Nieuwsbrief 110 - april 2012
Recensie Charles Quint: de Keizer Karel-opera van Karel Miry van onder het stof gehaald
door Jan Dewilde
Op zondag 29 april 2012 werd op initiatief van Lyrica Gent in Muziekcentrum De Bijloke in Gent de ‘grand opéra’ Charles Quint van Charles ‘Karel’ Miry en Hippoliet Van Peene uitgevoerd. Een uniek evenement voor operaliefhebbers. Uitvoerders waren sopraan Amaryllis Grégoire (Marguerite), bariton-bas Vincent Bertrand (Charles Quint), bas-bariton Laurent Kubla (Van Ghest), tenor Denzil Delaere (Johan) en bas Thomas Mürk (Padilla en schipper). Het koor werd aangeleverd door het Opera- en Belcantokoor Liane Soudan (voorbereid door Herman Struelens) en het mannenkoor De Oudenaardse Zangvereniging (voorbereid door Hans Van Canneyt). Het Symfonisch Jeugdorkest Oost-Vlaanderen JeMoo was het orkest van dienst, Geert Soenen de dirigent.
De bijdragen rond Miry’s opera die in de twee laatste nieuwsbrieven verschenen, vindt u hier enigszins herschreven en gebundeld, en aan het slot aangevuld met enkele bedenkingen bij de heruitvoering.
Opmerkelijk toch: de twee frequentst uitgevoerde Vlaamse composities uit de negentiende eeuw zijn geschreven door Gentenaars. Al zijn er natuurlijk geen uitvoeringscijfers voorhanden, toch lijdt het weinig twijfel dat De Vlaamse leeuw van Karel Miry (1823-1889), maar vooral L’Internationale van Pierre De Geyter (1848-1932) met grote voorsprong, en tot vandaag, het meest tot klinken zijn gebracht. Twee strijdliederen, twee ‘chants révolutionnaires’ die geschiedenis schreven en het zelfs tot nationaal volkslied brachten. De Internationale, ‘het grote lied van de kleine man’, mag zelfs een wereldhit genoemd worden. De Geyter schreef zijn lied in 1888 op verzen van ‘communard’ Eugène Pottier en werd zo de componist van de hymne van links en van het nationale volkslied van de Sovjet-Unie (van 1918 tot 1943). Het moet ook een van de meest vertaalde liederen ooit zijn, tot in het Bengaals, Farsi en het Zulu toe. Niet alleen wordt het lied nog altijd wereldwijd gezongen op socialistische en communistische evenementen allerhande, de melodie werd ook gebruikt in tientallen speelfilms en in 1990 zette de Engelse singer-songwriter Billy Bragg een eigentijdse versie op plaat.
Op bescheidener - Vlaamse - schaal behoort ook De Vlaamse leeuw tot het collectieve geheugen. Miry schreef het lied in het prerevolutionaire jaar 1847, op tekst van zijn oom Hippoliet Van Peene. Onsterfelijk werd hij met dit ene lied dat in de loop der jaren deed vergeten dat hij ook de auteur was van ooit populaire opera’s, koorwerken, kinderliederen en van vier symfonieën. Het was dan ook een evenement van eerste orde dat zijn ‘grand opéra’ nu opnieuw werd geprogrammeerd in zijn geboortestad.
Nonkel Pier
Iemand zou eens een sociologische studie moeten maken van de Vlaamse negentiende-eeuwse componist: opvallend velen onder hen waren van lagere afkomst en hebben zich op de sociale ladder omhoog gecomponeerd. Bij gebrek aan officiële muziekopleidingen kregen de meesten hun vroegste opleiding van hun vader of van een ander dicht familielid. Zo ook Karel Miry, die zijn eerste muzieklessen kreeg van zijn oom Pieter, een veelzijdige muzikant. Nonkel Pier was een speelman en fleurde met zijn viool bals, markten en kermissen op. Daarnaast zong hij in het koor van het Gentse Théâtre (de Franse opera) en was hij violist en soms dirigent in de Parnassusschouwburg. De jonge Miry volgde ook vioolles bij Jean Andries, eerst privé en vanaf 1835 eveneens aan de pas geopende Gentse stedelijke muziekschool, het latere conservatorium. Daar kreeg hij ook harmonie en compositie van directeur Martin Joseph Mengal. Ondertussen leerde hij de stiel in al zijn aspecten, als kopiist van partituren, als orkestbibliothecaris en als violist, slagwerker en dirigent van allerlei gelegenheidsorkestjes.
Er was niet alleen nonkel Pier die hem in de muziekwereld introduceerde, Miry genoot ook de onbetaalbare steun van een andere oom: toneelschrijver en -regisseur Hippoliet Van Peene (1811-1864), die de Gentse toneelkring Broedermin en Taalijver leidde. Van Peene zou zijn neef rijkelijk van libretto’s voorzien; op 18 januari 1846 ging hun vaudeville Wit en zwart in de Parnassusschouwburg in première en deze creatie luidde het begin in van een productieve samenwerking. Miry legde een enorme werkkracht aan de dag en schreef aan de lopende band opera’s, zangspelen, vaudevilles en (kinder)operettes. Na Van Peenes dood ging hij samenwerken met librettisten als Napoleon Destanberg, Pieter Geiregat en een eenmalige keer met Hendrik Conscience. Zo werd Miry een van de meest opgevoerde muziektheatercomponisten van zijn generatie. Waar hij de tijd vandaan haalde, is een raadsel, maar daarnaast was hij ook nog als dirigent en muziekleraar bijzonder actief. Hij was dirigent van de Société des Mélomanes, de belangrijkste Gentse koorvereniging, en stond seizoenen lang als tweede dirigent in de bak van de Gentse opera. In 1857 werd hij aan het Gentse conservatorium aangesteld als professor harmonie, contrapunt en compositie (toen één vak) en als dirigent van de orkestklas.
Het is evident dat zijn alomtegenwoordigheid in het Gentse muziekleven, en zijn succes in het theater in het bijzonder, Miry een grote populariteit bezorgde. Symptomatisch voor die plaatselijke roem waren de druk bijgewoonde ceremonies die volgden op zijn dood: op 4 oktober 1889 stierf Miry in de stad waar hij geboren was. Nu is de dood van een componist hoogstens nog een lijntje ergens achteraan in de krant waard, maar toen was dat niets minder dan een historisch evenement: een indrukwekkende begrafenisstoet, een vier uur lang durende rouwplechtigheid, bijgewoond door een plejade aan prominenten en vele lijkredes waarin de kwaliteiten en de verdiensten van de aflijvige componisten werden opgehemeld. Miry kreeg een eenvoudig graf, maar op instigatie van componist en conservatoriumdirecteur Adolphe Samuel werd een comité opgericht om een waardig monument te zijner nagedachtenis op te richten. Privépersonen, dekenijen en organisaties als het Willemsfonds brachten de gelden bijeen en op 9 april 1893 kon op het Gentse Casinoplein het borstbeeld van Miry, bovenop een elegante zuil geplaatst, onthuld worden. Niettegenstaande die ‘lieu de mémoire’ raakte Miry en met hem 99,99% van zijn muziek al vlug in de vergetelheid. Als zijn naam nog voortleefde, dan was het dankzij De Vlaamse leeuw. Maar met de heropvoering van zijn historische opera Charles Quint is daar nu toch een beetje verandering in gekomen.
Parijs
Rond de tijd dat Miry Charles Quint componeerde, waren de meest succesvolle Belgische operacomponisten actief in Parijs, toen ‘la capitale de la musique’. Componisten als Albert Grisar, François-Auguste Gevaert en Armand Limnander van Nieuwenhove woonden en werkten in Parijs, waar hun opera’s door de Parijse schouwburgen werden opgevoerd, vaak met veel succes. Dat verklaart waarom de Gentsche Mercurius op 1 februari 1857 schreef: ‘Het is uitnemend zeldzaem in Belgien operas van inlandschen oorsprong te zien vertoonen; het mag dan echt wonderlyk heeten dat er in de enkele maend january niet minder dan dry nationaele zangstukken zyn opgevoerd en toegejuicht. Te Antwerpen vertoonde men Willem Beukels, een vlaemsch opera van MM. Stroobant en Willems voor den tekst en Gregoir voor ’t muziek; te Luik, Grétry à Versailles, van de heeren Michaëls en Camauer, en te Gent Charles Quint van de heeren Van Peene en Miry. Men voege daerby dat het Groot-Opera van Parys op dit oogenblik dry werken van Belgen in handen heeft: een in dry bedryven van onzen stadsgenoot Gevaert, ’t welk mogelyk nog in february wordt opgevoerd; een ander van den Gentenaer Armand Limnander, en een derde van den Antwerpenaer Grisar.’
Het artikel moet wat de ‘Parijse’ producties betreft wel enigszins genuanceerd worden: de opera’s van Gevaert, Limnander en Grisar waren op dat moment wel klaar, maar de wereldpremières in de Parijse Opéra-Comique zouden om uiteenlopende redenen nog een tijd op zich laten wachten. Gevaerts opera Quentin Durward zou pas op 25 maart 1858 gecreëerd worden; Grisars Voyage autour de ma chambre werd op 12 augustus 1859 boven de doopvont gehouden, en door tegenwerking van de machtige Giacomo Meyerbeer zag Limnander zijn opera Yvonne pas op 29 november 1859 in première gaan. Maar al bij al was er rond die tijd toch een florerende Vlaamse/Belgische operaproductie die ook internationaal, en zeker in Parijs, werd geapprecieerd.
In hetzelfde seizoen 1856-1857 waarin Miry’s Keizer Karel-opera werd gecreëerd, speelde het Gentse operahuis ook nog werk van Grisar (Les amours du diable en Bonsoir Monsieur Pantalon) en Limnander (Les Monténégrins). Elk seizoen stonden er steevast meerdere Belgische opera’s op de affiche en daarin verschilde Gent niet van de andere Belgische operasteden. Dat is wel anders nu: opera’s die eertijds volle zalen lokten – volgens hetzelfde krantenartikel werd Charles Quint bijgewoond door ‘een zoo talryk publiek, dat de zael opgepropt was’ – liggen al langer dan een eeuw onder het stof der vergetelheid te verkommeren.
‘Grand opéra’
Charles Quint werd voor het eerst opgevoerd op 29 januari 1857 in de Gentse Opera. (In de autografische partituur, bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Gent heeft Miry 27 januari 1857 genoteerd als einddatum van de compositie: hij heeft zich dus moeten reppen). De druk bijgewoonde wereldcreatie was tegelijkertijd een benefietconcert ten voordele van de Gentse bariton Wilhem die zelf de titelrol vertolkte. De andere rollen werden gecreëerd door Rouvroy (Marguerite), Estor (Van Ghest), Tandeau (Johan), Vinkel (Padilla) en César (een schipper).
De mise-en-scène was, zoals het een ‘grand opéra’ past, somptueus, en het succes was navenant. Enkele dagen na de creatie, op 1 februari, schreef De Gentsche Mercurius dat ‘het bekende talent van den librettist om treffende toestanden te weeg te brengen, nogmaels op eene schitterende wyze uitblinkt. Wat het muziek aengaet, hetzelve is zeer merkweerdig: het levert frissche melodyen en regt dramatische effekten op. Den heer Miry heeft opnieuw bewezen dat hy het gevoel heeft van het tooneelmuziek.’ De krant verwijst hier naar eerder succes van het familieduo Miry - Van Peene, zoals de feeërieke opera La lanterne magique (1854).
Het moet gezegd: binnen de geplogenheden en wetmatigheden van de negentiende-eeuwse opera heeft Van Peene een toch wel dramatisch, aansprekend en gevarieerd libretto afgeleverd. Het verhaal speelt zich af tegen de historische achtergrond van de ‘Gentse Opstand’ van 1540, die door Keizer Karel de kop werd ingedrukt. Karel V beknotte toen de macht van de ambachtsgilden en de stedelijke overheid. Gent moest een zware boete betalen en enkele oproerkraaiers werden terechtgesteld. Bovendien vernederde de keizer de Gentenaars door een aantal prominenten blootsvoets, in een zwarte tabbaard gekleed en met een strop om de hals van het stadhuis naar het Prinsenhof te zenden waar ze dan neergeknield om vergiffenis moesten smeken.
In de negentiende eeuw werd Keizer Karel wel vaker opgevoerd in toneel- en zangspelen. (Voor meer informatie, zie: Adelheid Ceulemans, Verklankt verleden. Vlaamse muziektheaterwerken uit de negentiende eeuw (1830-1914): tekst en representatie, UPA, 2010). Van Peene zelf had eerder al het ‘blyspel met zang’ Keizer Karel en de Berchemse boer geschreven, dat op 31 januari 1841 door zijn Gentse toneelmaatschappij Broedermin en Taalyver werd opgevoerd. Het stuk werd een kaskraker zodat, jaren later, Van Peene voor zijn operalibretto verschillende elementen uit dit blijspel recycleerde. Keizer Karels legendarische belangstelling voor vrouwelijk schoon – een element dat door Van Peene en verschillende andere negentiende-eeuwse toneelauteurs werd gehekeld – krijgt in Charles Quint een vruchtbaar vervolg. Centraal in het verhaal staat immers Marguerite (‘Grietje’) Van Ghest, ‘de vrucht eener onwettige liefde van den beroemden keizer’. (In andere toneelstukken is Grietje Van Ghest de minnares van de keizer, hier is ze dus de dochter van zijn geliefde).
Eerste bedrijf
De opera opent in een Spaans kamp dat aan de Gentse stadsmuren gelegerd is. Het toneelbeeld toont op de voorgrond de keizerlijke tent en een panorama met de Schelde en op de achtergrond de stad Gent. Bij het ochtendgloren staan de schildwachten bij de tent van de keizer. In de verte zingt de jonge visser Johan een visserslied. Trompetgeschal weerklinkt en het kamp komt stilaan tot leven. Soldaten komen uit hun tenten, kooplui stallen hun waren uit en Johan biedt vis te koop aan. Ook Keizer Karel treedt uit zijn tent en blikt naar de weerspannige stad Gent. Hij wil de Gentenaren streng straffen, maar tegelijk is hij nog onder de indruk van de nachtmerrie die hem een onrustige nacht bezorgde:
‘Quand j’ordonne, l’Europe tremble / L’univers cède à ma valeur /
Et la nuit, hélas! Je ressemble / À l’enfant; comme lui j’ai peur.’
De keizer realiseert zich niet dat het de misnoegdheid van de opstandige Gentse burgers is die hem te neer drukt. Het gezang van een jonge waarzegster, Marguerite van Ghest, brengt hem verstrooiing. Ze is samen met een groep Bohemers (lees: zigeuners) naar het kamp gekomen en ze dansen voor de keizer, waarna Marguerite een ‘Bohemerslied’ zingt (een ‘bolero’, begeleid door tamboerijn). Johan herkent Marguerite in haar zigeunervermomming: deze kleindochter van de oude Van Ghest, een Gentse herbergier en deken van de schippers, is zijn geliefde. Marguerite geeft echter geen teken van herkenning, maar in een aria die ze ‘à part’ zingt, laat ze verstaan dat ze de keizer wil behoeden voor een aanslag die ze als waarzegster kan voorspellen (‘Sans peine je puis lire / ce qui demain arrivera’). Keizer Karel vertelt Marguerite over zijn nachtmerrie (‘J’ai vu des fantômes terribles’), waarop ze van de gelegenheid gebruik maakt om hem te vertellen dat de plechtigheid die men in Gent ter ere van de overwinnaar voorbereidt in feite een valstrik is:
‘Le piège affreux qu’on veut lui tendre / Ton rêve ne fut point menteur’
En stilletjes voegt ze er aan toe:
‘Ton rêve ne fut point menteur /
Si Gand pour la fête se pare / Apprends qu’il se prépare /
À frapper demain son vainqueur /
Prends donc garde et prudence / Car ce que ma science /
Te prédit là / Arrivera.’
Een kanonschot weerklinkt: Gent geeft zich over en vader Van Ghest en de andere dekenen van de stad komen de keizer op een rood fluwelen kussen de stadssleutels aanbieden. Waarop de keizer hen meedeelt:
‘J’accepte volontiers ce gage de la trève / mais vous direz à ces tribuns fameux /
Qui vous ont envoyé que demain avant eux / je paraîtrai portant et le sceptre et le glaive’ De eerste acte eindigt met een koor waarin de Spanjaarden hun overwinning bezingen en de Gentenaars de nederlaag betreuren.
Tweede bedrijf
Het tweede bedrijf speelt zich af in ‘Den roden toren’, de kroeg van vader Van Ghest. In de herberg vertelt Van Ghest, vervuld van wraakgevoelens, dat het twintig jaar geleden is dat de keizer in zijn toenmalige woonplaats Oudenaarde van zijn gastvrijheid misbruik heeft gemaakt om de eer van zijn dochter te bezoedelen. De jonge vrouw is de schande nooit te boven gekomen en heeft op haar sterfbed haar dochtertje Marguerite aan zijn zorgen toevertrouwd. Marguerite leeft dan ook in de veronderstelling dat Van Ghest haar vader is. Johan komt de herberg binnen en wil met Van Ghest een pul bier drinken, maar de sombere waard weigert. Wanneer Marguerite binnenkomt, vraagt Johan haar waarom ze zich in het keizerlijke kamp als zigeunerin had vermomd, maar ze wil haar geheim bewaren en vraagt Johan haar te vertrouwen:
‘Confiance, patience, de ma foi, telle est la loi’
Ze belooft hem de volle waarheid te vertellen wanneer hij terugkeert van zijn acht dagen durende reis. Ondertussen zingen schippers patriottische liederen en de oude Van Ghest heft een anti-Spaans lied aan. Na het luiden van de avondklok blijft Van Ghest alleen achter en op zijn eentje geeft hij lucht aan zijn haat tegen de keizer. In het nachtelijke donker arriveren de andere dekenen die samen met hem tegen de keizer complotteren. Padilla, de deken van de wevers, zegt dat men de keizer zal vergiftigen met de erewijn die hem daags nadien zal worden aangeboden. Maar Marguerite heeft alles afgeluisterd en is vastbesloten om de keizer te redden. Ze gaat daarbij wel voorbij aan het feit dat haar vader de belangrijkste complotteur is. Op het einde van de geheime bijeenkomst zingt vader Van Ghest:
‘Pour la patrie et pour l’honneur / Il est de saintes trames,
Dont Dieu même en nos âmes / allume la ferveur;
De son trône suprême / Il lance l’anathème
Au front de l’oppresseur / pour la patrie et pour l’honneur.
Voor het tweede tafereel van het tweede bedrijf toont de scène de Vrijdagsmarkt. Te midden van een grote menigte staat de keizer op een estrade, waar hem de erewijn wordt aangeboden. Op het moment dat hij de beker aan zijn lippen zet, baant Marguerite zich een weg door de massa en rukt ze de wijn uit zijn handen. Ze fluistert hem toe dat het vergif is, maar hij doet alsof hij haar niet hoort:
‘Pour une pauvre enfant, dont la raison s’égare,
C’est trop longtemps, je le déclare,
Interrompre le cours de ces transports joyeux,
Approchez, grands doyens, et comme nos aïeux
Faisaient en pareille occurrence,
Je viens pour cimenter notre sainte alliance
Boire à la même coupe…’
De dekenen weigeren van de beker te drinken en zo wordt het complot blootgelegd. De keizer ordonneert dat de samenzweerders moeten worden overgeleverd aan de beul. Wanneer Marguerite ziet dat ook de man die ze voor haar vader houdt, wordt aangehouden, valt ze in zwijm.
Derde bedrijf
Het derde bedrijf begint met Marguerite die haar ‘vader’ in de gevangenis gaat opzoeken. Van Ghest overlaadt haar met verwijten: het is haar schuld dat hij en zijn kompanen straks blootvoets en met een strop om de hals de gang naar het schavot moeten maken om er onthoofd te worden. Het meisje smeekt om vergiffenis en besluit om alles in het werk te stellen om de oude man te redden.
Het tweede tafereel verhuist naar het Prinsenhof waar Karel zich zijn gelukkige kinderjaren herinnert. Er is een schitterend feest aan de gang, waarmee zijn overwinning op de Gentenaars wordt gevierd. De dansen worden bruusk onderbroken wanneer Grietje de zaal binnenstormt. Ze werpt zich voor de voeten van de keizer en smeekt om genade voor haar ‘vader’. De keizer, die zijn leven aan haar heeft te danken, zegt dat hij haar wens gaat vervullen. Hij laat de gevangenen komen, maar wanneer hij verneemt dat ze genade vroeg voor Van Ghest, weigert hij. Marguerite is wanhopig en stort zich van het balkon van het paleis in de Schelde. Waarop Van Ghest de keizer diets maakt dat het meisje zíjn dochter is:
‘Mais sais-tu quelle est cette femme?
Près d’Audenaerde, un vieillard respecté
‘t’Accueillit autrefois en son humble chaumière,
Et, pour payer son hospitalité,
Tu dérobas l’honneur à sa fille si chère.
Elle est morte depuis, et moi, qui fus son père.
Moi, qu’on avait osé lâchement outrager,
J’adoptai son enfant jurant de me venger.’
Keizer Karel is aangedaan en roept haar te redden. Op dat eigenste moment vaart Johan voorbij en hij weet haar uit het water te vissen. Wanneer hij haar het Prinsenhof binnendraagt, roept de keizer:
‘Nobles seigneurs, saluez mon enfant,
Marguerite d’Autriche et princesse royale.’
Johan vreest dat Grietje nu voor hem verloren is, maar de keizer belooft hem zijn dochter te schenken:
‘Si ton courage un jour à ton amour fidèle,
Peut ennoblir son cœur, tu seras son époux.’
En eind goed, al goed, Keizer Karel strijkt over zijn hart en schenkt de samenzweerders pardon:
‘Et vous, ô troupe téméraire,
Dont je vois le front s’incliner,
Rappelez-vous, en cet instant prospère,
Que, Gantois, comme vous, je reste votre frère,
Et qu’à ce titre seul, je dois vous pardonner.’
Receptie
De wereldpremière was een succes en na afloop van de voorstelling werd Miry op het toneel geroepen, waar de toneelspeler Martin een gedicht te zijner ere declameerde. De sopraan Rouvroy (Marguerite) zette Miry het gouden kroontje op het hoofd dat haar tijdens de voorstelling was toegeworpen. Maar dat ging niet zonder slag of stoot, zo schreef L’Écho des Flandres: ‘Notre compositeur s’est défendu avec beaucoup de modestie et a voulu poser cette couronne sur le front de Mlle Rouvroy, qui à son tour et avec une amabilité exquise a forcé le héros de la soirée, de la garder pour lui.’
Het is evident dat Van Peene niet de intentie had om een historisch accuraat libretto af te leveren. Wél heeft hij een aantal elementen uit de Gentse Opstand van 1540 gedistilleerd en gedramatiseerd. De criticus van L’Écho des Flandres (1857, nr. 31), die over het algemeen lovend was over Van Peenes theatertekst, betreurde het wel dat de Gentse opstandelingen – ‘les derniers défendeurs de nos vieilles libertés’ – als laffe gifmengers werden afgeschilderd: ‘nous ne pouvons lui pardonner d’avoir élevé une statue au tyran et attaché ses victimes au pilori.’ Dat dit gegeven gevoelig lag, blijkt ook uit de recensie die het Journal de Gand (1857, nr. 38) publiceerde: ‘Une seule chose nous a pourtant étonnée, c’est que M. van Peene, qui est gantois et qui, dans plusieurs de ses œuvres, a prouvé qu’il possède le sentiment de la nationalité, ait oublié ce qu’était la vieille loyauté flamande, qu’il ne se soit pas souvenu que, si nos ancêtres ont combattu souvent pour leurs libertés, s’ils se sont révoltés fréquemment contre l’oppression, jamais les doyens de nos métiers n’ont été des assassins ni des empoisonneurs.’ Deze recensent betreurt het ook dat de Gentse dekenen worden opgevoerd met een strop om hun nek, terwijl de keizer, die het bloed van zijn stadsgenoten deed stromen, wordt geglorifieerd.
De Gazette van Gent bijvoorbeeld scheef in de editie van 2-3 februari 1857: ‘Volgens de meeste kenners, mist de muziek van den heer Miry eenheid in den samenhang, maer op zich zelven genomen, levert het opera verdienstelyke stukken op, waeronder zich de meeste kooren en de muziek der dansen onderscheiden.’ Ook het libretto werd bekritiseerd, niet omwille van de opbouw en dramatiek, wél om de voorstelling van de Gentenaars: ‘Het libretto bewyst dat de heer van Peene vele tooneelkennis bezit, doch wat men algemeen bejammert, is dat de moedige Gentenaers, die volgens de geschiedenis als voorstanders der vryheid tegenover keizer Karel stonden, zulk eene vernederende rol in het stuk spelen. Men gelooft niet dat het noodig was, enkel om tooneeleffekt te maken, onze voorvaders als vergiftigers te doen doorgaen.’ En De Gazette van Gent oordeelde in de editie van 2-3 februari 1857: ‘Het libretto bewyst dat de heer van Peene vele tooneelkennis bezit, doch wat men algemeen bejammert, is dat de moedige Gentenaers, die volgens de geschiedenis als voorstanders der vryheid tegenover keizer Karel stonden, zulk eene vernederende rol in het stuk spelen. Men gelooft niet dat het noodig was, enkel om tooneeleffekt te maken, onze voorvaders als vergiftigers te doen doorgaen.’ Maar over het algemeen werd Van Peenes libretto wel geprezen als gevarieerd, levendig, dramatisch goed geconcipieerd en zeer geschikt om op muziek gezet te worden.
En ook Miry’s partituur werd gunstig onthaald. Volgens de recensent van L’Écho des Flandres waren de aria’s ‘toutes distinguées, la plupart d’une fraîcheur extrême’ en hadden de koren veel effect. Hoogtepunten waren voor hem het koor ‘Quel est cet étrange mystère - Une pareille offense’ in het tweede tableau van de tweede acte: ‘M. Miry a rencontré là une de ces inspirations magistrales dignes de maîtres de l’art: mélodieux en même temps qua dramatique.’ De Gazette van Gent was iets genuanceerder: ‘Volgens de meeste kenners, mist de muziek van den heer Miry eenheid in den samenhang, maer op zich zelven genomen, levert het opera verdienstelyke stukken op, waeronder zich de meeste kooren en de muziek der dansen onderscheiden.’ En een week na de opvoering, op 5 februari, schreef het gezaghebbende Brusselse muziekblad Le Guide musical: ‘Charles-Quint, grand-opéra en 3 actes, a réussi complètement, grâce à la musique de M. Charles Miry.’ Na de creatie maakten de auteurs enkele coupures en dat kwam het werk nog ten goede, zo schreef datzelfde blad een week later: ‘Charles-Quint a gagné énormément à certaines coupures, ainsi qu’à la transposition de plusieurs morceaux. Grâce à ces changements, la tâche des chanteurs est devenue beaucoup moins pénible et, par conséquent, la jouissance de l’auditeur beaucoup plus vive.’ De meeste kranten prezen, naast de enscenering, ook de verzorgde uitvoering, met een extra pluim voor de sopraan Rouvroy, die de rol van Marguerite schitterend invulde. Ook het ballet, met ‘nos excellentes danseuses’, werd in de loftuitingen niet vergeten.
Charles-Quint beleefde dat seizoen zeven opvoeringen in Gent; de voorstelling op 1 maart werd door de koninklijke familie bijgewoond. Tijdens het volgende seizoen werd de opera in Gent nog een keer uitgevoerd. Later volgden ook ensceneringen in het Brusselse Théâtre des Galeries St. Hubert en in Brugge, Luik en Leuven. Om daarna in de vergetelheid te verglijden, tot gisteren 29 april 2012…
De Gentse Concertvereniging Lyrica vzw verdient alle lof voor het programmeren van deze Miry-opera, vooral omdat men hier zeker niet voor de weg van de minste weerstand heeft gekozen. Zo was er geen speelklare partituur voorhanden, zodat Herman Struelens met evenveel engelengeduld als doorzettingsvermogen aan de slag moest om een bruikbare partituur te produceren. Daarnaast blijft het een huzarenstuk om een dergelijke opera, die meer dan 150 jaar in de kartons was blijven steken, buiten de gesubsidieerde instellingen te monteren. De enige toegeving die men heeft gedaan, was het schrappen van de balletten.
Tijdens de opvoering moest ik meermaals denken aan een populaire Miry-anekdote: op een dag kreeg Miry tijdens de repetitie van een van zijn opera’s in de Gentse schouwburg bezoek van zijn leraar François-Auguste Gevaert. Tot Miry’s verbazing zette Gevaert bijna voortdurend zijn hoed op en af. Gevraagd naar het waarom van de vreemde handeling, zei Gevaert minzaam: ‘ik heb de gewoonte om bekenden te groeten.’ Als tweede dirigent in de Gentse opera was Miry bijzonder goed vertrouwd met het Franse operarepertoire en dat laat zich in zijn Charles Quint goed horen: Miry heeft zich duidelijk gelaafd aan de opera’s van componisten als Halévy, Hérold, Auber en Meyerbeer. Maar andere momenten – de coloratuuraria’s van Marguerite bijvoorbeeld - doen dan weer denken aan Offenbach, terwijl diens internationale doorbraak met Orphée aux enfers er pas in 1858 kwam. Miry was duidelijk een vakman met een goed oor voor vlotte melodieën.
Bovendien beschikte hij over een goed gevoel voor dramatiek, tempo en afwisseling, al is dat ook mee de verdienste van een geroutineerde theaterman als Van Peene. Zeker in de derde acte slagen Miry en Van Peene er in om echt muziektheater te maken: de sjablonen van de nummerstructuur worden hier doorbroken en de aria’s, duetten, ensembles en koren vloeien organisch in elkaar over. Het hoogtepunt van de opera is ongetwijfeld het eerste tableau van de derde acte, wanneer Marguerite Van Ghest gaat opzoeken in de gevangenis, terwijl de monniken in de kapel bidden en zingen. Zowel muzikaal als dramatisch zit alles hier juist en dat wordt dan nog bekroond met een mooie aria van Marguerite.
Toegegeven, ik was met de nodige portie scepsis naar de Bijloke getrokken, vooral wat de uitvoering betreft. Je kan natuurlijk op alle slakken zout leggen, maar het eindoordeel is overwegend positief. Zeker de youngsters zijn te loven en te prijzen. Bij de solisten was de jonge Denzil Delaere de ontdekking van deze productie. Delaere, nog student aan het Conservatorium van Gent, heeft de geschikte stem voor dit repertoire en kleurde zijn kleine rol erg fraai in. Spijtig was wel dat er nauwelijks interactie was tussen de zangers: een efficiënt gebaar, een kleine blik op het juiste moment had al een wereld van verschil gemaakt, maar daar zit vermoedelijk het gebrek aan repetities voor iets tussen.
Maar de revelatie van de namiddag was voor mij het Symfonisch Jeugdorkest Oost-Vlaanderen. Gezien de lange duurtijd van de opera en de korte voorbereidingstijd, hebben die jonge musici een werkelijk grootse prestatie geleverd. Het zegt veel over het niveau van ons (deeltijds) muziekonderwijs dat een dergelijke uitvoering mogelijk is. En het zegt misschien nog meer over de inzet en het engagement van dirigent Geert Soenen die deze jonge musici op een korte tijd tot een dergelijke inzet weet te inspireren. Hoed af!
Deze uitvoering deed alleszins smaken naar meer en doet hopen dat de gesubsidieerde operahuizen en orkesten zich ook eens in dat ongekende Vlaamse operarepertoire willen verdiepen. Tijdgenoten van Miry, zoals Gevaert, Grisar, Limnander maakten als operacomponist furore in Parijs. Dat zal toch niet zonder reden zijn geweest?
Het Nationaal Orkest van België viert zijn 75ste verjaardag
door Adeline Boeckaert
Het Nationaal Orkest van België viert dit jaar zijn 75ste verjaardag. Naar aanleiding hiervan organiseert het orkest enkele uitzonderlijke concerten, met als afsluiter op 12 juli 2012 een groots opgezet verjaardagsfeest, samen met singer-songwriter Ozark Henry.
In de Gazette musicale de Belgique van 15 november 1936 vonden we een uiteenzetting van hoe het 75 jaar geleden allemaal begon, met een eerste publiek optreden op 25 oktober van dat jaar in het Paleis voor Schone Kunsten. Grote bezieler achter het orkest was de Gentse violist Désiré Defauw. Hij richtte vijf jaar eerder, in 1931, het Orchestre Symphonique de Bruxelles op, waaruit het Nationaal Orkest van België zou gevormd worden.
De historische tekst uit 1936 bevat heel wat informatie over de doelstellingen, de vorming en de interne structuur van het orkest. U kunt deze tekst hier nalezen.
70 jaar geleden overleed Paul Gilson (1865-1942)
door Annelies Focquaert
In onderstaande historische tekst, afkomstig uit Gilsons autobiografische Notes de Musique et Souvenirs, vertelt de componist over de navolgers van de 'musique nègre', de nieuwe muziekstijl die na 1918 vanuit de Verenigde Staten naar Europa kwam overgewaaid. Aangemoedigd door de grote populariteit van Amerikaanse foxtrots, shimmy's en dubsteps, wilden immers heel wat (amateur-) musici graag wat informele begeleiding bij het componeren van hun eigenste muziek, ook al kenden ze er zelf maar bitter weinig van. Zo kwam ook een zekere meneer Lypet bij Paul Gilson terecht. Meneer Lypet hield géén rekening met Gilsons verbeteringen en… behaalde groot succes met een foxtrot genaamd Good bye, Frisco onder de schuilnaam Petty Petley. Ook August De Boeck komt in het verhaal voor.
Waarschijnlijk is Lypet een discrete schuilnaam die Gilson verzon voor de (on)handige componist, want het valt voorlopig niet te achterhalen wie Lypet was, dan wel of hij inderdaad zo'n foxtrot heeft geschreven. Het is ook goed mogelijk dat de geestige verengelsing van Lypet tot Petley helemaal uit Gilsons verbeelding kwam, en wie weet is de voornaam Petty gewoon wel het Franse 'petit'. Heel misschien ging achter de naam Lypet de Halse componist Charles Dekoster (1885-1939) schuil: die schreef minstens één foxtrot en kreeg bovendien les van Gilson, in dezelfde periode als die waarin de jazz zo populair werd.
Lees hier de historische tekst van Paul Gilson.
Nieuwe componistenfiches
door Annelies Focquaert
In april kregen Godfried Devreese en Armand Timmermans een bibliografie en werd de website aangevuld met foto's van Godfried Devreese, Armand Limnander van Nieuwenhove en Adolphe Samuel. Voor Karel Miry werd een historische tekst toegevoegd die we vonden in Le guide musical van 4 mei 1871.
Vorige maand verschenen de Engelse vertalingen van de biografieën van Edward Verreydt, Gabriel Verschraegen en Léandre Vilain; deze maand werden die van Charles-Louis Hanssens [aîné], Arthur Wilford en Julien Willemot gepubliceerd.
Jef Maes: Symfonie nr. 1 in g (1953)
door Adeline Boeckaert
Bij de invoer van Vlaamse partituren in de catalogus van het Vlaams Muziekinstituut botsen we vaak op partituren die meer dan de moeite waard zijn om in de kijker te plaatsen, zoals bijvoorbeeld de autografe partituur van Jef Maes' Symphonie en sol. Maes componeerde dit werk in 1953 met het oog op de Koningin Elisabethwedstrijd voor compositie (sessie van 1953). Het werk werd ingezonden, echter zonder positief resultaat.
Wat de handgeschreven partituur zo bijzonder maakt, is het feit dat Maes een oplijsting bijgevoegd heeft van de verschillende uitvoeringen, van 1954 tot 1959:
• 4 april 1954: Brussel - NIR o.l.v. Louis Weemaels
• 7 mei 1954: Leopoldstad (Congo)
• 11 mei 1954: Brussel - NIR
• 25 januari 1955: Conservatorium Mechelen - o.l.v. Jef Maes
• 29 juni 1955: Radio Kortrijk
• 5 oktober 1956: opname Philips - leiding Daniël Sternefeld
• 26 oktober 1956: Turnhout - Brabants orkest o.l.v. Jef Maes
• 10 december 1956: Antwerpen - De Philharmonie o.l.v. jef Maes
• 15 november 1958: Etten (Holland) - Brabants orkest o.l.v. Jef Maes
• 28 oktober 1959: Antwerpen - De Philharmonie o.l.v. Eduard Flipse
Deze symfonie is uitgebracht op LP door het label Philips (referentie: N 10492 L), met het Symfonieorkest van de Belgische Nationale Radio-omroep onder leiding van Daniël Sternefeld. Maes opteerde voor een symfonie bestaande uit drie delen, die op de kaft van de LP als volgt beschreven worden:
"I. De inzet is een korte fuga afwisselend gespeeld door 2e violoncellos, 1e violen, altviolen en contrabassen. De inleiding ontwikkelt zich verder als een Concerto grosso en eindigt met het verschijnen van het hoofdthema in bassen, altviolen en 1e en 2de violen. Na een “unisono maestoso” vangt het Allegro vivace met een luchtig, speels thema aan. Het tweede thema is zangerig en wordt door fluit en klarinet ingezet en later hernomen door celli en bassen. Een tamelijk lange ontwikkeling volgt en met een signaalstoot van 4 hoorns vangt een breed lyrisch thema aan, ingezet door 2e violen en in climax overgenomen door 1ste violen. Na vier brede akkoorden van de kopers herneemt een cyclus van het Allegro vivace. Het Ie deel eindigt met een Andante maestoso. De laatste maten klinken als een orgelspel op pedaal van bassen, pauken en schrille trillers van violen.
II. Tranquillo. Wazige en dromerige atmosfeer. Donkere kleur van klarinet en fluittonen van violen vormen de onwaarschijnlijke achtergrond van een nostalgieke melodie voor hobo. Dan breken de bassen even door naar een fortissimo, dan herneemt de rust, alles schijnt te verdoezelen in de onwaarschijnlijke atmosfeer van het begin.
III. Sombere bassen leiden dit deel in, telkens afgebroken door een reciet van trompet solo en driftige pauken; het daarop volgend Presto vangt aan met een vlug en schichtig thema. Een marziaal, zangerig thema door de 1e violen opgedreven. Dan herneemt het presto en in dolle vlucht gaat het naar een onweerstaanbaar en obstinaat pedaalmotief. Het werk eindigt, opgedreven door zijn voortstuwende ritmiek op een akkoord van G dur."
Het werk werd bekroond in een prijskamp voor muzikale composities, ingericht door het provinciebestuur van Antwerpen. Ook in een eerdere nieuwsbrief (nr. 42 van februari 2006) kwam deze symfonie aan bod. Dit artikel kan u hier nalezen.
Alphonse Mailly: Sonate pour orgue, opus 1
door Jan Dewilde
Ook de voorbije maand verscheen er opnieuw een Vlaamse partituur bij Muziekuitgeverij Höflich in München in de reeks Repertoire Explorer. Dit keer was de Sonate pour orgue, opus 1 van Alphonse Mailly aan de beurt. Zoals steeds werd de partituur voorafgegaan door een meertalige inleiding.
Lees hier de inleiding van Jan Dewilde op de Orgelsonate van Alphonse Mailly.
Interview met Liesbeth Devos
door Veerle Bosmans
Op 5 mei zijn sopraan Liesbeth Devos en pianist Jozef De Beenhouwer te gast bij Mechelen hoort Stemmen met een programma gewijd aan August De Boeck, Lodewijk Mortelmans en Franz Schubert. Het duo nam in december vorig jaar ook een cd op met liederen van De Boeck, die binnenkort zal verschijnen bij Phaedra, en mag dus gerust als specialist ter zake gelden. Wij vroegen Liesbeth Devos naar haar ervaringen met Vlaamse muziek en met de werken van De Boeck in het bijzonder, naar haar toekomstplannen en haar samenwerking met Jozef De Beenhouwer.
In dit jubileumjaar worden er bijzonder veel concerten gewijd aan de Boeck. Er is ondertussen een uitgebreide monografie verschenen en verschillende cd’s zijn in de maak. Wat maakt zijn muziek zo bijzonder?
De Boeck is een ongemeen schitterend orkestrator: in zijn opera’s en orkestwerken vinden we onder andere invloed van Wagner en Mahler. Hij is echt een man van de grote lijnen en dat maakt zijn grote composities heel fameus. Ook de liederen die hij heeft georkestreerd zijn erg goed. Binnen zijn liedoeuvre zijn er wel grote verschillen in kwaliteit: zijn Nederlandstalige liederen zijn veelal gelegenheidsliederen, vaak gebaseerd op volksmelodietjes. Hij schreef ook meer gelegenheids- muziek dan Lodewijk Mortelmans, die voor het Nederlandstalige liedoeuvre toch aan de top staat. Mortelmans gebruikte regelmatig teksten van Gezelle terwijl er van De Boeck slechts twee gekend zijn (Wierook en Twee Horsen). In zijn Gezelleliederen lijkt het alsof Mortelmans de teksten beter aanvoelt en er beter gebruik van maakt, terwijl De Boeck de Twee Horsen op een erg hoekige manier verklankt. Maar vergis je niet: ook binnen De Boecks Nederlandstalige liedoeuvre zitten er pareltjes. Hij zei ook zelf dat hij graag componeerde in het Nederlands, want het is een zeer ritmische taal. Ritmischer dan het Frans. De Boeck accentueert zijn aanvoelen van de taal ook in zijn muziek. Persoonlijk vind ik echter zijn Franstalige liederen sterker. Er zit meer opbouw in en hij werkt ook meer in cycli.
Is er een groot verschil tussen het zingen in het Nederlands of het Frans? Is zingen in het Nederlands makkelijker of moeilijker?
Zingen in het Nederlands is wel degelijk moeilijker. Sowieso vergt het zingen een andere benadering van een taal, je gaat ze theoretisch benaderen en moet je bewust worden van elke klemtoon die je legt, alle dingen die je als je spreekt automatisch doet. Het Nederlands bevat ook een aantal lastige klinkers zoals de "ui" of de "ij". Maar anderzijds staat je moedertaal wel heel dicht bij je gevoel. Je hebt het gevoel dat je gewoon kan babbelen met je publiek.
Je werkt voor dit concert samen met je oud-leraar Jozef De Beenhouwer. Zijn jullie gelijkwaardige partners voor dit concert en deze cd-opname of blijft er toch wel wat hangen van die relatie leraar-leerling?
Natuurlijk is het onmogelijk om helemaal op gelijke voet te komen, Jozef heeft tenslotte ettelijke tientallen jaren meer ervaring dan ik, is enorm belezen en is al zo lang bezig met Vlaamse muziek. Maar toch staat hij ook open voor mijn ideeën of eventuele kritiek. Hij is trouwens diegene die het vuur voor de Belgische en Vlaamse muziek bij mij heeft aangewakkerd. Voor mijn ingangsexamen in het conservatorium gaf Lieve Suys me een lied van Joseph Jongen mee. Ik wist op dat moment niet echt dat Jongen een Belgische componist was. Ook kwam het niet zoveel voor dat zoiets op een ingangsexamen wordt gezongen. Alleszins stelde ik het lied een tijdje later voor in de liedklas bij Jozef De Beenhouwer en Lucienne Van Dyck. Zij vielen beiden bij wijze van spreken van hun stoel omdat iemand een Belgisch lied meegebracht had. Vanaf dan hebben zij me de liefde voor Vlaamse muziek doorgegeven. In België is dat niet echt een evidentie: wij verstoppen ons vaak achter de bekende Duitse of Franse werken, terwijl ook hier enorm goede muziek geschreven is. Jozef is natuurlijk ook een monument omdat hij echt blijft zoeken naar waardevolle Vlaamse partituren. Hij leest alles door en maakt dan een selectie die we achteraf samen bekijken. Maar niet iedereen is in staat om op het zicht te zeggen of een geschreven partituur ook goede muziek oplevert.
Nu je die 36 liederen van De Boeck hebt ingestudeerd, neem ik aan dat we ze nog wel te horen zullen krijgen op andere recitals?
Dat is effectief de bedoeling. Tijdens deze zomer trekken pianist Lucas Blondeel en ik naar het Ravinia Festival in Chicago, waar we ook een aantal liederen van De Boeck zullen brengen. En vorig jaar in september namen we deel aan de Wigmore Hall Song Competition in Londen, waar we in de halve finale ook een lied van De Boeck brachten. Zoals steeds moet je dan een kaft met alle partituren afgeven aan de jury en op het lied van De Boeck kwamen heel fijne reacties. Onder andere Sarah Walker kwam na de wedstrijd op me toe en zei: “This French song, this C’est en toi, bien-aimé, it’s really really nice!” Een ander jurylid vertrouwde me toe dat hij deze partituur uit het kaftje haalde omdat hij ze zo interessant vond. Ik vind het sowieso trouwens erg belangrijk om mee te werken aan de verspreiding van de muziek die wordt gecreëerd in je eigen land.
Liesbeth Devos (sopraan) en Jozef De Beenhouwer (piano)
August De Boeck, Franz Schubert & Lodewijk Mortelmans
Zaterdag 5 mei 2012 - 20u15
KC nOna, Begijnenstraat 19 - 2800 Mechelen
Tickets: € 18,00 (kortingen: € 15,00 / € 10,00) via UiT in Mechelen 070 22 2800
www.mechelenhoortstemmen.be