der jaren ook titels als Le Roi David van Arthur Honegger, de Symfonie Mathis de Maler van Paul Hindemith en zelfs de Negende Symfonie van Dimitri Sjostakovitsj.

Belangrijke werken uit de Gentse periode waren het symfonisch gedicht Roland, op. 52 (1937), de Symfonische Variaties, op. 51 (1941), de ouverture Artevelde, op. 62 (1945) en het symfonisch gedicht Fête, op. 72 (1951). De opera Maya, op. 67 (1950), op een Franstalig libretto van de vroeger zeer bekende Brusselse operazanger Laurent Swolfs (1878-1954), werd onder zijn persoonlijke leiding op 19 januari 1951 gecreëerd in de Gentse Opera, maar bracht het slechts tot drie opvoeringen.

In 1953 moest De Sutter wegens hartklachten de dirigeerstok overlaten aan gastdirigenten. Het volgende jaar bereikte hij de leeftijdsgrens en werd eredirecteur. Hij werd opgevolgd door Léon Torck (1903-1969).

Nog één werk zou hij voltooien: het Pianoconcerto, op. 73. Hij beschouwde het zelf als zijn zwanezang maar door dramatische omstandigheden zou het een postuum werk worden. Inderdaad vond J.T. de Sutter samen met zijn echtgenote op 2 december 1959 de dood bij de ramp in het Franse Fréjus waar hij op vacantie was. Hij werd namelijk meegesleurd bij de dambreuk en verdronk.

Het was de befaamde Gentse pianist Marcel Gazelle (1907-1969) die het volgende jaar dit pianoconcerto creëerde te Luik, onder de leiding van Fernand Quinet (1898-1971).

Zijn oeuvre
Van De Sutters composities is er zeer weinig uitgegeven. De handschriften berusten in de bibliotheek van het Gentse Conservatorium. Behalve de reeds vermelde grotere werken heeft hij ook een Lamento voor cello en orkest, toneelmuziek, kamermuziek (o.m. een Vioolsonate, op. 44 en twee strijkkwartetten), piano- en orgelstukken, koorwerken en talrijke liederen, zowel op Nederlandse als Franse teksten nagelaten. Verschillende Nederlandse liederen (op teksten van Hiel, De Clercq, Lambrechts e.a.) werden gepubliceerd door het Willemsfonds en door De Ring.

Alle tijdgenoten prezen zijn vakmanschap en de zorg waarmede hij zijn werken voltooide. Stilistisch situeert zijn oeuvre zich op de grens van de laat-romantiek en het impressionisme. Sommige critici meenden in hem een "Vlaams" temperament te erkennen, waarmede gewoonlijk een zekere uitbundigheid en zin voor kleuren bedoeld worden; een mooi voorbeeld is wel de ouverture Artevelde waarin het bekende Arteveldelied als leidraad dient. Maar tegelijk werd toch ook een grote beheersing, jazelfs een zekere strengheid, als kenmerkend aangestipt. Tussen de regels door kan men het zelfs interpreteren als gemoedsreserve.

Sommige stukken zoals de Sonatine, op. 54 of de Toccata, op. 70 - beide voor piano - lijken eerder pedagogische bedoelingen te hebben gehad. Het Pianoconcerto is dan weer uitbundiger, hier en daar wat grootsprakerig, en lijkt eerder het werk van een Rachmaninov-epigoon.

Wij moeten ons nochtans veelal verlaten op wat tijdgenoten ervan vonden want slechts uitermate zelden hoort men nog eens iets van deze componist, meestal dan nog oude radio-opnamen.

Zelfs schijnt De Sutter een voorkeur aan de dag te hebben gelegd voor zijn Symfonische Variaties. Hij koos dit werk immers uit om bij een autobiografische notitie (zie bibliografie) nader te belichten. Naar het schijnt heeft ook zijn collega, de dirigent-componist Flor Alpaerts, het bijzonder gewaardeerd. Maar de schrijnende orkestbladzijde Sur la Mort d'un Enfant heeft wel de sterkste indruk nagelaten, misschien omdat het juist de weerslag is van een persoonlijk leed, het verlies van zijn enig kind.

Wel kan aangestipt worden dat het oeuvre van De Sutter slechts heel weinig aftrek heeft gekend buiten de plaatsen waar hij het zelf verdedigde. Volstaat dit om de algehele vergetelheid te verklaren waarvan hij het slachtoffer is?

In elk geval deelt hij hiermede het droevig lot van zovele Vlaamse componisten. Het lijkt er wel op dat vooral de Gentse toondichters in dat opzicht alle records breken. Niet alleen de vroeger zo geëerde Conservatoriumdirecteurs als Adolphe Samuel (1924-1898), Mathieu of Lunssens, maar ook figuren als Jan van den Eeden (1842-1917), Lebrun, Oscar Roels (1864-1938), Franz Uyttenhove (1874-1923), Henri-Georges D'Hoedt (1885-1936), en dichter bij ons een Prosper Van Eechaute (1904-1964) zijn daar, onder vele anderen, voorbeelden van. Met enige overdrijving zou men bijna kunnen stellen dat een Gents componist vergeten wordt vanaf de dag van zijn overlijden... In het geval van De Sutter kwam er misschien nog een niet te onderschatten extra-artistieke reden bij: te weinig Vlaams voor de flaminganten, was hij wellicht te Vlaams voor de verdedigers van een "universele" muziektaal, hoe die dan ook moge klinken. Achteraf beschouwd kunnen zulke overwegingen al even onbelangrijk lijken als het afgezaagde verwijt dat aan al zijn Vlaamse tijdgenoten gericht wordt, namelijk dat ze te weinig "vernieuwend" waren.

Waar het immers op aankomt is de persoonlijkheid, het eigen profiel, of dit nu als "conservatief" dan wel als "progressief" kan bestempeld worden. Tijdgenoten vonden dat De Sutter wel persoonlijkheid bezat, maar zijn verzorgde werken beklijven weinig.

Hij verdient misschien het voordeel van de twijfel. Om een meer gefundeerd oordeel te kunnen vellen, zou men de partituren moeten kunnen bestuderen en vooral zijn muziek herhaaldelijk, en zo mogelijk in diverse interpretaties, kunnen horen. Een componist staat in dat opzicht in een zeer zwakke positie, vergeleken bij een schilder bijvoorbeeld. In een museum hangen er - gelukkig maar - ook niet alleen werken die "vernieuwend" waren of een betekenis hadden voor de evolutie. Romantische schilders die enkele jaren terug nog onder het spottend etiket "pompier" in de reserves werden gestopt, worden steeds vaker opnieuw "ontdekt". En wie had bijvoorbeeld dertig jaar terug de herwaardering voor de "Art Nouveau" durven voorspellen? In de plastische kunsten is een voortdurende reëvaluatie - basis van elke cultuur - zeer goed mogelijk. In de muziek kan dat slechts op voorwaarde over sonore documenten te beschikken.

In ons kleine land, waar er geen noemenswaardige platenindustrie bestaat en waar op muzikaal gebied een conformistische smaak en programmabeleid overheersen, is de mogelijkheid tot zo'n reëvaluatie praktisch onbestaande. In dit opzicht schiet ook de overheid thans deerlijk tekort. Zo lang er aan die toestand niet drastisch verholpen wordt, zullen de werken van een De Sutter en van vele anderen dood papier blijven.

Een pionier van Jeugd en Muziek
Jules Toussaint de Sutter was ongetwijfeld een belangrijk pedagoog, en dit niet enkel als directeur van instellingen voor muziekonderwijs. Reeds in zijn Oostendse tijd organiseerde hij concerten voor de jeugd. Volgens sommige bronnen zou hij zelfs de eerste in het land zijn geweest om zo'n initiatief te nemen. Toen hij terug naar Gent verhuisde, nam hij er de opleidingsconcerten over die ook Martin Lunssens in het leven had geroepen. In feite waren het ontdubbelingen van de Conservatoriumconcerten, lichtjes aan jonge oren aangepast door de programma's met enkele nummers in te korten.

Een ander opvallend onderscheid tussen de Conservatoriumconcerten en de opleidingsconcerten was dat (met uitzondering van de jaren van de Tweede Wereldoorlog) de programmabrochures van de eerste tweetalig waren (wat ze overigens tot in het seizoen 1964-65 zouden blijven), terwijl er bij de tweede en ook bij de latere Jeugd en Muziek-concerten altijd eentalig Nederlandse programma's werden uitgegeven.

Toen Marcel Cuvelier de in 1940 te Brussel opgerichte 'Jeunesses Musicales' in het land (of: in de provincie, zoals men dat graag in Brussel uitdrukt) wilde propageren, was De Sutter de eerste persoon die hij met dat doel contacteerde. Dit gebeurde in 1942. Onder de benaming "Muzikale Jeugd van Gent" werd dit dus, nog tijdens de oorlog, de eerste afdeling die buiten de hoofdstad werd opgericht.

Eerst op 18 mei 1945 nam zij het juridische statuut aan van een vereniging zonder winstoogmerk. De Sutter prijkte als eerste op de officiële ledenlijst (met 5 aandelen op 26), onmiddellijk gevolgd door Marcel Cuvelier. Opvallend in die eerste statuten was dat er, behalve uiteraard aan de muziek, tevens aan het toneel werd gedacht. Onder de stichters bevonden er zich niet minder dan vijf Gentse zogeheten "rhetoricakamers".

Was dit de reden waarom De Sutter het voorzitterschap overliet aan Fernand van Ackere, erevoorzitter van de rhetoricakamer "Jezus metter Balsemblomme"? In elk geval dirigeerde hij tot in 1953 alle grote concerten van Jeugd en Muziek, aan het hoofd van het Conservatoriumorkest van Gent.

©  Luc Leytens

Leytens, L.: Jules Toussaint De Sutter, in: Kaderblad Jeugd en Muziek Vlaanderen, september 1989, nr. 163, p. 3-9.