ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 21 - april 2004

1. Lof zonder grenzen: Edvard Grieg over Arthur De Greef

Als Arthur De Greef de geschiedenisboeken haalt, is dat niet zozeer om zijn compositorische output, als wel om zijn ‘virtuoze maar gevoelige’ pianistiek. Na Brusselse studies aan het conservatorium, Weimarse lessen van Liszt en Parijse tips van Saint-Saëns en Gounod, trad De Greef als pianist op in tal van Europese landen. Hoewel hij een indrukwekkend repertoire in de vingers had, was het vooral de muziek van Edvard Grieg die hij daarbij horen liet. De Greef was namelijk een fervent verdediger van diens solistische pianowerken, maar vooral van Griegs pianoconcerto, dat hij talloze malen uitvoerde.

De actuele, populaire status van dit werk is onder andere te danken aan De Greef, die het volslagen onbekende concerto – een jeugdwerk van Grieg uit 1868 – van onder het stof haalde en het een vaste plek op de Europese concertpodia gaf. Een daad met durf waarmee hij de levenslange verering van de Noorse componist won. Volgens Grieg was de Leuvense pianist dan ook de uitgelezen uitvoerder van zijn werk. In een brief aan Alexander Bull, een gemeenschappelijke vriend en de zoon van de grote Noorse violist Ole Bull, schreef Grieg: “Dites lui [=De Greef], ou plutôt dites de lui qu’il est le meilleur interprète que j’ai rencontré de ma musique. C’est surprenant comme il a compris men intentions. Que je me tienne au sommet de la montagne ou dans la vallée, il me comprend par un instinct merveilleux que je ne peux expliquer… Il est un vrai maître.”

Grieg en De Greef hielden er naast louter muzikale eerbied ook een levendige en uiterst amicale correspondentie op na. Ook hier wordt de bewondering van Grieg voor de Vlaamse pianist-componist niet onder stoel of bank geschoven, wat blijkt uit deze brief van 15 januari 1900. In deze Duitse, grammaticaal wat onzuivere brief bedankt Grieg de Leuvense pianist voor zijn ‘moedige daad’. Daarmee verwijst hij naar De Greefs spraakmakende optreden als solist in Griegs pianoconcerto tijdens een concert in Lyon in 1899. Uitvoeringen van Griegs werken werden immers, nadat de Noorse componist zich met betrekking tot de antisemitische Dreyfus-affaire tegen het officiële, Franse standpunt was ingegaan, in Frankrijk enige tijd verboden. De Greef zou, hoewel hij tal van dreigbrieven ontving, het bewuste concerto tóch op het podium brengen.

Lieber De Greef!

Das Du nicht nur der bedeutende Künstler sondern auch der bedeutende Mensch bist, mit anderen Worten, dass Du den Muth besitzt, für ein Dir sympatisches Werk einzutreten, selbst auf die Gefahr hin, dafür verhöhnt zu werden, dass erfreut mich in höchsten Grade. Ich wünschte, Dir einmal zeigen zu können, wie hoch ich diesen Muth schätze.

Ja, es sind in der Tat 10 Jahre verstrichen, seitdem du in Chatelet-Theater mein Klavier-Concert som wunderschön interpretirtest! Damals glaupte ich, dass wir öfter zuszammen musiziren würden. Zu meinem grossen Bedauern kann es aber nicht so. Unsere Wege wurden nicht dieselben. Was aber nicht geworden, kan noch werden! Wer weiss es? Vielleicht werden wir noch einmal in Brüssel “Selandes” mit einander essen! Jedenfalls habe ich noch die Hoffnung, dass es geschehen wird und in dieser Hoffnung rufe ich dir von Herzen ein “au revoir” zu und send mit meiner Frau dir und den Deinigen die besten Wünsche für das neue Jahr!

Verzeihe, dass ich Deutsch schreibe! Das französische bringe ich aber einfach nicht fertig. Du muss aber etwas Deutsch lernen. Dir ist das Lernen leichter denn du bist noch die elastische Jugend, ich dagegen – das zähe Alter.

Mit freundlichen Gruss

Dein Edvard Grieg

Bron: Eikenes, E.A.C.& Huys, B.: Arthur de Greef. En venna v Edvard Grieg, Stavanger, 1994, p.56-57.

2. Peter Benoit in postzegelformaat

Peter Thomas signaleerde ons dit artikel uit Ons Volksblad van 2 september 1934. Naast een filatelistisch curiosum is er ook sprake van een heuse Peter Benoit-tombola.

3. Kamermuziek Arthur De Greef
door Tom Janssens

Naast zijn concertcarrière en zijn aanstelling als pianodocent aan het Brusselse conservatorium kroop De Greef vanaf 1886 tot 1935 regelmatig in z’n pen. Hoewel De Greefs composities niet talrijk zijn, is het lastig om een exhaustieve werklijst op te stellen. Componeren was nu eenmaal niet zijn belangrijkste bezigheid, zodat De Greef zelf niet strikt bijhield wat hij zoal schreef. Bovendien werden tal van werken vernietigd tijdens de eerste wereldoorlog, wanneer zijn huis – gedurende De Greefs onderkomen in Londen – geplunderd werd.

Na zijn dood maakte Berthe Bernard, zijn talentvolle leerlinge, een werklijst, die sindsdien door Bernard Huys aangevuld en gecorrigeerd werd. Deze werklijst laat een beperkt, maar gevarieerd oeuvre zien: een veertigtal liederen, toneelmuziek, orkestwerken (waaronder 3 orkestsuites), concerterende muziek (voor viool, voor viool & cello en voor piano), orkestliederen, cantates, gelegenheidscomposities, een zangspel en een hoop pianomuziek (waaronder liefst 11 Etudes de Concert). En uiteraard ook de kamermuziek, hieronder weergegeven.

Over De Greefs composities schrijft René Bernier: “En tant que compositeur, Arthur De Greef se situe dans la filiation classico-romantique, avec des touches de folklorisme puisant volontiers aux sources de l’idiome racial. Elevé dans le culte des valeurs du passé, ses aspirations esthétiques relèvent d’un traditionalisme non exempt d’éclectisme. Peu enclin à faire siens les apports du langage debussyste, il n’était pourtant pas insensible à ses séductions.” Op z’n best componeert De Greef frivole, charmante muziek met weinig weerhaakjes. Melodieën primeren boven harmonie en klankkleur, en het klankpalet is steeds klassiek-romantisch van opzet. Ondanks die vrij conventionele aanpak, injecteert De Greef soms Vlaamse volksliederen in z’n werk, wat een aardig contrast oplevert met het salonfähige karakter van deze werken. Dat belet niet dat zijn composities soms uitpakken met heerlijk zweverende melodieën, zoals bijvoorbeeld in zijn vioolsonates.

Een overzicht van De Greefs kamermuziekwerk:

Voor 2 piano’s

  • Valse caprice (1887) >  herwerkte versie van Valse caprice voor 1 piano
  • Menuet varié (? - verloren) >  herwerkte versie van het Menuet varié voor piano & strijkorkest
  • Sonate (1927)
  • Album espagnol (1881 - verloren)
  • Springdanz (quatre-mains) (? - verloren)
  • Varia

  • Quatre pièces – voor viool & piano (1884?)
  • Scherzo – voor viool & piano (? – verloren) >  herwerkte versie van het Scherzo in A-groot voor viool & orkest
  • Sonate n°1 (d-klein) – voor viool & piano (1896/1932)
  • Sonate n°2 (c-klein) – voor viool & piano (1933)
  • Trio (f-klein) – voor piano, viool & cello (1935)
  • Lent (Des-groot) – voor piano, viool & cello (1934)
  • 4. Leeuwentemmer zonder publiek. Een biografische schets van Jan Baptist Van den Eeden
    door Tom Janssens

    In zijn memoires vertelt de al even omstreden als antisemitische schrijver Edmond Picard (1836-1924) niet alleen over zijn carrière als senator en advocaat, maar ook over de artistieke beau monde die hij thuis over de vloer haalde. Want dat Picard naast politieke ook artistieke aspiraties had, was bekend. Zo richtte hij het kunsttijdschrift l’Art Moderne op, schreef hij een handvol filosofische toneelstukjes en dito verzenbundels en organiseerde hij in Brussel Rodins eerste solotentoonstelling in 1899. Maar, het ging er bij senator Picard niet steeds even francofoon aan toe: als Vlaamsgezind belgicien zette hij zich herhaaldelijk in voor de gelijkschakeling van beide landstalen. Daarbij droeg hij ook de Vlaamse kunstenaars een warm hart toe. En één van de artiesten die bij Picard geregeld op de thee mochten, was de Gentse componist J(e)an Baptist Van den Eeden. Als we de Brusselse senator-schrijver mogen geloven, was deze componist – “que nous nommions Eden” – een “mélodiste à production lente, gardant intacte sa franche nature flamande sous le masque de sa physionomie italienne, lointain reflet de quelque marchand de Venise ou de Gênes venu à Bruges au temps des merveilles du moyen âge.”

    Wie een portret van Van den Eeden bekijkt, zal opmerken dat deze er niet ‘Italiaanser’ of ‘middeleeuwser’ uitziet dan de doorsnee besnorde man. Evenmin zijn Van den Eedens eerder kosmopolitische en erudiete composities van een ‘robuust Vlaamse’ inslag. Laten we Picards – overigens fraaie – bespiegeling over deze ‘Italiaanse Vlaming’ dus liefst terzijde. Of toch niet? Want, een kleine eeuw nadat Picard zijn memoires neerpende, is ons huidige, eenzijdige beeld van Jan Baptist Van den Eeden – voorstander van Benoits Vlaamse projecten en winnaar van de prestigieuze Romeprijs in 1869 – niet echt anders gekleurd.

    enfant prodigue, grand artiste

    Van den Eeden, geboren in Gent op 24 december 1842, was dan wel de zoon van een eenvoudige schoenmaker, het was niet al voetenwerk wat er in thuis besproken werd. Vader Louis Van den Eeden toonde een grote artistieke belangstelling en stond aan de wieg van het Gentse Kunstgenootschap. Eenzelfde kunstzinnige toewijding stopte hij in de opvoeding van zijn (vele) kinderen. Met succes, want alvast enkelen kregen creatieve kriebels. Zo liet Gustave zich aan het Gentse conservatorium opmerken als een begaafd cellist, en zouden we hem later terugvinden in de orkestbakken van het Grand Théâtre van Gent en van de Brusselse Muntschouwburg. Zijn schilderende broer Nicolas schopte het tot directeur van de Naamse Académie des Beaux Arts, alvorens zich in Bournemouth aan de Engelse kust te vestigen. Maar, geen van beiden zou het halen bij de latere populariteit van hun oudere broer Jan Baptist.

    Naast wat gekras op een aftandse tweedehandsviool, was het vooral het vroegrijpe pianospel waarmee de tienjarige Jan Baptist hoge ogen gooide. De stap naar het Gentse conservatorium, waar hij onder Max Heynderickx zijn pianistiek talent ontwikkelde, was dus gauw gezet. De prijzen notenleer, kamermuziek en zang stapelden zich in ijltempo op en in 1860 verkreeg Jan Baptist de prix d’excellence voor zijn eindexamen piano. François-Auguste Gevaert, die om in de jury te zetelen zijn Parijse bezigheden aan de Opéra eventjes onderbrak, laat er in een gedetailleerd verslag over deze eindexamens alvast geen twijfel over bestaan:

    "Quoique cela puisse paraître fabuleux, à quiconque a la juste idée des difficultés accumulées dans ces quelques lignes, le jeune Van den Eeden, avec une verve et une sûreté prodigieuses, a rempli ce terrible programme sans sourciller. (…) Être un grand artiste après avoir été un enfant prodigue, voilà le point important. Espérons que ce jeune homme sympathique et intelligent n’ira pas échouer sur cet écueil, célèbre par tant de naufrages, mais qu’il deviendra un de ces noms que la ville de Gand aime à citer comme un témoignage vivant du goût artistique et musical de ses habitants."

    Hoewel Gent haar enfant prodigue inmiddels vergeten heeft, zette Van den Eeden zich in om een plek in het artistieke stadsleven te verwerven. Zonder veel succes, zo vermoeden we. Hij gaf pianolessen aan het Instituut van de Paters Jozefieten in Melle en aan het Doornikse Séminaire de Bonne-Espérance, waar hij de latere Minister van Staat Michel Levie op de vingers mocht tikken. Daarnaast was hij – als triangelspeler – actief in het orkest van de Gentse opera, waar zijn leraar compositie en operacomponist Karel Miry een graaggeziene figuur was. Wellicht was het Miry die Jan Baptist in de opera introduceerde en hem met de taak belastte om het orkestmateriaal te beheren. En, zoals dat wel vaker gebeurt bij componisten verleidde zo’n job ook de leergierige Jan Baptist tot nachtelijke onderonsjes met orkestpartituren.

    beestachtig goed

    Voorlopig beperkt Van den Eeden zijn compositorische uitspattingen tot kamermuziekwerken en liederen. Zijn eerste, zesdelige Album de chant – op teksten van enkele Gentse amateurdichters – werd in 1862 door de uitgeverij Gevaert gepubliceerd. Het was het begin van een lange uiteenzetting met het klavierlied. Liefst zeven liedbundels en een tachtigtal liederen zouden er later uit Van den Eedens pen vloeien. Zijn jeugdige voorliefde voor derderangspoëzie zou Van den Eeden in de loop der jaren gelukkig inruilen voor een bredere poëtische belangstelling. De contacten die hij met dichters had, waren talrijk: Emile Verhaeren, Georges Rodenbach en ook de Franse schilder-dichter Jules Breton hoorden tot zijn vriendenkring. Rodenbach zou in 1883 de woest pianospelende Van den Eeden zelfs vereeuwigen in een sonnet dat, heel toepasselijk, Le Dompteur werd genoemd. “Comme d’un dompteur qui s’échauffe et s’entête / Tes longs doigts font grincer à leur contact puissant / Les touches qu’on prendrait pour les dents de la bête”: ook als we de dichterlijke vrijheid van Rodenbach wegstrepen, komen we iets te weten over de pianistieke gedrevenheid waarmee zijn muzikale vriend tekeer ging.

    Maar, ondanks al zijn uitvoerend talent interesseerde Van den Eeden zich steeds meer in de theoretische kant van de zaak. In 1864 trok hij naar het Brusselse conservatorium om zijn kennis in compositie, fuga en contrapunt bij François Joseph Fétis bij te schaven. Een studiereisje dat vruchten afwierp, want al het volgende jaar deelde hij samen met de Mechelse liedcomponist Gustave Van Hoey de tweede plaats in het prestigieuze concours van de Romeprijs. In deze wedstrijd, waarvoor de deelnemers als laatste proef een cantate moesten schrijven op speciaal daarvoor geschreven teksten, koos Van den Eeden voor de Nederlandse tekst De Wind, van de Vlaamse veelschrijver Emanuel Hiel. De Brusselse componist Gustave Huberti kaapte met de Franse tekst – La Fille de Jephté – van Mme Strumann de eerste prijs weg. Met een gedeelde tweede prijs kon de pret voor Van den Eeden alvast niet op, zeker niet wanneer zijn cantate – na uitvoeringen in Brussel, Gent en Antwerpen – op uiterst positieve kritieken onthaald werd, zoals deze van muziekhistoricus Edmond Vander Straeten: “Toute la partition de M. Van den Eeden respire ce parfum de juvénilité exquise qui se dégage de l’oeuvre de tout vrai artiste à l’âge de vingt ans, et que l’artiste ne retrouve plus grand quand les déboires de la vie ont fait retentir en lui une autre corde de sensations. Tout y vibre en notes ardentes, tout y palpite en accords trémoussants. En vain vous y chercheriez une phrase qui ne soit illuminée d’un chaud rayon d’inspiration printanière. Le coeur y a plus de part encore que l’imagination et c’est le coeur qui a dicté au jeune maître ses accents les plus émouvants et les plus caractéristiques. (…) En somme, l’oeuvre de M. Van den Eeden renferme le gage d’un superbe premier prix et promet une illustration de plus à l’art musical belge.”

    De jubelende kritiek van Vander Straeten mag typerend zijn voor haast alle andere reacties die Van den Eedens muziek krijgt en waarin zijn subtiele, originele muziektaal geprezen wordt. Ook wanneer in 1866 zijn nieuwste liederenbundel Douze mélodies bij uitgeverij Schott uitgebracht wordt, zijn de reacties meer dan positief: de jonge Jan Baptist wordt zelfs vergeleken met Gounod. Hoewel bij zoveel lovende patois enige voorzichtigheid geboden is, kan je je afvragen hoe het komt dat we deze ‘wonderlijke’ muziek ooit konden vergeten…

    Toch kent de vijfentwintigjarige componist ook z’n dipjes. In 1867 neemt hij opnieuw deel aan de Romeprijs, alleen kan de tekst hem ditmaal nauwelijks inspireren. Zijn cantate Het Woud, op tekst van Charles Versnayen, levert hem geen enkele vermelding op. Van den Eeden herpakt zich, en schrijft – ter gelegenheid van een katholiek congres in Mechelen – een bizar oratorium, Le jugement dernier, op tekst van de vertaler-schrijver Gustave Lagye, broer van de zangeres Marie Lagye. Niet alleen om het markante onderwerp wordt dit oratorium opgemerkt. Le Guide Musicale maakt er voorpaginanieuws van, en looft de elegante schrijfstijl, de dramatische kracht en de gedurfde opzet van het werk.

    laurier met klokgelui

    Aangemoedigd door zoveel lof, neemt Van den Eeden in 1869 opnieuw deel aan de Romeprijs. Derde keer, goeie keer, want met de cantate Fausts laatste nacht, Hiels Nederlandse vertaling van Lagyes’ gedicht, steekt hij de belangrijkste muziekprijs in z’n binnenzak. Al kostte dat aardig wat zweet en tranen: wanneer Van den Eedens koor De Melomanen niet op tijd in Brussel raakte om zijn partituur uit te voeren – elke deelnemer moest zelf voor uitvoerders zorgen – werd het hem teveel. Van den Eeden zag een uitsluiting naderen, maar zijn jongere concurrent, de Brusselse componist Willem (Guillaume) De Mol, toonde zich de redder in nood. In de biografische levensschets die Hendrik Conscience later over De Mol schreef, lezen we:

    "Hier was het, dat Willem Demol een bewijs van edelmoed gaf, dat de aanschouwers diep ontroerde en hem aller genegenheid verwierf. Hij gaf den hopeloozen Van den Eeden moed, en zeide hem, dat het niet volstrekt onmogelijk was, zijne cantate op het eerste zicht uit te voeren; men moest het beproeven. Dit zou iets wreeds zijn, dat zijne cantate, – de schoonste voorzeker – buiten den prijskamp zou gesloten worden. Het mocht niet zijn. Hierop riep Demol zijne broeders ter hulp, (…) liep en draafde van den eenen tot den andere, en bracht het zoo verre dat men zich bereid verklaarde, de uitvoering à vue van Van den Eeden’s cantate te beproeven. Demol sprong aan de piano en bestuurde en leidde de uitvoering met zooveel vuur en begeestering, dat het was als hadde hij de edele vlijt van zijn hart in elks hart doen overgaan."

    De rest zijn feiten: Van den Eedens cantate werd met een eerste prijs bekroond, De Mol zou pas in 1874, zijn sterfjaar, de Romeprijs winnen. De kritieken stonden opnieuw bol van de superlatieven: “Dans l’oeuvre de M. Vanden Eede, la pensée y est toute de distinction; elle s’étend non-seulement aux divisions générales de l’ouvrage, mais elle préside aux moindres détails. Avec la pensée se développe l’accent, un accent tout de poésie et de sentiment. (…) tout se lie, tout s’harmonise dans la composition de M. Vanden Eede, et l’oreille est aussi enchantée de la grâce mélodique qui s’en dégage, que de la science harmonique qui s’y révèle.” En, dat niet alleen jury of pers overtuigd waren van Van den Eedens ‘meesterlijke’ partituur, maar ook zijn concurrerende collega’s hem de prijs gunden, illustreert volgend optreden van de Rijselse componist Émile Matthieu, die vanuit het Hertogelijk Paleis – waar de kandidaten verbleven – een spandoek neerliet met het volgende acrostichon:

    Jamais, ce disait-on, dans leur séjour en loge,
    Entre eux les concurrents ne se sont entendus.
    Ami, qu’à la coutume en ce jour on déroge!
    Nous sommes tous d’accord: les lauriers te sont dus.

    Van den Eeden kreeg méér dan alleen maar een laurierkrans. Bij zijn thuiskomst in Gent werd de zesentwintigjarige componist op een heus volksfeest onthaald. Samen met vader Louis, Conscience en Hiel bracht een versierde koets hem – onder klokgelui van het Belfort – naar het stadhuis, waar hij met alle denkbare lof werd beladen.

    Met de reisbeurs die bij de Romeprijs hoorde, trok Van den Eeden al het volgende jaar naar het buitenland. Vier jaar lang zou hij doorheen Frankrijk, Duitsland, Italië en Oostenrijk trekken. In Frankrijk maakte hij kennis met ondermeer Massenet en diens uitgever Georges Hartmann, die Van den Eeden tracht over te halen om in Parijs te blijven. Tevergeefs, want ondanks een gesmaakte uitvoering van zijn lied Le Rhin français, gezongen door de Gentse top-sopraan Marie Sasse, keert hij al in 1871 – via Berlijn, waar hij Wagners muziek leert kennen – terug naar België. Lang zou hij er niet blijven, want al in 1873 vinden we hem terug in Italië, waar hij optreedt als pianist en waar enkele van zijn werken uitgevoerd worden, waaronder zijn Franciscus-mis die hij voor Assisi schreef. Hij begint er ook te schrijven aan het oratorium Brutus – op tekst van Herder, in een Nederlandse vertaling van Hiel. Even later, in Wenen, speelt Van den Eeden dit oratorium aan de piano door voor een select publiek, waaronder ook Anton Rubinstein. Wenen zou overigens Van den Eeden goed bevallen: niet alleen maakte hij er tal van vrienden, zijn werk werd er met succes uitgegeven door de uitgeverijen Bösendorffer en Kratochwill. Het Weense Illustrirtes Musik und Theaterjournal besteedt zelfs een heel nummer aan de Gentse componist, zoals het dat ook zal doen in 1917, wanneer deze overlijdt.

    van Vlaanderen naar Wallonië

    Eenmaal terug in België aangekomen weet Van den Eeden zijn artistieke populariteit te behouden door tal van koorwerken te schrijven. Vooral de succesvolle première van zijn oratorium Brutus op 28 maart 1874 leverde hem veel lof op. Peter Benoit zou het werk datzelfde jaar zelfs dirigeren ter inhuldiging van de Nederlandsche Schouwburg.  Van den Eeden, die zich in het verleden reeds deed opmerken door zijn radicale keuze voor Nederlandstalige teksten, was niet toevallig meer dan welkom in Benoits artistieke kring. Wanneer deze in 1876 de Bond tot Bevordering der Nationale Toonkunde oprichtte, opgesplitst in drie provinciale comités, krijgt Van den Eeden de opdracht het Gentse muziekleven te bezielen. Zo gezegd, zo gedaan: in korte tijd schrijft hij het oratorium Jacoba van Beieren, het symfonisch gedicht De geuzenstrijd der XVIe eeuw, een orkestrale Suite en tal van koorwerken.

    Ondertussen denkt Van den Eeden eraan om ergens een vaste betrekking te vinden. Wanneer Gustave Huberti – Romeprijswinnaar in 1867, toen Van den Eeden tweede werd – zijn job als directeur van de muziekschool in Bergen (Mons) opzegt, haalt Van den Eedens kandidatuur het op die van Emile Mathieu en Edgar Tinel. Van den Eeden heeft meteen grote plannen voor het Bergense muziekleven: zo breidt hij het lerarenkorps aan de muziekschool – dat enkele jaren later een conservatorium wordt – aanzienlijk uit en weet hij als dirigent het nog jonge, maar prestigieuze Festival National de Musique op de kaart te zetten. Naast een uitgebreid internationaal repertoire voert hij ook Belgische muziek uit. Hoewel hij als conservatoriumdirecteur veel energie steekt in het bestrijden van de bureaucratische mallemolen, vindt hij ook nog de tijd om muziek te schrijven. Wellicht het meest opmerkelijke werk uit die tijd is zijn En mer, een ‘poème symphonique descriptif’ voor solisten, koor en orkest. Over dit werk schrijft Maurice Kufferath, de latere directeur van de Muntschouwburg, dat het een werk is “haut en couleur, de l’élan dans la grande phrase mélodique qui est le thème fondamental de l’oeuvre et qui reparaît à la fin dans un crescendo puissant et d’un effet certain. (…) L’ensemble de la composition est bien d’aplomb, le plan est clair, et les idées qui se greffent sur le thème essentiel sont rehaussées par de très jolis détails d’orchestration et d’intéressantes harmonies.”

    Van den Eeden is inmiddels een muzikale beroemdheid: zijn werken staan regelmatig op binnenlandse affiches en zijn naam duikt op in tal van comités en jurys, waaronder ook die van de Romeprijs. Een Naamse sigarenhandelaar lanceert zelfs de cigare Van den Eeden. Ook op persoonlijk vlak gaat het hem voor de wind: in 1884 trouwt Van den Eeden met Pauline Bastin, de dochter van een Naams industrieel. Samen krijgen ze twee dochters, Jeanne en Lily, die later een carrière als mezzosopraan start.

    4 pogingen, 2 opera's

    Eén genre ontbreekt er nog op Van den Eedens werklijst: opera. Met zijn uiterst levendige oratoria waagde hij zich weliswaar reeds aan een flinke dosis dramatiek, toch wil de veertigjarige componist zijn muzikale horizon verruimen met het muziektheatergenre. Op aandringen van de advocaat-schrijvers Eugène Robert en de al eerder genoemde Edmond Picard laat hij zich in 1883 een bewerking van Alfred de Mussets jeugdwerk Barberine aansmeren. Maar, Van den Eeden raakt al gauw uitgekeken op het weinig verheffende stuk en dito bewerking en geeft de brui aan het project, ook al werden enkele al opgevoerde fragmenten uit de partituur positief onthaald.

    Daarna wordt het opvallend stil rond Van den Eeden. Zijn composities worden nog wel regelmatig uitgevoerd, zij het meer in Wallonië dan in Vlaanderen, en het is wachten tot 1894 wanneer hij weer de muziekpers haalt. Dat jaar wordt Roland de Lassus uitgevoerd, een gelegenheidscantate die hij schreef voor de 300ste sterfdag van zijn Bergense stadsgenoot. Het is zijn laatste cantate, want enige tijd later ontdekt Van den Eeden opnieuw het muziektheater. Hij zet zich aan het werk om Numance te schrijven, een lyrisch drama naar de gelijknamige tragedie van Cervantes. Ditmaal raakt hij wél geïnspireerd door het Oosterse onderwerp en het libretto van Charles Narrey en Michel Carré, de librettist van Gounods Faust en Roméo et Juliette en Thomas’ Hamlet. Het werk wordt in februari 1898 opgevoerd aan het Antwerpse Théâtre Royal Français. De kritieken zijn ronduit lovend.

    Minder positief zijn enkele kritieken die het jaar daarna in de pers verschijnen. Van den Eeden wordt een laks bestuur als conservatoriumdirecteur verweten, wat hem verleidt tot een niet erg slimme zet. Hij schrijft een verontwaardigde lezersbrief aan Le Guide Musicale, die bij publicatie voorzien wordt van een bijtende commentaar van redacteur Kufferath: “[M. Van den Eeden] oublie qu’investi d’une fonction publique, il est soumis à la critique. (…) Que l’excellent artiste me permette de lui dire qu’il n’a pas de pire ennemi que lui-même.” Het incident gaat niet in Van den Eedens kouwe kleren zitten, want ondertussen wordt zijn Numance uitgevoerd in Nice, wat hem alvast de felicitaties van Massenet oplevert.

    Never change a winning team: librettist Michel Carré, die speciaal naar Antwerpen kwam om Numance te regisseren, en Van den Eeden slagen opnieuw de handen in elkaar om een heuse opera te schrijven. De keuze valt op Rhéna, een bewerking van de gelijknamige roman van Ouida, het pseudoniem van de Engels-Franse schrijfster Marie Louise de la Ramée. In 1905 speelt Van den Eeden het werk voor in bijzijn van Kufferath, inmiddels directeur van de Muntschouwburg, die besluit het werk het volgende seizoen al op de planken te brengen. In werkelijkheid zou de première van Rhéna pas in 1912 plaatsvinden. Opnieuw wordt Van den Eedens muziekstijl alom bejubeld, ook door collega-componist Paul Gilson: “Il y a dans cette musique, à la contexture pourtant peu compliqée, un sens parfait de la scène, du mouvement, de la couleur locale, et la psychologie des personages y est traduite en traits simple mais frappants. Il est à remarquer que l’auteur de Rhéna use d’une déclamation serrée et précise, à l’encontre de la plupart d’entre nous, compositeurs belges (les Wallons non exceptés), qui empâtent le discours musical par un débit trop lent, arrêté encore, à tout bout de champ, par l’étirement de mots ou de syllabes qui n’ont aucune valeur d’accentuation. Sous ce rapport, Rhéna est d’une excellente tenue.”

    Van den Eeden heeft de smaak inmiddels te pakken: samen met Carré begint hij aan het lyrisch drama L’oeuvre de Jacques Serval. Jammer genoeg maakt de eerste wereldoorlog een einde aan Van den Eedens artistieke uitspattingen. Samen met vrouw en kinderen vlucht hij naar Engeland, vermoedelijk naar zijn schilderende broer Nicolas. Wanneer hij al in 1915 terug naar België keert, neemt hij het bestuur van het Bergense conservatorium terug op. Nog één keer laat hij zich opmerken, wanneer hij in een toespraak – getiteld Le Peuple chante – ervoor pleit om kinderen in het onderwijs meer (populaire) volksliedjes te laten zingen. Zelf zingt Van den Eeden het niet lang meer uit: in april 1917 sterft hij, vierenzeventig jaar oud. Het was zijn innigste wens om in Bergen, ‘zijn’ Waalse stad, begraven te worden. Want, zoals hij zelf zei: “Je désire rester à Mons parce que les arbres des cimetières sont très beaux, et parce qu’ils abritent beaucoup d’oiseaux qui parfois viendront chanter sur ma tombe!” Sindsdien is het erg rustig geworden om Jan Baptist Van den Eeden. Te rustig...

  • Bergmans, P.: Notice sur Jean Van den Eeden, in: Annuaire de l'Académie Royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, Brussel, 1924, p.375-436.
  • Delsaux, M.: Jean Van den Eeden et son Oeuvre, Mons, 1925.
  • 5. De componist van de 'Internationale' is een Gentenaar: Pierre Chrétien De Geyter
    door Jan Dewilde

    Zaterdag laatstleden, 1 mei – Dag van de Arbeid – heeft op vele plaatsen in de wereld ‘De Internationale’ geklonken. Dit socialistisch strijdlied is een compositie van een Vlaamse componist, met name Pierre De Geyter (1848-1932). De Geyter is in Gent geboren, uit Noord-Franse ouders die naar de Artevelde-stad waren gekomen om er werk te vinden in de textielindustrie. Toen Pierre 17 was, keerde het gezin naar Rijsel terug. Daar volgde hij muzieklessen in de ‘Académie de Musique’ waar hij in 1886 een eerste prijs behaalde. Hij dirigeerde er het arbeiderskoor ‘La Lyre des Travailleurs’ dat door de Rijselse burgemeester Gustave Delory was gesticht. 

    DDR-postzegels van Pottier & De Geyter

    Toen de burgemeester hem vroeg om enkele ‘chants révolutionnaires’ te componeren, werd hij getroffen door de tekst van ‘l’Internationale’ van Eugène Pottier. Deze Pottier was een strijder van vele revoluties: in 1848 stond hij op de barricades en in 1871 speelde hij een belangrijke rol in de Commune van Parijs. Het is toen de Commune bloedig werd neergeslagen, dat hij de bekende verzen van de ‘Internationale’ schreef (‘Onwaakt verworpenen der aarde’). Pottier moest Frankrijk verlaten en in de voetsporen van Victor Hugo kwam hij naar België. Later vestigde hij zich in de Verenigde Staten, tot hij na een amnestiewet in 1881 naar zijn geboorteland kon terugkeren. Hij was totaal berooid en moest daarom voor een hongerloon als naaktmodel poseren voor de leerlingen van de Académie des Beaux-Arts. Volgens een artikel in de ‘Pravda’ van 3 januari 1913, gepubliceerd naar aanleiding van de 25ste verjaardag van Pottiers dood, stierf hij in grote armoede. 

    De Geyter liet zijn zetting van Pottiers tekst voor de eerste keer op een kerkharmonium horen op een feest voor het ‘Syndicat des Marchands de Journaux de Lille’. Andere bronnen vermelden dat hij het lied eerst in een arbeiderscafé heeft uitgetest. Maar pas vanaf het ‘XIVe Congrès du Parti Ouvrier Français’ in 1896 werd het lied door de arbeiders als lijf- en strijdlied geadopteerd. 

    Dan gebeurde iets vreemds: al dan niet onder druk van burgemeester Gustave Delory wierp Adolphe De Geyter, broer van Pierre, zich op als componist van het lied. Het kwam tot een rechtszaak en die werd in het voordeel van Adolphe beslist. Volgens Pierre was dat onder politieke druk gebeurd. Pas in 1915 onthulde Adolphe de ware toedracht: hij had gehandeld uit een mengeling van jaloezie op broer en schrik van de burgemeester (hij was als ambtenaar in dienst van de stad Rijsel). Kort na zijn bekentenis pleegde Adolphe zelfmoord. Uiteindelijk vonniste het Hof van Beroep van Parijs op 23 november 1922 dat Pierre zich de componist van de ‘Internationale’ mocht noemen. In 1928 werd De Geyter naar Moskou uitgenodigd waar het congres van de communistische internationale hem hulde bracht. Hij stierf op 26 september 1932 in Saint-Denis bij Parijs. Vijftigduizend mensen defileerden voor zijn kist en zongen de ‘Internationale’. Een wereldbekend lied met een Gentse connectie.

    De Geyters melodie loopt als een rode draad door twee bekende langspeelfilms, namelijk 1900 van Bernardo Bertolucci en Reds van Warren Beatty. In 1900 (1976, met Roberto De Niro en Gerard Depardieu) gebruikt Enio Morricone het lied als refrein bij verschillende belangrijke scènes. In Reds (1981, met Beatty, Diane Keaton en Jack Nicholson) hanteren componisten Stephen Sondheim en David Grusin de melodie als leidmotief om de opwinding van de Russische revolutie van 1917 te evoceren.

  • Dermine, M.: Un ouvrier belge nommé Pierre De Geyter, in: Le Drapeau rouge, 1 mei 1982.
  • www.ps.be
  • www.sondheim.com/shows/reds
  • http://sovmusic.km.ru/english/inter.htm
  • 6. Historische tekst:  Arthur De Greef vertelt over Edvard Grieg. Bij het overlijden van de weduwe van den grooten Noorschen toondichter

    Op 11 december 1935 verscheen in Het Laatste Nieuws een interview van Jan Hadermann met Arthur De Greef over diens vriendschap met Edvard Grieg. Dit naar aanleiding van het overlijden van Griegs vrouw, de zangeres Nina Hagerup, enkele dagen eerder (9 december). De Greef – die net een concerttournee door Spanje achter de rug had – vertelt over zijn vriendschap met de Noorse componist, die reeds in 1907 stierf.

    een telegram

    Pas hadden de bladen, over heel de wereld, de foto afgedrukt van Nina Grieg, de weduwe van Noorwegen’s grootsten toondichter, bij gelegenheid van haar 90sten verjaardag… En daar kwam nu plotseling een lakonisch, drieregelig telegram, ergens uit het Noorden: Nina Grieg overleden. Wat al stille weemoed in die enkele woorden! Immers, met haar was nog een levend stuk van Grieg blijven voortbestaan. Al was Edvard reeds jaren geleden – op 4 September 1907 – voor goed heengegaan uit het heerlijke Troldhaug, de schilderachtige omboschte villa boven op de fjorden te Hap, bij Bergen, toch was hij in gedachten steeds bij haar gebleven. Heel haar leven is, ook na den dood van den toondichter, één opgang geweest in bewondering voor zijn natuurkrachtige kunst, één opgang in een wereld van onvergetelijke herinneringen.

    Wij waren de eersten om het treurige nieuws met eenige omzichtigheid te telefoneeren aan meester Arthur De Greef, den beroemden klaviervirtuoos, die tot den intiemsten vriendenkring van het echtpaar Grieg behoorde. En de 72-jarige meester kon moeilijk zijn ontroering bedwingen. Zoo vaak ook heeft hij de gezelligheid van hun hartelijken huiskring gesmaakt, met hen is hij voor Grieg’s muzikaal schoonheidsideaal in geestdrift ontvlamd, met hen heeft hij zoo vaak de krachtige lucht van zee en fjord, van bosch en bergmeer ingeademd, zooals zij machtig door de muziek van Grieg heenvoer.

    wie is die grieg?

    Nu zit de grijsgelokte meester Arthur De Greef in zijn stemmig, met oude, sierlijke meubelen, tapijten, schilderijen, beeldhouwwerken en boeken gestoffeerde studio voor ons. Bloemen staan op de twee piano’s. Tusschen de portretten aan de muren ontwaren we er alras twee, waarop de tijd zijn goudbruine tint heeft gelegd: die van den legendarischen, langgelokten Franz Liszt, waarvan Arthur De Greef een der weinige thans nog overlevende leerlingen is; het tweede portret is dat van Edvard Grieg, met een opdracht in het Noorsch.

    De meester is zoo vol van herinneringen aan dit schoone kunstenaarsleven. En het is waarlijk niet noodig, hem vele vragen te stellen, om hem aan het spreken te krijgen, over een levensepisode, die hem bijzonder lief is geworden. “Hoe ik Grieg heb leren kennen? Dat is  een heele vertelling. Het was rond de jaren 1880. Jonge kunstenaars als ik hadden het niet al te breed. En daar waar we konden, kochten we onze muziek  per okkasie. En zoo gebeurde het, dat ik te Brussel op zoek ging naar… koopjes. Plotseling valt me een vierhandige bewerking van de Peer Gynt in handen. Ik lees het! Wat een openbaring! Wie is die Grieg? Onbekend! Ergens een komponist in het verre Noorden… Aldus luidt het antwoord op mijn vraag.Ten slotte kon ik dan toch te weten komen, dat Grieg een concerto voor klavier heeft geschreven. Ik gelukte er in ook dit werk te bemachtigen. Een nieuwe wereld ging voor mij open. En ik leefde nog slechts voor één gedachte: Ik moet dien man, dien onbekenden, grooten kunstenaar leeren kennen!”

    naar het noorden 

    “Rond dien tijd moest ik te Parijs optreden en maakte er kennis met Alexander Bull, den zoon van Ole Bull, den grooten  violist, die te Bergen geboren werd, evenals Grieg. En toen ik hem vroeg of hij dezen kende, riep hij uit: “Of ik Grieg ken?! Dat zou ik denken! Een jeugdvriend van mij!” Ik voelde op dat oogenblik dat mijn lot beslist was en antwoordde: “Ik wil, ik moet dien man kennen. Wanneer gaat gij naar Noorwegen terug?” – “Overmorgen!” – “Ik ga mee!” De eerst ontmoeting met Edvard Grieg had dan plaats in eigenaardige omstandigheden. Het gebeurde in het magazijn van een muziekuitgever. Daar stond de meester voor mij, een veeleer tengere verschijning, met langen blonden haarbos, een vrij korte, bleeke snor, maar met in zijn oogen een brandende, wilskrachtige uitdrukking.”

    “Grieg kon maar niet gelooven dat iemand uit België naar Bergen kwam om met hem kennis te maken en, wat erger was, om zijn muziek te spelen! Hij ried het me zelfs af. Het concerto was reeds 17 jaar uitgegeven en nog onbekend! Maar ik was er vol van. En toen waagde ik een vraag: “Meester,  hier staan twee piano’s. Wilt gij de orkestpartij spelen, dan zal ik u de solopartij voordragen!” Grieg, die zelf een uitstekend klaviervirtuoos was, stemde ten slotte toe en daar gingen we er allebei op los. Het is een van mijn schoonste levensherinneringen. Toen het laatste akkoord was geslagen, liepen we op elkaar toe. Grieg was diep bewogen. “Broederschap!” riep hij me toe en omhelsde me.”

    arthur de greef als voorkamper van grieg 

    En sindsdien dagteekent dan wel uw apostolieke ijver om het schoone werk van Grieg alom bekend te maken? Vragen wij den meester, wiens vinnige oogen schitteren.

    “Ja. Mijn eerste werk was het concerto te doen spelen op de Colonnekoncerten te Parijs. Maar het werd er niet van eerst af begrepen. De heele pers, op twee critici na, was akkoord om te zeggen dat aan die muziek maar één ding ontbrak: de muzikaliteit! Ik heb al die persuittreksels lang bij mij gehad. Maar tijdens den oorlog hebben de Duitschers  alles meegenomen, toen ze mijn huis hebben verwoest. Zoo stalen ze ook al mijn briefwisseling met Grieg, met Liszt, met Brahms, met Tsjaikofski, al de uitgaven van de Bach-Gesellschaft, al mijn Wagners…”

    Dan hebt gij ook, Grieg te Brussel bekend gemaakt, meester?

    “Ik heb inderdaad het concerto voor het eerst te Brussel gespeeld op de Concerts Populaires. Joseph Dupont, de felle kapelmeester, gaf bij die gelegenheid den maatstok in handen van Grieg zelf over. We verstonden elkaar zoo diep, Grieg en ik. Het kwam zoo ver dat Grieg eischte, het orkest te mogen dirigeeren daar waar hij wist dat ik zijn concerto speelde. En omgekeerd, wanneer Grieg als dirigent zijn stuk op het programma had geplaatst, moest ik en geen andere het komen spelen! Dat was een heldhaftige tijd, een tijd van reizen en trekken, door Frankrijk, Engeland, Duitschland, het Noorden… Niets schrok ons af, zelfs de politie niet.”

    De politie???

    “Gij moet weten dat Grieg vooruitstrevende gedachten had op politiek gebied. En toen men hem een tweede maal vroeg om het concerto uit te voeren te Parijs, antwoordde hij dat hij geen voet meer in Frankrijk wilde zetten zoolang Dreyfus niet in eere zou hersteld zijn! Die geweldige zaak had zooals men weet alle gemoederen, ook buiten Frankrijk, in drift ontstoken. En het nieuws deed de ronde als een vuur. Dàt denkt Grieg van ons… Ten slotte traden we dan toch op in het Chátelet-theater en werkelijk, in de zaal en daar buiten wemelde het van politieagenten, in het vooruitzicht van tegenmanifestaties!”

    het einde van grieg 

    Wanneer, meester hebt gij Grieg voor het laatst ontmoet?

    “Ik heb dien goeden, trouwen vriend een laatste hand gedrukt, kort voor zijn dood, te München. Het was voor mij een zware slag, toen ik het wreede telegram met het bericht van zijn overlijden ontving. En mijn gedachten gingen naar het idyllische Troldhaug, waar hij de ziel van zijn land en volk had uitgezongen, waar hij van uit zijn vensters de fjorden met hun uitgetanden waterspiegel zag schitteren in de zon en waar hij de vlag op zijn toren stak, als er vrienden moesten komen… En daar liet hij een ontzaglijke leemte nu, in het hart van Nina, zijn teergevoelige, kunstzinnige levensgezellin, die zoovele van zijn werken had zien ontstaan en er zelfs had toe bijgedragen… En terwijk ik twee dagen reeds in rouw was gedompeld, ontving ik plots een brief. Een brief van Grieg! De arme vriend had hem geschreven denzelfden avond van zijn overlijden. Hij schreef met geestdrift over zijn nieuwe werken, over plannen allerhande. Want hij dacht niet aan sterven. De dood heeft hem bezocht in volle scheppingskracht, zonder aan hem het schouwspel te vertoonen van lichamelijk en geestelijk verval. Des te sterker en onaangetast blijft zijn beeld voortleven in den geest en het hard van al degenen die met hem omgingen.”

    op troldhaug 

    En hoe was het leven op Troldhaug?

    “Eenvoudig, gezellig, hartelijk. Ik ben er zoo vaak geweest. Men moest eerst een heelen afstand afleggen met een treintje, langs een kronkelenden weg. En dan nog een flink eind te voet. En toen men dan ten slotte, na een heerlijke wandeling door een prachtige natuur, boven op de rots de lachende villa Troldhaug zag staan, en men een blijden zucht slaakte, dan kon men een beetje verder een opschrift lezen dat luidde: Grieg is afwezig! Dat deed de meester om niet te worden lastig gevallen tijdens zijn werk, dat de concentratie vergde van al zijn vermogens. Maar de vrienden waarmee hij “broederschap” had gesloten, die vonden zijn stemmig huis vierkant open staan, zijn stemmig huis met het romantische komponeerhutje in de schaduw  van groote boomen in den tuin, zijn stemmig huis met dien engel van goedheid en van gastvrijheid er in, die Nina heette… Nu is zij ook heengegaan… Heel haar leven was een eredienst voor haar man en zij kunst. Zij was een uitstekende zangeres, van huis uit. Zij zong zijn liederen met een diepte en een waarheid van uitdrukking die nimmer zal worden geëvenaard. Zij inspireerde den meester, die, bij het vinden van zijn melodieën, in gedachten de stem van zijn vrouw hoorde. Tot in haar laatste levensjaar zong en speelde zij nog de werken van haar man. Zij leefde er in. Na zijn dood, schonk zij al de werken en voornaamste kunstbezittingen van Grieg aan de stad Bergen, die, zooals gij weet, een gedenkteeken voor hem oprichtte.”

    grieg, bewonderaar van peter benoit

    Grieg heeft toch ook met zijn muziek, waarin het nationaal en folkloristisch karakter van Noorwegen zoo diep staat geprent, tot de ontwaking van het rasbewustzijn in Noorwegen bijgedragen?

    “Voorzeker. Zijn muziek was voor de Noren wat die van Peter Benoit voor de Vlaamsche beweging is geweest. Er is een gelijkloopende lijn in het streven van beide meesters, die trouwens elkaar een diepe bewondering toedroegen. Ik zelf heb onder de magistrale leiding van Peter Benoit te Antwerpen het concerto van Grieg gespeeld. Hoezeer houd ik van die groote Rubensiaansche werken, waarin de geest van Benoit zich zoo machtig kan uitleven. Weet gij dat ik die gewrochten, zooals o.m. de Rubenskantate, die in haar genre nergens haar gelijke heeft, ginder in het Noorden, voor Grieg heb gespeeld  en… voorgezongen? Het kon toch niet anders, of beiden moesten elkaar begrijpen. Dezelfde volksgeest bezielt hun muziek. Dezelfde aanknopingspunten biedt hun kunst met de oude volksmelodieën. Weet gij ook dat er bovendien een opvallende gelijkenis bestaat tusschen oude Vlaamsche en oude Noorsche volksliederen? Weet gij dat zekere Vlaamsche liederen ginds in den volksmond leven en dat in Noorwegen ons Ik zag Cecilia komen langs eenen waterkant nog gezongen wordt?”

    afscheid

    Men vergete niet dat meester De Greef de oude volksmuziek kent. Hij heeft onder meer een zeer mooie bewerking van oude Vlaamsche volksliederen gemaakt, met Gekwetst ben ik van binnen en andere stemmige wijzen, die het oude Vlaanderen zong.

    Wij nemen thans afscheid van den meester, die ons met de meeste beminnelijkheid ontving en er in toestemde, dat onze fotograaf met zijn blitzlicht de stille, rustige stemming, gevoed door de schoonste kunstherinneringen, die hier zweven langs de wanden en langs de klaviertoetsen, even kwam scheuren. En wij kunnen ons goed meester De Greef indenken, die, na ons onderhoud, dat weer zooveel in hem heeft wakker gemaakt, onbewust aan het klavier gaat zitten en Grieg speelt, zooals vroeger op Troldhaug…

  • Hadermann, J.: Het Muziekleven. Arthur De Greef vertelt over Edvard Grieg bij het overlijden van de weduwe van den grooten Noorschen toondichter, in: Het Laatste Nieuws, 11 December 1935, p. 14.