ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 53 - januari 2007

1. Lof zonder grenzen : The New York Times over François-Auguste Gevaert
door Jan Dewilde

Op 20 december 1886 berichtte The New York Times over een concert van de Arion Society. Op dat concert werd orkestrale muziek (o.a. Mendelssohns Vioolconcerto door Oride Musin) gecombineerd met uitvoeringen door het mannenkoor van de Arion Society. Het koor zong ondermeer Griegs koor Landerkennung, maar het succesnummer was Les émigrés van François-Auguste Gevaert, zo berichtte de New Yorkse krant:

"The latter [de koren van Grieg en Gevaert] were by all odds the most grateful to listen to, but Gevaerts work proved a fine test of the executive powers and spirit of the singers, and the Männerchor responded to its demands in admirable style. Part of this number, which in itself impresses one as far-fetched and overwrought, had to be repeated amid general enthousiasm." 

2. Geknoopte oren : het Pianokwintet van Jan Blockx (1851-1912)
door Tom Janssens

In de rubriek Geknoopte oren zetten we elke maand een ander, interessant werk van een Vlaams componist in de kijker. We letten erop werken te kiezen die niet alleen de moeite waard zijn om te beluisteren, maar die u ook op cd terug kunt vinden. Deze maand is het de beurt aan het Pianokwintetvan Jan Blockx (1851-1912).

We zijn hem in deze rubriek totnogtoe uit de weg gegaan, maar feit is nu eenmaal dat het oeuvre van Jan Blockx maar mager vertegenwoordigd is op de cd-markt. Toegegeven, Blockx was nu eenmaal in de eerste plaats een homme de théâtre, en het is nog steeds moeilijker (lees: duurder) een van zijn prachtige operawerken op cd te stansen, dan een van zijn andere werken. Toch zitten er in zijn werklijst minder prijzige pareltjes, waaronder dit Pianokwintet, een van de weinige bijdragen van de Vlaamse romantiek tot dit genre. Blockx schreef zijn kwintet in 1886, toen hij al aangesteld was als docent harmonie aan de Vlaamsche Muziekschool van Peter Benoit, de inrichting waarvan hij zelf in 1901 directeur zou worden (dan onder de naam Koninklijk Vlaams Conservatorium). Blockx' Pianokwintet werd (met Arthur De Greef aan de piano) voor het eerst uitgevoerd met hulp van de Union des Jeunes Compositeurs in de zaal van de Brusselse Cercle Artistique. Een latere uitvoering van het kwintet in 1903 in Den Haag, deed de pers spreken over "groote klankvolumina, kernachtige wendingen, eene alles meevoerende krachtsuiting: een rijk en zijne werking nimmer missend opus." Eveneens meende pers (niet geheel onterecht) een voorbode van Blockx' operastijl in dit kamermuziekwerk te herkennen.

Blockx laat zijn Pianokwintet beginnen met een Allegretto pastorale, en laat daarbij de piano inzetten met het drienotige geraamte van zijn hoofdmelodie. Aan de start speelt de piano dit ongeharmoniseerde, kale drienotenmotief een aantal keer in ritmische varianten na elkaar, pas daarna is het de beurt aan de melodie zelf. Deze 'landelijke' melodie wordt vervolgens opgepikt door de strijkers die, met een discrete pianobegeleiding op de achtergrond, de melodie bovenwaarts tillen en zo het dramatische potentieel van het basismateriaal treffend illustreren. Blockx is wel zo slim om zijn hoofdmelodie in de staart te laten bijten, zodat de suggestie ontstaat van een graduele ontvouwing. Niets is minder waar: wanneer de piano het hoofdthema voor de eerste keer na de aanhef terug oppikt en het in arpeggio's voorstelt, is de melodie in de grond genomen nog steeds dezelfde, maar heeft ze sinds haar initiële, verarmde voorstelling aan het begin veel aan overtuigingskracht gewonnen. Via wat harmonisch stuurwerk voert de piano het hoofdthema richting neventhema, een heerlijk rapsodische en versnipperde melodie die eerst door de cello wordt voorgesteld, en daarna afgerond wordt door de viool. Wanneer een onrustige piano zich in het romantische gewoel drumt ontvouwt zich nog eens hetzelfde, zij het dat ditmaal de piano zich opwerpt als extra stem. Wat volgt is een polyfoon kunststukje dat misschien niet steeds even overtuigend is (Blockx verliest in dit stemmenweefsel duidelijk een paar keren de pedalen), maar niettemin het improvisatorische en gracieuze elan bereikt waar Blockx op uit is. Let vooral op de motivische vervlechting in deze passage, die reeds vooruitwijst naar de doorwerking. Blockx heeft aan een splinter uit de nevenmelodie genoeg om de illusie te scheppen een nieuw thema aan te dragen, maar schijn bedriegt: dit zijn de slotmaten, die schijnbaar argeloos uit het motivische gewoel gepuurd werden. Het effect mag er zijn: net wanneer je overtuigd bent een derde thema voorgeschoteld te krijgen, loodst Blockx je de doorwerking in. Deze begint uiteraard met een reminiscentie aan het hoofdthema, maar wordt gelijk gecounterd door het flinterdunne fragment dat de slotmaten typeerde en dat Blockx uit het neventhema jatte. Niets echter doet een motivische vervlechting vermoeden: Blockx het landelijke hoofdthema opgetooid met flarden uit het neventhema en lijkt zo een sierlijke variant op het basismateriaal voor te stellen. Dat verandert stellig wanneer de piano het voortouw neemt, en de strijkers verleidt tot een harmonische zoektocht, waarin ditmaal de piano het neventhema uitvlooit en de strijkers het hoofdthema plunderen. Opmerkelijk is het belang dat Blockx hecht aan de motivische versnippering en combinatie, zodat de reëxpositie van dit openingsdeel bestaat uit niet meer dan een variant op het hoofdthema, onmiddellijk gevolgd door het neventhema, met in de achtergrond een reprise van het hoofdthema. Door de reëxpositie als een verlengstuk van de doorwerking te beschouwen, door te eindigen in absolute onbeslistheid én door aan het slot nieuw, marsachtig materiaal voor te stellen, creëert Blockx een erg persoonlijke versie van de traditionele sonatestructuur.

Het aansluitende Andante cantabile opent opnieuw met de piano, die een spaarzaam begeleide melodie voorstelt, die opgepikt wordt door de strijkers en zo een harmonische body krijgt. Opnieuw toont Blockx zich van zijn meest ernstige kant, door niet voluit te gaan voor zangerigheid, maar een slimme variatiereeks op het openingsmateriaal voor te stellen. Daarbij laat hij de verschillende varianten gradueel voortkabbelen en weet hij voortdurend een dreigende ondertoon te bewaren, die dit deel ervan weerhoudt louter aantrekkelijke salonmuziek te zijn. Enkele fraaie dialogen tussen de strijkers illustreren bovendien Blockx' gave om twee onafhankelijke melodieën boven elkaar te plaatsen, en zo de indruk te geven dat ze elkaar aanvullen – een techniek die hij later in zijn opera's meermaals zal toepassen. Eveneens opmerkelijk is hoe Blockx erin slaagt om ergens omstreeks het midden te refereren aan de doorwerking van het openingsdeel, maar toch niet te verzanden in slimmigheidjes. Deze trage beweging heeft onmiskenbaar veel te danken aan Schumanns Pianokwintet, van dewelke het de elegische ondertoon en de slepende strijkers jatte, maar toch is het geheel opmerkelijk origineel. Dat wordt vooral duidelijk in het aansluitende Scherzo, dat opent met een haast jazzachtige canon, die de insteek vormt van een onderkoeld onderonsje tussen de verschillende stemmen. Dit is allerminst een 'luimig' scherzo, zoals sommige commentatoren – in navolging van Frank Blockx – beweren, maar veeleer een charmant, pretentieloos stukje salonmuziek, dat in dit Pianokwintet enigszins uit de toon valt. Nochtans had Blockx zulks makkelijk weten te vermijden, mits enkele kleine ingrepen. Zo verliest het stukje namelijk veel effect door het hoge, foute register waarmee Blockx de piano in dit scherzo siert, wat het geheel wat onbestemd laat klinken. Interessanter is dan weer het slotdeel, het Allegro con fuoco, dat opent met een bevreemdende melodie in de piano, die gelijk gecounterd wordt door een zangerige variant. Meteen wordt Blockx' voorliefde voor een onbestemde harmonische frasering duidelijk, vooral wanneer het tweede thema (een vragende figuur die onbeantwoord blijft) naar voren treedt, en door de piano op improvisatorische wijze verder gevoerd wordt. Opnieuw komt de Schumanneske canontechniek Blockx goed van pas in het verwerken van het materiaal. Blockx is er duidelijk de man niet naar die zijn materiaal gedachteloos herkauwt en een van de grootste verdiensten van dit deel (en van het Pianokwintet tout court) is dat hij zijn materiaal op steeds wisselende manieren voorstelt. Daarbij maakt hij effectief gebruik van de mogelijkheden en het dramatisch potentieel van deze kamermuzikale bezetting en weet hij het gevaar de piano als dominerend instrument op te voeren handig uit de weg te gaan. Het laatste deel verliest ergens halverwege weliswaar het 'vuur' waarover sprake, maar maakt zulks goed door een flinke dosis klankenweelde. Het grote 'probleem' van dit kwintet is ontegensprekelijk de hyperpersoonlijke, haast experimentele toets van Blockx' taal, die smeekt om een uitgesproken groteske en retorisch gulle benadering van een enthousiast en gedreven ensemble, dat – om de perskritiek van 1903 te parafraseren – in "alles meevoerende krachtsuiting" niets tekort schoot.

Opname
Jan Blockx - Pianokwintet - Ensor Strijkkwartet en Jozef De Beenhouwer, piano - Phaedra - In Flanders' Fields vol. 16 - DDD 92016 - op deze cd staat eveneens het Tweede strijkkwartet van Marinus De Jong 

3. Kamermuziek : Karel Albert (1901-1987)

Voor strijkkwartet

  • Strijkkwartet nr. 1
  • Strijkkwartet nr. 2
  • Voor strijkers & piano

  • Werkstuk voor altviool & piano
  • Voor strijkers & blazers

  • Kwintet voor fluit, hobo, viool, altviool & cello
  • Werkstuk voor altviool & blaaskwintet
  • Voor blazers & piano

  • Serenade voor hobo & piano
  • Voor blazers

  • Trio voor hobo, klarinet & fagot
  • Kwartet voor vier saxofoons
  • Kwintet voor vier koperblazers
  • Kwintet voor fluit, hobo, klarinet, hoorn & fagot
  • Kwartet voor vier koperblazers
  • Varia

  • Sonate voor den huiskring voor piano quatre mains
  • 4. Liedkunst op teksten van Gezelle : Alfons Bervoets (1907-1987)
    door Veerle Bosmans

    Gezellestudiedag 
    In het kader van het project Muziek en Woord – Liedkunst op teksten van Guido Gezelle organiseren de Hogeschool Antwerpen en de Universiteit Antwerpen op op woensdag 28 maart om 14u30 een heuse Gezellestudiedag in de Koninklijke Academie voor Taal en Letteren te Gent. Lezingen van Vic Nees en Gezellespecialist Piet Couttenier wisselen af met liedrecitals van studenten en docenten van het Conservatorium Antwerpen. Een van de hoogtepunten van deze namiddag wordt alvast de uitvoering van het Gezellelied Ich wandelt' van Ernst Křenek door mezzosopraan Lucienne Van Deyck en pianist Jozef De Beenhouwer. 

    Naar aanleiding van het project 'Muziek en Woord – Liedkunst op teksten van Guido Gezelle' dat loopt in de bibliotheek van het Antwerpse conservatorium belichten we elke maand een Gezellecomponist. Dit keer is het de beurt aan Alfons Bervoets (Borgerhout, 13 januari 1907-Borgerhout, 1 februari 1987).

    Alfons Bervoets werd geboren als jongste in een gezin van 18 kinderen. Muziek was thuis alom aanwezig, geen wonder dus dat Alfons zich hiervoor al gauw interesseerde. Hij begon zijn muziekstudies aan het Lemmensinstituut, dat toen nog in Mechelen gevestigd was, onder leiding van Jules Van Nuffel, Flor Peeters en Marinus de Jong. Later studeerde hij verder aan het conservatorium van Antwerpen, waar hij de diploma’s notenleer (Jan Broeckx), orgel (Arthur De Hovre), harmonie (Edward Verheyden), contrapunt en fuga (Karel Candael) behaalde. Deze vier componisten schreven bovendien, net als Bervoets, verschillende werken op teksten van Guido Gezelle.

    In 1926 al werd Bervoets aangesteld als organist aan de Onze Lieve Vrouw ter Sneeuwkerk te Borgerhout. Korte tijd later werd hij ook de vaste dirigent van het kerkkoor, dat al gauw een goede naam kreeg in het Antwerpse. Bervoets vestigde zijn naam als koordirigent met de oprichting van het mannenkoor Alma Musica in 1951. Dit koor was een samensmelting van de beste elementen uit de zangklas van de muziekacademie van Borgerhout, waarvan Bervoets van 1945 tot 1973 directeur en harmonieleraar was, en van het kerkkoor van de Onze Lieve Vrouw ter Sneeuwkerk. In 1952 stichtte hij ook nog het vrouwenkoor Cantate. Met deze twee koren werkte Bervoets aan een uitgebreid repertoire. Renaissance en barok kwamen veelvuldig aan bod, maar ook eigentijdse composities schuwde hij niet. Zo was hij één van de eerste koordirigenten die werken van Benjamin Britten op het repertoire had staan.

    In 1966 werden Alma Musica en Cantate verenigd in een groot gemengd koor onder de naam Alma Musica. Dit koor vormt trouwens ook nu nog de spil van het Borgerhoutse muziekleven. Bervoets maakte met zijn twee koren onmiddellijk naam als zangpedagoog en het hoeft dan ook niet te verbazen dat hij in 1951 werd aangesteld als leraar samenzang aan het Antwerpse conservatorium. Onder zijn leiding behaalde de samenzangklas een hoog niveau en werd er aandacht besteed aan een afwisselend en omvangrijk repertoire. Bervoets leidde bovendien ook de cursus notenleer voor de hogere graad. Hij bleef aangesteld aan het conservatorium van Antwerpen tot aan zijn pensioen in 1973.

    Bervoets liet zich niet enkel als dirigent opmerken, maar ook als componist. Zijn oeuvre omvat vele koorwerken, maar hij schreef ook cantates en missen, toneelmuziek, liederen en werkjes voor piano en gitaar. Het is alleszins duidelijk dat Bervoets activiteiten als koordirigent hem inspireerden tot het veelvuldig schrijven van koormuziek. De Gezellewerken die hij componeerde bijvoorbeeld zijn bijna allemaal geschreven voor mannenkoor of gemengd koor (a capella of met begeleiding van symfonisch orkest).

    Gezellewerken van Alfons Bervoets 

  • Kortrijksche mannen voor gemengd koor a capella
  • De koning is gekommen, cantate voor groot gemengd koor met begeleiding van symfonisch orkest
  • Regina Coeli voor tenor of sopraan met begeleiding van piano of orgel
  • O lied voor mannenkoor a capella
  • O lied voor vierstemmig gemengd koor a capella  
  • 5. Een eeuw(igheid) geleden... : januari 1907
    door Jan Dewilde

    Een eeuw geleden... op 11 januari 1907, vond in de rode zaal van de Antwerpse concertvereniging Société d’Harmonie een opmerkelijke 'muziekvoordracht' van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen plaats. Op dat concert waren enkele van de beste afgestudeerde studenten te horen, die allen les hadden gevolgd bij directeur Jan Blockx (zijn klas werd wel eens 'la section d’université' genoemd). Het blad La Semaine bracht daags nadien volgend verslag: "Il nous faut dire un mot encore de la 3me Muziek-Voordracht organisée par la Section supérieure du Conservatoire Royal Flamand, concours personnel du directeur. Au programme le Quatuor n° XI de Haydn, la Fantaisie-Sonate de Mozart et le IVe Quatuor de Beethoven. Exécution absolument remarquable. Le IVe Quatuor de Beethoven surtout a fait une réelle impression, interprété d’une manière compréhensive et classique par MM. Van de Vijver, Dingemans, Distelmans et Van Sintruyen, tous diplomés du Conservatoire. La pianiste, Mlle Gabrielle Radoux, a été fort applaudie. Assistance nombreuse et choisie. Il nous faut insister sur la signification de ces soirées. Elles prouvent l’activité, l’esprit d’initiative, les excellents dispositions de maître Jan Blockx. Un Conservatoire n’est pas seulement une école d’enseignement technique. Il est encore un centre de rayonnement artistique. Il est un rouage esthétique, un organisme pour la propagation de la beauté. Cette mission élevée, il la réalisé par ses auditions publiques, ses grands concerts, ses séances de musique de chambre. Nos félicitations et nos encouragements à M. Jan Blockx, qui a besoin pour l’accomplissement de ses importantes fonctions, qu’on le comprenne et le soutienne." Het jonge kwartet zou onder de naam Het Vlaamsch Kwartet verder musiceren en liet zich ondermeer opmerken met een volledige cyclus van Beethovenkwartetten. 

    6. Opuslijst Désiré Van Reysschoot (1832-1908)
    door Annelies Focquaert

    Wie regelmatig met Vlaamse muziek bezig is, zal het beamen: het is niet eenvoudig om een werklijst op te stellen van een relatief onbekend Vlaams componist. Meestal is het enkel door een combinatie van sprokkelwerk en gelukkig toeval, dat een enigszins betrouwbaar overzicht kan gemaakt worden. In het geval van de Gentse organist Désiré Van Reysschoot liggen de zaken evenwel anders. Op basis van twee bronnen was het mogelijk om een zo goed als volledige opuslijst samen te stellen: aan de ene kant schreef C. Bergmans in Le Conservatoire Royal de Musique de Gand (1901, pp. 355-360) een gedetailleerd artikel over Van Reysschoot (met chronologische vermelding van alle werken tot 1896), aan de andere kant is er Van Reysschoots eigen ingebonden verzameling Oeuvres éditées, die zich bevindt in het archief van het Bisdom Gent. Daarin duidde Van Reysschoot eigenhandig en nauwgezet aan wanneer het betreffende werk werd gecomponeerd en wanneer het werd gepubliceerd; in onderstaande lijst werd met een sterretje * aangeduid om welke werken het gaat.

    Heel waarschijnlijk bestaat of bestond er ook een tweede boek Oeuvres éditées, aangezien Van Reysschoots eigen verzameling maar tot opus 49 gaat en die van Bergmans tot opus 61; en misschien bestaat er dus ook nog wel een verzameling manuscripten.

    Men kan uit onderstaande lijst afleiden dat Van Reysschoot tamelijk succesvol was in het gepubliceerd krijgen van zijn werken: van al zijn opusnummers bereikte ongeveer de helft ook de drukpersen; al werd er buiten Gent niets van hem uitgegeven. In de eerste jaren liggen de compositie- en publicatiedatum vaak erg dicht bij elkaar, soms maar enkele dagen van elkaar verwijderd, wat er op kan wijzen dat deze werken bestellingen waren; of misschien ook dat er in die tijd veel sneller kon gewerkt worden dan vandaag de dag. Opvallend is daarnaast dat er geen enkele solo-orgelwerk bestaat. Van Reysschoot stond er om bekend dat hij een groot orgelimprovisator was, en het is spijtig dat daar zo weinig sporen van zijn overgebleven. Hij schreef, soms onder pseudoniem van A. Elven of E. V. Rasdootschy, vooral veel liederen en gelegenheidswerken, bijvoorbeeld voor huwelijken en jubilea, en een groot aantal kinderliederen voor prijsuitreikingen in de Gentse stadsscholen.

    Opuslijst Désiré Van Reysschoot

  • Opus 1 * : De Moeder van den Visscher - La mère du Pêcheur / Romance > voor stem en klavier >     tekst van N. Destanberg > opdracht: Aen Mr. D. Misotten > uitgever: Gevaert > gecomponeerd op 27 januari 1821 > uitgegeven op 27 februari 1851 > 2e editie (“revue et corrigée”, 22 februari 1862); 4e editie (15 maart 1871), 9e editie (1907)
  • Opus 2 * : Souvenir. Mélodie > voor stem en klavier > tekst van Dufour > uitgever:
    F. Voyave > gecomponeerd op 4 oktober 1853 > uitgegeven op 15 maart 1872
  • Opus 3 * : Le bon vieillard. Chansonette > voor stem en klavier > tekst van Béranger > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 4 oktober 1853 > uitgegeven op 19 oktober 1853
  • Opus 4 * : Lutine. Valse pour piano > voor klavier > opdracht: À Mr. Alfred de Closset > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 22 Oktober 1853 > uitgegeven op 14 november 1853 > Bergmans vermeldt "Suite de Valses pour le piano"
  • Opus 5 * : Le regard d’Irène > voor stem en klavier > tekst van E. Laureys > opdracht: A notre Ami Léopold De Ronne > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 6 november 1853 > uitgegeven op 11 februari 1854 > Leopold De Ronne was de eigenaar van een Gentse chicoreifabriek
  • Opus 6 * : Le Soir. Barcarolle > voor stem en klavier > tekst van J. Lefevre > opdracht: A Monsieur Oscar de Burbure > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 27 november 1853 > uitgegeven op 23 juni 1864
  • Opus 7 * : Le Miroir. Chansonette > voor stem en klavier > tekst van E. Laureys > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 28 januari 1854 > uitgegeven op 9 maart 1854
  • Opus 8 : De Prijsdeeling, 1854 > voor driestemmig koor, geschreven voor de Gemeenteschool n° 3
  • Opus 9 : Juich-koor, 1854 > voor vierstemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke jongensscholen
  • Opus 10 * : Couplet de Fête > voor kinderstem(men) > tekst van Vicomte de St. Julien > uitgever: Stepman, in: Lyre Nationale (3e année) > gecomponeerd op november 1854 > uitgegeven op 1 augustus 1864 > uitgegeven onder Van Reysschoots pseudoniem E. V. Rasdootschy
  • Opus 11 * : Premier Noël > voor sopraan, vierstemmig gemengd koor, met begeleiding van orkest of orgel, cello en contrabas > tekst in Latijn > uitgever: De Vestel > gecomponeerd op 18 december 1854 > uitgegeven op 2 december 1893
  • Opus 12 : Trio, 1855 > voor klavier, viool en cello
  • Opus 13 * : Lise! Prends garde à ton coeur! Chansonette > voor stem en klavier> tekst van E. Laureys > opdracht: A mon Ami Charles Luyckx > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 2 maart 1855 > uitgegeven op 10 april 1855
  • Opus 14 * : Chant Styrien. N°1. Chant. Imité de l’Allemand en Flamand et en Français par Pr. V. D. [Prudens Van Duyse?].  - N° 2. Piano.  > uitgever:  De Vylder > arrangement gemaakt op 4 maart 1855  > uitgegeven op 20 maart 1855 > uitgegeven onder Van Reysschoots pseudoniem A. Elven
  • Opus 15 : Een weergalm uit Spanje, 1855 > voor driestemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke Jongensschool n° 3
  • Opus 16 : Danklied, 1855 > voor driestemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke Meisjesschool n° 7
  • Opus 17 : Feestkoor, 1856 > voor driestemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke Jongensschool n° 2
  • Opus 18 : Aan België, 1856 > voor vierstemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke Jongensschool n° 3
  • Opus 19 : Feestkoor, 1856 > voor driestemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke Jongensschool n° 4
  • Opus 20 * : Ave Verum > voor tenor (of sopraan), orgel > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 26 oktober 1856 > uitgegeven op 12 april 1858
  • Opus 21 : Premier Tantum Ergo, 1857 > voor vierstemmig gemengd koor, orgel
  • Opus 22 * : Hélèna, Polka-Mazurka > voor klavier > opdracht: A Mademoiselle Hélène Coget > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 8 maart 1857 > uitgegeven op 25 maart 1857
  • Opus 23 : Je n’ose pas t’aimer, romance, 1857 > voor stem en klavier
  • Opus 24 : Jubel-koor, 1857 > voor driestemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke Jongensschool n° 3
  • Opus 25 * : Taquinerie. Redowa pour Piano > voor klavier > opdracht: À son élève Melle Gabrielle Cannaert > uitgever: Stepman, in: Lyre nationale N°6 (Deuxième Année) > gecomponeerd op 30 juni 1857 > uitgegeven op 26 februari 1864 > 2e editie in: Perles Musicales / choix varié de Valses, Polkas, Mazurkas, etc. etc. / Gent, Voyave, december 1878
  • Opus  26 : Ave verum,1857 > voor tenor, vierstemmig gemengd koor, orgel, cello, contrabas
  • Opus 27 * : Deuxième Cantique de Noël > voor sopraan of tenor, orgel, contrabas en cello > tekst in Latijn, Frans, Nederlands > opdracht: Au révérend Père Recteur du Collège Ste Barbe à Gand > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 24 december 1857 > uitgegeven op 27 november 1858 > 2e editie op 14 Juni 1902, waar bij de naam D. Van Reysschoot vermeld staat: Organiste-Maître de Chapelle de l’Eglise de St. Nicolas à Gand. Er werd ook een vertaling gemaakt naar het Frans en het Nederlands door "Père Charles Verbeke, de la Compagnie de Jésus"
  • Opus 28 : Regina Caeli, antienne, 1858 > voor vierstemmig gemengd koor, orgel, cello, contrabas
  • Opus 29 : Adoro te, motet, 1858 > voor driestemmig mannenkoor zonder begeleiding
  • Opus 30 * : Redowa mignonne > voor vierhandig klavier > opdracht: A ses élèves, Léon Blommaert & Gérard Cooreman > uitgever: Stepman, in: Lyre Nationale, N°3 (3me année) > gecomponeerd op 25 augustus 1856 > uitgegeven op 15 november 1864 > Gérard Cooreman studeerde aan het Gentse St.- Barbaracollege en werd later senator, kamervoorzitter en Minister van Staat (1914); op vraag van Koning Albert nam hij op 13 november 1918 de leiding over de regeringssamenstelling
  • Opus 31 : Ave verum, 1858 > voor tenor, vierstemmig gemengd koor, orgel, cello, contrabas
  • Opus 32 : Alma redemptoris, antienne, 1858 > voor driestemmig gemengd koor, orgel, cello, contrabas
  • Opus 33 : Première fantaisie sur des airs populaires, 1859 > voor “orgue et piano” --> harmonium en klavier?
  • Opus 34 : Sanctus, 1859 > voor vierstemmig gemengd koor, orgel
  • Opus 35 * : Troisième Noël > voor tenor, driestemmig koor, met begeleiding van orkest of orgel, cello en contrabas > tekst in Latijn, Frans, Nederlands, door “C. V. J.s” > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 23 december 1859 > uitgegeven op 12 december 1861 > op 12 december 1863 werd de Nederlandse tekst uitgegeven; een 2e editie werd gepubliceerd op 23 december 1875, en een 6e editie op 22 oktober 1896. > In het Archief van het Bisdom Gent bevindt zich in dezelfde bundel ook een plagiaat van dit werk, uitgegeven bij het College Saint François Xavier in Verviers in 1871, in een bundel met 40 Tantum ergo’s. n° 25 draagt het opschrift van Van Reysschoot: Contrefaçon non autorisée, donc illégale, du 3me Noël
  • Opus 36 : Hymne de première communion, 1860 > voor stem en klavier
  • Opus 37 : Couplets de noce [sic], 1860 > voor stem en klavier
  • Opus 38 : Couplets de noce [sic], 1860 > voor stem en klavier
  • Opus 39 * : O Cor amoris victima. Hymne au Sacré Coeur > voor tenor (of sopraan), driestemmig gemengd koor, strijkkwartet of orgel, cello, contrabas. Opmerking van Van Reysschoot: Cette hymne peut se chanter en Solo, en supprimant le Choeur > tekst in Latijn >  opdracht: Au Révérend Père A. Van de Weyer; Recteur du Collège Ste Barbe, à Gent. > uitgever: De Vestel > gecomponeerd op 7 juni 1861  > uitgegeven op 15 december 1889 > Achterin de verzamelband bevindt zich een tweede editie van dit werk, door Van Reysschoot zelf gedateerd op 21 juni 1876, terwijl de eerste editie volgens hemzelf dateert van 1889.
  • Opus 40 : Vaderlandslied, 1861 > voor driestemmig koor, geschreven voor de Gemeentelijke Jongensschool n° 3
  • Opus 41 : Responsorium de Beato Sancto Ignacio, 1861 > voor koor (“en plein-chant à l’unisson”) en orgel
  • Opus 42 : Kristen Krijgslied, 1861 > voor solostem, tweestemmig koor, klavier
  • Opus 42 bis * : Couplets composés à l’occasion du 25me Anniversaire de la fondation de la Société Royale des Mélomanes > tekst van Ch. Ant. Droesbeke > datum van bewerking: 4 oktober 1863 > volgens opschrift uitgegeven op 24 oktober 1863 au profit de la quête déposée au local de la Société [des Mélomanes], en faveur des Ouvriers infirmes > in Van Reysschoots handschrift staat opgemerkt: la musique de ces Couplets est celle du: Kristen Krijgslied; op. 42. De partituur is een manuscripte kopie; het is niet duidelijk of het werk ook gedrukt is.
  • Opus 43 * : Quatrième Noël > voor sopraan, driestemmig koor, orgel, cello, contrabas > tekst in Latijn  > uitgever: De Vylder > gecomponeerd op 22 december 1862 > uitgegeven op 28 december 1867
  • Opus 44 : Deuxième Tantum Ergo, 1863 > voor bas, vierstemmig gemengd koor, orgel, cello, contrabas
  • Opus 45 : Pie Jesu, élégie, 1863 > voor vierstemmig gemengd koor, orgel, cello, contrabas
  • Opus 46 : Chant triomphal, 1864 > voor eenstemmig koor, klavier > Bergmans vermeldt dat dit werk geschreven werd voor de Société des Mélomanes; het komt dus misschien overeen met opus 42 bis
  • Opus 47 * : Ni Roi, ni Reine, Opéra bouffe (2 actes) > voor sopraan, tenor, bariton, bas met begeleiding van klavier of klein orkest (volgens een ingekleefd blad in de directiepartituur, werd de pianoreductie verdeeld over 31 instrumenten) > tekst van Fréd.c Hennebert > opdracht: à la mémoire de mes Vénérés et Bien-Aimés Parents > uitgever: Aug. De Vestel > gecomponeerd op [1864] > uitgegeven op 1894 > Bergmans vermeldt dat dit werk voor de eerste keer werd opgevoerd in een particulier salon in Gent op 26 november 1864; dat het een twaalftal stukken bevat, waaronder de volgende “sensatie veroorzaakten”: de ouverture, een ballade voor sopraan en bas, een air voor tenor, een drinklied voor bas, een trio-bouffe voor tenor, bariton en bas
  • Opus 48 * : Cinquième Noël > voor tenor, vierstemmig mannenkoor, orkest en obligaat orgel, of orgel, cello, contrabas (met opmerking van Van Reysschoot: Pour les parties d’orchestre s’adresser à l’auteur) > tekst van Latijn, Frans, Nederlands > opdracht: A Monsieur Raymond de Kerckhove, Gouverneur de la Province de la Flandre Orientale > uitgever: De Vestel  > gecomponeerd op 24 december 1871 > uitgegeven op 19 november 1887 > 2e editie in december 1903, opgedragen aan Baron de Kerckhove d’Exaerde
  • Opus 49 * : Embarquez-vous, mes chers amis! Couplets de noces. Duettino. > voor sopraan, bariton (klavier) > tekst van G. Antheunis > opdracht: dédiés à leurs amis Melle Valentine Bruneel et Mr. Ernest Dutry, à l’occasion de leur mariage célébré le 20 Juni 1876 > uitgever: Jacqmain  > gecomponeerd op 15 juni 1876 > uitgegeven op 19 november 1876 > Ernest Dutry is hoogstwaarschijnlijk dezelfde als de baas van een grote Gentse zaak in kachels, die al bestond in 1803 en dat nu ook nog doet (www.dutry.com); Ernest Dutry nam de zaak over van zijn vader in 1905.
  • Opus 50 : Sixième Noël, 1881 > voor sopraan, vierstemmig gemengd koor, orgel, cello, contrabas > uitgever: De Vestel
  • Opus 51 : Les abeilles à leur reine, 1882 > voor twee sopranen, koor, klavier
  • Opus 52 : Couplets de fête, 1882 > voor twee sopranen
  • Opus 53 : Chant jubilaire, 1882 > voor sopraan, klavier, cello
  • Opus 54 : Toast, 1882 > voor solostem, klavier
  • Opus 55 : Couplets de Noces d’argent, 1883 > voor solostem, klavier
  • Opus 56 : Septième Noël, 1884 > voor tenor en koor, of sopraan en vierstemmig mannenkoor, met begeleiding van concertant orgel, cello, contrabas > Bergmans vermeldt “En publication”
  • Opus 57 : La Truite, bouffonnerie (texte en mi-flamand et mi-français), 1885 > voor stem en klavier
  • Opus 58 : Jubelzang, 1885 > voor bariton, vierstemmig mannenkoor, klavier
  • Opus 59 : Huitième Noël, 1885 > voor tenor, vierstemmig mannenkoor met begeleiding van orkest, of van orgel, cello, contrabas > tekst van Latijn, Frans, Nederlands > Bergmans vermeldt “En publication”
  • Opus 60 : Het geschenk van Sint-Niklaas, 1889 > voor “duo d’école avec parlé et gestes”, klavier (voor de meisjesbasisscholen)
  • Opus 61 : Te Deum, hymne, 1896 > voor twee gelijke stemmen, orkest of orgel, cello, contrabas
  • Sinds 1896, zo vermeldt Bergmans, is Van Reysschoot nog aan verschillende (op dat moment onvoltooide) werken begonnen; er zijn ook andere werken zonder opusnummer zoals twee Walsen, een Polka, vier Quadrilles voor klein orkest, een kleine cantate voor mannenkoor en fanfare en enkele liederen.

    Nog een ander werk zonder opusnummer, dat in geen enkele lijst wordt en zich in de Conservatoriumbibliotheek van Gent bevindt, is een Andante voor strijkkwartet, dat werd gebruikt in de Suite pour instruments à cordes van Oscar Roels, uitgegeven op 30 december 1894. Het eerste deel Adagio – Allegro werd gecomponeerd door Oscar Roels, het tweede deel Andante door D. Van Reysschoot, de laatste delen Scherzo en Final door A. Morel de Westgaever. Het is ook mogelijk dat de D. niet voor Désiré maar voor Dorsan staat: Désirés zoon, geboren in 1870.

    7. Musikproduktion Höflich

    In nauwe samenwerking met het Munchense productiehuis en muziekuitgeverij Musikproduktion Höflich en met de Waalse dirigent Daniel Gazon heeft het SVM zopas zijn 25ste partituur met Vlaamse muziek gepubliceerd. Het gaat deze keer om een vrij recente compositie, namelijk Elegiae van Frank Agesteribbe uit 2003. Deze 25 partituren worden internationaal gedistribueerd en dat heeft zo zijn gevolgen: dankzij de publicatie van Benoits religieuze vierluik wordt volgend jaar in Japan zijn mis uitgevoerd. Ook in 2007 zal maandelijks minstens één Vlaamse partituur, telkens met een viertalige inleiding, bij Musikproduktion Hoeflich verschijnen. (www.musikmph.de).

  • Agsteribbe, Frank: Elegiae
  • Benoit, Peter: Tétralogie religieuse
  • Benoit, Peter: Symfonisch gedicht voor klavier en orkest 
  • Blockx, Jan: Vlaamse dansen opus 26
  • Brusselmans, Michel: Suite d'orchestre d'après les caprices de Paganini (pour violon et orchestre)
  • Brusselmans, Michel: Scènes Bruegheliennes. Esquisses symphoniques
  • De Vocht, Lodewijk: Naar hoger licht
  • Gilson, Paul: La Mer pour grand orchestre
  • Gilson, Paul: Francesca da Rimini
  • Grisar, Albert: Le carillonneur de Bruges
  • Hanssens, Charles Louis: Requiem
  • Hanssens, Charles Louis: Fantaisie pour violon et clarinette / Morceaux de concert pour hautbois et clarinette
  • Huberti, Gustave: Symphonie funèbre
  • Meulemans, Arthur: Plinius Fontein
  • Meulemans, Arthur: Stadspark. Scherzo met preludium voor Orkest
  • Mortelmans, Lodewijk: Morgenstemming
  • Mortelmans, Lodewijk: Homerische symfonie
  • Poot, Marcel: Vrolijke ouverture
  • Poot, Marcel: Allegro symphonique
  • Samuel, Adolphe: Symfonie nr. 6
  • Tinel, Edgar: Franciscus op. 36
  • Tinel, Edgar: Te Deum pour choeur et orgue op. 46
  • Van der Stucken, Frank: Sinfonischer Prolog zu Heinrich Heine's Tragödie "William Ratcliff" 
  • Van Hoof, Jef: Sinfonietta voor koper
  • Van Hoof, Jef: Divertimento voor trombone en orkest
  • 8. Vers van de pers : nieuwe cd's
    door Jan Dewilde

    De laatste weken zijn enkele interessante en welgekomen cd’s verschenen. Een mijlpaal is de vijftigste (!) release in de onmisbare reeks In Flanders’ Fields van het Phaedra-label. Dat een privé-initiatief er in lukt om vijftig cd’s met onbekende Vlaams werk uit te brengen en te distribueren, is al een onwaarschijnlijk verhaal op zich. Maar daarenboven gaat het om een dubbel-cd met exclusief Vlaamse koormuziek die werd opgenomen in de kathedraal in Riga door het Staatskoor van Letland, dat voor de gelegenheid werd gedirigeerd door Herman Engels. Deze dubbel-cd, met als titel In manus tuas. Religious music from Flanders, bevat koorwerk van Peter Benoit, Lodewijk Mortelmans, Arthur Verhoeven, Gaston Feremans en vader (Florentinus) en zoon (August) De Boeck.

    Deze cd geeft een mooi muzikaal beeld van het katholieke, devote Vlaanderen uit de negentiende en de eerste decennia van de twintigste eeuw: de liturgische muziek zoals die toen weerklonk op de kerkdoksalen en de religieuze koorwerken die op het repertoire van vele Vlaamse koren prijkten. Het is muziek die diep in de traditie wortelt. Peter Benoit (1834-1901) kreeg zijn vroegste muziekopleiding als koraaltje aan de Sint-Salvatorskerk van zijn geboorteplaats Harelbeke, een kapittelkerk met een rijke muziektraditie. De kerk beschikte toen over een koor en een orkest en het is dan ook voor deze kerkensembles dat Benoit zijn eerste religieuze werken schreef. Ook tijdens zijn studietijd aan het Conservatoire royal in Brussel componeerde hij liturgische muziek die door zijn leraar François-Joseph Fétis werd aangeprezen bij kapelmeesters en koordirigenten. Na het beëindigen van zijn studies in 1854 schreef hij ondermeer de Messe à trois voix (1856) en de Douze motets die in 1857 door Schott werden gepubliceerd. Tijdens de studiereis die hij na het behalen van de Prix de Rome in 1858 door Duitsland maakte, componeerde hij een lof, een dubbelkorig Ave Maria en een kerstcantate. Deze cantate vormde het eerste deel van zijn merkwaardige cyclus Quadrilogie religieuse die hij in Parijs tussen 1859 en 1863 completeerde met een Requiem, een Messe solennelle en een Te Deum. Ook na zijn benoeming in 1867 tot directeur van de stedelijke muziekschool van Antwerpen, bleef Benoit de kerkmuziek toegewijd. In 1868 publiceerde Schott twintig nieuwe motetten voor gelijke stemmen met begeleiding van orgel of harmonium en drie jaar later componeerde Benoit Drama Christi, een 'geestelijk zangdicht' op Nederlandse tekst waarin hij archaïserende, gregoriaanse wendingen hanteerde. Als kapelmeester van de Onze-Lieve-Vrouwe-Kathedraal in Antwerpen orkestreerde hij nog zijn driestemmige mis en de in 1868 gepubliceerde motetten. In deze reeks motetten is de schrijfwijze overwegend homofoon en spelen orgel of harmonium slechts een nederige, dienende rol. Slechts een zeldzame keer is er een kort voorspel, zoals in Panis angelicus. Toch slaagt Benoit er in om met die beperkte middelen ook binnen de eenvoudigste motetten voor voldoende variatie te zorgen door een oordeelkundige afwisseling van meerstemmige passages met unisonozang en van begeleide en a capella-stukken. Binnen de reeks is er een duidelijk verschil qua stijl en conceptie merkbaar: van een eenvoudige koraalstijl (Tantum ergo), over solostukken (Ave Maria) tot iets meer uitgewerkte motetten voor solostem en koor (Panis angelicus). Vooral het Ave Maria kende als 'mélodie religieuse' grote populariteit en werd in minstens vijf versies gepubliceerd.

    Florentinus De Boeck (1826-1892) was een amateur-componist die in 1858 zijn schoonvader opvolgde als organist in Merchtem (waar hij na zijn dood werd opgevolgd door zijn zoon August). De Boeck sr. kwam aan de kost als agent van een financiële instelling en hij zou ook een kleine brouwerij gehad hebben. Áls Florentinus De Boeck al overleeft als componist, dan is het als de auteur van dat ene Pie Jesu, dat lange tijd in Merchtem werd gezongen en ook nog weerklonk op de begrafenis van zijn zoon August De Boeck (1865-1937). August De Boeck, een van de belangrijkste componisten van zijn tijd, liet een gevarieerd oeuvre na waarin religieuze muziek een belangrijke plaats inneemt: behalve een reeks geestelijke liederen, componeerde hij vier missen en een veertigtal motetten. De Boeck had een directe relatie met de kerkmuziek: naast een carrière in het muziekonderwijs was hij ook jarenlang organist in Merchtem (Onze Lieve Vrouwe-kerk), Elsene (Sint-Bonifacius) en Brussel (kerk van de Ongeschoeide Karmelieten). Hij stond bekend als een virtuoos organist en een schitterend improvisator. Ook zijn leerling Gaston Feremans (1907-1964) was een uitstekend organist die jarenlang aan verschillende kerken was verbonden. Hij studeerde bij Jules Van Nuffel, Marinus De Jong en Flor Peeters aan de Interdiocesane Kerkmuziekschool (in de volksmond: het Lemmensinstituut) in Mechelen waar hij in 1929 de Prijs Lemmens-Tinel behaalde. Daarna vervolmaakte hij zich aan het Brusselse conservatorium bij Paul Gilson en De Boeck. Feremans componeerde onder andere zes (?) missen, religieuze oratoria en motetten. O sacrum convivium en Pater, in manus tuas schreef hij in het begin van de jaren 1930 voor het Mechelse mannenkoor dat hij toen leidde. Ook Sub tuum praesidium en Tota pulchra es, Maria, geschreven in de voor Feremans moeilijke na-oorlogse jaren, waren voor mannenkoor bestemd, maar werden later, zoals de twee eerder vermelde motetten, herwerkt voor vierstemmig gemengd koor. O salutaris hostia, in 1952 bestemd voor het Antwerps Gemengd Koor, onderging de omgekeerde bewerking en werd nadien voor mannenkoor gearrangeerd. Improperium (1952) was het eerste deel van Ad laudandum Dominum, een bundel motetten voor twee gelijke stemmen en orgel (gepubliceerd door Musica Sacra) en werd in 1953 bewerkt voor zesstemmig gemengd koor a capella. Feremans zag zichzelf als een bescheiden schakel in een lange en rijke muziektraditie. Zo getuigde hij dat een componist van religieuze muziek 'niet de pretentie mag hebben uit het oog te verliezen wat gewijde kunstenaars uit verre tijden dienaangaande hebben neergelegd in Graduaal en Vesperaal. Dat is absoluut geen plagiaat, dat is alleen een daad van takt en beleefdheid. We zeggen het met 'hun' woorden op 'onze manier', die naargelang de tijd en de omstandigheden alleen wat meer gekruid is, van nieuwe aspecten voorzien, maar met alle respect voor hun vondsten.' Dat 'kruiden' deed hij dan modest, maar efficiënt met impressionistisch getinte akkoorden. In verschillende brieven getuigde Feremans van zijn respect voor zijn leermeester De Boeck. Dat uitte zich ook in zijn bewerking voor vierstemmig koor van De Boecks lied L’église paysanne (in de Nederlandse vertaling door Maurits Sabbe).

    Op een Ave verum (1901) en een Benedictus Dominus (1927) na schreef Lodewijk Mortelmans (1868-1952) geen kerkmuziek. Wél wijdde hij zijn beste krachten aan een aantal religieus geïnspireerde koorwerken waarvoor hij de teksten vond bij priester-dichter Guido Gezelle (1830-1899). De bundel met vijf koren op verzen van Gezelle die hij in de zomer en de herfst van 1938 componeerde, is een hoogtepunt in zijn koormuziek en in zijn oeuvre in het algemeen. Het berouwvolle Klaar bloed en louter wonden steunt op het tekstcontrast tussen het bewogen beeld van de kruisiging en de ingetogen gevoelens van dankbaar vertrouwen. De dramatiek van de kruisiging wordt versterkt door het vermeerderen van de vier stemmen tot zes. Niet gedinken wordt gekruid door het effectvolle gebruik van vermeerderde akkoorden; in Geeft mij eens dien dag speelt de bovenstem een prominente rol wat het koor een liedachtig karakter geeft; in Jesu, wijs en wondermachtig laat de componist de vrouwen- en mannenstemmen met elkaar dialogeren; Heer, mijn hert is boos en schuldig sluit als een oude psalm deze bundel af. Caecilia (1921), een hymne gewijd aan de patrones van de musici, is opgedragen aan de Chorale Caecilia, het excellente oratoriumkoor van Lodewijk De Vocht. Deze tekst is eveneens van Mortelmans' favoriete dichter Gezelle, net als Hooger als mijn oogen dragen (uit Gezelles Kleengedichtjes).

    Arthur Verhoeven (1889-1958), een leerling van De Boeck en Mortelmans, was van 1911 tot 1958 koster-organist aan de Sint-Cordulakerk in Schoten. Net als De Boeck werd hij geprezen als improvisator op het orgel. Als componist was hij heel actief actief tussen 1910 en 1930 (het jaar waarin hij zijn opera Valentijn voltooide), daarna beperkte hij zich vooral tot het bewerken van vroegere composities. Verhoeven is één van die vele verdienstelijke Vlaamse componisten uit de eerste helft van de twintigste eeuw die in alle bescheidenheid, maar met veel vakmanschap in de schaduw werkte. Om wat variatie te brengen in 90 minuten gedragen koormuziek werden ook enkele werken met sopraan-solo geselecteerd. Om die werken in te zingen reisde Ann de Renais, een Vlaamse die het vooral in het buitenland maakt, naar Riga. Ook de Prelude en fuga in E van Verhoeven zorgt voor de nodige afwisseling. Dat orgelwerk wordt uitstekend uitgevoerd door Kristine Adamaite op het monumentale kathedraalorgel dat in 1882-1883 werd gebouwd door Walcker & sons. Toen het instrument werd opgeleverd, was het grootste en het modernste ter wereld. Het orgel heeft vier manualen en pedaal, 6.718 pijpen en 124 registers. Voor de festiviteiten ter gelegenheid van de inspeling van dit machtige orgel componeerde Franz Liszt de feestelijke koraalbewerking Nun danket alle Gott die met een overdonderend tutti eindigt.

    Het grootste deel van de werken is op Latijnse teksten zodat er zich voor het Letse koor geen taalprobleem stelt. Aan de composities op Nederlandse tekst, zoals de Gezelle-koren van Mortelmans, is duidelijk hard gewerkt en de uitspraak is dan ook zeer convenabel. Alleszins doet het deugd om dit repertoire te horen zingen door een groot én uitstekend koor met volle stemmen (en échte bassen). Een in vele opzichten merkwaardige realisatie! Ondertussen is al de 51ste cd in de reeks In Flanders’ Fields op de markt en ook hiervoor deed platenproducent Luc Famaey een beroep op een buitenlands ensemble. In dit geval het Pannon Philharmonic Orchestra, een zeer degelijk orkest uit het Hongaarse Pécs. Deze cd is volledig gewijd aan Jef Van Hoof en bevat mooie orkestliederen (opnieuw met Ann de Renais), de Suite uit de opera Meivuur, de Derde symfonie en het Divertimento voor bazuin en orkest met als solist Ivan Meylemans. Naar aanleiding van deze opname werd de partituur van dit laatste werk door het SVM in München gepubliceerd. Het orkest van Pécs speelt o.l.v. Zsolt Hamar fris van de lever en veegt meteen het gratuite vooroordeel weg dat Van Hoof niets meer dan een 'rurale componist' was. Met deze twee cd’s slaagt Phaedra waar zwaar gesubsidieerde instellingen mislukken: bekende en minder bekende Vlaamse muziek ontsluiten en valoriseren voor een breed, internationaal publiek.


    • In manus tuas. Religious music from Flanders / Anne de Renais (sopraan), Kristine Adamaite (orgel) en Valsts Akademiskais Koris ‘Latvija’ o.l.v. Herman Engels (Phaedra, In Flanders’ Fields, vol. 50).
    • Jef Van Hoof (1886-1959) / Anne de Renais (sopraan), Ivan Meylemans (trombone), Pannon Philharmonic Orchestra o.l.v. Zsolt Hamar (Phaedra, In Flanders’ fields, vol. 51).

    Nog geen vijftig, maar toch al zes cd’s hebben KLARA en het Vlaams Radio Orkest en –Koor uitgebracht in de reeks Flemish Connection. Deze keer is de auditieve monografie gewijd aan Paul Gilson (1865-1942), zowat de voedstervader van iedereen die in de eerste helft van de twintigste eeuw in Vlaanderen heeft gecomponeerd. Eerste nummer op de cd is een suite uit de eerste acte van Gilsons oriëntalistische 'ballet-pantomime' La captive, een werk dat op 15 april 1902 in de Muntschouwburg een bijzonder moeizame wereldpremière beleefde. Het orkest protesteerde omdat Gilsons in tegenstelling tot de gangbare balletmuziek een grote bezetting vroeg, terwijl tegelijkertijd Götterdämmerung moest gerepeteerd worden. Bovendien toonde Munt-directeur Maurice Kufferath zich niet geïnteresseerd in Gilsons ballet en weigerde hij om de nodige decors te laten maken. Steun kreeg Gilson alleen van de Belgo-Franse dirigent François Ruhlmann (Brussel, 1868 - Parijs, 1948) die tijdens de weinige repetities die hij toebedeeld kreeg rustig en vastberaden bleef: "Ruhlmann, cependant, dominait tous les mauvais vouloirs. Poli, souriant, paternel, mais ferme et inflexible, il me donna les preuves d’un dévouement d’autant plus méritoire que lui-même dut souvent concevoir des doutes quant à la valeur de la Captive." De recensent van Le Soir benadrukte de moeilijkheidsgraad van de partituur ("Le Crépuscule des dieux n’est certainement pas plus difficile!") en prees Ruhlmanns uitvoering: "Dans ces conditions, il importe de féliciter tout d’abord et très vivement M. Ruhlman (sic) et son orchestre des soins qu’ils ont mis à nous donner de la Captive une interprétation vraiment remarquable de précision et de couleur." Alsof de gebrekkige opvoeringen nog niet erg genoeg waren, braken er op de dag van de première politieke onlusten uit en werd er in de straten van Brussel gemanifesteerd. Bovendien brak 's avonds een hevig onweer uit. Gevolg was dat het ballet voor een bijna lege zaal werd gecreëerd. Na drie opvoeringen werd het ballet afgevoerd. Een deel van Gilsons balletmuziek werd voor de vergetelheid behoed door de suite die Frits Celis in 1995 uit de partituur distilleerde.

    Als concertant werk op deze cd werd gekozen voor het weinig gekende Andante et scherzo pour violoncelle et orchestre uit 1906, een werkje dat zich vooral omwille van de orkestratie laat opmerken. Timora Rosler verdedigt het werk goed, maar dat zouden verschillende cellisten van bij ons minstens even goed hebben gedaan.

    Maar hét 'pièce de résistance' op deze cd is natuurlijk La mer, hier in de versie met mannenkoor (de mannen van het VRO-koor) en saxhorns (geleverd door Brassband Buizingen). In zijn memoires (1942) wijdt Gilson enkele bladzijden aan de genese van La mer. Het was op vraag van Eddy Levis, een schrijver uit de kringen rond het tijdschrift La Jeune Belgique, dat hij muziek componeerde bij diens vierdelige poëem over de zee. Omdat Levis tijdens zijn vakanties in Blankenberge soms in de Casino optrad, zou het werk in de zomer van 1891 door het plaatselijke Casino-orkest onder de leiding van Jules Goetinck worden gecreëerd. Maar Gilson raakte niet tijdig klaar, zodat het werk voor de eerste keer op 20 maart 1892 in de Brusselse Concerts Populaires werd uitgevoerd. Het werd nog haastwerk: pas op de dag van de creatie kregen de musici de partijen van het vierde deel. Dirigent was Joseph Dupont die in Brussel baanbrekend werk verrichtte: hij maakte de weg vrij voor jonge Franse componisten, introduceerde de Russen, verdedigde Belgische muziek en engageerde zich voor Wagner en Strauss. (Uit erkentelijkheid droeg Strauss Don Quixote aan hem op; ook Gilson wijdde La mer aan hem). Tussen de vier delen werd Levi’s gedicht gedeclameerd door de Franse acteur Charles le Bargy, een 'sociétaire' van de Comédie-Française. Het publiek reageerde zo enthousiast op de creatie ("Quels applaudissements, quelles acclamations, quel enthousiasme!", noteerde Le Guide Musical), dat het werk al op 7 mei werd hernomen. De kritiek daarentegen was niet onverdeeld lovend. Maurice Kufferath, recensent van Le Guide Musical, prees wel de eerste twee delen, maar oordeelde vernietigend: "Le malheur chez M. Gilson est que tous ces morceaux finissent moins bien qu’ils ne commencent." Het moet gezegd: na de tweede even succesvolle uitvoering stelde hij zijn oordeel positief bij.

    Verbazend vlug vond La mer haar weg vond naar podia in binnen- en buitenland. Dat was mee te danken aan de distributie door de toonaangevende muziekuitgeverij Breitkopf & Härtel die de partituur al in 1892 publiceerde. Op 1 december 1892 lag La mer op de pupiters van het jonge Concertgebouworkest en waarschijnlijk heeft Gilson zijn creatie toen voor de eerste keer in goede omstandigheden gehoord: dirigent Willem Kes stond bekend voor zijn lange en intense repetities. Ook in Amsterdam was de pers kritischer dan het publiek. De componist en criticus Eduard de Hartog loofde het kleurenpalet, maar vond de orkestratie te lawaaierig en het Leitmotiv te weinig potent om de compositie te structureren. Twee weken later al weerklonk het werk twee keer aan de andere kant van de oceaan. (Er was een tijd dat Vlaamse muziek de wereld rondreisde, nu zijn het de Vlaamse muziekbobo’s die toeren). Op 16 december werd Gilsons werk uitgevoerd door de New York Philharmonic en chefdirigent Anton Seidl. De New York Times beschouwde La mer als 'musical impressions', 'shadow pictures in tones' met een zekere suggestieve kracht: "They are caused by the wonderful utterance of the modern orchestra, with its myriad of babbling tongues, which can be made to rustle like the leaves of the forest or to thunder like the sea. There lies the secret of the fascination of a work like Gilson's. His themes mean nothin, his orchestration everything." De criticus voegt er nog aan toe dat dit soort muziek alleen maar mogelijk is door de verworvenheden van het moderne orkest en de technische capaciteiten van de orkestmusici: "Now an orchestra like the Philharmonic is a band of virtuosi, and it is a pleasure to listen to their treatment of M. Gilson’s end of the century polyphony. As for the polyphony itself, it is not always a joy. There are some passages in La Mer in which the composer’s instrumental alchemy has produced not gold, but dross. But it is an interesting study; and the sailors sing and dance like good honest mariners, even if the twilight does give the flute dyspepsia and the English horn colic." Seidl geloofde in het werk en hernam het drie dagen later met zijn Seidl Symphony Orchestra. Later volgden nog uitvoeringen in Parijs en Duitsland, onder andere door Richard Strauss en de jonge Herbert von Karajan. Na de tweede wereldoorlog deemsterde de internationale belangstelling weg, maar bleef het werk bij de Belgische orkesten populair. Dat resulteerde in verschillende plaat- en cd-opnames.

    En terecht: La mer is een ambitieus werk dat met zijn juveniele gloed, harmonische rijkdom en energieke orkestratie een nieuw geluid in de Belgische symfonische muziek liet horen. Gilson hing de hele compositie op aan een cyclisch motief dat rond de sixt van de begintoonaard kronkelt. Hij varieert en transformeert het motief, houdt het langs alle kanten tegen het licht, tot hij het in de finale in zijn beginvorm terugbrengt, maar dan met een haast Bruckneriaanse nadruk. In zijn excellente studie over Debussy's La mer (1994) wijst de Britse musicoloog Simon Trezise op een gelijkenis met het motief uit Debussy's Fantaisie voor piano en orkest (1889-1896). Trezise behandelt trouwens Gilsons La mer als een antecedent van Debussy's gelijknamige meesterwerk. Volgens Trezise moet Debussy Gilsons werk gekend hebben en is het geen toeval dat hij de ondertitel 'esquisses symphoniques' heeft overgenomen. Hij wijst verder op een aantal elementen uit het derde deel van Gilsons werk die hun licht vooruit werpen op Debussy's compositie, zoals de ambigue en chromatische harmonie, de arabeske-figuren in de houtblazers en de lontano-effecten in de hoorns. Trezise heeft ook bewondering voor Gilsons 'adventurous orchestration'; in zijn behandeling van de houten ziet hij een prefiguratie van Jeux de vagues. Dit verklaart de sensatie die Gilsons La mer bij de creatie veroorzaakte: de jonge man zorgde voor een nieuw geluid, al streefde hij naar een synthese van Liszt- en Franck-modellen; heeft zijn harmonie wortels bij Franck en d'Indy en is de orkestratie bij momenten Wagneriaans.

    Deze nieuwe opname van La mer is een excellent, een referentieopname. De Britse dirigent Martyn Brabbins houdt hoorbaar van deze muziek en beweegt het VRO-orkest tot een gloedvolle en tegelijkertijd precieze uitvoering. Wegens de uitstekende uitvoeringen en de 'volle' versie van La mer is dit een zeer waardevolle cd. Wel mag men hopen dat de programmatoren van de reeks Flemish connection zich niet blijvend spiegelen aan het pionierswerk van Frédéric Devreese (op Marco Polo), maar ook eens het oeuvre van nog niet eerder opgenomen componisten gaan exploreren en op cd zetten.

    Paul Gilson (1865-1942): orchestral works (Flemish connection VI) / Timora Rosler (cello), Vlaams Radio Koor, Vlaams Radio Orkest, Brassband Buizingen o.l.v. Martyn Brabbins (Et’Cetera)