Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nees, Staf

Mechelen, 02/12/1901 > Mechelen, 25/01/1965

Biografie

Nees, Staf

door Koen Cosaert

Mechelen 1901
De geboorteplaats van Staf Nees, de stad Mechelen, bepaalde meteen een flink stuk van zijn biografie. Rond het begin van de 20e eeuw was Mechelen een stad bruisend van muziek. Aan het hoofd van het Stedelijk Conservatorium stonden belangrijke componisten als August De Boeck en later Godfried Devreese.

In de Sint-Romboutskathedraal beleefde de 'Ecclesia triumphans' glorieuze dagen. De opvoering van de Psalm 136 Super flumina Babylonis van Jules Van Nuffel leidde in 1916 tot de oprichting van het Sint-Romboutskoor, dat toen meteen uitgroeide tot het belangrijkste kathedraalkoor in België. De kathedraalorganisten Oscar Depuydt en Flor Peeters bepaalden in flinke mate het orgellandschap.

Aan de rand van de stad bevond zich het Interdiocesaan Hoger Instituut voor Kerkmuziek, beter bekend als het Lemmensinstituut. Toen Van Nuffel in 1918 er het roer overnam van Aloys Desmet, wist hij deze school een nieuw elan te geven door de benoeming van een aantal jonge leraars zoals Henri Durieux, Marinus de Jong, Flor Peeters en ook Staf Nees. Sinds 1892 lokte stadsbeiaardier Jef Denyn met zijn avondconcerten heel wat publiek naar Mechelen. De man was er zo populair dat zijn zilveren jubileum als beiaardier in 1910 uitgroeide tot een volksfeest. De gebeurtenis was meteen ook een beiaardcongres avant la lettre.

Leertijd
Reeds voor 1914 groeit bij Staf Nees de interesse voor de beiaard. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vertrekt Denyn echter met zijn familie naar Tunbridge Wells in Engeland. Dit betekent dat Nees pas in 1919, na de terugkeer van Denyn, zijn beiaardstudies kan aanvatten. Medestudent was toen die andere Mechelaar Kamiel Lefèvere. Op dat ogenblik studeert Nees reeds drie jaar aan het Lemmensinstituut. Hij krijgt er les van Jules Van Nuffel, Lodewijk Mortelmans en Oscar Depuydt. In 1922 behaalt hij er de Prijs Lemmens-Tinel met grote onderscheiding.

Meteen wordt hij aangeduid als organist van de Hanswijkkerk en krijgt hij de leiding over het koor en het orkest van de Koninklijke Kunstkring Edgar Tinel. Datzelfde jaar wordt hij tegelijkertijd student en leraar aan de pas opgerichte beiaardschool, toen gehuisvest aan de Wolmarkt. Het engagement van Nees in de organisatie van het nog jonge instituut, blijkt uit het feit dat hij er in 1923 reeds lid wordt van de Raad van Beheer. In 1924 verwerven Nees en Lefévere als eersten het Laureaatsdiploma van de Mechelse beiaardschool. Tijdens het eindexamen op de beiaard van de Sint-Romboutstoren speelt Staf Nees voor de eerste maal zijn Rhythmendans.

Door het afronden van zijn beiaardstudies, komt er tijd vrij voor de verdere uitbouw van zijn carrière als muziekpedagoog. In het Lemmensinstituut doceert hij voortaan harmonie en koraal. Deze functie zal Nees, net zoals zijn andere opdrachten onveranderd blijven uitoefenen tot op het eind van zijn leven. De enige verandering die we kunnen noteren is de benoeming tot directeur van de Beiaardschool in 1945, een taak die hij feitelijk reeds op zich nam bij het overlijden van Denyn in 1941.

Liturgische muziek
Als docent aan het Hoger Instituut voor Kerkmuziek draagt Nees mee de verantwoordelijkheid voor de verdere ontwikkeling van de liturgische muziek in de katholieke kerk in België. Dit verklaart meteen waarom het compositorisch oeuvre van Nees hoofdzakelijk uit vocale muziek bestaat. Samen met Jules Van Nuffel en zijn collega's Flor Peeters, Marinus de Jong en Jules Vijverman vormt hij er de zogenaamde Mechelse school. Hun stijl wordt in sterke mate beïnvloed door het Gregoriaans. Het herstel van de oorspronkelijke kerkmuziek was trouwens één van de eerste doelstellingen toen, op initiatief van kanunnik Pierre Van Damme, in 1879 het Lemmensinstituut van start ging. Van Damme ging, samen met de directeur Jaak Nikolaas Lemmens, te Rome pleiten voor een nieuwe editie van de Gregoriaanse muziek, gebaseerd op vergelijkend bronnenonderzoek.

Door een eerder aangegane verbintenis hield Rome echter nog tot 1903, het jaar van de bekende encycliek over kerkmuziek Motu proprio, vast aan de uitgave van Pustet uit Regensburg, die een sterk vertekende versie bracht van de oorspronkelijke muziek. Mechelen ging over tot het publiceren van een nieuw Graduale, dat qua interpretatie en uitvoeringspraktijk afweek van de naderhand verschenen officiële versie, verzorgd door de abdij van Solesmes. Bekommerd om de kwaliteit van de uitvoering van het Gregoriaans componeren de reeds vernoemde leden van de Mechelse school nadien nog orgelbegeleidingen bij het Graduale, gebundeld in Nova Organi - Harmonia ad Graduale, een publicatie uit 1942 die meteen een grote verspreiding kende.

Ondanks de grote musicologische activiteit van Jules Van Nuffel - hij lag aan de oorsprong van de studierichting Musicologie van de Katholieke Universiteit te Leuven - hebben de vernieuwende stromingen in de Europese muziek weinig invloed uitgeoefend op de polyfone religieuze muziek van de Mechelse school. Hun schrijfstijl wordt volledig gedomineerd door het functioneren van die muziek binnen het liturgisch kader. Volledig in de geest van het Motu proprio streeft men naar een polyfone muziek die een religieuze sfeer ademt. Nieuwe composities vinden hun weg naar het publiek via de muziekbijlagen bij het tijdschrift Musica Sacra.

Het vocale werk
In het oeuvre van Nees neemt het motet, zeker wat het aantal betreft, een belangrijke plaats in. Hij componeerde een zestigtal motetten voor verschillende bezettingen: solostem of koor, gemengde of gelijke stemmen, a capella of met obligate orgelpartij. Teksten als het Tantum ergo of O salutaris hostia zet hij zelfs tot vier maal op muziek. Daarnaast componeert hij zes missen. De Missa in honorem B. Mariae Virginis, een mis ter ere van O.L.V. van Hanswijk, wordt in 1925 reeds gedrukt bij uitgeverij De Ring te Antwerpen. In de Missa Te Deum uit 1960 etaleert Nees voor de laatste maal en op meesterlijke wijze zijn beheersing van de contrapuntische technieken.

Aansluitend bij de traditie van het romantische oratorium van Mendelssohn in België, geïntroduceerd door Edgar Tinel, de opvolger van Lemmens te Mechelen, componeert Staf Nees twee grote oratoria: Simon (1935) en Maria (1938). Als dirigent van de Koninklijke Kunstkring Edgar Tinel beschikt hij dan ook over het apparaat om deze muziek uit te voeren. Aan zijn engagement in de koorwereld danken wij ook een aantal schitterende koorwerken waaronder Musica op tekst van L. Lambrechts uit 1932 voor zesstemmig gemengd koor. In 1953 wordt Nees voorzitter van het Madrigaal, de federatie voor katholieke zangkoren, meteen een stimulans om opnieuw voor dit medium te componeren. Uitschieters zijn onder meer de Feestcanon en de canon Heil het Madrigaal, beiden uit 1961.

Nees toont ook een voorkeur voor het lied, wat resulteert in een 57 titels. Net zoals Van Hoof, dankt hij aan de publicatie van liederen zijn eerste faam als componist. Een aantal van deze liederen, zoals Primula veris op tekst van Willem Gijssels of Kindje op tekst van Alice Nahon, worden onmiddellijk gepubliceerd in de reeks Het Vlaamsche Lied van de Standaard Uitgeverij. Ook bij de uitgeverij De Ring uit Antwerpen-Berchem kon Staf Nees een aantal liederen kwijt.

Aansluitend componeert hij ook 30 liederen op religieuze teksten. Hoogtepunten zijn onder meer De zonne alreede is opgestaan voor zangstem en klavier op tekst van Guido Gezelle en Gebed op tekst van P. Van Crombruggen, geschreven voor hoge stem en strijkers. Veel religieuze liederen worden echter geschreven als gelegenheidsmuziek en kunnen ons door de vaak al te gedateerde teksten helaas nauwelijks nog bekoren. 

De instrumentale muziek
De instrumentale muziek vormt eigenlijk het kleinste deel in het oeuvre van Nees. Tientallen jaren bespeelt hij vrijwel iedere zondag het orgel in de Hanswijkkerk. Toch schrijft hij amper een tiental kleinere orgelwerkjes voor de misliturgie. Met uitzondering van de Communio 'O Filii et Filiae', uitgegeven door de 'World Library of Sacred Music Ohio' in Fifteen Organ Pieces from Modern Belgium, was deze muziek enkel bestemd voor eigen gebruik. Alhoewel zelf een uitstekend pianist, toont Nees ook weinig interesse voor dit instrument als componist. Zijn nalatenschap bevat slechts een viertal kleinere pianowerkjes. Drie ervan dateren uit zijn studietijd. Een buitenbeentje is dan weer de Dans voor 8 gitaren, geschreven voor de Cavalcade van de Hanswijk-Jubelfeesten in 1963.

Baanbrekend werk verricht Nees echter met zijn beiaardmuziek. Hij verrijkt het repertorium met 44 nieuwe composities, waaronder 8 Preludes, 4 Fantasia's, 4 Dansen en 3 Variaties. Voor negen werken gebruikt Nees het volkslied als melodisch gegeven. Negen composities worden voor bijzondere gelegenheden geschreven, onder meer voor de inhuldigingen van de nieuwe beiaarden te Mol, Oosterwijk, Hilvarenbeek, Meise en Kortenbos.

Schrijfstijl
Met uitzondering van de Preludia van Vanden Gheyn, Volckerick en Denyn bestaat er in 1922, het jaar dat Nees zijn eerste werk voor beiaard schrijft, nauwelijks originele muziek voor dit instrument. Een aantal componisten, waaronder Jef van Hoof en Paul Gilson, worden door Denyn uitgenodigd om het repertorium van de beiaard met nieuwe werken te verrijken. Deze muziek wordt door de pas opgerichte Mechelse Beiaardschool gedrukt en verspreid. Dat gerenommeerde componisten voor de beiaard componeren kan alleen de faam van dit instrument ten goede komen. Wanneer het de uitbreiding van het beiaardrepertorium betreft, dan kent dit initiatief minder succes. De nieuwe werken worden slechts zelden uitgevoerd, juist door de grote kloof tussen de stijl van professionele componisten en de toenmalige beperkingen inzake speeltechniek. De vernieuwing van het beiaardrepertorium kan alleen gebeuren door een beiaardier, die tevens beschikt over een grondige opleiding als componist. Staf Nees beantwoordt perfect aan dit profiel. Door zijn opleiding aan het Lemmensinstituut, weet hij de ideeën van Denyn op een professionele manier gestalte te geven.

Denyn en Nees beoogden een ruime erkenning voor de beiaard, die tijdens de 19e eeuw zijn status als volwaardig muziekinstrument was kwijt gespeeld. Bij de overstap naar de romantiek kon de beiaard zowel speeltechnisch als mechanisch, niet volgen. Mede door de beperkte verspreiding van dit typische instrument werd de beiaard voortaan gecatalogeerd als folklore. De beiaard was aan een grote inhaalbeweging toe. Om de beiaard een nieuw aanzien te geven, kiest Staf Nees voor een repertorium dat aanleunt bij de traditionele vormen en genres van de toonaangevende instrumenten. Het preludium, de toccata, de fugetta en de fantasia maken deel uit van de orgelmuziek. Naar het pianorepertorium verwijzen titels als Intermezzo, Studie, Rondo, Variaties, Lied zonder woorden, Aubade en Improvisatie. Hierbij leunen ook genrestukjes aan als: Weemoed, Feestklokken en Klacht en Troost over Jef Denyn. De Serenade en de Suite verwijzen naar de wereld van de orkestmuziek.

Nees wil ook grotere structuren creëren door het combineren van diverse vormelijke elementen. Dit gebeurde voor de eerste maal in 1935 met zijn Inleiding, Lied en Fuga op "Gequetst ben ik van binnen". Ook in de Toccata, Lied en Fuga op "Daer staat een clooster in Oostenrijc" maakt hij gebruik van een volkslied om eenheid te brengen in de drie afzonderlijke bewegingen. In het eerste deel van dit werk maakt Nees gebruik van de drieledige toccatastructuur, zoals die door laatromantische componisten als Max Reger werd ontwikkeld.

Van in het begin ontwikkelt Staf Nees een eigen beiaardstijl, hierin schatplichtig aan zijn voorganger en voorbeeld Jef Denyn. Tijdens zijn opleiding aan het Lemmensinstituut wordt Nees hoofdzakelijk beïnvloed door de Vlaams-romantische stijl van zijn leraar Lodewijk Mortelmans. Zelf was Mortelmans ooit student van Peter Benoit en later diens opvolger aan het Antwerpse Conservatorium. Aan het einde van zijn loopbaan, de tijd dus dat Nees bij hem studeerde, ging Mortelmans' voorkeur uit naar de eerder intieme piano- en kamermuziek. Nees ontwikkelt deze Vlaams romantische stijl tot een eigen lyrische stijl, steeds gedomineerd door grote spanningsbogen.

Bij het componeren voor beiaard hanteert Nees de pianopartituur als vertrekpunt. De pianostijl muteert hij wel naar de expressieve mogelijkheden en speeltechnische beperkingen van de beiaard. Zo wordt de melodie vaak geaccentueerd door het gelijktijdig spelen van deze muzikale lijn in een hogere octaafligging. Om het probleem van de al te kort klinkende discant-klokjes te omzeilen, ontwikkelt hij, in navolging van Denyn, verder de tremolandostijl, toen ook wel "gebonden zang" genoemd. Alhoewel de beiaard van Sint-Rombouts toen, naar de normen van die tijd, over een zeer efficiënte tractuur beschikt, blijft het toch steeds een zware klus om het instrument te bespelen. Dit bevordert niet meteen de ontwikkeling van de speeltechniek.

Nees moet ook rekening houden met de middentoonstemming van deze historische beiaard. Dit legt hem grote beperkingen op wat betreft de harmonische en modulatorische mogelijkheden. De grens ligt bij drie kruisen of twee mollen aan de voortekening. Nees is niet alleen als stadsbeiaardier en directeur van de Beiaardschool, maar ook als componist de opvolger van Denyn. Dit kunnen we aflezen aan de reeds voornoemde stijlelementen. Meer nog, in een aantal composities ontwikkelt Nees een aantal muzikale ideeën van Denyn, zij het nu op een professionele wijze. Het beginmotief uit het Preludium in C uit 1944 refereert duidelijk aan Denyns Preludium in Bes. Elementen uit het beroemde Ongeschreven Preludium in d vindt men terug in de Improvisatie uit 1926. Denyns Andante Cantabile werd in 1927 tot Thema met variaties.

De diatonische of chromatische toonladders worden bij Nees tot rijkelijk uitgewerkte guirlandes van aaneengeschakelde motieven. De virtuoze passages bestaande uit gebroken akkoorden, benut Nees voor het ontwikkelen van harmonische modulaties. Het pedaal overstijgt de louter begeleidende functie en neemt deel aan de ontwikkeling van de melodie. Zo dialogeert het pedaal vaak met het manuaal. Trage bewegingen worden, trouw aan het voorbeeld van Denyn, meestal getremoleerd. In de melodische bouw vinden we hier dan ook sterke reminiscenties naar de vocale stijl van Nees.

Staf Nees experimenteert heel intensief met het contrapunt op de beiaard tussen 1935 en 1939, de periode waarin hij ook zijn twee oratoria schreef. Dit resulteert in drie fuga's op Vlaamse volksliederen: Merck toch hoe sterck, Daer staet een clooster in Oostenrijc en Gequetst ben ik van binnen. Polyfoon spel op beiaard was niet nieuw. In de beginjaren van de Mechelse Beiaardschool stond de Fuga in g voor orgel van Matthias Vanden Gheyn herhaaldelijk op het programma voor het eindexamen. Ook de Leuvense beiaardier Jules Vandeplas componeerde een later door de Beiaardschool gepubliceerde fuga voor beiaard.

Nees zoekt vervolgens naar oplossingen voor de problemen die ontstaan wanneer men contrapuntisch voor de beiaard wil schrijven. Het uitvoeren van dergelijke muziek op beiaard loopt immers niet altijd van een leien dakje. Ook de complexiteit van de stemvoering stelt problemen voor de doorzichtigheid en verstaanbaarheid van de muziek. Om dit te realiseren houdt Nees onder meer niet consequent vast aan de traditionele vierstemmigheid. Op het moment dat het subject voor de vierde maal geëxposeerd wordt, laat Nees ongemerkt een van de reeds aanwezige stemmen oplossen en behoudt hij een driestemmig weefsel.

Slotsom
Meer dan veertig jaar lang schrijft Staf Nees muziek voor beiaard in deze voor zijn tijd eerder conservatieve taal. Het waarom en hoe van deze behoudsgezindheid kan deels begrepen worden door de omgeving waarin Nees werkt. Mechelen blinkt, mede door de dominerende aanwezigheid van bisschoppelijk purper in de stad, nooit uit door zijn vooruitstrevendheid. Ook het Lemmensinstituut beperkt de muzikale horizon door zich in die dagen toe te spitsen op liturgisch verantwoorde muziek. Daarenboven groeit de al te lang durende trouw aan de Vlaams romantische stijl tot een frustratie die men in de muziekgeschiedenis van ons land nog altijd niet helemaal heeft verwerkt.

Nees is onder zijn collega's één der weinige professioneel gevormde muzikanten, wat hem meteen op een voetstukje plaatst. Als tweede directeur van de Beiaardschool, staat hij ook in voor de verdere verspreiding van het gedachtegoed van Denyn. Alle ogen zijn in Mechelen nog steeds op hem gericht. Vanuit dit perspectief gezien wordt Nees voor veel tijdgenoten de incarnatie van de ideale beiaardier. De portretten van Alfred Ost illustreren dit ten overvloede.

Ook blijft Staf Nees, tot aan zijn dood in 1965, één der meest vruchtbare componisten voor beiaard. Wanneer hij begint te componeren zijn de schaarse, eerder improvisatorische preludia van Denyn zijn enige voorbeeld. Onmiddellijk wordt hij geconfronteerd met het ontbreken van een geëigende romantische schrijftechniek voor de beiaard. Hier verricht hij baanbrekend werk en legt de basis voor een op de beiaard toegespitste componeerwijze. Later introduceert hij zijn methode en principes bij vrienden en collega's, zoals Gaston Feremans, Arthur Meulemans, Jef Rottiers, Jos Lerinckx en vele studenten aan de Mechelse Beiaardschool.

Hij toont hen hoe ze hun schrijftaal kunnen adapteren voor de beiaard. Extra aangespoord door de compositiewedstrijden, die Nees vanaf de vijftiger jaren organiseert, dragen zij dan ook in belangrijke mate bij tot de verruiming van het beiaardrepertorium. Dat hun muziek nu nog altijd gespeeld wordt, toont dat Nees inderdaad slaagde in zijn opzet om de kloof te dichten tussen een professionele componeerwijze en het beiaardspel.

Staf Nees was geen baanbreker, geen stijlvernieuwer. Integendeel, hij legde het fundament van de beiaardcultuur in de voorbije eeuw. Zijn creativiteit bepaalt nog steeds in grote mate hoe de beiaard over onze steden klinkt.

Cosaert, K.: Staf Nees (1901 - 1965), een portret door Koen Cosaert, in: VBV-Magazine, jg. 7, nr. 1, januari 2001, via www.beiaard.org/_nees.html (online op 5 juli 2007).