ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 49 - september 2006

1. Historische tekst : Emile Wambach over de wereldcreatie van Jan Blockx' Herbergprinses
door Jan Dewilde

Op 10 oktober 1896 vond in de Vlaamse Opera in Antwerpen de wereldcreatie plaats van Jan Blockx’ veristische opera Herbergprinses. Het zou Blockx’ meest succesvolle opera worden. Dat was mee te danken aan de Parijse muziekuitgever Heugel die op aanraden van de Brusselse kunstcriticus Lucien Solvay een opvoering in Antwerpen bijwoonde en meteen besliste het werk te publiceren. Mede dankzij Heugel werd Herbergprinses in vele belangrijke operahuizen opgevoerd. Wat men in Blockx’ thuishaven Antwerpen dacht over Herbergprinses kan u hieronder lezen. Het is het oordeel van Blockx’ collega Emile Wambach, verschenen in Le guide musical van 25 oktober 1896. Het was meteen Wambachs vuurdoop als recensent van dit belangrijke muziektijdschrift. Op het einde van zijn stuk brengt hij hulde aan zijn voorganger, de componist Arthur Wilford.

'Au Théâtre-Flamand, le gros événement a été la première représentation de Herbergprinces de MM. Blockx et Detière. Le compositeur, est dit-on, enchanté de son livret; le librettiste n’est pas moins satisfait de son musicien. Heureuse entente! Accord parfait! Il y a gros à parier que M. Blockx avait demandé à M. Detière [librettist Nestor De Tière] la scène du carnaval, qui ne gâte rien du reste, et lui a fourni ainsi le moyen de demeurer dans la gamme qui lui est chère, de renouveler les pages populaires du Kermisdag et de Milenka.
Quant à la pièce, elle n’est pas pour y mener les petites filles. Les auteurs ne se sont préoccupés que de créer un drame réaliste où toutes les passions, tous les sentiments humains seraient mis en oeuvre et qui offrirait de vigoureux contrastes entre les différentes scènes, courtes et vivantes ; il y a même quelques mots un peu crus. L’héroïne est une Carmen qui fait beaucoup de mal à tous ceux qui l’approchent. Merlyn devient un vaurien. Babo se fait meurtrier, et l’action se déroule dans un milieu qui n’est pas des plus nobles. Réalisme, soit. Mais on se demande s’il ne serait préférable pour nos jeunes auteurs de s’inspirer de sujets plus poétiques, tirés de nos légendes, qui sont assez belles et assez nombreuses pour alimenter largement leur imagination.
Quant à la partition, M. Blockx y a dépensé tout le fonds de son savoir faire. Il y a même un dessous assez amusant. Parmi les Flamands et flamingants du cru, on répétait depuis longtemps que M. Blockx avait une revanche à prendre, son Maître Martin n’ayant été qu’un demi-succès au théâtre de la Monnaie ; on ne pouvait pardonner à un Anversois d’avoir écrit une partition sur un texte français et, circonstance aggravante, pour une scène bruxelloise. Nous en sommes encore ici à ces rivalités de clocher. Enfin, la revanche est prise, et haut la main, Anvers respire !
L’œuvre musicale est du reste remarquable à plus d’un titre. L’auteur procède à la manière de Wagner, on sent bien que Tristan ne lui est pas inconnu ; il ne pourra non plus renier son maître Peter Benoit ; certains effets d’orchestre font songer à la Charlotte Corday de celui-ci. Quant au carillon, il devrait être placé au fond du théâtre ; tel qu’il est là, il étouffe une foule de jolies choses, surtout au finale du second acte, où plusieurs thèmes sont en présence. Ce finale est de toute beauté, la mise en scène est bien réglée. Il y a du progrès au Théâtre-Flamand, car toutes les oeuvres nationales n’ont pas toujours eu les mêmes soins. Nous nous demandons pourquoi l’auteur n’a pas traité l’aubade du premier acte dans le style de l’époque ? C’eût été un bon contraste. La mélodie qui caractérise Rita, est d’une perversité endiablée. En revanche, les scènes de la mère sont très dignes ; les cuivres appuient avec solennité ses paroles graves. Une bien belle chose encore : la ballade que chante Rheinilde, et qui se termine par un sanglot. L’effet est très impressionnant, intense.
A remarquer aussi le prélude du troisième acte, qui synthétise toute l’oeuvre. Ce troisième acte est prestement enlevé ; trois, quatre scènes violentes se suivent : d’abord l’imprécation de Rabo, puis la mère de Merlyn venant dans le lupanar, chercher son fils ; la rixe où Rabo tue Merlyn, l’anathème du peuple flétrissant Rita, la mort de Merlyn, tout cela est dramatique et la musique rend avec justesse et force d’accent la véhémence de ces scènes.
La partie comique ou grotesque est représentée par un certain Bluty, qui du premier acte jusqu’à la fin de l’ouvrage ne cesse pas d’être dans les vignes du Seigneur. Les ivrognes sont bien un peu nombreux et c’est un des bas côtés du poème. Mais n’oublions pas que nous sommes au pays des ripailles. Le succès de Herbergprinces, en somme, a été considérable, et il se maintient. Me sera-t-il permis d’en reporter une partie à Peter Benoit, qui fut le maître et l’initiateur de Jan Blockx ?
Sans lui, le mouvement national, déjà si vivant, n’aurait jamais existé. Si nous subissons encore quelques influences, auxquelles il est difficile de se soustraire, nous parviendrons bien avec de la volonté et de l’énergie, à affirmer notre personnalité.
Avant de terminer cette première lettre, il me reste à rendre hommage à celui à qui je succède ici, mon ami Arthur Wilford, le fondateur des concert populaires ; par la courtoisie, l’honnêteté artistique et la tact de parfait gentilhomme qui distinguaient ses correspondances anversoises au Guide Musicale, depuis plusieurs années, il s’était assuré une autorité très redoutée. Puissions-nous continuer ces excellentes traditions ! C’est là notre désir le plus ardent.'

2. Geknoopte oren : de Tweede symfonie van Arthur Meulemans (1884-1966)
door Tom Janssens

In de rubriek Geknoopte oren zetten we elke maand een ander, interessant werk van een Vlaams componist in de kijker. We letten erop werken te kiezen die niet alleen de moeite waard zijn om te beluisteren, maar die u ook op cd terug kunt vinden. Deze maand is het de beurt aan de Tweede symfonie van Arthur Meulemans (1884-1966).

Symfonieën. De ene componist verspilt er een half leven aan, de andere kan er maar niet genoeg van krijgen. Neem nu Arthur Meulemans: Vlaanderens meest productieve orkestcomponist pende er liefst vijftien bij elkaar. Dat is uiteraard nog een flink stuk minder dan de meer dan veertig concerto’s die hij uit zijn onvermoeibare dirigeerpols schudde, maar op z’n minst toch ook een respectabel aantal. Overigens was Meulemans op elk vlak een veelschrijver en wist hij gelukkig genoeg de kwaliteit van zijn muzikale oeuvre op peil te houden. Een derde van zijn ongeveer 350 nummers tellende oeuvre schreef Meulemans voor orkest. Een 'beroepsmisvorming', zeg maar: Meulemans had in de periode 1930-1942 immers de leiding over het groot symfonisch orkest van het NIR, de toenmalige nationale radio-omroep van België. In die hoedanigheid had hij de kans om een flink deel van zijn orkestrale inventies onmiddellijk uit te testen op 'zijn' orkest. Nochtans was Meulemans geen orkestmusicus: op zestienjarige leeftijd trok hij naar het Mechelse Lemmensinstituut, waar hij studeerde bij Oscar Depuydt (orgel) en bij directeur Edgar Tinel, die hem onderwees in contrapunt, orgel en compositie. Het was Aloys Desmet die hem de ogen opende en hem de nieuwste orkestwerken van Debussy, Strauss en Mahler leerde ontdekken. Met veel enthousiasme bestudeerde de jonge Meulemans deze nieuwsoortige, in Vlaanderen nog relatief onbekende composities. Dat Meulemans bijgevolg evolueerde van een ascetisch, religieus geïnspireerd romanticisme à la Tinel naar een soort impressionistische en schilderachtige stilistiek, mag dus niet verbazen. Pas in de jaren 1930, toen hij aan het hoofd stond van het NIR-orkest, zou Meulemans – die inmiddels kon bogen op enige faam dankzij succesvolle composities als Meinacht en Pliniusfontein – de impressionistische aanpak inruilen voor een meer zwierige en robuuste schrijfstijl. Al behield hij wel zijn voorkeur voor programmatische, aan buitenmuzikale onderwerpen gerelateerde (onder)titels.

Meulemans’ Tweede symfonie staat aan het begin van ’s mans imposante orkestcarrière en is één van de weinige symfonieën die het moet stellen zonder programma of inhoud. Geschreven in 1933 is het een van de eerste werken die wijzen op Meulemans’ veranderende symfonische stijl: het vertoont alle gebreken van een overgangswerk en is bijwijlen een glasheldere illustratie van compositorische onzekerheid. Openen doet Meulelemans met een krachtig Largamente, waarvan de vier eerste akkoorden (eigenlijk twee akkoorden plus een getransponeerde echo daarvan) voor de hele beweging – en bij uitbreiding de hele symfonie – van doorslaggevend belang zijn. Onmiddellijk na de aanhef zetten de kopers een robuust signaal in, dat door het hele orkest gevolgd wordt. De Stravinskiaanse klanken zijn niet ver weg en de sfeervolle kleurtjes beloven alvast veel goeds. Een herneming van de eerste twee akkoorden wordt gebruikt om een zoekende cellomelodie in te zetten, die uiteindelijk voert naar een sprookjesachtige uithaal in de violen, heerlijk ondersteund door plukkende harpklanken en een harmonisch tapijt in de houtblazers. Het contrast met de ontwrichtende (en enigszins onbeholpen) aanhef kan haast niet groter zijn. Hier investeert Meulemans volop in sferige symfoniek, wat duidelijk wordt wanneer het geheel de hoogte in gezwierd wordt en – daartoe aangepord door enkele paukenritmes – een nieuwe bladzijde omslaat. Wat volgt, kan de hoge verwachtingen echter niet inlossen: een onnozele klarinetfiguur huppelt wat ter plekke en weet zo het hele orkest te bewegen in hopeloos onbenullig passagewerk vol concertanterende instrumentengroepen en toonladderachtige antwoordspelletjes. Toch zal dit wijsje de hoofdmelodie worden en wonderwel weet de componist verrassend veel potentieel uit deze figuur te puren. Meulemans kan zich herpakken wanneer hij de cello’s opnieuw inzet en enkele aan Sibelius herinnerend klankentapijten te voorschijn tovert. De verloren gewaande magische sfeertjes zijn plots terug en ook al laat Meulemans zich al te makkelijk verleiden tot frivole versieringen en gevarieerde herhalingen (met de obligate versieringen in de houtblazers), dit is orkestmuziek die werkt. Er is weliswaar een goede uitvoering voor nodig om de Mahleriaanse invloed in deze bedrieglijk luchthartige vrolijkheid optimaal naar boven te halen, maar het effect dat Meulemans beoogt, is hoorbaar aanwezig. Wanneer een variant van het kopmotief opnieuw opduikt, verzinkt het orkest in wat gemijmer en heeft Meulemans een smaakvol gevarieerde reprise van het thematische openingsmateriaal in petto. Ditmaal houdt hij het allemaal veel soberder, en spaart hij de krachtige orkesttutti’s voor de slotmaten, waarin hij jammerlijk genoeg nog enkele keren struikelt over de idioterie van zijn hoofdmelodie. Meulemans maakt veel goed met het sfeerrijke Adagio, waarin een verrassend etherische cellosolo de toon zet voor een contemplatief en harmonisch bijzonder onzeker klankentapijt. Houtblazers nemen het van de cello over en Meulemans voert vervolgens een erg instabiel schimmenspel op. Trillende figuren, heletoonstoonladders, in de verte roepende hoorns, golvende ritmes: aan alles voel je dat Meulemans het impressionisme ontgroeid is, maar het vooralsnog weigert los te laten. Dat levert naar het einde toe enkele vrij geslaagde klankvelden op, al is de eenheid in dit deel ver zoek en is het volstrekt onduidelijk waar Meulemans met dit deel naartoe wilde. Het genadeloos abrupte einde mag als illustratie van die onzekerheid gelden. Meer stabiliteit vertoont het aansluitende Scherzo (Allegro vivace), dat – hoewel weinig bijdetijds – Meulemans’ kwaliteiten als okestrator treffend illustreert. Halverwege alle springerige vrolijkheid weet hij toch iets meer diepgang te bereiken door onverwacht een parodie op het hoofdmateriaal van dit scherzo voor te schotelen. Het klankbeeld verwordt hier plots tot een scheefgezakt draagorgeltje en het folklorisme van voorheen krijgt zowaar een klein randje. Toch weet Meulemans deze aanpak niet vol te houden en herneemt hij veel te vlug en onbedachtzaam het openingsmateriaal. De aanhef van de korte finale, het Allegro brillante, is veelbelovend. Nerveus cirkelende figuren, trillende strijkers, aankondigende kopers, veel slagwerk en wat trek-en-duwwerk moeten het begin worden van een spetterende finale. Onbegrijpelijk genoeg weet Meulemans alle beloftes in de kiem te smoren door een zoutloze hoofdmelodie eraan vast te kleven en deze vervolgens te counteren met oeverloos oubollige musicalia. Je kan van Meulemans echter niet zeggen dat hij niet kan orkestreren, want ondanks alle banaliteiten die hier de revue passeren, weet hij de luisteraar volledig in te pakken met een weelderig en somptueus kleurenpallet. Muzikaal echter raakt het geheel kant noch wal: deze finale is een samenraapsel van allerhande nietszeggende snippers, verpakt in veel glitterpapier. Het oordeel is hard maar rechtvaardig: Meulemans’ Tweede symfonie is zonder meer een symfonisch fiasco, maar een meer dan waardevolle les in compositorisch luisteren.

Opname
Arthur Meulemans  > Tweede symfonie, samen met Pliniusfontein, Meinacht & Derde symfonie > Moscow Symphony Orchestra o.l.v. Frédéric Devreese > Naxos 8.554 121 DDD

3. Kamermuziek : Paul Gilson (1865-1942)

Voor strijkers

  • Strijkkwartet nr. 1 (1907)
  • Strijktrio (1915-1917) voor viool, altviool & cello 
  • Strijkkwartet nr. 2 Les Saisons (1918-1919)
  • Suite (1910-1935) voor 4 cello's
  • Elegie voor strijkkwintet
  • Voor strijkers & piano

  • Petite Suite (1907) voor viool & piano
  • Suite (1914-1916) voor cello & piano
  • Préliminaires (1922) 
              > 11 stukken voor viool met begeleiding van een tweede viool
                 en piano
  • Drie suites (1924-1926) voor 3 violen, cello & piano
  • Romance fantaisie voor viool & piano
  • Andante & Scherzo voor cello & piano
  • 19 Etudes voor cello & piano 
  • Cinq Préludes (1913-1914) voor cello & piano
  • Voor blazers & piano

  • Préludes romantiques (1933-1936) voor hobo & piano
  • Fanfaluca - scherzo voor fluit & piano (of orkest)
  • 4 Exercises (1930) voor trompet & piano
  • Morceau de concert voor trompet & piano (of orkest)
  • Cinq Préludes (1913-1914) voor hoorn & piano
  • Voor blazers

  • Quatuor sur des mélodies alsaciennes (1885) voor 2 trompetten & 2 trombones
  • Scherzino (1890) voor 3 trompetten en baritone
  • Prelude (1902) voor 4 fagotten
  • Suite (1895) voor 7 fluiten
  • Trio (1934) voor hobo, klarinet & fagot
  • Andante voor 3 trompetten & bastrompet
  • Varia

  • 3 Pièces d'orchestre
              > gereduceerd voor vierhandig piano
  • Dansen
              > gearrangeerd voor vierhandig piano
  • 4. Liedkunst op teksten van Gezelle : Alfons Mervillie (1856-1942)
    door Veerle Bosmans

    Naar aanleiding van het project ‘Muziek en Woord – Liedkunst op teksten van Guido Gezelle’ dat loopt in de bibliotheek van het Antwerpse conservatorium belichten we elke maand een Gezellecomponist. Dit keer is het de beurt aan Alfons Mervillie (Wontergem, 17.5.1856–Kortrijk, 4.4.1942).

    De West-Vlaamse componist Alfons Mervillie werd in 1856 geboren in een erg religieuze familie. Van zijn vijftien broers en zussen werden er vijf kloosterzuster, één broeder bij de Gentse Predikheren en één priester, net als Mervillie zelf. Zijn opleiding begon hij bij zijn oom Jan-Baptist, die hem ook de eerste beginselen van de muziek bijbracht. Later ging Mervillie naar het Klein Seminarie te Roeselare waar hij les kreeg van Hugo Verriest (retorika) en van Gezellecomponist Johan De Stoop (muziek). De Stoop erkende Mervillie’s muzikale talent en maakte hem tot zijn hulporganist en koorleider. Na zijn opleiding aan het Klein Seminarie volgde Mervillie een éénjarige cursus wijsbegeerte in Roeselare alvorens aan het Groot Seminarie van Brugge zijn theologische vorming te starten. In 1882 werd hij hier tot priester gewijd.

    Ondertussen was Mervillie al een tijdje aangesteld als leraar orgel en kerkzang aan de bisschoppelijke normaalschool van Torhout. Hier reorganiseerde Mervillie het muziekonderwijs op basis van de bevindingen van Jaak Lemmens. Onder zijn leerlingen vinden we Gezellecomponisten zoals Remi Ghesquiere en Arthur Verhoeven. In 1891 werd Mervillie onderpastoor te Dudzele, in 1895 wisselt hij deze betrekking voor dezelfde in Nieuwpoort en nog drie jaar later komt hij als onderpastoor terecht in Aartrijke. Hier is Mervillie de ziel en spil van de zangersgilde en richt hij de Sint Cecilia fanfare op. Muziek blijft dus een constante in zijn leven.
    In 1913 wordt Mervillie pastoor te Nieuwkapelle. In deze gemeente blijft hij ook, afgezien van een kort oponthoud tijdens de eerste wereldoorlog, aangesteld tot aan zijn pensioen in 1933. Na de oorlog krijgt Mervillie er zelfs nog twee parochies bij : Sint Jakobskapelle en Oude Kapelle.

    Mervillie was niet alleen werkzaam als pastoor, hij was ook dichter, publicist, componist en dirigent. Zo schreef hij in 1904 na verschillende Italië-reizen een omvangrijke, tweedelige studie over de toenmalige Paus Pius X, die werd vertaald in het Frans en Italiaans. Als dichter werd Mervillie vooral bekend met de vertaling van het gedicht Evangeline van Longfellow, waarvoor hij naar Engeland reisde om zich in het leven en het werk van Longfellow te verdiepen. Henry Longfellow was trouwens vrij populair bij Vlaamse dichters, want ook Guido Gezelle vertaalde één van zijn grote gedichten, namelijk The Song of Hiawatha. Mervillie’s dichttaal leunt trouwens dicht tegen deze van Gezelle aan zoals duidelijk te merken is in het gedicht Hemellawerke, dat opgedragen werd aan Gezelle en waarvan hier de eerste strofe wordt weergegeven :

    Hemellawerke,
    schudt uw vlerke
    scherpt uw voetje en zet uw ooge
    vóór uw varen
    laat uw longerkes
    macht vergaren
    tiere-lier-liert, en wikkelt omhooge
    Mijn hemellawerke

    Naast het schrijven van gedichten, componeerde Mervillie verschillende liederen, waarvan de bekendste zijn veertien Gezelleliederen zijn. Mervillie was trouwens één van de eerste componisten die gedichten van Guido Gezelle tot liederen verwerkte. Mervillie’s aanpak is vrij klassiek, elk van zijn liederen begint met een inleiding voor de piano en is strofisch gedacht. Voor zijn leerlingen schreef Mervillie twee compositiebundels voor orgel, met name 8 Fugen voor orgel met of zonder pedaal en 33 kleine en gemakkelijke orgelstukken zonder voetspel. Twee vierstemmige missen, 30 Latijnse motetten voor 2, 3 of 4 stemmen en verschillende orgelvariaties zijn ook van Mervillie’s hand. Soms vermengde Mervillie zijn dichtkunst met zijn muzikale ervaringen wat bijvoorbeeld resulteert in het gedicht O die Klanken ! geschreven bij het klavierspel van de te jong gestorven André Devaere (1890-1914): 

    O die klanken ! …
    hoe ze donderen met die vingers !
    het die machtige
    bliksemslingers

    Hoe ze worstelen uit de snaren !
    Slaan en schommelen
    lijk de baren !

    Hoe ze licht zijn, hoe ze draaien !
    ruischende mijnen
    geest deurwaaien !

    O die klanken !
    hoe ze nevel en zonne spinnen
    over ’t dobberen
    van mijn zinnen !

    Hoe ze naderend uit de verte,
    lachende dansen
    op mijn herte !

    Hoe ze griezelen ! en bij ’t zingen,
    trage en zwaar, hun
    leed uitwringen

    O die klanken !
    hoe ze wild zijn ! hoe ze joelen !
    en mijn hijgend ge-
    moed omwoelen !

    Hoe ze zacht hun bede fluisteren,
    binst dat God en
    d’engels luisteren

    ***

    Edele kunstenaar,
    g’hebt e stondeke van mijn leven
    diep bezield, en
    meêgedreven
    Op uw klanken !

    Later, en bij ’t laatste zwijgen,
    mocht ge naar de
    bronne stijgen
    van uw klanken !
    Kunstenaar ! …

    Gezellewerken van Alfons Mervillie

  • In Vlaanderen voor twee stemmen en piano
  • Boerke Naas voor twee stemmen en piano
  • Het schrijverke voor twee stemmen en piano
  • Gebed voor mannenkoor en piano
  • De wagen des tijds voor zang en piano
  • De Averulle en de blomme voor zang en piano
  • Excelsior voor zang en piano
  • Het meezennestje voor zang en piano
  • De vierbake des levens voor zang en piano
  • Tot de zonne voor zang en piano
  • Hoort voor zang en piano
  • Kruiske, kruiske, goed begin voor zang en piano
  • Tot de mane voor zang en piano
  • Aanroepinge voor zang en piano
  • 5. Een eeuw(igheid) geleden... : september 1906
    door Jan Dewilde

    Het tweewekelijkse tijdschrift Lucifer (Tijdschrift voor tooneel, letterkunde, muziek en beeldende kunsten van Noord en Zuid) meldt op 30 september 1906 dat zijn muziekrecensent, de Gentse componist Jozef van der Meulen zopas zijn opera Heer Halewijn op een libretto van René de Clercq heeft voltooid. Net zoals zijn vorige opera De Vlasgaard, zal dit nieuw werk worden gepubliceerd door Cranz, mét een Franse en Duitse vertaling. In het zelfde nummer geeft het tijdschrift ook de samenstelling van de troep van de Vlaamse Opera die onder dirigent Edward Keurvels op 2 oktober het nieuwe seizoen zal openen met Tannhaüser. Vier dagen later staat er al een wereldcreatie geprogrammeerd: Rijndwergen van August De Boeck op een libretto van Pol De Mont. Nog volgens het tijdschrift telde het opera-orkest toen 54 leden. Daarnaast was er ook een toneelorkest met 15 instrumentalisten.

    6. Agenda oktober 2006 
    door Jan Dewilde

  • 3 oktober 2006, 20.15 – Mechelen, Congres- en Erfgoedcentrum Lamot
    Programma:
    Frédéric Devreese - Vier korte walsen
    Claude Debussy - Strijkkwartet opus 10
    Frédéric Devreese - James Ensor Suite
    Frédéric Devreese - Compositieopdracht FvV-Mechelen
    Dimitri Sjostakovitsj - Strijkkwartet nr. 8 opus 110
    Uitvoerders: Spiegel Strijkkwartet
    Gratis inleiding door Tom Janssens om 19u15
    Dit concert kadert in de cyclus Vlaams Erfgoed van het Festival van Vlaanderen – Mechelen
    Reservatie: 070/222800
    Meer info : www.festival.be
  • 2 december 2006, 20.00 u. – Antwerpen, Koningin Elisabethzaal
    Programma: aria’s en ouvertures van o.a. Albert Grisar, François-Auguste Gevaert en Armand Limnander van Nieuwenhove (naast werk van hun Franse tijdgenoten Offenbach, Thomas, Meyerbeer, Delibes en Gounod).
    Uitvoerders: Hendrickje Van Kerkckhove en Wilfried Van Den Brande, het Philharmonisch Koor van Antwerpen en het Vlaams Radio Orkest o.l.v. Marc Soustrot.
    Dit concert staat onder de bescherming van koningin Paola en is een benefietconcert ten voordele van ‘De winnaars van Justine’.
    Reservatie: 0477/351039 – pierre.beniers@buildingsagency.be  
  • 7. Lof zonder grenzen : Le Ménestrel over Jan Blockx’ Herbergprinses
    door Jan Dewilde

    Ook in de buitenlandse pers werd de wereldcreatie van Herbergprinses van Jan Blockx opgemerkt. In het Parijse, muzikale zondagsblad Le Ménestrel van 18 oktober 1896 verscheen een lovende recensie, gesigneerd door L.S. Dat kan niemand anders dan de hierboven al vermelde Lucien Solvay zijn geweest. Zo toont L.S. zich goed geïnformeerd omtrent de nakende opvoering in de Muntschouwburg. Vermelden we nog dat Le Ménestrel werd uitgegeven door de muziekuitgever Heugel: dat had zijn invloed op de recensies van componisten die door Heugel werden gepubliceerd.

    'Le Théâtre-Lyrique flamand d’Anvers a représenté samedi dernier l’œuvre inédite de M. Jan Blockx, Herbergprincess (Princesse d’auberge), que je vous avais annoncée naguère. Ç’a été une véritable solennité, comme on n’en voit q’en pays flamand, avec discours, ovations, palmes et embrassades; l’enthousiasme des peuples du Midi n’a rien de comparable à l’enthousiasme anversois quand il s’y met. Je me hâte d’ajouter que le succès remporte par l’opéra de M. Jan Blockx a été largement mérité. Le livret de M. de Tière est des plus simples, même un peu naïf : il s’agit de l’éternel combat entre l’amour pur et l’amour vénal, entre le bien et le mal ; un jeune musicien, Merlin, abandonne sa fiancée pour une princesse de cabaret, rusée et fascinatrice ; la fiancée essaie en vain de reconquérir son amant, et le drame se termine par une scène de meurtre d’où il appert qu’en ce monde la vertu est rarement récompensée, mais le crime toujours puni. Sur je sujet, prêtant à des épisodes populaires et réalistes, plein de mouvement, et en somme très musical, le compositeur a écrit une partition franche d’allures, nourrie de thèmes originaux, et, avec cela, travaillée d’une façon intéressante, par l’emploi de 'thèmes' caractéristiques qui ajoutent à la couleur de l’œuvre sans l’alourdir cependant. Cela procède de Wagner, mais est bien personnel à l’auteur, reconnaissable dans son inspiration mélodique très abondante, sinon toujours très raffinée. On a dit de M. Jan Blockx que c’est le Teniers de la musique ; la comparaison est juste ; il a la corde populaire et il a fait vibrer avec habileté et avec éclat. Il y a notamment, au deuxième acte, une grande scène pittoresque de kermesse, avec carillon, danses et chants, d’une animation étourdissante. Il est à peu près certain que le public bruxellois sera convié à apprécier bientôt la Princesse d’auberge de MM. De Tière et Blockx, l’ouvrage étant dès à présent traduit en français et prêt à être représenté. (L.S.)'