Limnander van Nieuwenhove, Armand-Marie-Ghislain

Gent, 22/05/1814 > Moignanville (FR), 15/08/1892

Biografie

Limnander van Nieuwenhove, Armand-Marie-Ghislain

door Jan Dewilde

Zelden was de discrepantie groter tussen de roem die een Vlaams componist bij leven genoot en de vergetelheid waarin hij de dag van vandaag is gesukkeld, als bij Armand Marie Ghislain Limnander, baron van Nieuwenhove. Jarenlang was hij in Parijs een gerespecteerd en veel uitgevoerd operacomponist, maar na zijn dood bleef het oorverdovend stil. In zijn Biographie universelle (1867) noemde François-Joseph Fétis hem een van de beste operacomponisten van Frankrijk en in 1873 schreef de Grand dictionnaire universel du XIXe siècle (de Larousse) dat ernstige musici Limnander hoogachtten. Een eeuw later wordt hij in de Algemene Muziek Encyclopedie acht armzalige, nietszeggende regels waard geacht; in The New Grove of de Musik in Geschichte und Gegenwart krijgt hij zelfs helemaal geen biografisch artikel. The New Grove Dictionary of opera (1992) en Lexicon der Oper (2002) besteedden evenmin aandacht aan Limnander.

 

Van Mechelen naar Parijs

De adel stuurde haar kinderen naar buitenlandse elitescholen en zo werd de jonge Armand Limnander naar een Jezuïetencollege in het Frans Saint-Acheul en het Zwitserse Freiburg gestuurd. Daar kreeg hij muzieklessen van de Belgische priester-componist-organist Louis Lambillotte (1797-1855). Lambillotte was een specialist van het gregoriaans en engageerde zich voor de restauratie van de kerkmuziek. Als componist liet hij vooral kerkmuziek na. Er was een tijd dat er geen huwelijk voltrokken werd zonder dat de bruid een boeket bij het beeld van de Heilige Maagd plaatste terwijl Lambillottes hymne Au jourd’hui, o Belle Mère, gezongen werd.

Na zijn huwelijk verhuisde Limnander naar Mechelen. Daar stichtte hij de Société symphonique des amateurs de musique en een koor dat in 1841 de naam Réunion lyrique aannam. Het is voor dit mannenkoor dat hij een hele reeks koorwerken schreef, met titels als Hymne à l’harmonie, Boléro, Les gueux de mer of Le départ des pasteurs. De meeste van die koren werden gepubliceerd. Omdat Limnander nood voelde aan een meer gedegen muziektechnische scholing, volgde hij in die jaren compositielessen bij François-Joseph Fétis.

Begin 1845 trok hij dan naar Parijs met de brandende ambitie om het er als operacomponist te maken. De Parijse operascène was le baptistère obligé des talents Européens, zoals musicoloog Edmond Van der Straeten het verwoordde. Een succes in een Parijs operahuis opende vele deuren en kon het begin zijn van een internationale carrière.

Limnander arriveerde in Parijs met aanbevelingsbrieven op zak van zijn neef markies Gueulluy de Rumigny, de Franse ambassadeur te Brussel en een vertrouweling van de Franse koning Louis-Philippe, de schoonvader van Leopold I, de eerste koning van België. Die introducties gaven hem toegang tot vooraanstaande cenakels en het hof. Dankzij François-Antoine Habeneck, premier chef van de Opéra, kon Limnander al kort na zijn aankomst, op 12 april 1845, een koorconcert even. Hector Berlioz, die altijd nieuwsgierig was naar nieuwe muziek, schreef een lovende recensie. Hij was aangenaam verrast, vooral over het koor Hymne à l’harmonie waarin een passage à bouche fermée (bocca chiusa of Brummstimme) voorkomt. C’est un effet nouveau dont nous devons l’introduction en France à M. Limnander, schreef Berlioz op 29 april in Journal des débats. Blijkbaar was Limnander de eerste om deze zangtechniek in Frankrijk te introduceren. Het effect werd al vlug heel populair en dook op in Haydée van Auber, in Christophe Colomb van Félicien David en in Verdi’s Rigoletto. Op 14 december van dat jaar dirigeerde Habeneck in het conservatorium een volledig Limnander-programma met, naast koren, ook de grote orkestfantasie La fin de la moisson. Schrijver en criticus Théophile Gauthier woonde het concert bij en voorspelde: M. Limnander réussirait aisément au théâtre.

In 1847 besliste Limnander om zich definitief in Parijs te vestigen. Hij was gelanceerd en kreeg regelmatig kansen om zijn nieuwe composities te laten horen. Zijn werken voor solisten, koren en orkest werden in de pers vergeleken met Berlioz en David. Het lag dus voor de hand dat hij al vlug zijn kans zou krijgen op de operascène, al moest hij door de politieke omstandigheden geduld oefenen om zijn eersteling te horen. Zijn eerste opera moet al in juli 1847 zo goed als voltooid geweest zijn: hij vroeg toen immers Meyerbeer te bemiddelen voor een opvoering in Berlijn. Meyerbeer antwoordde echter op 21 juli dat hij hem niet kon helpen.

De Opéra-comique zou in februari 1848 zijn opera Les Monténégrins creëren, maar toen brak de revolutie uit en werd de republiek uitgeroepen, zodat Limnander nog tot 31 maart 1849 moest wachten vooraleer zijn opera in première ging. Het nog actuele libretto over het conflict tussen liefde en plicht speelt zich af tegen de achtergrond van de onafhankelijkheidsstrijd van Montenegro in 1807 en die thematiek inspireerde Limnander tot een krachtige en kleurrijke partituur die fel toegejuicht werd. Er zit duidelijk vaart én variatie in die partituur en hij lijkt over een zeker vaardigheid te beschikken om met grote ensembles om te gaan. Naar de mode van die tijd werd hier en daar een vleugje couleur locale toegevoegd, zoals in de aria’s van de Gitana en van de Romaïka en in la chanson mauresque. Succesnummer was het duet Mon amour t’accompagne tussen sopraan en tenor, dat à bouche fermée door een mannenkoor werd begeleid. De sopraanpartij werd overigens gezongen door Delphine Ugalde, die toen aan het begin stond van een grote carrière.

Na de première profeteerde Berlioz dat het werk voor de Opéra-Comique een goudmijn zou betekenen. En dat was ze ook voor Limnander, te meten aan de vele pianobewerkingen en –variaties die zogenaamde tapoteurs d’ivoire als Henri Cramer en Franz Hünten publiceerden. Les Monténégrins werd in 1858 in de opéra-Comique hernomen, zij het in een tot twee aktes gereduceerde versie.

 

Blauwbaard

Merkwaardig, maar nooit nog zou Limnander het succes van Les Monténégrins evenaren. Zijn volgende komische opera Le château de Barbe-Bleue werd door pers en publiek lauw onthaald. Dat operalibretto’s vaak ongeloofwaardig zijn is geen nieuws, maar wat Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges hier uit zijn pen schudde, sloeg wel alles. Saint-Georges was nochtans niet de eerste de beste, zo leverde hij de libretto’s voor succesvolle opera’s als La fille du régiment van Donizetti en La reine de Chypre van Halévy. Kwam daar nog bij dat de première op 1 december 1851 overschaduwd werd door de staatsgreep die Louis Napoléon Bonaparte de dag nadien – op de verjaardag van de keizerskroning van Napoléon I – pleegde. De kranten hadden wel iets anders om over te schrijven. Dat een opera van Limnander nu al voor de tweede keer gepaard ging met een politieke omwentelingen deed een bonapartistische journalist na de installatie van de derde republiek in 1870 schrijven: Donnez-nous donc un ouvrage, cher maître; vos premières annoncent un changement de régime.

Blauwbaard is hier een vrouwelijk specimen dat er ten onrechte van beschuldigd wordt haar echtgenoten te vermoorden. In zijn Biographie universelle beweert Fétis dat Limnander met Le château de Barbe-Bleue een grote stap vooruit zette en dat de opera verschillende prachtige stukken bevat. De oorzaak van het mindere succes zag Fétis in la froideur du livret. Charles Van den Borren prees de psychologische tekening van de personages en Limnanders onloochenbaar toneeltalent. Wel laakte hij de momenten dat Limnander naar destijds toonaangevende formules grijpt.

Vanuit muziekhistorisch standpunt is Limnanders tweede opera belangrijk omdat de componist hier als een der eersten het operaorkest van saxofoons voorziet. De allereerste zou Georges Kastner zijn geweest in Le dernier roi de Juda (1844).

Niettegenstaande de lauwe ontvangst van zijn Blauwbaard-opera kreeg Limnander in 1853 zijn kans in de Opéra, het walhalla van de operacomponisten. Niet alleen voor het prestige trouwens, maar ook omdat de auteursrechten daar het hoogst waren. Met Le maître-chanteur schreef Limnander een grand opéra in slechts twee aktes. Zo bleef er na de opera nog plaats voor een ballet en dat was een avondvullende combinatie die in de smaak viel van het publiek. De kritiek was verdeeld en Le maître-chanteur, die in de Opéra alterneerde met successen als Robert le diable en Le prophète, verdween al vlug van de affiche. Later herwerkte Limnander de partituur, hij breidde ze uit met een derde akte en die versie haalde in 1856 als Maximilien le maître-chanteur of Maximilien à Francfort toch nog eens de scène van de Opéra. Volgens Van den Borren schreef Limnander hier minderwaardige Meyerbeer.

Limnander waagde zich aan het thema van de maître-chanteur meer dan tien jaar eerder dan Richard Wagner. Volgens Robert Letellier, een Meyerbeerspecialist en een kenner van muziek uit de negentiende eeuw, is het niet onmogelijk dat Limnander Wagner hier in de keuze van zijn thema heeft beïnvloed. Alleszins verbleef Wagner rond die tijd in Parijs.

Daarna bleef het tijdje stil rond Limnander. Volgens Fétis had dat te maken met:

la rareté des bons livrets destinés à la musique, et surtout par la mauvaise organisation des théâtres lyriques de Paris, dont les privilèges sont donnés habituellement à des spéculateurs inintelligents, étrangers à l’art et incapables d’apprécier le talent d’un artiste et le mérite d’un ouvrage.

M. Limnander fit la dure épreuve des effets de cette déplorable organisation après Le maître chanteur, en dépit du rang honorable qu’il tient parmi les meilleurs compositeurs dramatiques de la France.

 

Le pauvre Limnander

Ondertussen werkte Limnander aan Les blancs et les bleus, een libretto van Eugène Scribe. Scribe heeft gedurende een halve eeuw libretto’s geleverd voor zowat elke operacomponist die in Parijs voorbijkwam – van Auber (La muette de Portici) over Verdi (Les vêpres siciliennes) tot Offenbach (Barkouf). Scribe was een zeer succesvolle librettist omdat hij goed aanvoelde wat het publiek verlangde en omdat hij de componisten uitstekend diende. Zijn libretto’s waren en cocktail van tragische passie, hoog oplopende conflicten, scherp getekende en contrasterende personages, een goede plot, humor en satire, spektakel met ballet en massascènes, en dit alles tegen een historische achtergrond of een bepaalde couleur locale. Die gouden formule paste hij ook toe in Les blancs et les bleus – het verhaal speelt in Bretagne in 1794 – maar Limnander kreeg niet de beste Scribe.

De tocht naar de première werd een lijdensweg. In 1857 voltooide Limnander de opera; in augustus 1858 zette de Opéra-Comique de opera in repetitie, maar pas op 29 november 1859 – na enkele revisies en titelwijzigingen – ging het werk onder de titel Yvonne in première. Maar de reden voor die vertraging lag grotendeels buiten Limnanders wil om. Stoorzender moet Meyerbeer zijn geweest die rond die tijd met Le pardon de Ploërmel ook een opera klaar had die zich net als Yvonne in Bretagne afspeelde. Meyerbeer zag Limnanders opera als mogelijke concurrentie en daarom speelde hij de operahuizen tegen elkaar uit zodat Limnanders opera steeds maar werd uitgesteld in afwachting van een definitieve beslissing. Uiteindelijk kreeg de machtige Meyerbeer zijn zin en zijn opera ging in de Opéra-Comique eerst in première. Met de Belgische sopraan Marie Cabel als Dinorah, de hoofdrol. De opera werd trouwens vaak onder de titel Dinorah opgevoerd. Limnander kreeg in de hoofdrol de alt Palmyre Wertheimber, die onder meer de creaties van Le carillonneur de Bruges van Albert Grisar (1852) en van Charles Gounods La nonne sanglante (1854) had gedaan.

In de (muziek)pers is dit moeizame creatieproces op de voet te volgen. En meer dan een halve eeuw later, in 1913, rakelde Saint-Saëns, in een bloemlezing van zijn geschriften, het incident nog eens op:

Meyerbeer aurait désiré comme interprètes M. Faure et Mme. Carvalho ; mais l’un était à l’Opéra-Comique et l’autre chez elle, au Théâtre-Lyrique ; l’ouvrage fut transporté plusieurs fois de la Place Favart [waar de Opéra-Comique was gehuisvest] à la place du Châtelet [Théâtre Lyrique]. Ces hésitations de l’auteur n’étaient qu’un prétexte ; au fond, ce qu’il voulait, c’était l’ajournement d’un opéra de Limnander, Les Blancs et les Bleus, dont l’action se passait en Bretagne, comme Dinorah ; les deux théâtres, dans l’espoir de fixer le choix de Meyerbeer, éconduisaient tour à tour le pauvre Limnander. En dernier lieu, Dinorah échut à l’Opéra-Comique, où Mme Marie Cabel, MM. Faute et Sainte-Foix après de longs travaux exigés par l’auteur, réalisèrent une exécution parfaite.

Het is opvallend da Meyerbeer in zijn dagboeken de beschuldigingen, dat hij de operadirecteurs manipuleerde om Limnanders opera uit te stellen, niet ontkende. Meyerbeer was zeer gevoelig voor wat er in de pers over hem verscheen en hij las alle artikels nauwgezet na. Ook de Belgische pers; telkens wanneer er in L’Indépendance belge of in de Parijse pers artikels over de affaire verschenen, noteerde hij in zijn dagboek dat hij die dag niets heeft kunnen componeren omdat die artikels hem een verschrikkelijke hoofdpijn bezorgden. Meyerbeer was een van de machtigste, want succesvolste mannen in het Parijse muziekleven en het is dan ook evident dat Limnander het onderspit moest delven. Meyerbeer en Nestor Roqueplan, directeur van de Opéra-Comique onderhandelden met Limnander en Scribe. Op 7 en 9 november 1858 schreef Meyerbeer in zijn dagboek dat Limnander en Scribe instemden met de volgorde van de premières. Ze hadden waarschijnlijk weinig keuze.

Dat Limnander het pleit verloor, vond Gustave Chaeuil in de krant Le Siècle maar normaal: Limnander was Meyerbeer niet.

Ne l’en plaignons pas trop; s’il était venu le premier, son succès, si grand qu’il eût pu être, n’eût pas pu tenir contre celui du Pardon de Ploërmel. Il n’avait ni Mme Cabel, ni Faure, ni Sainte-Foy, et l ne s’appelait pas Meyerbeer.

Meyerbeers opera werd een kaskraker, niet alleen wegens die prachtige aria van de schaduw (Ombre Légère), later een van de lijfstukken van Maria Callas, maar ook omwille van de enscenering: er liepen geiten op de scène en de decorbouwers hadden voor een echte waterval gezorgd.

Limnanders Yvonne flopte niet, maar een echt succes werd het ook niet. Nochtans was het volgens Fétis:

incontestablement un des meilleurs opéras joués depuis dix ans à ce théâtre : cependant cet ouvrage, après avoir attendu longtemps son tour de représentation au Théâtre Lyrique, dût être transporté à l’Opéra-Comique, et quoiqu’il ait complètement réussi, et que les journaux se soient accordés sur les éloges donnés à la partition de M. Limnander, la détestable administration qui mettait alors ce théâtre en péril n’en fit donner qu’un petit nombre de représentations.

Ook Van den Borren loofde Limnanders Bretoense opera. Het werk luidde wel het einde van zijn operacarrière in. Er volgden nog twee hernemingen van herwerkte en ingekorte opera’s, maar zijn laatste grand opéra La messe de minuit bleef onuitgevoerd. Limnanders opera’s werden heel regelmatig in zijn geboorteland uitgevoerd. Les Monténégrins bijvoorbeeld stond in 1880 nog op het repertoire van de Muntschouwburg.

Ontgoocheld door alle tegenwerking vertrok Limnander naar Spanje waar hij de uitbating van een private spoorlijn tussen Badajoz naar Ciudad Reale van zijn overleden schoonbroer en schoonzuster overnam. Zijn vertrek uit Parijs werd in de pers betreurd. Als een componist als Limnander al de handdoek in de ring moest gooien, welke kansen hadden jonge componisten dan nog? Franse bladen waren ontgoocheld:

de voir un artiste comme M. Limnander découragé au point de renoncer à un art dans lequel il excelle. – Avoir fait Les Monténégrins et Le Maître-Chanteur et aboutir à un chemin de fer, faute de théâtre ou par le mauvais vouloir des directeurs ! Quelles leçons pour les débutants ! (La France musicale, 25 januari 1863).

Na enkele jaren keerde Limnander naar Parijs terug. Hij hield zich ver van de operascène, maar was wel nog actief in de koorwereld. Zo was hij tijdens de wereldtentoonstelling van 1867 voorzitter van en internationale koorwedstrijd. Ook zetelde hij in de jury van de Franse Prix de Rome. Volgens Le Ménestrel van 21 augustus 1892, het tijdschrift van Henri Heugel, wou Limnander niets meer met de operawereld te maken hebben omdat hij vreesde dat men bij een eventuele opvoering zou denken dat hij met zijn fortuin een operadirecteur omgekocht zou hebben. Tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 verbleef hij even in België, maar na de ongeregeldheden keerde hij naar Frankrijk terug. Daar trok hij zich na de dood van twee zonen – een stierf na een everzwijnenjacht aan een kou – steeds meer terug in zijn kasteel in Moignanville (bij Étampes, gelegen in het oude departement Seine et Oise).

In 1883 was Limnander kandidaat om als membre correspondant de l’Institut de France Friedrich von Flotow op te volgen. Tegenkandidaten waren Peter Benoit, Johannes Brahms, Edvard Griek en Peter Tchaikovsky. Limnander haalde het. Als een van les immortels¸ stierf hij op zijn 78ste in zijn kasteel in Moignanville.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde