ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 26 - oktober 2004

1. Lof zonder grenzen : Willem Nicolaï over Gustave Huberti en Emile Blauwaert 
door Tom Janssens

De compositorische output van Willem Nicolaï is dan wel niet zo omvangrijk, over zijn veelzijdig muzikaal vakmanschap kunnen we het eens zijn. Deze Nederlandse componist, dirigent, pedagoog en organist trok na zijn jaren aan de Leidense muziekschool naar het prestigieuze conservatorium van Leipzig om er bij pianovirtuoos Moscheles aan z'n toetsentechniek te werken. Toch was het orgelvirtuoos Carl Ferdinand Becker die Nicolaï's muziektalent het grondigst bijschaafde. Reizen om te leren, dacht Nicolaï, en dus trok hij niet veel later naar Dresden om er zich bij Johann Gottlob Schneider - broer van all round-componist Johann Christian Friedrich - te vervolmaken in het orgelspel.

Terug in zijn geboorteland wisselde Nicolaï het studentenleven in voor een lerarenbestaan: in 1852 werd hij docent orgel en harmonie aan het conservatorium van Den Haag. Nicolaï's interesse in muziekpedagogie liet zich opmerken, en in 1865 werd hij dan ook directeur en leraar compositie aan hetzelfde conservatorium. Daarbij besteedde hij als dirigent van het conservatoriumorkest veel aandacht aan het uitvoeren van 'actuele' muziek: zo voerde hij werken van Wagner en Liszt uit, maar wist in 1878 ook Benoits Rubenscantate op het programma te zetten. Maar, niet enkel was Nicolaï op de hoogte van het Europese muziekgebeuren, ook oudere muziek - zoals oratoria van Händel - bracht hij op de planken. Mogelijk werd die interesse in oudere muziek gewekt door cellist-componist en Mendelssohn-vriend Julius Rietz, die Nicolaï in Leipzig leerde kennen. Ook de fanatieke belangstelling van zijn orgeldocent C.F. Becker voor oudere muziek zal de jonge Nicolaï wel hebben aangesproken.

Wellicht het bekendst werd Nicolaï als hoofdredacteur van het interessante tijdschrift Caecilia, waarin hij met veel kennis van zaken berichtte over het concertleven in Nederland en daarbuiten. Ook Vlaamse muziek bracht hij ter sprake, zoals blijkt uit deze recensie uit 1888, waarin hij verslag doet van het liedrecital dat componist Gustave Huberti en diens schoonbroer Emile Blauwaert - de eerste 'Lucifer' - gaven in Amsterdam. Schoon volk, want Blauwaert was de "beroemden barytonzanger", die het net als Ernest Van Dijck tot in de intiemste kringen van Bayreuth schopte. Zijn interpretatie van Gurnemanz in Parsifal werd lange tijd als onovertroffen beschouwd. Ook Huberti was vertrouwd met de hele Wagnercultus. Toch verleidde zoveel Wagneriaanse aura Huberti niet tot een dito schrijfstijl, indien we Nicolaï mogen geloven...

"De 'Toonkunstenaars-Vereeniging van Noord- en Zuid-Nederland', of zooals ze thans heet de 'Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging' voldeed gaarne aan den wensch van een harer leden, den heer Gustaaf Huberti, om zich als componist meer bekend te maken, met name van zijn talent als liederen-componist te doen blijken. De heer Huberti had als vertolker zijner  liederen niemand minder dan den beroemden barytonzanger Emile Blauwaert (zijn zwager), zoodat het publiek bij voorbaat weten kon, dat een buitengewoon genot reeds wegens de uitvoering te verwachten was. Te Amsterdam traden de twee heeren den 20sten, hier den 24sten op (100ste en 101ste uitvoering in de volgreeks), en zij verwierven den algemeenen bijval van de kunstenaars en degelijke kunstvrienden, hoewel die helaas! in slechts gering aantal waren opgekomen.

De zangcomposities van Huberti ademen eenigszins den geest der jonge fransche school; men is b.v. van Massenet eene vrije opvatting met betrekking tot den vorm gewoon, zooals men die opmerkte in het meerendeel der 17 liederen, die Blauwaert hier voordroeg. Een afgesloten geheel hoorde men slechts bij uitzondering van den zang; meestal deed de begeleiding het hoofdmotief hooren, aan den zanger overlatende dat motief op te nemen of den tekst vrij melodisch te declameeren; het slot werd dan weder door de begeleider gegeven. Men gaat langzamerhand meer algemeen dien weg op; de tijd van eene afgeronde melodie, die de hoorder gemakkelijk kan volgen en de zanger uit het hoofd voordragen, schijnt voorbij te zijn, althans in Frankrijk en België. Men zie, wat het laatstgenoemde land en vooral het vlaamsche gedeelte betreft, de zangcompositie van Benoit, Waelput, Blockx, om slechts deze te noemen, die insgelijks vrij declameerend optreden. Bij ons te lande staan mij, in dit opzicht, op dit oogenblik Zweers en Coster voor den geest, misschien zijn er nog wel anderen.

Blauwaert zong zeer schoon. Zijne stem behoudt haar frisschen klank en is bizonder omvangrijk (groot E en eensgestreept g hoorde men ditmaal van hem); te wenschen blijft eene duidelijkere uitspraak. Thans was het ontbreken van een tekstboekje zeer te betreuren, ook omdat men daardoor niet in de gelegenheid was zich een oordeel te vormen over de opvatting en wedergave van de woorden door den componist. Intusschen kon men opmerken, dat Huberti eene gekuischte en hoogstbeschaafde wijze van zeggen bezit. De teksten van beroemde duitsche en fransche dichters waren meest allen in het Nederduitsch overgebracht door Em. Hiel; slechts zeer enkele nummers werden door Blauwaert in de fransche taal gezongen. De componist begeleidde op bewonderenswaardige wijze, zeer discreet en toch duidelijk en met de vereischte afwisseling. (...) Aan bijval van het publiek ontbrak het niet; de vlaamsche broeders werden zelfs herhaaldelijk voorgeroepen en Blauwaert tot eene herhaling van het Meilied genoopt."

Bron
Nicolaï, W.: Uitvoering der Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging, in: Caecilia. Algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, nr. 6, 1 maart 1888, p.49-20.

2. Geknoopte oren : Plinius' fontein van Arthur Meulemans 
door Tom Janssens

In de rubriek Geknoopte oren zetten we elke maand een ander, interessant werk van een Vlaamse componist in de kijker. We letten erop werken te kiezen die niet alleen de moeite waard zijn om te beluisteren, maar die u ook op cd terug kunt vinden. Deze maand is het de beurt aan de symfonische schets Plinius' fontein van Arthur Meulemans (1884-1966).

Astronomie, geografie, antropologie, botanica, mineralogie, zoölogie, biologie, meteorologie, agricultuur: geen natuurkundige wetenschap of ze werd door Plinius de Oudere (23-79 n.C.) te boek gesteld. Deze Romeinse wetenschapper vatte niet alleen zijn eigen observaties, maar ook die van een honderdtal andere eminente heren samen in zijn magistrale Historia naturalis: een 37 delen tellende pil die gelijk de oudste natuurkundige 'encyclopedie' uit de geschiedenis is. Wat Plinius nog zoal schreef, daar hebben we het raden naar: zijn Historia naturalis is het enige geschrift dat van hem overgeleverd is. Maar dat deze Romeinse legionnair-wetenschapper een veelschrijver was, daar zijn de oude bronnen het over eens. Zo weten we van zijn neef dat Plinius steeds twee knechten naast zich had: ééntje om hem voor te lezen uit wetenschappelijke literatuur, en ééntje om zijn gedachten en bevindingen te noteren. Hoeft het gezegd dat Plinius de dood vond toen hij zich in Pompei bij de uitbarsting van de Etna te dicht bij zijn studieobject bevond?

Maar, het waren niet alleen Italiaanse natuurfenomenen die Plinius' aandacht trokken. Zo bracht hij zijn militaire opleiding door in Duitsland en Nederland, en zijn levendige beschrijvingen van de Spaanse goudmijnbouw doet vermoeden dat hij ook daar een kijkje had genomen. Ook in onze, gallische streken liet Plinius zijn sporen na: zo draagt de Tongerense bron die hij in zijn Historia naturalis geneeskundige krachten toeschreef nog steeds zijn naam. Het kuuroord dat rondom deze bron aan het begin van de 18e eeuw gebouwd werd, is inmiddels vervangen door een park met kinderspelen, tennisvelden en een visvijver. De klinkende naam Pliniusbron echter mocht blijven.

Ook in het Vlaamse muzikale verleden is de naam vertegenwoordigd: Plinius' Fontein heet de driedelige symfonische schets die Arthur Meulemans in 1913 schreef. Al is het Meulemans niet te doen om de aquatische interesses van de Romeinse wetenschapper. De naam van dit werk verwijst veeleer naar "een lustoord buiten 'n stadje in Zuid-Limburg". Een vage en weinig verhullende referentie die echter geen slordigheidje is: net zoals in zijn andere, extra-muzikale composities houdt Meulemans meer van sfeerscheppende programma's dan van concrete, verhalende luisterwijzers. De drie delen waaruit het werk bestaat, krijgen dan ook meer evocatieve dan feitelijke titeltjes mee: Zomermorgen bij Plinius' fontein, In de schemering en Nachtfeest. Ook de ondertiteltjes van de drie delen baden in dezelfde suggestieve sfeer. Zo wordt het eerste deel omschreven als: ...gestadig de bron... de zomermorgen ontbloeit tot volle zon... Deel twee kondigt nog meer diepzinnige natuurweelde aan: ...Hoorngeschal... en de schemering valt in... avondvogel - de religieuze atmosfeer en de diepte van het menselijk hart... En deel drie besluit met: ... de vreugde en het leven... - te middernacht, de retraite. Toegegeven, de kloof tussen Plinius' wetenschappelijke schrijfsels en Meulemans' evocatieve zinspelingen is wel erg groot. Wie echter struikelt over dit soort 'esoterismen', vergeet dat wel meer orkestwerken van rond de eeuwwisseling het over de natuurfilosofische boeg gooiden - de tussentiteltjes van Strauss' magistrale Alpensymfonie zijn niet minder suggestief.

Uiteraard bestaat Meulemans' partituur uit meer dan alleen maar woordjes. En dat mag duidelijk wezen: Meulemans strooit gretig met symbolistische klankkleuren, fantasierijke orkestraties en geslepen thema's en maakt zo van Plinius' Fontein een auditief feestje.
Al van bij de start van het eerste deel weet Meulemans de luisteraar in te pakken met een kabbelend repetitief strijkersmotiefje, dat meteen geflankeerd wordt door fluisterzachte tegenstemmen in trompetten, hoorns en harpen. Geen uitgesponnen zangerigheid voor Meulemans, en dus laat hij het strijkersmotiefje al gauw stranden op een bewegingsloos klankveld, om het daarna - met hulp van een zwierige harpbeweging - uit te spelen tegenover enkele ontnuchterende trompetklanken. Wanneer het motiefje daarna opnieuw opduikt, zet Meulemans meteen een tegenmelodie in en laat het geheel opnieuw opbotsen tegenover een solotrompet. De toon is gezet: dit deel beweegt zich voort op orkestrale contrasten. En al lijken de golven van La Mer wel erg nabij,

Meulemans is niet te beroerd om het subtiele klankenspel af en toe te counteren met Richard Strauss-achtige bravoure. Ook in het tweede, langzame deel weet Meulemans z'n eigen stem te bewaren. De vier hoorns die dit lang uitgesponnen Poco con moto noest inblazen mogen dan wel herhaaldelijk in het klankbeeld opduiken, ze worden geflankeerd door veel elegische en inventieve zangerigheid. Daarbij laten Meulemans' brede strijkersbewegingen alle ruimte voor enkele solistische verzuchtingen in viool en klarinet. Geen gezucht echter in het derde deel: hier trekt Meulemans' pompende orkestmachinerie een groots opgezette danspastiche op gang. Alsof er nog beslist moet worden wat er gespeeld zal worden, wisselt het orkest moeiteloos tussen Spaanse folklore en Weense wals, om dan uiteindelijk te besluiten tot enkele potig stampende marsmaten. Het doet enkele bleke tussentiteltjes gauw vergeten...

Opnames

  • NAXOS - DDD 8.554121 > Moscow Symphony Orchestra o.l.v. Frédéric Devreese
  • KOCH DISCOVER - DDD LC5406 > BRTN Filharmonisch Orkest o.l.v. Alexander Rahbari
  • 3. Kamermuziek : Martin Lunssens (1871-1944)
    door Katrien Mestdagh

    Na minstens vijftig jaren onaangeroerd in de Gentse conservatoriumbibliotheek te hebben gelegen, heeft het SVM de schat aan autografen, afschriften en drukken van Martin Lunssens eindelijk onder het stof vandaan gehaald. Hoewel Lunssens niet meteen de meest gekende Vlaamse componist is, was hij in de eerste helft van de twintigste eeuw zeker geen onbekend persoon binnen de muzikale kringen.

    Deze pedagoog, componist en dirigent kreeg zijn muzikale opleiding aan het Koninklijke Muziekconservatorium van Brussel, waar hij ondermeer les volgde bij Joseph Dupont, Hubert Ferdinand Kufferath en François Auguste Gevaert. Het is dan ook onder hun invloed dat Lunssens zich ontpopte tot een waar Wagner-liefhebber. Als componist bleef hij zijn muzikale idolen Wagner, Beethoven en Brahms al te vaak trouw, wat hem niet tot de meest progressieve componist maakte.

    Aan het Brusselse conservatorium gaf hij drieëndertig jaar harmonie en was hij gekend om zijn wat conservatieve en 'tirannieke' maar degelijke manier van muziekonderricht. Hij combineerde het lesgeven met het directeurschap, onder andere van de muziekacademie van Kortrijk (1905-1924), het conservatorium te Charleroi (1916-1924) en het conservatorium van Leuven (1921-1924). Ondertussen richtte hij ook nog eens de Société des Concerts op te Charleroi. Lunssens volgde in 1924 Emile Mathieu op als directeur van het Koninklijke Muziekconservatorium van Gent.

    Ondanks zijn pedagogische verplichtingen wist Lunssens steeds tijd te maken om te componeren, zo blijkt uit het uitgebreide oeuvre dat hij naliet. Na enkele vroege pianostukjes gelden de cantates Lady Macbeth (1893) en Callirhoé (1895), die hij componeerde voor het Concours de Rome als zijn eerste grote en noemenswaardige composities. Hij won er immers de respectieve tweede en eerste Romeprijs mee. Verdere inspiratie haalde hij uit zijn studiereizen naar Munchen, Bayreuth, Parijs en meerbepaald deze naar Rome en Firenze, die onder meer twee van zijn vier symfonieën inkleurden: de Symphonie Romaine (1902-1916) en de Symphonie Florentine (1898-1916/1915). Verder zijn ook de symfonische gedichten Timon d’Athène (1908-1918), Roméo et Juliette (1907-1917), Phèdre (1909) en Le Cid (1910) zeker het vermelden waard, naast enkele orkestrale dansen, ouvertures en feestmarsen. Zijn concerterende muziek bestaat uit niet minder dan vier vioolconcerto’s, één altvioolconcerto en één celloconcerto. Van enkele pianoconcerto’s zijn tot op heden slechts enkele schetsen teruggevonden.

    Wat betreft zijn vocaal oeuvre kan ook nog de Jubeldagcantate (1905) aan de twee reeds vermelde cantates worden toegevoegd, evenals enkele lyrisch-dramatische of cantate-achtige werken voor koren, soli en orkest: Colette et Lucas (1914?), Galswinthe (1903?) en St.-Amands (1908). Tot zijn (vroege) koorwerken behoren de mannenkoren Art et Travail (1899) en Nocturne (1890) en het vrouwenkoor Ode de la musique (1911). Lunssens componeerde ook meer dan zestig liederen, onder andere op teksten van A. de Musset, A. Van Hasselt, M. de Valcombe en A. de Vigny. Het merendeel was oorspronkelijk Franstalig, maar vele liederen werden vertaald naar het Nederlands (vaak door L. Lambrechts) en/of naar het Duits. Lunssens zelf maakte ook frequent meerdere versies van zijn liederen: velen ervan bestaan zowel in een versie voor zang en orkest als voor zang en piano (zoals bijvoorbeeld Seule (1902 & 1923) en Stilte (1913 & 1938)). Eveneens indrukwekkend – zeker voor een laat 19e-eeuws Vlaams componist – is de hieronder weergegeven omvangrijke lijst van kamermuziekwerken. Tot slot heeft hij ook nog heel wat pianosonates en –sonatines op zijn actief staan.

    Als we Charles Van den Borren mogen geloven blonken Lunssens' werken uit in ongelooflijk vakmanschap maar ontbraken ze te vaak vernieuwing en creativiteit. Ook op de lengte van Lunssens muziek had Van den Borren veel kritiek. Over Lunssens strijkkwartetten schreef hij: "Men hoort er muzikale gedachten van goede kwaliteit, waarop zelfs een aristocratische voornaamheid ligt, maar ze worden zodanig uitgebreid, dat ze vlug verwateren en een indruk van vermoeienis achterlaten. Ook kunnen we dit geen kamermuziek meer noemen, wat den geest betreft: de uitwerking van de thema’s zou ons eerder tot een symfonisch gedicht voor kwartet laten besluiten." Dat Lunssens’ muziek, ook zijn orkestwerken, vaak te lang waren voor een uitvoering bewijzen de vele coupures die in de autografen en afschriften zijn aangebracht.
    Lunssens dirigeerde meestal zijn eigen werk, vooral op de concerten van het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent. Daarnaast dirigeerde hij ook het orkest van de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen en slaagde hij erin om in het Casino van Blankenberge met een sterk uitgedund orkest kwaliteitsvolle concerten te laten geven.

    In elk geval kan besloten worden dat het de moeite loonde om Lunssens’ oeuvre van onder het stof te halen. Een man als Lunssens, die zich zijn hele leven met een dergelijke ijver inzette op muziek-pedagogisch vlak, een uitstekende reputatie had als dirigent en zo’n gevarieerd en uitgebreid oeuvre heeft nagelaten, verdient de nodige interesse en herwaardering.

    Katrien Mestdagh inventariseerde in opdracht van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek de muzikale nalatenschap van Martin Lunssens in de Gentse conservatoriumbibliotheek.

    Voor viool & piano

  • Sonate nr. 1 in D-groot [1925]
  • Sonate nr. 2 in F-groot [1933]
  • Sonate nr. 3 in A-groot - Le printemps [1926]
  • Romance nr. 1 in C-groot [1924]
              > klavierreductie
  • Romance nr. 2 in D-groot [1925]
              > klavierreductie
  • Romance in F-groot
              > schetsen
  • Voor strijkkwartet

  • Strijkkwartet nr. 1 in C-groot [1906]
  • Strijkkwartet nr. 2 in A-groot [1906]
  • Strijkkwartet nr. 3 in f-klein [1907]
  • Strijkkwartet nr. 4 in F-groot [1905]
  • Varia

  • Romances sans paroles (D-groot) [1889]
              > voor viool
  • Rêverie (D-groot) [1891]
              > voor 2 violen, altviool, cello & contrabas 
  •  Idylle (F-groot) [1889]
              > voor 2 violen, altviool, cello & contrabas 
  •  Sextuor (F-groot) [1902]
              > voor fluit, hobo, 2 klarinetten, hobo & fagot 
  •  Andante cantabile (Bes-groot) [1929]
              > voor altviool & piano
  • Klavierreducties

  • Celloconcerto nr. 1 in D-groot [1938]
              > voor cello & piano
  • Celloconcerto nr. 2 in Bes-groot [1943]
              > voor cello & piano
  • Vioolconcerto nr. 1 in D-groot [1929]
              > voor viool & piano
  • Vioolconcerto nr. 2 in b-klein [1934-35]
              > voor viool & piano
  • Vioolconcerto nr. 3 in e-klein [1937]
              > voor viool & piano
  • Vioolconcerto nr. 4 in A-groot [1936]
              > voor viool & piano
  • Altvioolconcerto in d-klein [1937]
              > voor altviool & piano  
  • Symfonie nr. 3 in b-klein [1918]
              > voor 2 piano's 
  • Timon d'Athène (E-groot) [1908]
              > voor 2 piano's 
  • 4. Nalatenschap familie Aerts 
    door Jan Dewilde

    Het SVM heeft de laatste maanden opnieuw enkele interessante componistenarchieven en -nalatenschappen verworven. Zo bijvoorbeeld het archief van de familie Aerts, een familie van componisten en musici die nauw verbonden is met de geschiedenis van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen.

    Frans Aerts (1804-1864), kapelmeester van de Sint Pauluskerk in Antwerpen en handelaar in piano's, werd in 1839 door het Antwerpse stadsbestuur aangesteld als zangleraar in de gemeenteschool in de Blindestraat. Samen met Corneel Schermers en Joseph Bessems zou hij een plan uitwerken om een Ecole Spéciale de Musique op te richten. Het plan kreeg de goedkeuring van het stadsbestuur en op 15 maart 1844 kon hun Ecole de Musique de la Ville de deuren openen. Deze muziekschool was de rechtstreekse voorloper van de Vlaemsche Muziekschool van Antwerpen waarvan Peter Benoit in 1867 directeur werd en die hij uitbouwde tot koninklijk conservatorium. Niet alleen Frans Aerts, maar ook zijn dochter Leonie Aerts ging de muzikale toer op. Zij werd een gevierde pianovirtuoze die bekend stond als Liszt-vertolkster.

    Een ander lid van de familie, Josepha Aerts (1872-1958) studeerde vanaf het schooljaar 1898-1899 aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen, waar ze Joanna Laenen als pianolerares had. Op haar diploma-uitreiking liet directeur Jan Blockx niet na te wijzen op de verdiensten van haar familielid Frans Aerts. Blockx was dan ook één van de laatste leerlingen van Frans Aerts. Jozefa werd later zelf lerares aan het Antwerpse conservatorium, waar ze ondermeer pianoles gaf aan haar neef Peter Aerts (1912-1996). Als leraars had Peter Aerts verder Karel Candael en Jan Broeckx voor notenleer en Jef Van Hoof voor harmonie. Voorts studeerde hij privé verder bij Lode Ontrop, Jef Schampaert en August Baeyens. Met Van Hoof zou hij z'n leven lang bevriend blijven. Zo werd Aerts begeleider en repetitor van het Borgerhoutse koor Kunst en Vermaak dat door Van Hoof gedirigeerd werd. Peter Aerts werkte als kunsttandtechnicus en moest het componeren noodgedwongen beperken tot de avonden, weekends en vrije dagen. Toch schreef hij een aanzienlijk oeuvre bij elkaar en daarin ligt het accent op de vocale muziek. Hij componeerde meer dan honderd liederen, maar ook koren en de opera Groen en grijs (1953). Verder ook pianowerken, kamermuziek, orkestwerken, composities voor beiaard en voor fanfare. Aerts orkestreerde ook verschillende liederen van Van Hoof.

    De nalatenschap die het SVM verwierf bevat, onder andere, de pianoboeken van Leonie Aerts (met vroege uitgaven van Liszt, Kalkbrenner, Moscheles, e.v.a.), autografe briefjes van Peter Benoit, foto's van Frans en Leonie Aerts, manuscripten van Jef Van Hoof en Peter Aerts, geschilderde portretten van Leonie en Peter Aerts en... de 'pitteleers' van Jef Van Hoof en Peter Aerts.

    Na verwerking van het archief zal de nalatenschap overgedragen worden aan de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen. Later volgt dan ook een kleine tentoonstelling rond de familie Aerts. We houden u op de hoogte.

    5. Met overtuiging : een strijdlied van Lode Meeus en Gerard Walschap 
    door Jan Dewilde

    Dankzij Vic Nees kwamen we in het bezit van een zeldzame druk van Strijdvaardig, een lied van Lode Meeus op tekst van de jonge Gerard Walschap (1898-1989). Het is een privé-uitgave van de componist, gedrukt door Victor Resseler in Antwerpen. Lode (Louis) Meeus was een lied- en marsencomponist uit Londerzele. Meeus componeerde een tweehonderdtal marsen waarvan sommige, zoals Alaska, bijzonder populair werden. Sinds 1906 was hij tientallen jaren was hij lid van de Koninklijke Fanfare Sinte-Cecilia van Londerzeel. Deze muziekvereniging nam in 1967 en 1975 twee lp’s met marsen van Meeus en deed dat enkele jaren geleden in studio 4 van het Flageygebouw nog eens op cd over.

    Het is op tekst van zijn dorpsgenoot Gerard Walschap dat Meeus het strijdlied Strijdvaardig componeerde. Tijdens zijn schooljaren was Walschap lid van de Katholieke Vlaamse Studentenbeweging van het Klein Seminarie in Hoogstraten en van de Studentenbond van Londerzeel, die op haar beurt was aangesloten bij het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond. Het is in die studentenverenigingen dat Walschaps Vlaamse bewustzijn werd aangescherpt. In zijn boek Salut en Merci (1955) blikte hij terug op die jeugdjaren vol flamingantische bezieling, die sterk van de katholieke idealen was doordrongen. De tekst die Walschap aan Meeus bezorgde en die ‘met overtuiging’ moest gezongen worden, gaat gebukt onder een wel erg grote hoeveelheid strijdvaardigheid. Dat levert zinsneden op als "Oh, tergt niet den Leeuw en ziet toe wat ge doet / ’t Is Vlaamsch wat ons hart roept en Vlaamsch roept ons bloed!"

    6. Een eeuw(igheid) geleden... : oktober 1904 
    door Jan Dewilde

    Een eeuw geleden... op zaterdag 8 oktober 1904 voerde de Vlaamse Opera in Antwerpen De Barbier van Bagdad van Peter Cornelius (1824-1874) op. Volgens Le Guide Musical van 23 oktober 1904 betrof het de allereerste opvoering in België.

    De multigetalenteerde Cornelius (componist, auteur, muziekcriticus, vertaler, violist en toneelacteur) componeerde het werk op aandringen van zijn mentor Franz Liszt. Cornelius schreef zelf het libretto, gebaseerd op de sprookjes van ‘duizend-en-een-nacht’. Met deze opera wou hij de komische opera vernieuwen en hij zag het werk als een Duits antwoord op Rossini’s Il barbiere di Siviglia. Voor de Turkse ‘couleur locale’ keek hij dan weer naar Mozarts Die Entführung aus dem Serail.

    Der Barbier von Bagdad werd beschouwd als de eerste opera van de ‘Lisztianers’ en de première op 15 december 1858 in Weimar werd door anti-Liszt-demonstranten verstoord. De première, die door Liszt werd gedirigeerd, draaide op een fiasco uit en zowel Liszt als Cornelius zagen zich genoodzaakt Weimar te verlaten. Geen enkel ander theater wou de opera op zijn speellijst plaatsen zodat Cornelius zijn opera nooit meer heeft gehoord.
    Na Cornelius' dood bewerkte dirigent-componist Felix Mottl de opera en het was deze versie die in 1884 in Karlsruhe werd opgevoerd. De volgende twintig jaar werd deze Mottl-versie door verschillende Duitse operahuizen overgenomen tot in 1904, toen men als ‘Wiedergutmachung’ in Weimar eindelijk de originele versie voor de tweede keer uitvoerde. Tegen de zin van Cornelius’ weduwe. Deze beschouwde het werk namelijk als mislukt en weigerde het manuscript uit handen te geven. Uiteindelijk heeft Max Hasse, die een biografie van Cornelius voorbereidde, de partituur samengesteld aan de hand van de originele orkestpartijen die in Weimar bewaard werden.


    Deze oerversie werd op 10 juni 1904 in Weimar opgevoerd en was nauwelijks vier maanden later in Antwerpen te horen onder de leiding van Julius Schrey. Dat toont nog maar eens aan dat de Antwerpse Opera de vinger op de pols hield en, onder andere via de Wagnertenor Ernest Van Dijck, uitstekende internationale contacten onderhield. De chroniqueur van de Vlaamse Opera, August Monet, schreef dat het werk "zich in Duitsland nog altijd op het repertorium handhaaft, maar in het onze geen wortel heeft willen schieten, hoe verdienstelijk ook de interpretatie ervan was, onder de leiding van Schrey en met Bernard Tokkie, onbetaalbaar in de titelrol."

    Diezelfde Tokkie stond precies een week later in het zelfde operahuis ook in de wereldcreatie van Paul Gilsons opera Zeevolk. In Le Guide Musical roemde G. Peellaert het werk als "d’une rare beauté en sa simplicité grande. La douleureuse résignation qui plane sur ces deux actes, sobrement émouvants, n’est interrompue que par l’orage du milieu, dans l’orchestration duquel se retrouvent toutes les qualités d’instrumentation et d’inspiration de M. Gilson."

    Een Belgische première en een wereldcreatie op één week tijd. Dat waren nog eens tijden voor operaliefhebbers!

    7. Najaarsherdenking Robert Herberigs (1886-1974)

    Dertig jaar geleden - op 20 september 1974 - overleed in Oudenaarde de Gentse componist, dirigent en bariton Robert Herberigs. Niet alleen met zijn muziek, ook met zijn schrijfwerk en schilderijen deed Herberigs zich opmerken. Zijn carrière nam een vliegende start toen hij op 23-jarige leeftijd de Belgische Romeprijs won met de cantate De legende van Sint Hubertus. Drie jaar later schreef hij het uiterst succesvolle symfonische gedicht Cyrano de Bergerac voor solohoorn en orkest. Maar, oorlogsperikelen staken een stokje voor Herberigs' symfonische carrière: van 1920 tot 1945 zou hij zich daarom toeleggen op het schrijven van kerk- en kamermuziek. Met succes, want al klinkt er af en toe een impressionistische toets in Herberigs' schrijfstijl, zijn kamermuziekwerk getuigt vooral van veel persoonlijke vindingrijkheid en compositorische handigheid. Maar, Herberigs pakte vooral uit met liederen in de stijl van Debussy en Fauré, zoals bijvoorbeeld de in 1922-24 geschreven liedcyclus La Chanson d'Eve, één van z'n beste werken. Na de oorlog leidde hij van 1951 tot 1953 de Antwerpse Vlaamse Opera - waar hij in 1909 de titelrol creëerde van August de Boecks Reinaert de Vos - en legde hij zich weer toe op het schrijven van orkestrale werken. Méér over Robert Herberigs kon u lezen in onze nieuwsbrief van januari 2004.

    Ter nagedachtenis van Herberigs' dertigste stervensdag organiseert de Stichting Robert Herberigs enkele najaarsconcerten en een tentoonstelling met Herberigs' schilderwerk.

    Concerten

  • woensdag 20 oktober & vrijdag 22 oktober 2004 > 12u30 > Vlaamse Opera Antwerpen [20/10] & Gent [22/10] > kamermuziek Mozart & Herberigs > pianokwartet Coriolan
  • vrijdag 5 november 2004 > 20u30 > Egmontkasteel, Zottegem > liederen en kamermuziek Fauré & Herberigs > Luc Devos, Martine De Craene & Mark Lambrecht
  • woensdag 24 november & vrijdag 26 november 2004 > 12u30 > Vlaamse Opera Antwerpen [24/11] & Gent [26/11] > kamermuziek Franck & Herberigs > Wietse Beels & Nicolas Callot
  • vrijdag 19 november & vrijdag 26 november 2004 > 20u30 > Stadhuis Aalst [19/11] & Volkszaal Stadhuis Oudenaarde [26/11] > liederen Herberigs > Martine De Craene & Daniel Blumenthal
  • Tentoonstelling

  • van 5 november tot  11 november 2004 > Bibliotheekzaal Zottegem > schilderijen Herberigs 
  • 8. In memoriam Fernand Terby (1928-2004)
    door Jan Dewilde

    Op 30 september overleed dirigent Fernand Terby. Terby studeerde cello aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel waar hij eerste prijzen cello (1948) en kamermuziek (1950) behaalde. Bovendien won hij er in 1950 de Prijs H. Cutsem voor cello. Als cellist speelde hij recitals in binnen- en buitenland en daarnaast speelde hij tenorvedel in het ensemble Pro Musica Antiqua. Met tenor Louis Devos, luitist Michel Podolski en anderen maakte hij onder leiding van Safford Cape in 1953 opnames van werk van Francesco Landino en Jacopa da Bologna, een opname die door het prestigieuze label Archiv Produktion werd uitgebracht.

    In 1953 won hij de dirigentenwedstrijd van de Muntschouwburg, waarna hij in het Brusselse Alhambra-theater aan de slag kon. Daar dirigeerde hij vooral operettes en lichte muziek. Drie jaar later won hij ook het dirigentenconcours van de BRT en werd hij benoemd tot dirigent van het Omroeporkest. In 1963 werd hij dirigent van het Variété- en Festivalorkest van de omroep, drie jaar later werd hij eerste dirigent van de BRT en in 1978 werd hij de permanente chef-dirigent van het BRT-Filharmonisch Orkest. Met de omroeporkesten bewees Terby zijn vakmanschap en zijn veelzijdigheid. Zijn repertoire was bijzonder groot én gevarieerd, van lichte muziek tot creaties van nieuwe muziek. Bovendien heeft hij als geen ander radio- en tv-opnames van Vlaamse muziek gemaakt. Dankzij het platenlabel Phaedra werden een aantal van die registraties op cd uitgebracht. Het betreft onder andere opnamen van werk van Frits Celis, Marc Matthijs, Lodewijk Mortelmans, Ernest Van der Eyken en Jef Van Hoof. Van 1972 tot 1980 was Terby docent orkestdirectie aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen. 

    9. Hopeloze liefde en diepe wanhoop : de Sept mélodies van August De Boeck op cd gezet 
    door Jan Dewilde

    Zopas verscheen de nu al veertigste aflevering van de reeks In Flanders' Fields van het Phaedra-label. Naast Wagners Wesendoncklieder en de liedcyclus Songs by the Sea van de Zweed Gösta Nystroem laat de cd ook de Sept mélodies van August De Boeck (1865-1937) horen. Het gaat om zeven liederen die De Boeck tussen 1911 en 1915 componeerde op Franstalige gedichten van Jeanne Cuisinier (1890-1964). Cuisinier bracht haar jeugd in Brussel door waar ze rond haar twintigste een reeks gedichten schreef waarin ze een hopeloze liefde van zich af schrijft. Niettegenstaande de onmiskenbare kwaliteiten van haar poëzie werd Cuisinier vooral bekend voor haar werk als etnologe in Indochina en Indonesië. Ze publiceerde onder andere Lettres de Raden Adjeng Kartini. Jawa en 1900, een boek dat in 1960 met de steun van de UNESCO werd uitgegeven.

    De eerste vijf liederen van De Boecks liedcyclus werden in 1913 door Georges Oertel in Brussel gepubliceerd. In het najaar van 1915 voegde de componist er nog twee liederen aan toe, maar die bleven ongepubliceerd. De prachtige liederen worden uitstekend gediend door de crèmige sopraan van de Zweedse topsopraan Nina Stemme en het subtiele pianospel van Jozef De Beenhouwer. Eerder nam De Beenhouwer samen met de Nederlander Marien van Staalen ook De Boekcs cellosonate voor Phaedra op. In het tekstboekje bij deze cd schrijft De Beenhouwer dat Maurice Ravel tijdens een bezoek aan de Brusselse uitgever Vriamont zijn grote appreciatie voor de liederen van De Boeck uitsprak. Na het beluisteren van deze cd klinkt dat zeer geloofwaardig.

    Opname

  • Phaedra In Flanders' Fields vol.40 > DDD-92040 > muziek van Richard Wagner, Gösta Nystroem & August de Boeck > Nina Stemme, sopraan & Jozef De Beenhouwer, piano
  • 10. Concerttip : Herman Roelstraetes Passie volgens Rubens 

    In het kader van het Rubensjaar dirigeert Jan Schrooten op 3 november de Passie volgens Rubens van Herman Roelstraete (1925-1985). Roelstraete componeerde zijn opus 121 in het Rubensjaar 1977 op tekst van priester-dichter Anton Van Wilderode. Uitvoerders van dit zeer geslaagde oratorium zijn Véronique Van Hees, het ad hoc-koor Cantores Antverpienses en een instrumentaal ensemble. Naast Roelstraetes werk staat ook nog werk van Bach, Durante, Monteverdi en Rosselli op het programma.

    11. Last call! : Vlaams erfgoed in Mechelen 

    Wie het nog niet weet, heeft onze vorige nieuwsbrieven niet goed gelezen. Wie het wel weet, herinneren we er nog eens voor de laatste keer aan: de Mechelse editie van het Festival van Vlaanderen brengt een drietal uiterst interessante concerten waarin het Vlaams muzikaal erfgoed centraal staat. Een uniek programma, dus. Op vrijdag 8 oktober bijt de Beethoven Academie de spits af met muziek van Felix Mendelssohn naast de concertante symfonieën van Charles-Louis Hanssens en een Bach-orkestratie van François-Auguste Gevaert. Op zaterdag 9 en zondag 10 oktober herontdekken pianist Levente Kende en tenor Zeger Vandersteene de liederen en pianomuziek van Henri Waelput, Adolphe Samuel, Jules Toussaint de Sutter en Robert Herberigs. En op donderdag 14 oktober ontvangt het Festival het Spiegel Strijkkwartet samen met Jan Michiels. Zij laten horen dat het klavierkwartet en -kwintet van de Vlaamse componist Jules Toussaint de Sutter moeiteloos de kwaliteit van Brahms’ klavierkwintet kunnen evenaren.

    Meer weten?

  • www.festivalmechelen.be
  • 015 / 26 23 41
  • Concerten

  • 8 oktober 2004 - 20u30 > Oude Stadsfeestzaal > Beethoven Academie o.l.v. Ivan Meylemans > Werken van Gevaert, Hanssens & Mendelssohn
  • 9 oktober 2004 - 20u30 > Kunstencentrum nOna > Zeger Vandersteene & Levente Kende > Liederen van Waelput, Samuel, Toussaint de Sutter & Herberigs
  • 14 oktober 2004 - 20u30 > Koninklijke Manufactuur De Wit > Spiegel Strijkkwartet & Jan Michiels > Kamermuziek van Toussaint de Sutter & Brahms
  • 12. Bezield maar niet vervlogen : requiemconcert Chorale Caecilia 

    Op vrijdag 5 november concerteert de Koninklijke Chorale Caecilia in de Sint Theresiakerk te Berchem. Het koor verzorgt er - naar jaarlijkse gewoonte - een requiemconcert. Dit jaar werd er gekozen voor het bekende Requiem van de Franse componist-organist Maurice Duruflé (1902-1986). Maar, ook andere muziek staat op het programma. Zo voert de Chorale eveneens de psalm Laetatus Sum uit van Jules Van Nuffel (1883-1953) - in onze vorige nieuwsbrief kon u al iets lezen over de psalmen van deze componerende kannunik -, alsook het succesvolle Stabat Mater van het Duitse multi-talent Joseph Rheinberger (1839-1901).

    Naast de Chorale treden ook Gerda Lombaerts (mezzo), Johan Uytterschaut (bariton), Mart Cayers (cello) en Peter Van de Velde (orgel) op als solisten. Dirigent Paul Dinneweth staat in voor de algemene leiding.

    Concert

  • vrijdag 5 november 2004 > 20u00 > Sint-Theresiakerk > Grote steenweg - Berchem
  • Kaarten > 12€ [VVK] & 14€ [kassa]
  • info & voorverkoop > 03 / 231 72 52 of info@choralecaecilia.be
  • 13. Historische tekst : Bij het veertigjarig bestaan van de Koninklijke Chorale Caecilia van Antwerpen
    door Irène Bogaert

    Zoals u kan lezen in deze nieuwsbrief concerteert de Chorale Caecilia nog steeds. Deze Antwerpse koorvereniging bloeide onder leiding van Lodewijk De Vocht en was in de jaren '30 & '40 een graag geziene gast op diverse (inter)nationale podia. Maar, hoe zat het nu weer met de roemvolle geschiedenis van de Chorale? Onderstaande huldetekst van pianiste en musicologe Irène Bogaert (1906-1985) heeft naast de obligate lofbetuigingen gelukkig ook wat meer te vertellen...

    "Veertig jaar Chorale Caecilia, waarbij de stichter en bezieler Lodewijk de Vocht ononderbroken aan de leiding heeft gestaan: het is een jubileum dat - ook voor zijn culturele betekenis - doet denken aan Sir Henry Wood en zijn Promenade Concerts te Londen." [1] Zo schreef E.H. Prof. Dr. René Lenaerts naar aanleiding van het jubelconcert van 27 februari 1956, door de Caecilia gewijd aan werken van Lod. de Vocht, en de gebeurtenis was inderdaad merkwaardig genoeg om in een gezamenlijke hulde het koor en zijn leider te betrekken - deze twee die niet te scheiden zijn.

    Als ge de Vocht aan het werk ziet met een stemmengroep, en hem op enkele minuten soms het wonder ziet voltrekken een logge, onexpressieve massa te boetseren tot een muzikale vorm, die niet alleen 'àf' is, doch levend en bezield, dan weet ge dat die man, die tovert met stemmen, een koor móest vinden, waar het ook vandaan zou komen.
    Het kwam tot hem in de vorm van een beperkt dameskoor, destijds door Constance Teichmann tot liefdadige doeleinden opgericht, en op dat ogenblik - 1915 - zonder leiding. De Vocht, sinds een paar jaar kapelmeester van de Cathedraal, aanvaardde de directie van de groep; kort daarna echter hervomde hij deze tot een gemengd koor, dat hem onbegrensde mogelijkheden zou bieden.
    De Chorale Caecilia - zo werd ze gedoopt - haalde haar eerste, strenge scholing bij de vocale polifonisten. Er werd hard en geestdriftig gewerkt, hoewel de activiteit naar buiten uit zich aanvankelijk beperkte tot a-capella concerten in meer besloten kring ten bate van de oorlogsslachtoffers. 1920 bracht een beslissende gebeurtenis voor het jonge koor. De stad Antwerpen herdacht het vierde eeuwfeest van de geboorte van Christoffel Plantijn, de aartsdrukker. Grootse plechtigheden werden ingericht; de Caecilia zou o.m. een concert van XVIe eeuwse polyfonie geven op de historische binnenplaats van het Plantijn-huis. Deze uitvoering werd een revelatie. Op dat ogenblik was het met de koorzang niet schitterend gesteld; een dergelijk niveau van sonore schoonheid, van koortucht en van uitbeeldingsmogelijkheden was te Antwerpen nimmer bereikt. Onmiddellijk daarop trad de Caecilia opnieuw op het voorplan tijdens het festival, door de stad Antwerpen ingericht in 1920-21, bij de 150e verjaring van de geboorte van Beethoven. De leiding ervan werd toevertrouwd aan Lod. de Vocht, die er o.m. de reeks symfonieën en de Missa Solemnis uitvoerde. De Chorale, bekoorlijk virtuoos in de a-capella koorkunst, imponeerde thans door haar dramatische grootsheid en overweldigende, stuwende lyriek in de finale van de Negende en in de Mis.

    Ze had haar sporen verdiend: een ongemeen actieve carrière begon voor haar, parallel lopend met die van haar stichter-dirigent. Dat de leiding van de toonaangevende concerten van de Maatschappij van de Nieuwe Concerten en van de Koninklijke Harmonie bij de Vocht berustte van 1921 af tot 1935, betekende voor de Caecilia een benijdenswaardig arbeidsveld. Daar kon in de beste omstandigheden en in volle vrijheid worden gewerkt, dank zij een mecenaat, ruim begrepen en beoefend, zoals dit nu niet meer denkbaar is.

    Een uitgebreid repertorium werd ingestudeerd en gedurig aangevuld; een groot aandeel ervan werd voorbehouden aan de nieuwste koorscheppingen. Het was gedurfd in die jaren een Psalmensymfonie van Stravinsky aan te vatten, werken als Judith, Le Roi David en Cris du Monde van Honegger, de Psalmus Hungaricus van Kodaly, Evocation en Psalm LXXX van Roussel, Le Miroir de Jésus van Caplet, en het meest van al, de aartsmoeilijke Orestie van Milhaud, waarvoor de componist in Parijs geen koor vond. De wereldcreatie had dus plaats dank zij de Chorale Caecilia; het succes was zódanig dat de Antwerpse uitvoerders, leider, koor en orkest, naar Parijs togen en er, met het monumentale werk van Milhaud, een laaiende geestdrift verwekten.

    Intussen gaf de Caecilia in 1923 haar eerste uitvoering van de Mattheuspassion van J.S. Bach en zou deze voortaan jaarlijks hernemen op Paaszaterdag, een traditie die een unicum in België bleef tot na de tweede wereldoorlog. Een bijzondere voorliefde voor het oeuvre van Bach bracht ook de Johannespassion, de H-moll Messe, het Magnificat, het Kerstoratorium en verscheidene cantates op het repertorium. Dit was de stoot tot een echte Bach-cultus te Antwerpen. In enkele jaren tijd werden overigens de grootste meesterwerken op gebied van koormuziek doorgewerkt. De polyfonisten bleven, van uit technisch en esthetisch standpunt gezien, een niet te vervangen leerschool waar gedurig werd naar teruggegrepen. (...)

    Natuurlijk zou de Chorale de Vocht ook inspireren tot het scheppen van koorwerken, waarin hij naar hartelust dit machtig instrument met zijn vele mogelijkheden kon bespelen. Bij het beluisteren van zijn koorstudie o.m., doch vooral van zijn beide koorsymfonieën: de Lentesymfonie (1919), op tekst van Jozef De Voght, enkel voor stemmen gecomponeerd, en zijn Symfonie voor koor en orkest (1932) stelt men vast hoe de componist alle effecten van de meest verbazende koorvirtuositeit heeft benut ten dienste van de poëtische uitbeelding.

    De glansperiode van de Nieuwe Concerten te Antwerpen, in 1935 door grondig gewijzigde omstandigheden afgesloten, wordt onmiddellijk gevolgd door een niet minder actieve en succesvolle: die van de Conservatoriumconcerten, waarvan de Vocht leider was van hun stichting af, in 1935, tot in 1953. Weer staat de Caecilia paraat en verleent er in ruime mate en gans belangloos haar medewerking aan in de uitvoering van grote klassieke en hedendaagse oratoria.

    Deze regelmatige activiteit in het kader van de bestaande Antwerpse concertverenigingen is echter lang niet de enige waartoe de Caecilia zich beperkt. Zelf richt ze, naast haar jaarlijkse Mattheuspassion nog concerten in van a-capella muziek; merkwaardige culturele gebeurtenissen worden door haar uitvoeringen opgeluisterd: de Benoit-herdenkingen van 1934 en 1951, de wereldtentoonstellingen te Antwerpen in 1930 en te Brussel in 1935 en vele officiële plechtigheden waaraan een artistiek cachet diende gegeven. Sinds 1933 kwam het tot een regelmatige medewerking aan de grote symfonische concerten van de Société Philharmonique te Brussel met twee of meer grote oratorio's per seizoen, telkens in twee of drie uitvoeringen. In 1943 werd de krachttoer verwezenlijkt, op één week tijds de Mattheus- en de Johannespassion en de H-moll Messe te Brussel en te Antwerpen te geven. Ondanks de onvergetelijke triomfen, door de Caecilia in het Paleis voor Schone Kunsten behaald, zou deze medewerking gaan tanen rond 1950, om weldra geheel op te houden, ten gevolge van de strekking van de inrichters meer en meer vreemde elementen op het voorplan te brengen. Nog op het nationale plan zijn de talrijke concerten te vermelden te Gent, Luik, Namen, Beloeil, Hasselt en andere provinciesteden, de radio-uitzendingen en concerten voor volksopleiding.

    Van 1928 af kreeg de Chorale een internationale faam door concerten te Parijs met het Requiem van Mozart, de Mattheuspassion van Bach en de creatie aldaar van Milhaud's Orestie. Een nieuw optreden in het kader van de wereldtentoonstelling van Parijs in 1937 verwierf haar de hoogste onderscheiding, ex-aequo met het orkest van de Berlijnse Philharmonie onder de leiding van Furtwängler. Nog in 1937 werd een succesrijk concert gegeven te Aken.

    In 1946 en 1947 gingen verscheidene concerten door in Nederland en nogmaals te Parijs, onder de auspiciën van de Belgische, Nederlandse en Franse regeringen, met de uitvoering van Jeanne d'Arc au Bûcher van Paul Claudel en Arthur Honegger. Deze was, als Belgische creatie, door Lod. de Vocht met de Chorale Caecilia ondernomen in 1940, kort vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog. De beide auteurs waren er aanwezig en getuigden spontaan, eerst te Antwerpen de revelatie van hun eigen werk te hebben gekregen. Ze verkozen dan ook zonder aarzelen deze vertolking, om in 1941 op fonoplaat te worden vastgelegd. De hernemingen van dit werk na de oorlog, te Parijs in aanwezigheid van H.M. Koningin Elisabeth, te Amsterdam in het Concertgebouw en in verscheidene Hollandse steden, wekten stormen van geestdrift, waaraan de herinnering bij onze Noorderburen nog levendig blijft.

    Sinds 1953 richt de Chorale Caecilia zelf concerten in te Antwerpen, waarbij voortdurend het streven blijkt naar technische volmaaktheid, verdieping in de vertolking en absolute koortucht. Het jubelseizoen 1955-1956, met vier grote concerten met orkest, werd enthousiast meegevierd door een trouw en warmvoelend publiek; het culmineerde in het de Vocht-concert van 27 februari 1956 en in de heugelijke uitvoering, op 30 april, van de H-moll Messe van Bach, in aanwezigheid van Z.M. Koning Boudewijn.

    De geschiedenis van de Caecilia - sinds 1951 Koninklijke Chorale Caecilia - is een roemvolle bladzijde in deze van onze nationale muziek en van onze cultuur zonder meer. Wat deze groep liefhebbers nu méér dan veertig jaar lang tot stand bracht, grenst aan het ongelooflijke, vooral gezien de betrekkelijk schaarse werkstonden. Normaal wordt er alleen de donderdagavond gestudeerd van acht tot tien uur. Slechts een paar weken vóór een uitvoering wordt één bijkomstige herhaling opgelegd. Dit betekent dat de grootste concentratie wordt geëist, maar de Vocht verstaat het meesterlijk deze van zijn koorleden te verkrijgen. Al het werk, van de eerste lezing af, wordt door hemzelf geleid; dictie, klankkleur, ritme, sonoriteit worden geschaafd met een meedogenloze strengheid, doch in 'de Vochtstijl', dit is op een ongemeen boeiende, levende manier, aan de hand van plastische vergelijkingen, die vaak wonderen verrichten.
    De gehechtheid van de Caecilianen aan koor en leider is spreekwoordelijk geworden. Natuurlijk kwamen in de loop der jaren gedurig nieuwe elementen de rangen aanvullen, doch er zijn nog steeds enkele medestichters in het koor aanwezig. De feiten zijn veelzeggend en alleen mogelijk dank zij de meeslepende persoonlijkheid van de dirigent, zijn uitzonderlijke intuïtie op vokaal gebied en de sfeer van onverwoestbaar idealisme waarin samen wordt gebouwd aan een heerlijk cultuurwerk. We citeren nogmaals Prof. Dr. R. Lenaerts, waar hij over de Vocht schrijft: "Zijn vertolking is één meerukkende belijdenis dat het kunstwerk levenswaarde en levensadel betekent, en lang geen overtollige weelde, in deze tijd." [2]

    Daardoor kreeg de Chorale Caecilia haar eigen cachet. Er werd méér beoogd dan het muzikaal schone, dat er overigens rijkelijk aanwezig is; iedere vertolking moest levensopenbaring worden, niet de dilettant behagen, doch de 'mens' beroeren. Figuren als Milhaud, Claudel, Honegger en de grootste solisten, die met de Caecilia optraden, is dat naar het hart gegaan, en ze hebben er hun grenzeloze bewondering over gezegd en geschreven. Tot slot deze Nederlandse getuigenis, des te meer betekenisvol daar ze stamt uit een land waar zoveel uitstekende koren bloeien: "Wij zijn op onze zuiderburen afgunstig om een koor als Caecilia. Technisch en geestelijk van ongekend formaat; gedisciplineerd als geen Nederlands ensemble van Delfzijl tot Terneuzen, en toch levend en bezield. Een heuglijke triomf waar ook Antwerpen fier op mag zijn!" [3]

    Noten
    [1]  Muls, J.: 1916-1956, in: Programmabrochure van de Chorale Caecilia, Antwerpen, 27 februari 1956.
    [2]  Muls, J.: Lodewijk de Vocht en de Chorale Caecilia in het muziekleven te Antwerpen, Leuven, 1958.
    [3]  Anoniem, in: Het Binnenhof, Den Haag, 5 juli 1948. (naar aanleiding van een uitvoering van Jeanne d'Arc au Bûcher in het kader van het Hollands festival, in de Kurzaal te Scheveningen.

    Bron
    Bogaert, I.: Bij het veertigjarig bestaan van de Koninklijke Chorale Caecilia van Antwerpen. Uittreksel uit het jaarboek 1959 - Vereninging voor Muziekgescheidenis, Antwerpen, 1959, p.114-118.