Grisar, Albert

Antwerpen, 26/12/1808 > Asnières (FR), 15/06/1869

Artikels

Höflich-uitgave: Le Carillonneur de Bruges (1852)

De historiserende opera Le Carillonneur de Bruges is een buitenbeentje in de operaproductie van Albert Grisar die voor de rest vooral floreerde in het genre van de 'opéra bouffe'. Het is niet duidelijk hoe het toch wel zeer specifieke Vlaams onderwerp van de Spaanse bezetting en de beiaard de Franse librettist Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges is aangewaaid. Heeft Grisar hem om dit libretto gevraagd? Of heeft de Saint-Georges een Vlaams thema gekozen om met Grisar te kunnen samenwerken?

Deze drie-akter speelt zich af in Brugge tijdens de Spaanse overheersing. Een hoofdrol is weggelegd voor de oude beiaardier Mathéus Claës en zijn beiaardklokken. Dat Mathéus, een Quasimodo-achtig figuur, doof is geworden - door het gelui(d) van zijn klokken? - is in de plot een belangrijk dramatisch element. Mathéus is een patriot en zijn hart bloedt als de Spanjaarden de Vlaamse vlag van de toren gooien. Zijn dochter Béatrix is verliefd op Wilhem, niettegenstaande zijn naam 'capitaine au service de l’Espagne'. Een Romeo en Julia-achtige thematiek dus. Mathéus schenkt Wilhem de hand van zijn dochter, maar Mathéus’ neef Van Bruck en zijn nicht Mésangère zorgen voor verwarring met een verhaal over een geheime minnaar die ‘s nachts Béatrix gekust zou hebben. Tot grote ontsteltenis van Wilhem en Mathéus. Maar Béatrix’ enige, maar grote geheim is dat ze in haar huis het zoontje van gravin Marie van Brabant verborgen houdt. Niettegenstaande de gravin op bevel van Filips II gevangen wordt gehouden, is ze toch in het geheim gehuwd en heeft ze een erfgenaam kunnen baren. Béatrix is de 'soeur de lait' (zoogzuster) van de gravin en houdt zo de erfgenaam uit de handen van de Spaanse bezetter.

Mésangère, een volkszangeres die prentjes van de Heilige Maagd verkoopt, komt op bezoek bij Béatrix, maar ze werd gevolgd door don Juan d’Hermosa, de Spaanse gouverneur en enkele van zijn officieren. Don Juan doet zijn naam alle eer aan. Hij is bekoord door de mooie Mésangère en hij wil dat ze voor hem zingt. Ze zingt een Spaans lied over "le noble hidalgo Giuseppé qui fut trompé". Na afloop komt een vertrouweling van de gouverneur melden dat de gravin ontvlucht is. De gouverneur dreigt het huis van Béatrix doorzoeken waar het zoontje van de gravin te slapen ligt en om dat te vermijden, komt de gravin uit haar schuilplaats.

Terwijl het koor een hulde brengt aan de vlag van Vlaanderen, krijgt Mathéus zijn gehoor terug. Hij kan opnieuw zijn klokken horen: "Mes cloches, c’est bien là votre voix!" De herbergier Van Bruck zegt in een dronken bui tegen de vertrouweling van de gouverneur dat hij Béatrix heeft gezien met een kind in haar armen. Mathéus is in de buurt maar Van Bruck weet niet dat hij opnieuw kan horen: de oude beiaardier denkt nu dat zijn dochter inderdaad een kind van een minnaar heeft. Omdat de gouverneur vermoedt dat het om het kind van de gravin gaat, houdt Béatrix tegen iedereen vol dat het wel degelijk haar eigen kind is. Al moet ze daarmee de toorn van haar vader trotseren: "Père! Je viens demander grâce, si vous saviez... si j’osaisdire, j’ai juré! de me taire hélas." Mathéus vervloekt zijn dochter en jaagt haar weg.

Op kermisdag wordt opgeroepen tot opstand tegen de Spanjaarden. Mathéus zal ‘s nachts met de klokken het signaal geven. Terwijl hij de klokken luidt, brengt Méssangère een brief van Béatrix. Omdat ze de ware toedracht niet kan vertellen, wil ze zich van de toren gooien van zodra ze de klokken hoort luiden. Een verschrikte Mathéus houdt onmiddellijk op met luiden, maar hij hoort een luide gil. Hij vreest dat zijn dochter gesprongen is, maar Van Bruck heeft haar nog op tijd kunnen tegen houden. De opera eindigt met een hulde aan de vlag van Vlaanderen. Dat beletten Grisar en de Saint-Georges niet om deze nationalistisch geïnspireerde opera op te dragen aan 'sa Majesté Leopold Ier, Roi des Belges.'

Le Carillonneur de Bruges werd op 20 februari 1852 in de 'Opéra-Comique' in Parijs gecreëerd. Kosten noch moeite werden gespaard en Grisar kreeg een droomcast ter beschikking. De basrol van Mathéus werd gezongen door Bataille, een zanger met een groot acteertalent die rol ook een komische invulling gaf. De rol van Béatrix werd ingevuld door een debutante die aan het begin stond van een geweldige internationale carrière, namelijk de twintigjarige alt Palmyre Wertheimber. Mésangère werd gecreëerd door de sopraan Marie Félix-Miolan (later in het Théâtre-Lyrique bekend als de primadonna Miolan-Carvalho). Van Bruck werd vertolkt door Charles-Louis Sainte-Foy. Deze buffotenor zong in meer dan zestig wereldpremières, waaronder nog Grisars Les Porcherons en Le Joaillier de Saint-James.

Een van de succesnummer werd de aria waarin Mésangère het verhaal van 'le noble hidalgo Giusepé' zong, een aria gemodelleerd naar de typisch Spaanse bolero. In de Revue et Gazette musicale de Paris van 22 februari 1852 roemde de criticus Henri Blanchard Grisars bolero als "cette perle de mélodie enchâssée dans une harmonie légère et brillante qui en fait ressortir au mieux le caractère ibérien." Ook het koor van de bierdrinkers in de derde acte kende veel bijval.

Grisars ware roeping was de 'opéra-bouffe', maar met dit libretto toonde hij serieuzere ambities. Sommige critici meenden dat het libretto meer politiek dan dramatisch was en dat het onderwerp beter geschikt was voor Giacomo Meyerbeer. Een journalist noemde het werk 'une erreur d’un homme de talent', terwijl Henri Blanchard onder andere schreef: "Sur ce tableau coloré des passions ardentes du moyen-âge, le compositeur a jetè des chants et une harmonie de toutes les époques. Il a tenté de faire de l’Orlando Lassus, du Bach, car il s’est essayé au style fugué dans un morceau bachique; du Grétry, du Méhul, du Boieldieu, de l’Hérold et jusqu’à du Verdi, dans les masses vocales et les détonations de l’instrumentation. Ce qui lui a le mieux réussi, c’est quand il a fait du Grisar, de l’harmonie et des mélodies faciles (...). L’ouverture témoigne du respect du compositeur pour la vieille et bonne forme de ces préfaces musicales." Grisar weet het Rossini-crescendo hier bijzonder goed aan te wenden. Een extra attractie in de opera waren, her en der in het stuk verspreid, de klokkenimitaties in het orkest.

Grisar borduurde verder op de traditie van zijn landgenoot André-Modeste Grétry. Hij had de gave van de melodie, als geen ander kon hij een dialoog op muziek zetten en zijn beste werken ademen finesse, charme en esprit. Zijn opera’s werden zowel door het grote publiek gesmaakt als door zijn collega’s geprezen. In een artikel over 'la musique bouffe' plaatste een grootmeester als Jacques Offenbach Grisar in de zelfde rij als Grétry en Rossini. En na zijn dood werd deze Vlaamse componist, die het grootste deel van zijn carrière in Parijs doorbracht, door de Franse muziekpers geprezen als 'un des compositeurs les plus aimés de l’école française' en 'savant et fécond mélodiste'. Met Le Carillonneur de Bruges bracht Grisar Brugge en de beiaard onder de Parijse aandacht, lang voor Georges Rodenbach met zijn Bruges-la-morte (1892) en Le Carillonneur (1897).

Muziekbibliotheek VRO-VRK/Albertina-bibliotheek, Brussel. Herdruk van een kopie van de Bibliotheek van het Conservatorium van Antwerpen.

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 035, 2005].