Desmet, Aloys

Ooigem, 12/06/1867 > Mechelen, 04/07/1917

Biografie

Desmet, Aloys

door Annelies Focquaert

Net zoals zijn broer Alfons begon Aloys (Aloïs) Desmet in 1885 zijn muziekstudies aan het Lemmensinstituut van Mechelen, dat toen onder leiding stond van Edgar Tinel. In 1888 behaalde hij het diploma orgel van de eerste graad (later de Prijs Lemmens-Tinel genoemd), waarop Tinel hem als orgelleraar in dienst nam. Toen Edgar Tinel in 1909 directeur werd in het Conservatorium van Brussel, volgde Desmet hem op, niet alleen als directeur van het Lemmensinstituut maar ook als kapelmeester van de St.-Romboutskathedraal. Onder zijn leiding nam de school een grote uitbreiding, waarbij het leerlingenaantal verdubbelde. Ook buiten de muren van zijn school zette hij zich in voor de verbetering van de kerkmuziek: hij stichtte een afdeling van de Gregoriusvereniging in Mechelen, richtte verschillende kostersbonden op, gaf lezingen over muziekgeschiedenis en liturgische muziek en gaf muziekles in kloosters. Hij richtte in Mechelen ook een koor op, dat als Cijferistengild (later Mechelsch Gemengd Koor) door het leven ging. De zangers leerden via cijferschrift ‘honderd en meer kilo's Vlaamsche muziek’ die Desmet voor hen omzette. Onder zijn leiding zongen ze gedurende tien jaar op allerlei concerten en Liederavonden voor het volk, vaak in samenwerking met August De Boeck en Herman Baccaert (die Desmets schoonbroer was). In 1910 gaf Desmet de fakkel door aan de Mechelse organist Durieux.  

Desmet componeerde verscheidene missen en motetten voor koor en orgel (onder meer Missa in hon. Sti Liberti, Missa in hon. Sti Martini, Missa in hon. Sti Joannis Berchmans, Missa O Amator Castitatis). Hij legde zichzelf bewust de beperking op om deze werken in een toegankelijke, niet al te moeilijke maar steeds waardige stijl te componeren, zodat ze binnen de uitvoeringsmogelijkheden lagen van organisten en koren op het platteland en ook lang op hun repertoire bleven staan. Het‘Caecilien-Verein’ nam zijn werken op haar cataloog en maakte zo zijn naam ook in Duitsland bekend. Samen met zijn broer Alfons en zijn vriend en collega Oscar Depuydt bracht Desmet een standaardwerk in negen boekdelen tot stand, hetOrganum Comitans: orgelbegeleidingen van het Graduale Vaticanum, dat tot op vandaag zijn diensten bewijst. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ging zijn hele partituurvoorraad in vlammen op; ook de drukplaten gingen verloren. Zijn niet-godsdienstige composities blijven beperkt tot enkele liederen in romantische trant, gekenmerkt door een fijne, originele begeleiding; het bekendste in de reeks, op de tekst van R. J. Jordens, is zijn Wiegelied (1906). 

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek - Annelies Focquaert