ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 107 - januari 2012

Prijs van de Stad Ninove voor Compositie Vocale Muziek

Tot in 2006 reikte de Stad Ninove om de twee jaar de Prijs Beeldende Kunsten uit. Op initiatief van de Kunstenraad wordt het idee van een tweejaarlijkse kunstenwedstrijd weer opgepikt. Er zal telkens voor een andere discipline gekozen worden. De Prijs van de Stad Ninove 2012 bekroont een compositie voor vocale muziek.

De compositie is een gemengd vierstemmig koorwerk. Het werk is zowel a capella als met klavierbegeleiding uitvoerbaar. De uitvoeringsduur bedraagt minimum 10 en maximum 15 minuten. De moeilijkheidsgraad ligt op het niveau ‘eerste afdeling’, conform de provinciale koorzangtornooien. De tekst is in het Nederlands, Frans, Duits of Engels. De compositie is oorspronkelijk, onuitgegeven en nog niet uitgevoerd. Het bekroonde koorwerk wordt door een Ninoofs koor gecreëerd.

De laureaat van de Prijs van de Stad Ninove 2012 ontvangt 3.000 euro. Er is een jongerenprijs van 2.250 euro voor een componist jonger dan 30 jaar.

Deelnemers bezorgen uiterlijk op 15 mei 2012 een compositie vocale muziek (in vijfvoud):
- per aangetekende zending: Stad Ninove, dienst cultuur, Centrumlaan 100, 9400 Ninove
- aan de balie van de dienst cultuur, Oudstrijdersplein 6, 9400 Ninove

Het wedstrijdreglement lees je op www.ninove.be
Alle informatie over de Prijs van de Stad Ninove 2012: cultuur@ninove.be - 054 31 32 91

 

Afscheid van Veerle Bosmans

door Michaël Scheck

Met het begin van het nieuwe jaar heeft onze gewaardeerde collega Veerle Bosmans haar opdracht aan het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek beëindigd. Gedurende negen jaar heeft zij haar veelzijdige talenten als musicologe en musicus in dienst van het Vlaams muzikaal erfgoed gesteld. Eén van haar belangrijkste wapenfeiten was het redactiewerk voor en de vormgeving van de maandelijkse nieuwsbrief, in nauwe samenwerking met Annelies Focquaert. De kroon op haar talrijke activiteiten in het Studiecentrum is ongetwijfeld de samenstelling van de oeuvrecatalogus van componist Willem Kersters, die ze samen met Tom Janssens onder de titel De suggestie van scheppen heeft uitgegeven.

Veerle Bosmans zal zich voortaan intens bezig houden met haar instrument, de piano, en de muziekpedagogie, naast haar werk binnen het Festival van Vlaanderen-Mechelen. Haar collega’s in het Studiecentrum zullen haar frisse inbreng missen, maar ze hebben begrip voor haar keuze en wensen haar veel voldoening in haar nieuwe loopbaan.

 

Jubilarissen 2012

door Annelies Focquaert

Aan een jaarwisseling zijn niet alleen eindejaarslijstjes verbonden, maar ook lijstjes van wie in het nieuwe jaar herdacht wordt. Doorgaans worden dat dan overzichten van persoonlijkheden die bekend, berucht, gevaarlijk of ongewoon waren; ze verschijnen dan in glossy weekend-bijlagen of hippe tijdschriften. Deze nieuwsbrief is geen van beide, maar het loont de moeite om uit te zoeken welke Vlaamse componisten er in 2012 een jubileum vieren.

De lijst vormt een bonte mengeling van bekende en veel minder bekende namen, waarbij de belangrijkste Edgar Tinel en Jan Blockx zijn, beiden 100 jaar geleden overleden. Ze zullen dus in de komende nieuwsbrieven uitgebreid aan bod komen. 75 jaar geleden werd afscheid genomen van August De Boeck en Leo Moeremans; 50 jaar geleden van Eugene Goossens, Alfons Moortgat, Charles Van Isterdael, Marguerite Verbrugghe, Remi Ghesquiere, Karel Brewaeys en Flor Deboes.

In 1812 werden Leon de Burbure, Jean-Baptiste Singelée, Jean-Simon Eykens geboren; 50 jaar later (1862) Arthur De Greef, Gerrit Wagner, Gustaaf Van Hulse, Jef Denyn en Arthur Van Dooren. Lodewijk De Vocht werd geboren in 1887 en viert dus zijn 125e geboortedag.

In 1912 zag een hele reeks componisten het levenslicht: Jozef De Greeve, Corneel Mertens, Franz Leon Felix Mertens, Karel Torfs, Omer Van Puyvelde, Jozef Van Poppel en Frans Vos.

Op 17 maart 2012 zullen enkele van die verjaardagen bij elkaar komen in de jaarlijkse Peter Benoitherdenking in deSingel in Antwerpen. Er zal dan niet alleen muziek te horen zijn van Blockx, Tinel, De Boeck en De Vocht, maar ook van Wim Henderickx, die net op die dag 50 jaar wordt. De Peter Benoitherdenking vormt ook de afsluiter van de Open Dag in het Koninklijk Conservatorium.

2012 is niet alleen een jubileumjaar voor Vlaamse componisten, maar ook voor Hendrik Conscience, de man die zijn volk leerde lezen en die terecht vaak in één adem wordt genoemd met Peter Benoit. De auteur werd 200 jaar geleden geboren in Antwerpen en dat wordt dit jaar uitgebreid gevierd.

Daarom een kort citaat uit een brief van Conscience aan Karel Miry, overleggend over het libretto van De dichter en zijn droombeeld:
De muziek is eene ten minste zoo machtige kunst als de poëzij, en, waar zij te samen werken, mag geene dezer beide kunsten de andere tot slaaf maken. Toondichter en schrijver moeten elkander verstaan en behulpzaam zijn, om de middelen en de schoonheden der beide kunsten ruimte te geven en te doen uitkomen. Als gevolg van dit gevoelen, herhaal ik u nog eens, dat ik gereed ben om, volgens uwe aanwijzing, veranderingen, verkortingen of verlengingen aan het gedicht toe te brengen.” [uit een brief in het AMVC-Letterenhuis, geciteerd in Dewilde, J.: Conscience, de leeuw en een lusthof vol muziek…, in: De ene leeuw is de andere niet - Zeven maal De Leeuw van Vlaanderen herlezen (red. Edward Vanhoutte), Antwerpen, 2002, p. 116-117].

 

Historische Tekst: Koorwedstrijd in Gent, 1881

door Annelies Focquaert

Op zondag 4 september 1881 vond in Gent een grote internationale zangwedstrijd plaats, die werd georganiseerd door één van de bekendste Belgische koren van die tijd: de Melomanen. Voor België  was de jurylijst indrukwekkend: Miry, Radoux, Jouret, Lemaire, Van den Eeden, Waelput, Tilman, Nevejans, Leenders, Van den Heuvel, Blaes, Wouters, Van Reysschoot, Van Herzeele, Berleur, C. en E. De Vos en Samuel. Gevaert en Benoit hadden ‘om reedenen van gezondheid en overgroote drukte’ moeten afzeggen. Voor Nederland waren Johannes Verhulst, Eduard De Hartog, Richard Hol en Maurice Hageman uitgenodigd, voor Frankrijk Oscar Commettant.

Maurice Hageman publiceerde een zeer uitgebreid verslag van heel het feest in het Nederlandse muziektijdschrift Caecilia. De tekst is te lang om integraal over te nemen, maar enkele mooie passages - vooral die waarin Hageman met zijn Hollands-nuchtere blik een beetje verbaasd staat te kijken naar alles wat er in Gent gebeurde - willen we u niet onthouden, omdat het zo’n levendig beeld schetst van deze bijeenkomst. Na een kort preludium op vrijdag - waarbij Hageman en Verhulst een bedevaart brengen naar het kerkhof van Laken, waar ze even bij het grafmonument van ‘La Malibran’ vertoeven, volgt een nuttig doorgebrachte zondagmorgen en dan beschouwingen van, over, tijdens en na de wedstrijd zelf, die in de namiddag en avond plaatsvond.

"De Zangwedstrijd te Gent, op Zondag 4 september 1881.

Zondagmorgen.
Reeds vroegtijdig werden we door klokgelui gewekt, en nimmer hoorde ik zulke verruklijke lage kloktonen. Het weder was prachtig, overal vlaggen, wimpels, lieden in feestdos, optochten van groote en kleine gezelschappen. België is sterk in réunies van kegelaars, kolvers, boogschutters, buksschieters, raketspelers, harmonisten, vocalisten, gymnastici, werklieden, dramatici, philantropen, weeskinderen, schoolkinderen, strijders van 1830, telephonisten, enz. In het geheel waren 240 verschillende groepen vereendigd; dat getal moet niemand verwonderen, want als zich toevallig in een estaminet 3 personen vereenigen, profiteeren ze van de gelegenheid om elkaar wederzijds tot president, secretaris en penningmeester te benoemen en de nieuwe vereniging is geconstitueerd. Bij feesten marcheeren ze (met een plan aan een stok vooruit), een strikje of muntstukje in het knoopsgat van hun kielen, mede in de cortèges; enfin! het is vroolijk en alles gaat lustig toe, zonder politie of gendarmes.

De heeren Verhulst en Hol, die, evenals ik, vroeg bij de hand waren, besloten de kerken inwendig te bezichtigen. Het eerst was de kerk op de “Place des grains” aan de beurt. De heer v. Ruijsschoot (organist der kerk), zag ons, en zond een koorzangertje op ons af; eerst doorliepen we echter de kerk, om later naar het orgel op te klimmen. Het is een nieuw werk van Cavallié Coll, en - voor zoover ik uit een klein naspel met een gefigureerde tenorpartij opmerkte - in goede handen. Het koor is zeer klein bezet, 4 jongens en 4 mannen voor gewone gelegenheden, voor buitengewone feesten wordt het versterkt door cello’s en bassen. De groote kerk gaf ons meer gelegenheid tot opdoen van historische bizonderheden, daar de hr. v. Ruijsschoot ons vergezelde en op al het wetenswaardige onze aandacht vestigde, van de eerste van van Eyck’s schilderijen tot de doopvont van Keizer Karel. De heer Verhulst was geheel in de oudheid verdiept, en kon maar niet begrijpen “waarom de menschen met dat verleden voor oogen, zich tegenwoordig zooveel moeite geven om zooveel leelijks te fabriceeren.” [...]

Intusschen vereenigden zich de zangers, door 5 harmonie-muziekkorpsen begeleid, op het stadhuis, waar hun de eerewijn werd aangeboden, en werden wij door den president, den heer V. Bruijneel en eenige heeren van de Commissie officieel afgehaald, om ons naar het gebouw der Melomanen te begeven. […] Bij de verschillende concours, die ik bijwoonde, heb ik nimmer door kleine vereenigingen, door inférieure afdeelingen bij een getal van 12 vereenigingen, over het algemeen zóó voortreffelijk hooren zingen. Gewoonlijk hoort men in een dergelijke afd. te moeilijke koren, slechte kleur van geluid, ruwheid in de ff, ongelijkheid in de attaques, slechte uitspraak, dito opvatting en groote zwevingen. Van dat alles was hier weinig te bespeuren. Natuurlijk was het verre van het bijna volmaakte, dat we des avonds zouden hooren, maar er was groote verdienste bij den grooten eenvoud, en het deed mij goed die eenvoudige bergwerkers, glasblazers, boerenknapen, sommigen in kielen gekleed, de kunst zoo hoog in eere te zien houden. […] Tegen 5 uur waren alle afdeelingen onder het mes geweest, en alles liep naar genoegen van strijders en toehoorders. Een gezellig diner van de leden der Jury bereidde ons voor tot den belangrijken en met belangstelling tegemoet gezienen strijd, die om 7 uur zou beginnen in de groot Casino-zaal, die zoowat 5000 menschen kan bevatten. De zaal was stampvol en op het balkon, waar wij plaats namen, heerschte een tropische hitte.

De eindstrijd van de lagere afdelingen ging tussen de koren ‘Oefening baart kunst’ uit Amsterdam (onder leiding van Brandts Buys) en de ‘Réunion Chorale’ uit Schaarbeek. Zoals Hageman zegt: “de strijd was hevig” - en de Nederlanders waren tevreden met hun overwinning. Daarna kwam de eredivisie aan de beurt, waarbij de koren ‘Société Royale l’Orphéon’ (Brussel, 141 zangers), ‘Société Royale des artisans’ (Brussel, 111 zangers) en ‘Société Royale des XXV’ (Gilly, 147 zangers) hun beste beentje voorzetten. Op het programma stond verplicht Les fugitifs, een aartsmoeilijk koorwerk van Samuel, en dan koos elk koor nog één ander werk: dat waren Hanssens' Hymne du matin en tweemaal Riga’s Esprits de la nuit. 'L’Orphéon' werd, na een lange discussie in de jury, eerste en de 'Société des XXV' tweede. De dag nadien waren er nog zee-feesten en wapen-feesten, die Hageman niet kon bijwonen; een groot diner met speeches; een slotconcert van de Gidsen en een volksfeest.

Hageman besluit als volgt:
“Ten slotte kom ik nog eenmaal terug op de hartelijkheid, die ik en al mijne nederl. kunstbroeders van onze Belgische collega’s hebben ondervonden. Wij allen, die toch reeds menig muziekfeest en concours bijwoonden, waren geheel onder den indruk van de buitengewone ontvangst, die ons is te beurt gevallen, over de orde en regelmaat bij den wedstrijd en over de betuigingen van dankbaarheid voor onze medewerking bij dit feest, dat zeker bij allen een aangename herinnering zal levendig houden.”

[bron: Maurice Hageman, De Zangwedstrijd te Gent, in: Caecilia, jrg. 38, nr. 18, 1 en 15 september 1881, p. 162-165.]

 

Nieuwe componistenfiches

door Annelies Focquaert

In januari 2012 werden 6 nieuwe Engelse vertalingen gepubliceerd. Het gaat om biografieën van drie leden van de familie Van Wassenhoven (Gustaaf, Simon en Theodoor), Peter Vanderghinste, Xavier van Elewijck en Omer Van Puyvelde.

Daarnaast kwamen ook verschillende andere documenten online: een bibliografie voor Daniël Sternefeld, een foto van Lieven Duvosel en een nieuwe biografie en bibliografie over pianist en componist Jacques Gregoir (1817-1876). In de drie bijhorende historische teksten is Gregoirs overlijdensbericht te vinden, een recensie van zijn École moderne du piano en een interessante maar messcherpe bespreking van zijn Faust-fantasie voor piano uit 1847.

 

Brussels Philharmonic speelt Jan Blockx

door Adeline Boeckaert

In 2012 wordt de honderdste verjaardag van het overlijden van Jan Blockx herdacht. Dat hij her en der op concertprogramma's verschijnt, valt dan ook niet te verwonderen. In een concert van de Brussels Philharmonic zal La Kermesse uit Milenka van Jan Blockx uitgevoerd worden, samen met Johannes Brahms' Concerto nr. 2 voor piano in Bes, op. 83 (met Nikolaas Kende als solist) en Jean Sibelius' Eerste Symfonie in e, op. 39.

De in Antwerpen geboren Jan Blockx kreeg zijn eerste muzieklessen aan de 'École de Musique de la ville d’Anvers'. Zijn leraar was Frans Aerts, die tevens kapelmeester van de Antwerpse Sint-Pauluskerk was. Daarna studeerde hij verder aan de nieuwe Vlaamsche Muziekschool van Antwerpen waar hij les kreeg van Joseph Callaerts (orgel) en Peter Benoit (harmonie, contrapunt en fuga, compositie). Op aanraden van Jan van Beers trok hij in 1879 naar Leipzig, waar hij bij Carl Reinecke studeerde en contacten had met Edvard Grieg. In 1885 keerde Blockx naar Antwerpen terug en werd hij leraar harmonie aan de Vlaamsche Muziekschool die in 1897 onder impuls van directeur Peter Benoit het statuut van Koninklijk Vlaams Conservatorium zou krijgen. Rond deze tijd componeerde hij ook zijn bekende ballet Milenka, dat in 1888 voor het eerst in den Muntschouwburg te Brussel werd opgevoerd.

In het boek Jan Blockx 1851-1912 dat Frank Blockx aan zijn vader wijdde, schreef deze dat het publiek, de pers, de kunstenaars, kortom iedereen het eens was dat men te doen had met “een nieuwe lente en een nieuw geluid”. De muziek, zo was het algemeen oordeel, “stak gelukkig af bij de ziekelijke dweepzucht der eeuwig grijze en zwartgallige werken van den laatsten tijd. Hier was nu eens zon, jeugd, levensvreugde aanwezig!”, en verder: “Zoo kerngezond, van vleesch en bloed, zoo kloek en echt Vlaamsch, zoo vol beweging, glans en gloed, met juist genoeg volkshumor om de grenzen van den goeden smaak niet te buiten te gaan!

In de artikels verschenen na de première was er geen enkele afbrekende kritiek: géén werk van Jan Blockx, zelfs later Herbergprinses niet, werd met zulke geestdriftige, algemene toejuichingen ontvangen. François-Auguste Gevaert had na de eerste uitvoering van Milenka uitgeroepen: “Un compositeur dramatique nous est né!” En toen Emiel Claus in Parijs de partituur aan enkele componisten liet lezen, opdat ze zouden weten “dat er kruim in Milenka steekt”, toen zei Edouard Lalo: “A part les ballets de Delibes nous n’avons rien à l’opéra qui vaille ça!”. Uit al deze getuigenissen blijkt dat Blockx één van de meest succesvolle theatercomponisten van zijn generatie was.

In Le guide musical van 8 november 1888 verscheen een recensie die u hier kan lezen. Drie dagen later berichtte ook het befaamde Franse tijdschrift Le ménestrel over de première; de tekst vindt langs deze link.

Lees meer over het concert via onze kalender.

 

Edgar Tinel, Hochzeitsmarsch (Bruiloftsmars) op. 30

door Jan Dewilde

In januari verscheen er opnieuw een Vlaamse partituur bij Muziekuitgeverij Höflich in München in de reeks Repertoire Explorer. Dit keer was Edgar Tinels Hochzeitsmarsch, op. 30 aan de beurt. Zoals steeds werd de partituur voorafgegaan door een meertalige inleiding, die we hierbij aan u presenteren.

Lees hier de inleiding van Jan Dewilde op de Hochzeitsmarsch van Edgar Tinel.

 

Komt turners! van Jan Blockx

door Adeline Boeckaert

“Komt, turners, komt van allen kant”. Met deze woorden begint het lied dat Jan Blockx in 1894 componeerde ter gelegenheid van het eenentwintigste Belgische Turnbondsfeest. Hij droeg de compositie op aan Nicolaas Cupérus die, zoals op de titelpagina te lezen is, sedert 1878 voorzitter was van de Belgische turnbond.

Over Nicolaas Cupérus (1842-1928) en zijn verbondenheid met de turnwereld werd heel wat informatie gevonden in de nieuwsbrief van het Liberaal Archief, enkele jaren geleden. Nicolaas Cupérus was de zoon van een uit Friesland afkomstige theehandelaar die zijn zaak op de Suikerrui in Antwerpen uitbouwde. Hij studeerde aan het Antwerpse atheneum, waar hij onder meer les kreeg van Jozef Isenbaert. Deze had in 1839 de eerste Belgische turnvereniging opgericht, de 'Société de Gymnastique et d'Armes d'Anvers', en hij bracht Nicolaas de onvoorwaardelijke liefde voor het turnen bij. Cupérus werd in 1860 lid en kort daarna secretaris van de 'Société de Gymnastique' en richtte vijf jaar later, amper 23 jaar oud, de Belgische Turnbond op,  waarvan hij tussen 1878 en 1923 voorzitter zou worden.

Internationale erkenning volgde in 1881 toen hij mee aan de wieg stond van de Europese Turnfederatie, die hij zou leiden van 1897 tot 1924 en die in 1896 het pad effende voor de introductie van het turnen op de Olympische Spelen. In zijn geboortestad stichtte Nicolaas Cupérus in 1868 de Gymnastische Volkskring die, dankzij het bescheiden lidgeld, openstond voor het grote publiek. Cupérus was gericht tegen turnwedstrijden omdat dit indruiste tegen de ware bedoeling van het turnen. Men turnde om zich lichamelijk en geestelijk te vervolmaken en niet om geld of prijzen te verdienen.

Via tal van publicaties en voordrachten was Cupérus al die jaren de belangrijkste promotor van het turnen in Vlaanderen. Hij was de man achter het eerste Vlaamstalige turntijdschrift Volksheil (1873) en hij schreef in 1886 De Nederlandse turnvaktaal, één van de eerste Nederlandstalige turnboeken. Energiek als hij was, beperkte Cupérus zijn inzet niet tot de turnwereld. Naast zijn politieke activiteiten (gemeenteraadslid en voorzitter van de Liberale Vlaamsche Bond), werd hij op 9 december 1914 tot waarnemend bestuurder van het Conservatorium in Antwerpen aangesteld. Hij verzekerde er vier jaar lang de continuïteit, gezien Emile Wambach omwille van de Eerste Wereldoorlog eerst naar Nederland en later naar Engeland gevlucht was.

Cupérus stierf op 13 juli 1928 in de eerbiedwaardige ouderdom van 86 jaar en werd begraven op het Schoonselhof, het "Père Lachaise" van Antwerpen. Zijn graf is intussen geruimd, maar het monument dat op 16 augustus 1930 ter ere van hem werd onthuld aan de toenmalige Sint-Janskaai is nog steeds te bezichtigen in het Middelheimpark. De Antwerpenaars noemden hem “Papa Cup”.

De partituur van Jan Blockx, samen met de fraai gedecoreerde voorpagina, is digitaal beschikbaar via de catalogus van het Vlaams muziekinstituut:
http://anet.ua.ac.be/record/vmiopac/c:lvd:12943225/N