ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 11 - juli 2003

1. Concerten 'Vlaams Erfgoed'

De volgende vier concerten kaderen in de interessante reeks ‘Vlaams Erfgoed’ van het Festival van Vlaanderen – Mechelen.
Inlichtingen: 015/29 40 00 – cultuurcentrum@mechelen.be

  • Mechelen, Sint-Romboutskathedraal - 20 augustus 2003, 20u30
    Naar aanleiding van de honderdste geboortedag van Flor Peeters speelt Chris Dubois een orgelrecital dat volledig aan zijn orgelleraar, tevens ereburger van de stad Mechelen, is gewijd. Dubois wordt bijgestaan door de Engelse tenor James Griffet, die ooit nog samen met Peeters Speculum Vitae opnam, een werk dat die avond ook op het programma staat.
  • Mechelen, Sint-Romboutskathedraal - 26 augustus 2003, 20u30
    Nog ter herdenking van Flor Peeters brengt Benjamin Steens een programma waarin hij werken van Peeters combineert met Franse tijdgenoten als Charles Tournemire, Gaston Litaize en Maurice Duruflé.
  • Mechelen, Sint-Romboutskathedraal - 18 september 2003, 20u30
    Het geplande hoogtepunt van de herdenking Flor Peeters is de uitvoering van zijn Orgelconcerto opus 52 door Peter Pieters en het Vlaams Radio Orkest o.l.v. Yoel Levi. Dit werk wordt omringd door In memoriam van Godfried Devreese en de Symfonie van César Franck. 
  • Mechelen, Jezuïetenkerk-O.L.V.-Leliëndaal - 11 oktober 2003, 20u30
    Het Arpae Ensemble speelt werk van Norbert Rosseau, Jean Cras, Camiel Van Hulse en Joseph Jongen.
  • 2. Nieuwe publicatie: 'Tal van oude muziekboekskens'

    Op 11 juli werd in Harelbeke het boek “Tal van oude muziekboekskens." De familie Benoit en het muziekleven in Harelbeke tijdens de 19de eeuw voorgesteld.
    Dit boek brengt het verhaal van Petrus en Jan Baptist Benoit, twee broers die in de 19de eeuw het muziekleven in Harelbeke mee tot klinken hebben gebracht. Zij hebben mee de basis gelegd voor de bloeiende lokale muziekcultuur waarbinnen hun zoon en neef Peter Benoit zich al op jonge leeftijd als uitvoerend musicus en componist kon ontwikkelen.

    Het eerste deel brengt de uitgebreid geannoteerde 'memoires' van Petrus Benoit, die in de aanloop naar het Benoitjaar door het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek werden teruggevonden. Deze geschriften, die Petrus Benoit op zijn oude dag heeft neergepend, werpen een nieuw licht op het Harelbeekse culturele leven in het algemeen en op het muziekonderwijs aan het begin van de 19de eeuw in het bijzonder.

    Een inventaris van 'tal van oude muziekboekskens' uit de uitgebreide muziekbibliotheek van zijn broer, de deurwaarder en muziekliefhebber Jan Baptist, vervolledigt het beeld van een verrassend rijk Harelbeeks muziekleven. Omdat de muziekbibliotheek (544 items) van Jan Baptist Benoit letterlijk uit een kast is gevallen, heeft het heel wat moeite en tijd gekost om de bibliotheek te reconstrueren. Na zorgvuldig puzzelwerk bleek dat deze bibliotheek - momenteel in bewaring bij het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek - uit verschillende, soms 18de-eeuwse, verzamelingen bestaat, door Jan Baptist Benoit in de loop der tijd verworven. Zo is er een reeks werken (partituren en methodes) met de vermelding: "Ce Livre Appartien A Charles Joseph Delevingne natif de Courtraÿ 1797." Een andere reeks werken draagt het handgeschreven ex libris van ene Alphonse De Brabander (eveneens uit de 18de eeuw) of zijn gesigneerd door ene Charles Delevingne. Ook de namen Verbeke-Beck, C. Cottignies, L. Van Coppenolle en C. Soetewey komen op de partituren voor. Bovendien zijn delen van de muziekbibliotheken van de Harelbeekse Sint-Salvatorkerk of de muziekvereniging Sint-Caecilia bij Jan Baptist Benoit terechtgekomen. En het grote aantal manuscripten van de Harelbeekse componist Joseph Deconinck, een leerling van Pieter Vanderghinste, laat vermoeden dat hij diens weduwe heeft kunnen overtuigen om zijn partituren aan hem af te staan. Verschillende werken zijn getekend door Petrus Benoit, maar het grootste deel draagt of de handtekening of de stempel van Jan Baptist Benoit: "Jean-Bapt. Benoit huissier à Harlebeke." Niettegenstaande alle inspanningen zijn er tientallen bladen of snippers papier met anonieme schetsen die niet konden worden geïdentificeerd en die dus niet in de inventaris zijn opgenomen.

    De bibliotheek bevat verschillende, tot nu ongekende composities van vader Petrus Benoit en zijn zonen Peter, Edmond en Constant. De inventaris van de muziekbibliotheek is op een CD-ROM bij het boek gevoegd. Deze CD-ROM werd technisch gerealiseerd door Ron van den Branden en Edward Vanhoutte van het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (CTB). 

    Jan Dewilde, "Tal van oude muziekboekskens" De familie Benoit en het muziekleven in Harelbeke tijdens de 19de eeuw. (+ CD-ROM: Inventaris van de muziekbibliotheek van Jan Baptist Benoit) Harelbeke: Stad Harelbeke, 2003. 54 p. ISBN: 90-90171-09-6. 12 EUR.
     
    Boek en CD-ROM zijn te verkrijgen bij het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (Koningstraat 18 b-9000 Gent - ctb@kantl.be) of bij het Museum Peter Benoit, Marktstraat 55-57, 8530 Harelbeke. 

    3. Vlaamse kamermuziek : Joseph Callaerts

    De Antwerpse organist en  componist Joseph Callaerts (1834-1901) heeft naast een belangrijke reeks orgel- en pianowerken ook kamermuziek geschreven:

  • Andante sostenuto, opus 17 voor cello (viool) en piano (uitgever: Hamelle, Luik)
  • Gavotte, opus 20 voor cello en piano  (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • Karakteristiek stuk voor violen voor 1ste violen, 2de violen, altviolen (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • Menuetto voor strijkers (1887) (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • Morceau de concert voor cello en piano (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • Prière, transcriptie voor viool en piano van orgelstuk (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • Sonate voor viool en piano (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • Stuk voor 2 bugels, bariton en tuba in si b (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • Trio (la mineur) pour piano, violon et violoncelle op. 16 (1882) (uitgever: Hamelle, Luik)
    N.B. Dit werk werd in 1882 bekroond door de Académie royale de Belgique. Het werk is opgedragen aan de componist en musicoloog Léon de Burbure. Onlangs heeft het SVM een gedrukte partituur van dit werk teruggevonden, met de handgeschreven opdracht: ‘A Monsieur le Chevalier Léon de Burbure Jos. Callaerts. Anvers ce 3 Juiller 1884.’ 
  • Romanza pour flûte (manuscript in het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen)
  • 4. Edward Lockspeiser: The Belgian scene

    De historische tekst is deze keer van de hand van de Engelse componist, dirigent, musicoloog en criticus Edward Lockspeiser (1905-1973). Hij was een leerling van Nadia Boulanger, vandaar waarschijnlijk zijn levenslange interesse voor de Franse muziek. Lockspeiser schreef een belangrijke tweedelige studie over Claude Debussy en publiceerde verder ook over Berlioz, Bizet en Ravel. Omwillen van zijn verdiensten voor de Franse muziek werd hij in 1948 Officier de l’Académie. Een jaar vroeger bezocht hij België en bracht hij verslag uit van het Belgische muziekleven. Een muziekleven dat zo kort na de oorlog verrassend springlevend én bij de tijd was: 
     
    On a recent visit to Belgium I discovered that most musicians there, as elsewhere on the Continent, look to a reputation which they might establish in England as one of the most desirable attainments. I am not only referring to artists of the front rank who already have something of an international reputation, but to the more average, good musicians who, now that some freedom of artistic intercourse has been established between nations, are desperately anxious to make themselves known  outside their own country. It is only natural that there should be this feeling after the years of isolation and restriction on travel. And, indeed, there is a good deal of very profitable musical interchange between the nations of the Continent. But the goal, the coveted prize for European musicians, seems to be an engagement in London. The bottle-neck situation thus produced is, of course, not entirely new, and in my opinion the right way out of it will only be found when our own artists are more willing than they now are to accept engagements on the Continent. I am not proposing in this short survey to suggest how this apparent reluctance of English artists to travel may be overcome. I will only express the hope that it will, for I cannot believe that anything but good can come out of a freer exchange of the musical resources of all countries.

    The active musical life of Belgium, with Brussels as an important international centre, has not been impaired by the years of German occupation. All the pre-war musical institutions are flourishing, and there are imposing series of orchestral concerts and operatic productions both in Brussels and the various provincial cities.

    The enterprising Philharmonic Society in Brussels, under the able direction of Marcel Cuvelier, continues its series of concerts at the Palais des Beaux-Arts with the Orchestre National. Nicolai Malko opened the series with the American soprano, Anne Brown, singing arias of Gluck and Mozart; and other conductors heard at the beginning of the season include: Igor Markevich, the much discussed composer of the pre-war years who has been resident in Italy; Sabata; Dobrowen, the distinguished Russian conductor who lives in Stockholm, and Louis de Vocht, the conductor of the renowned St. Cecilia Choir at Antwerp. Other concerts are shared by Kletzki and Michelangeli, Kubelik and Ginette Neveu, Vladimir Golschmann, and Milstein.

    Musical life in Brussels is divided between the Philharmonic Society, the Belgian Radio with its two distinct services in French and Flemish, the Opera (the Théâtre de la Monnaie) under the direction of Corneil de Thoran, and the Conservatoire, of which the director is Léon Jongen.

    The bulwark of the music programmes of the Belgian radio is the fine Belgian Radio Symphony Orchestra, formed before the war by Franz-André, who is still its vital and alert conductor. On both the French service, directed by André Tellier, and the Flemish service, directed by Paul Collaer, orchestral public concerts of unusual interest are given, introducing and impressive list of new or little-know works. Jean Absil, professor of composition at the Brussels Conservatoire and striking personality among modern Belgian composers, will be represented by his choral work Fansou, Raymond Chevreuille by his Cantique du soleil, and Marcel Poot by his oratorio Icare. Joseph Jongen’s Coronation Mass and the oratorio Le Martyre des Saints Innocents by Henry Barraud, director of the French radio, represent an older generation; while the complete Livre de la Jungle (based on Kipling), the longest and most recent work by the eighty-year-old French composer Charles Koechlin, shows that the Belgian radio maintains a lively curiosity in regard to contemporary music from wherever it may come.

    Concerts of chamber music are given regularly by the admirable Gertler and de Groote quartets, while Belgium has two remarkable violinists in Arthur Grumiaux and Carlo Van Neste, both of whom have established reputations abroad. Aimée Van de Wiele, a Landowska pupil, is a highly accomplished harpsichord player noted for her interpretation of the Goldberg Variations. The young duo pianists, Henry Piette and Janine Reding, have an extensive modern repertory, including the Bartók double concerto, which they play with a wonderful sense of ensemble.

    A product of the war is the flourishing movement of the 'Jeunesses Musicales', founded in 1940 by Marcel Cuvelier, originally as a national organisation to counteract Nazi influence among the youth. This nation-wide movement provides concerts for young people given by eminent artists and calculated to develop their musical taste and judgment. From 1940 to 1945 the membership of the ‘Jeunesses Musicales’ rose from two to eleven thousand, and the magnificent Palais des Beaux-Arts is often packed with an enthusiastic audience of young people who have come, now, to appreciate the best examples of modern music and will listen with rapt pleasure to Stravinsky’s Nightingale, conducted by Ansermet, or a Honegger cantate. From Belgium the movement has spread to Holland, France and Switzerland, and, following an international congress of this movement held in Brussels last May, it was resolved to develop an international scheme providing for the exchange of young artists and for co-operation in concert organisation and the theaching of music in schools.

    Belgian musical life is, however, by no means entirely centred in Brussels, and it is characteristic of Belgium that the provincial towns should take special pride in their indigenous activities. Liège has an energetic and intelligent conductor in Fernand Quinet, the director of the Orchestra of the Conservatoire which, incidentally, is shortly to open a museum containing the instruments, relics, and library of the great Liège violinist, Eugène Ysaÿe. Ten concerts a year are given under Quinet’s authoritative direction, with the co-operation of soloists such as Monique de la Bruchollerie and Lazare-Lévy.
    At Antwerp the moving spirit is Louis de Vocht, whose St. Cecilia Choir gives performances, considered to be of the highest standing, of such works as Berlioz’s Damnation of Faust and Honegger’s Jeanne d’Arc au Bûcher.

    Peter Grimes was recently given at the Antwerp Opera in Flemish, and other performances of both Peter Grimes and The Rape of Lucretia are scheduled at Brussels. Britten is well known to Belgian musicians, and so is Walton, whose violon concerto is often played by Arthur Grumiaux. Thought the knowledge of modern English music in Belgium is patchy, the Belgian seem to have taken many English musicians to their hearts, and performances of representative English works are frequent. Michael Tippet, whose Child of our Time has been given in French on the radio, is a frequent visitor, and the Fourth Symphony of Vaughan Williams is especially admired. Sir Adrian Boult, Constant Lambert, and Maurice Miles are the English conductors who have appeared with the Belgian Radio Orchestra. An outstanding event still remembered by Belgians was the visit to Brussels, shortly after the liberation, of Sir Thomas Beecham with the London Philharmonic Orchestra. Many other English musicians are known by name, but unfortunately not yet in person.

    Cathedral music is maintained on a high level at Mechlin, under the direction of Mgr. Van Nuffel; at Bruges by the ‘Cantores’, and at the abbeys of Maredsous and Mont-César, both noted for Gregorian chant. The best Belgian organists are considered to be Flor Peeters at Mechlin and Charles Hens at St. Gudule, in Brussels.The foremost Belgian scholar, Charles van den Borren, known throughout the world for his studies of early Flemish musicians, is associated with the ‘Musica Antiqua’ ensemble, which devotes itself to performances of mediaeval and Renaissance music.’
     
    Uit: The Penguin Music Magazine III, Londen, september 1947, p. 17-20.