ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 109 - maart 2012

Tiende compositiewedstrijd van de Spaanse stad Torrevieja

door Annelies Focquaert

Deze wedstrijd wordt sinds 2002 elk jaar georganiseerd door het gemeentelijke culturele instituut ‘Joaquin Chapaprieta’ in Torrevieja (Spanje). Al twee keer werd de enige prijs toegekend aan een Belg: in 2006 aan Bert Appermont en in 2010 aan André Waignein. De stad doet nu een nieuwe oproep voor haar tiende editie, waarbij één prijs ter waarde van 12.000 € te winnen is. De compositie, met een duurtijd tussen 15 en 20 minuten en geschreven voor de specifiek Spaanse bezetting van de ‘Banda Sinfónica’, moet ingezonden worden voor 31 oktober 2012. De winnende compositie wordt dan uitgevoerd in het eerste semester van 2013. Hier vindt u de oproep in het Engels.

 

Prijs van het SVM voor jonge Vlaamse componisten

door Michaël Scheck

Op de tweejaarlijkse Cantabile Pianowedstrijd voor de Jeugd, editie 2012, heeft het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek drie prijzen uitgereikt voor de beste vertolking van het verplichte Vlaamse werk tijdens de finale. De gelukkige winnaars zijn: in de lagere graad Chuheng Guo uit Kessel-Lo (11 jaar); in de middelbare graad Anant Van den Berg uit Leuven (14 jaar); in de hogere graad George Tyriard uit Koksijde (17 jaar).

De verplichte werken werden door een professionele jury geselecteerd uit de talrijke inzendingen voor de tweejaarlijkse compositiewedstrijd Cantabile, voorbehouden aan componisten die gevestigd zijn in Vlaanderen ofwel het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het luie luipaard, verplicht stuk voor de lagere graad, werd gecomponeerd door Felix Vermeirsch (geboren te Nieuwpoort in 1999). Troost en Echo voor de middelbare en hogere graad zijn beide geschreven door Niels Van Der Plancken (geboren te Boom in 1987). Het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek feliciteert de jonge componisten en pianisten van harte voor hun veelbelovende prestaties.

 

Karel Miry: Charles Quint

door Jan Dewilde

In de vorige nieuwsbrief werd de wederopvoering aangekondigd van de ‘grand opéra’ Charles Quint, gecomponeerd door Karel Miry (1823-1889) op een libretto van zijn oom, de populaire toneelschrijver en -regisseur Hippoliet Van Peene (1811-1864). Van Peene zou zijn neef in het Gentse theatermilieu introduceren en hem rijkelijk van libretto’s voorzien.

Charles Quint werd voor het eerst opgevoerd op 29 januari 1857 in de Gentse Opera. Die druk bijgewoonde wereldcreatie was tegelijkertijd een benefietconcert ten voordele van de Gentse bariton Wilhem die zelf de titelrol vertolkte. De mise-en-scène was, zoals het een ‘grand opéra’ past, somptueus, en het succes was navenant. Enkele dagen na de creatie, op 1 februari, schreef De Gentsche Mercurius dat ‘het bekende talent van den librettist om treffende toestanden te weeg te brengen, nogmaels op eene schitterende wyze uitblinkt. Wat het muziek aengaet, hetzelve is zeer merkweerdig: het levert frissche melodyen en regt dramatische effekten op. Den heer Miry heeft opnieuw bewezen dat hy het gevoel heeft van het tooneelmuziek.’ De krant verwijst hier naar eerder succes van het familieduo Miry - Van Peene, zoals de feeërieke opera La lanterne magique (1854).

Het moet gezegd: binnen de geplogenheden en wetmatigheden van de negentiende-eeuwse opera heeft Van Peene een toch wel dramatisch, aansprekend en gevarieerd libretto afgeleverd. Het verhaal speelt zich af tegen de historische achtergrond van de ‘Gentse Opstand’ van 1540, die door Keizer Karel de kop werd ingedrukt. Karel V beknotte toen de macht van de stad en van de ambachtsgilden. Gent moest een zware boete betalen en enkele oproerkraaiers werden terechtgesteld. Bovendien vernederde de keizer de Gentenaars door een aantal prominenten blootsvoets, in een zwarte tabbaard gekleed en met een strop om de hals van het stadhuis naar het Prinsenhof te zenden waar ze dan neergeknield om vergiffenis moesten smeken. In de negentiende eeuw werd Keizer Karel wel vaker opgevoerd in toneel- en zangspelen. (Voor meer informatie, zie: Adelheid Ceulemans, Verklankt verleden. Vlaamse muziektheaterwerken uit de negentiende eeuw (1830-1914): tekst en representatie, UPA, 2010). Van Peene zelf had eerder al het ‘blyspel met zang’ Keizer Karel en de Berchemse boer geschreven, dat op 31 januari 1841 door zijn Gentse toneelmaatschappij 'Broedermin en Taalyver' werd opgevoerd. Het stuk werd een kaskraker zodat, jaren later, Van Peene voor zijn operalibretto verschillende elementen uit dit blijspel recycleerde. Keizer Karels legendarische belangstelling voor vrouwelijk schoon – een element dat door Van Peene en verschillende andere negentiende-eeuwse toneelauteurs werd gehekeld – krijgt in deze opera een vruchtbaar vervolg. Centraal in het verhaal staat immers Marguerite (‘Grietje’) Van Ghest, ‘de vrucht eener onwettige liefde van den beroemden keizer’. (In andere toneelstukken is Grietje Van Ghest de minnares van de keizer, hier is ze dus de dochter van zijn geliefde).

De opera opent in een Spaans kamp dat aan de Gentse stadsmuren gelegerd is. Het toneelbeeld toont op de voorgrond de keizer en een panorama met de Schelde en op de achtergrond de stad Gent. Bij het ochtendgloren staan de schildwachten bij de tent van de keizer. In de verte zingt de jonge visser Johan een visserslied. Trompetgeschal weerklinkt en het kamp komt stilaan tot leven. Soldaten komen uit hun tenten, kooplui stallen hun waren uit en Johan biedt vis te koop aan. Ook Keizer Karel treedt uit zijn tent en blikt naar de weerspannige stad Gent. Hij wil de Gentenaren streng straffen, maar tegelijk is hij nog onder de indruk van de nachtmerrie die hem een onrustige nacht bezorgde:

    ‘Quand j’ordonne, l’Europe tremble / L’univers cède à ma valeur /                
    Et la nuit, hélas! Je ressemble / À l’enfant; comme lui j’ai peur’

De keizer realiseert zich niet dat het de misnoegdheid van de opstandige Gentse burgers is die hem te neer drukt. Het gezang van een jonge waarzegster, Marguerite van Ghest, brengt hem verstrooiing. Ze is samen met een groep Bohemers (lees: zigeuners) naar het kamp gekomen en ze dansen voor de keizer, waarna Marguerite een ‘Bohemerslied’ zingt (een ‘bolero’, begeleid door tamboerijn). Johan herkent Marguerite in haar zigeunervermomming: deze kleindochter van een Gentse deken is zijn geliefde. Marguerite geeft echter geen teken van herkenning; maar in een aria die ze ‘à côté’ zingt, laat ze verstaan dat ze de keizer wil behoeden voor een valstrik. Keizer Karel vertelt Marguerite van zijn nachtmerrie (‘J’ai vu des fantômes terribles’), waarop ze van de gelegenheid gebruik maakt om hem te vertellen dat het feest dat men in Gent ter ere van hem voorbereidt in feite een valstrik is:

    ‘Le piège affreux qu’on veut lui tendre / Ton rêve ne fut point menteur’

En stilletjes voegt ze er aan toe:

    ‘Si Gand pour la fête se pare / Apprends qu’il se prépare / à frapper demain son vainqueur’

Een kanonschot weerklinkt: Gent geeft zich over en vader Van Ghest en de andere dekenen van de stad komen de keizer op een rood fluwelen kussen de stadssleutels aanbieden. Waarop de keizer hen meedeelt:

    ‘J’accepte volontiers ce gage de la trève / mais vous direz à ces tribuns fameux /
    Qui vous ont envoyé que demain avant eux / je paraîtrai portant et le sceptre et le glaive’

De eerste acte eindigt met een koor waarin de Spanjaarden hun overwinning bezingen en de Gentenaars de nederlaag betreuren.

Het tweede bedrijf speelt zich af in ‘Den roden toren’, de kroeg van vader Van Ghest. In de herberg vertelt Van Ghest, vervuld van wraakgevoelens, dat het twintig jaar geleden is dat de keizer in zijn toenmalige woonplaats Oudenaarde van zijn gastvrijheid misbruik heeft gemaakt om de eer van zijn dochter te bezoedelen. De jonge vrouw is de schande nooit te boven gekomen en heeft op haar sterfbed haar dochtertje Marguerite aan zijn zorgen toevertrouwd. Marguerite leeft dan ook in de veronderstelling dat Van Ghest haar vader is. Johan komt de herberg binnen en wil met Van Ghest een pul bier drinken, maar de sombere waard weigert. Wanneer Marguerite binnenkomt, vraagt Johan haar waarom ze zich in het keizerlijke kamp als zigeunerin had vermomd, maar ze wil haar geheim bewaren en vraagt Johan haar te vertrouwen:

    ‘Confiance, patience, de ma foi, telle est la loi’

Ze belooft hem de volle waarheid te vertellen wanneer hij terugkeert van zijn acht dagen durende reis. Ondertussen zingen schippers patriottische liederen en de oude Van Ghest heft een anti-Spaans lied aan. Na het luiden van de avondklok blijft Van Ghest alleen achter en op zijn eentje geeft hij lucht aan zijn haat tegen de keizer. In het nachtelijk donker arriveren de andere dekenen die samen met hem tegen de keizer complotteren. Padilla, de deken van de wevers, zegt dat men de keizer zal vergiftigen met de erewijn die hem daags nadien zal worden aangeboden. Maar Marguerite heeft alles afgeluisterd en is vastbesloten om de keizer te redden. Ze gaat daarbij wel voorbij aan het feit dat haar vader de belangrijkste complotteur is. Op het einde van de geheime bijeenkomst zingt vader Van Ghest:

    ‘Pour la patrie et pour l’honneur / Il est de saintes trames
    Dont Dieu même en nos âmes / allume la ferveur
    De son trône suprême / Il lance l’anathème
    Au front de l’oppresseur / pour la patrie et pour l’honneur'

Voor het tweede tafereel van het tweede bedrijf toont de scène de Vrijdagsmarkt. Te midden van een grote menigte staat de keizer op een estrade, waar hem de erewijn wordt aangeboden. Op het moment dat hij de beker aan zijn lippen zet, baant Marguerite zich een weg door de massa en rukt ze de wijn uit zijn handen. Ze fluistert hem toe dat het vergif is, maar hij doet alsof hij haar niet hoort:

    ‘Pour une pauvre enfant, dont la raison s’égare,
    C’est trop longtemps, je le déclare,
    Interrompre le cours de ces transports joyeux,
    Approchez, grands doyens, et comme nos aïeux
    Faisaient en pareille occurrence,
    Je viens pour cimenter notre sainte alliance
    Boire à la même coupe…’

De dekenen weigeren van de beker te drinken en zo wordt het complot blootgelegd. De keizer ordonneert dat de samenzweerders moeten worden overgeleverd aan de beul. Wanneer Marguerite ziet dat ook de man die ze voor haar vader houdt, wordt aangehouden, valt ze in zwijm.

Het derde bedrijf begint met Marguerite die haar ‘vader’ in de gevangenis gaat opzoeken. Van Ghest overlaadt haar met verwijten: het is haar schuld dat hij en zijn kompanen straks blootvoets en met een strop om de hals de gang naar het schavot moeten maken om er onthoofd te worden. Het meisje smeekt om vergiffenis en besluit om alles in het werk te stellen om de oude man te redden.
Het tweede tafereel verhuist naar het Prinsenhof waar Karel zich zijn gelukkige kinderjaren herinnert. Er is een schitterend feest aan de gang, waarmee zijn overwinning op de Gentenaars wordt gevierd. De dansen worden bruusk onderbroken wanneer Grietje de zaal binnenstormt. Ze werpt zich voor de voeten van de keizer en smeekt om genade voor haar ‘vader’. De keizer, die zijn leven aan haar heeft te danken, zegt dat hij haar wens gaat vervullen. Hij laat de gevangenen komen, maar wanneer hij verneemt dat ze genade vroeg voor Van Ghest, weigert hij. Marguerite is wanhopig en stort zich van het balkon van het paleis in de Schelde. Waarop Van Ghest de keizer diets maakt dat het meisje zíjn dochter is:

    ‘Mais sais-tu quelle est cette femme?
    Près d’Audenaerde, un vieillard respecté
    t’Accueillit autrefois en son humble chaumière,
    Et, pour payer son hospitalité,
    Tu dérobas l’honneur à sa fille si chère.
    Elle est morte depuis, et moi, qui fus son père.
    Moi, qu’on avait osé lâchement outrager,
    J’adoptai son enfant jurant de me venger.’

Keizer Karel is aangedaan en roept haar te redden. Op dat eigenste moment vaart Johan voorbij en hij weet haar uit het water te vissen. Wanneer hij haar het Prinsenhof binnendraagt, roept de keizer:

    ‘Nobles seigneurs, saluez mon enfant,
    Marguerite d’Autriche et princesse royale’

Johan vreest dat Grietje nu voor hem verloren is, maar de keizer belooft hem zijn dochter te schenken:

    ‘Si ton courage un jour à ton amour fidèle,
    Peut ennoblir son cœur, tu seras son époux’

En eind goed, al goed, Keizer Karel strijkt over zijn hart en schenkt de samenzweerders pardon:

   ‘Et vous, ô troupe téméraire,
    Dont je vois le front s’incliner,
    Rappelez-vous, en cet instant prospère,
    Que, Gantois, comme vous, je reste votre frère,
    Et qu’à ce titre seul, je dois vous pardonner.’

De wereldpremière was een succes en na afloop van de voorstelling werd Miry op het toneel geroepen, waar de toneelspeler Martin een gedicht ter zijner ere declameerde. De sopraan Rouvroy die de rol van Marguerite vertolkte, zette Miry het gouden kroontje op het hoofd dat haar tijdens de voorstelling was toegeworpen. Maar dat ging niet zonder slag of stoot, zo schreef L’Écho des Flandres: ‘Notre compositeur s’est défendu avec beaucoup de modestie et a voulu poser cette couronne sur le front de Mlle Rouvroy, qui à son tour et avec une amabilité exquise a forcé le héros de la soirée, de la garder pour lui.’

Het is evident dat Van Peene niet de intentie had om een historisch accuraat libretto af te leveren. Wél heeft hij een aantal elementen uit de Gentse Opstand van 1540 gedistilleerd en gedramatiseerd.
De criticus van L’écho des Flandres (1857, nr. 31) die over het algemeen lovend was over Van Peenes theatertekst, betreurde het wel dat de Gentse opstandelingen – ‘les derniers défendeurs de nos vieilles libertés’ – als laffe gifmengers werden afgeschilderd: ‘nous ne pouvons lui pardonner d’avoir élevé une statue au tyran et attaché ses victimes au pilori.’ Dat dit gegeven gevoelig lag, blijkt ook uit de recensie die het Journal de Gand (1857, nr. 38) publiceerde: ‘Une seule chose nous a pourtant étonnée, c’est que M. van Peene, qui est gantois et qui, dans plusieurs de ses oeuvres, a prouvé qu’il possède le sentiment de la nationalité, ait oublié ce qu’était la vieille loyauté flamande, qu’il ne se soit pas souvenu que, si nos ancêtres ont combattu souvent pour leurs libertés, s’ils se sont révoltés fréquemment contre l’oppression, jamais les doyens de nos métiers n’ont été des assassins ni des empoisonneurs.’ Deze recensent betreurt ook dat de Gentse dekenen worden opgevoerd met een strop om hun nek, terwijl de keizer die het bloed van zijn stadsgenoten deed stromen, wordt geglorifieerd. Ook het libretto werd bekritiseerd, niet omwille van de opbouw en dramatiek, wél om de voorstelling van de Gentenaars: ‘Het libretto bewyst dat de heer van Peene vele tooneelkennis bezit, doch wat men algemeen bejammert, is dat de moedige Gentenaers, die volgens de geschiedenis als voorstanders der vryheid tegenover keizer Karel stonden, zulk eene vernederende rol in het stuk spelen. Men gelooft niet dat het noodig was, enkel om tooneeleffekt te maken, onze voorvaders als vergiftigers te doen doorgaen.’ Maar over het algemeen werd Van Peenes libretto wel geprezen als gevarieerd, levendig, dramatisch goed geconcipieerd en zeer geschikt om op muziek gezet te worden.

En ook Miry’s partituur werd gunstig onthaald. Volgens de recensent van L’Écho des Flandres waren de aria’s ‘toutes distinguées, la plupart d’une fraîcheur extrême’ en hadden de koren veel effect. Hoogtepunten waren voor hem het koor ‘Quel est cet étrange mystère - Une pareille offense’ in het tweede tableau van de tweede acte: ‘M. Miry a rencontré là une de ces inspirations magistrales dignes de maîtres de l’art: mélodieux en même temps que dramatique.’ De Gazette van Gent was in de editie van 2-3 februari 1857 iets genuanceerder: ‘Volgens de meeste kenners, mist de muziek van den heer Miry eenheid in den samenhang, maer op zich zelven genomen, levert het opera verdienstelyke stukken op, waeronder zich de meeste kooren en de muziek der dansen onderscheiden.’ En een week na de opvoering, op 5 februari, schreef het gezaghebbende Brusselse muziekblad Le Guide musical: ‘Charles-Quint, grand-opéra en 3 actes, a réussi complètement, grâce à la musique de M. Charles Miry.’ Na de creatie maakten de auteurs enkele coupures en dat kwam het werk nog ten goede, zo schreef dat zelfde blad een week later: ‘Charles-Quint a gagné enormément à certaines coupures, ainsi qu’à la transposition de plusieurs morceaux. Grâce à ces changements, la tâche des chanteurs est devenue beaucoup moins pénible et, par conséquent, la jouissance de l’auditeur beaucoup plus vive.’ De meeste kranten prezen, naast de enscenering, ook de verzorgde uitvoering, met een extra pluim voor de sopraan Rouvroy die de rol van Marguerite schitterend invulde. Ook het ballet, met ‘nos excellentes danseuses’, werd in de loftuitingen niet vergeten.

Charles-Quint beleefde dat seizoen zeven opvoeringen in Gent. Later volgden ook ensceneringen in het Brusselse Théâtre des Galeries St. Hubert, in Brugge, Luik en Leuven.

De opera van Miry en Van Peene wordt van onder het stof gehaald op 29 april om 15.00 u. in het Muziekcentrum De Bijloke. Verschillende solisten en koren worden begeleid door het Symfonisch Jeugdorkest Oost-Vlaanderen o.l.v. Geert Soenen. Kaarten: www.uitbureau.be.

 

Nieuwe componistenfiches

door Annelies Focquaert

In maart werd de biografie en bibliografie gepubliceerd van de Antwerpse pianist en historiograaf Edouard Gregoir. Na een periode waarin diens musicologisch onderzoekswerk werd beschouwd als onwetenschappelijk en triviaal, is het nu tijd voor eerherstel van deze vruchtbare onderzoeker. Daarnaast verschenen vijf componistenfoto’s, die we haalden uit Moulckers’ Recueil de chants patriotiques des maîtres de l’art musical belge - 75e anniversaire de l’indépendance nationale 1830-1905 / Vaderlandsche zangen der meesters van de Belgische toonkunst - 75ste verjaring der nationale onafhankelijkheid, Lier, 1905. Het gaat om Paul Lebrun, Paul Miry, Oscar Roels, Jozef Vandermeulen en Léon Walpot.

 

Nieuwe cd: Our Lady of Flanders

door Jan Dewilde

Recentelijk verscheen de cd Our Lady of Flanders: Ave Maria at Our Lady’s Cathedral, door Wilfried Van den Brande (bas-bariton), Lies Vandewege (sopraan), Inez Carsauw (mezzosopraan), Nadja Nevolovitsch (viool) en Peter van de Velde (orgel).

In zijn memoires blikt componist Peter Welffens zo terug op zijn eerste contacten met vrouwelijke medestudenten tijdens zijn leerjaren aan het conservatorium: "(…) mijn opvoeding in katholieke zin tussen de collegemuren had voor mij van het 'vrouwelijk' iets onwezenlijk gemaakt. Iets met een geheimzinnige aantrekkingskracht dat zich aanvankelijk sublimeerde in mijn gemeende devotie voor Onze Lieve Vrouw van Antwerpen, ik kom daar echt voor uit. Dit was bij mij geen kwestie van indoctrinatie maar een mengeling van behoefte aan mystiek en hang naar het 'vrouwelijk' – 'das ewig weibliche'."
Welffens geeft hier misschien wel een sprekende verklaring voor het groot aantal Marialiederen die de muziekgeschiedenis rijk is: een mengeling van behoefte aan mystiek en de drang naar ‘das ewig Weibliche’.

Van het vroegste gregoriaans tot de muziek van vandaag, in alle toonaarden werd Maria toegezongen én bezongen. Deze bijzondere cd laat een fraaie selectie horen uit dat ongemeen rijke repertoire aan Marialiederen, met zowel bekende gezangen, als vergeten parels van Vlaamse en internationale componisten.

Drie van de hier gecompileerde componisten waren als kapelmeester verbonden aan de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, een eeuwenoud centrum van Mariadevotie: Peter Benoit, Emile Wambach en Lodewijk De Vocht. Peter Benoit (1834-1901), die vanaf 1871 ‘hoofdbestuurder’ van de muziekuitvoeringen in de kathedraal was, bleef een groot deel van zijn carrière de religieuze muziek toegewijd. Al op zijn veertiende schreef hij zijn vroegste liturgische composities en later componeerde hij niet alleen grote religieuze werken die eerder voor de concertzaal waren bedoeld (de cyclus Quadrilogie religieuse), maar verrijkte hij ook het kerkrepertoire met missen en motetten, waaronder het hier opgenomen piëteitsvolle Ave Maria. Bijzonder is dat Benoit, bijna een eeuw vóór het tweede Vaticaans Concilie, al pleitte om het kerkvolk bij de liturgie te betrekken door hen ‘choralen in de volkstaal’ te laten zingen. Benoits leerling Emile Wambach (1854-1924) was kapelmeester van de Antwerpse kathedraal van 1894 tot 1912 en in die hoedanigheid componeerde hij veel liturgische muziek. Wambach koesterde een grote devotie voor Maria; rond zijn dertiende al schreef hij een eerste Ave Maria, en er zouden nog verschillende volgen. Zelfs in het profane Blancefloor (een ballade voor soli, koor en orkest uit 1888) komt een Ave Maria voor, dat in een aparte uitgave door het Davidsfonds een grote verspreiding kende. Zijn nobele Wees gegroet, in de lijn van Benoit in de volkstaal geschreven, werd jarenlang in de kathedraal gezongen, ook in grootse koorbezettingen. Maar misschien wel het populairste Marialied dat in het Vlaanderen van de vorige eeuw werd gezongen, is van de hand van Lodewijk De Vocht (1887-1977). Het is als koraaltje in het Antwerpse kathedraalkoor dat De Vocht zijn vroegste muziekopleiding kreeg van Wambach, die hij al in 1913 als kapelmeester zou opvolgen. De Vochts Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen is een van de Marieliederen die werden gecomponeerd om in 1910 de vijftigste verjaardag van de pauselijke kroning van het witmarmeren Onze-Lieve-Vrouwebeeld uit de Gentse Jezuïetenkerk te celebreren. De volksverering voor deze ‘Notre Dames des Jésuites’ was zo groot dat het beeld in 1860 vanwege Pius IX de pauselijke zegen en een kroon ontving. Bij die gelegenheid werd het beeld herdoopt als ‘Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen.’ Om in 1910 het halfeeuwfeest van die kroning te gedenken, vroegen de Jezuïeten enkele vooraanstaande Vlaamse toondichters een Mariahymne te componeren. Componisten als Robert Herberigs, Karel Mestdagh, Joseph Ryelandt en Franz Uyttenhove leverden een Mariale compositie, maar alleen het lied van De Vocht trotseerde de tijd. Meer zelfs, het bleef decennia lang zeer populair. De tekst van priester-dichter August Cuppens, die hier Mariadevotie met Vlaamse gevoelens verzoent, raakte duidelijk een gevoelige snaar. De Vochts eenvoudige, maar direct aansprekende melodie zorgde er voor dat dit lied, in verschillende versies en bezettingen, door vele generaties werd gezongen en tot het religieus-muzikaal erfgoed is gaan behoren.

Benoit, Wambach en De Vocht waren allen directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen. Als conservatoriumdirecteur werd De Vocht in 1952 opgevolgd door orgelvirtuoos en componist Flor Peeters (1903-1986). Zowel in diens orgelwerken als in zijn vocale muziek komen verschillende Mariacomposities voor. In zijn orgelmuziek vond Peeters inspiratie in eeuwenoude Mariagezangen voor werken als Paraphrase on ‘Salve Regina’ en de Toccata, fugue and hymn on ‘Ave maris stella’. Zijn Mariaverering schreef hij ook uit in het lied Maria, hemelse moeder en in het hier opgenomen Ave Maria uit 1961, dat zowel voor solostem en orgel als in diverse koorbezettingen werd gepubliceerd. Dat de figuur van de Moeder van God ook hedendaagse componisten nog weet te inspireren, bewezen, onder vele anderen, gerenommeerde internationale componisten als Henryk Górecki (Totus tuus sum, Maria, 1987), Arvo Pärt (de Russische Mariahymne Bogoróditse Djévo, 1990) en, dichter bij huis, Vic Nees (Stella maris, 2004 en Aachener Ave Maria, 2005). Deze cd houdt deze traditie levendig en actualiseert ze: op vraag van Wilfried Van den Brande, initiatiefnemer van deze cd, componeerde Wim Henderickx (1962) een Ave Maria dat een eigentijdse en expressieve invulling geeft aan een spirituele muziektraditie van eeuwen.

Naast deze Vlaamse Marialiederen bevat deze fraai vormgegeven cd ook Ave Maria’s van o.a. Joseph Jongen, César Franck, Francis Poulenc, Giuseppe Verdi en natuurlijk ook de Mariale ‘evergreens’ van Franz Schubert en Charles Gounod.

Meer informatie over deze cd:

Titel: ‘Our Lady of Flanders: Ave Maria at Our Lady’s Cathedral’
Uitvoerders: Wilfried Van den Brande, bariton; Nadja Nevolovitsch, viool; Lies Vandewege, sopraan; Inez Carsauw, mezzosopraan; Peter van de Velde, orgel
Label: Docs ’n Music (zonder nummer)
Prijs: 20 euro, verkrijgbaar in de Kathedraalwinkel (Antwerpen) of langs de webshop via http://wilfriedvandenbrande.com

 

Vers van de pers: Jan Blockx - Suite dans le style ancien

door Jan Dewilde

In maart verscheen er opnieuw een Vlaamse partituur bij Muziekuitgeverij Höflich in München in de reeks Repertoire Explorer. Dit keer was de compositie Suite dans le style ancien van Jan Blockx aan de beurt. Zoals steeds werd de partituur voorafgegaan door een meertalige inleiding, die we hierbij aan u presenteren.

Lees hier de inleiding van Jan Dewilde op Suite dans le style ancien van Jan Blockx.

 

Masterclass en concert rond Servais door cellist Gavriel Lipkind

door Peter François

Van 10 tot 14 april 2012 organiseert de vzw Servais opnieuw een cellostage in de Halse Servaisacademie voor jonge cellotalenten, studenten en afgestudeerde cellisten. De docent is Gavriel Lipkind, die bijna permanent op reis is voor optredens en cd-opnames. Hij kon in zijn drukke concertagenda plaats maken om een week in Halle door te brengen.

Op dinsdag 10 april geeft Gavriel Lipkind samen met pianist Michael Kravtchin een recital als feestelijke start van de cellostage. Het recital vindt plaats om 19.30 uur in de Servaiszaal van de academie. Reserveren is aanbevolen en kan via de vzw Servais (peter@servais-vzw.org; 02 360 14 88). Een ticket kost 10 euro, inclusief een cd van Gavriel Lipkind.

Het publiek is ook hartelijk welkom op de masterclasses zelf. Die vinden plaats van woensdagmorgen 11 april tot zaterdagnamiddag 14 april. Ook voor niet-cellisten is het een belevenis om een masterclass mee te maken.

Zaterdag 14 april om 19 uur is er een gratis slotconcert met een optreden van de deelnemers.

U bent ook van harte welkom op zondag 29 april om 15 uur in de kerk van Vollezele voor een optreden van de cellostudenten van het Conservatorium van Antwerpen.

Meer info: www.servais-vzw.org