ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 6 (februari 2003)

1. Overlijden Peter Welffens

Op 11 februari 2003 overleed in Deurne de componist Peter Welffens (1924 – 2003). Hieronder volgt een tekst van componist Wilfried Westerlinck, die Welffens van zeer nabij heeft gekend:

"Meer dan 40 jaar was Peter Welffens muziekdirecteur geweest van het Koninklijk Jeugdtheater van Antwerpen. Dit werd opgericht in 1945 onder impuls van Camille Huysmans en kwam onder de directie van Corry Lievens (Tante Corry) tot grote bloei. Met zijn meer dan 100 kinderliedjes die hij hiervoor schreef initiëerde hij de kinderen in de klassieke muziek. De bekroning van deze arbeid is ongetwijfeld de grote kindercantate Hoe de slakken hun huisje kregen die hij  in 1976 schreef naar een sprookje van Koningin Fabiola.

Ook heel wat balletpartituren leverde hij af voor Lea Daan (Choreografisch Concerto),  Jeanne Brabants (Het Schrijn) en de Compagnie de Lignière. Onthouden we verder: Jettatura( op een argument van Roger Avermaete), Siklus (Grant Strade) en Wandelen met Eva (Toon Brouwers).

Verder schreef hij twee symfonieën, een concerto voor klavecimbel, een Barok-suite, Schetsen uit het Jeugdtheater en twee strijkkwartetten. Zijn Rubens-Diptiek schreef hij in opdracht van de Stad Antwerpen voor het Rubens-jaar 1977 en zijn beklijvend Stabat Mater uit 1956 herwerkte hij in 1995. Hij ontving de Edward Keurvels prijs van Sabam in 1956 en de Lodewijk Mortelmans prijs in 1975.

Met Peter Welffens verliest Antwerpen ongetwijfeld zijn meest flamboyante componist. Opgeleid in het laat-romantisch ideaal, verstrakte hij de harmonie om geleidelijk een sterke aanhanger te worden van de polytonaliteit. Het gaf hem de mogelijkheid om de dramatische gegevens op verschillende niveaus scherp uit te lijnen.

De uitvaart vond plaats in het Crematorium van Antwerpen op maandag 17 februari 2003. Hierop waren tal van personaliteiten aanwezig: Gaston Nuyts, Ernest van der Eyken, Michaël Scheck, Walter Tillemans, Toon Brouwers, Frits Celis, Wim Henderickx, Jeanne Brabants en Julien Weverbergh." 

2. Raymond Schroyens over Flor Peeters

Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de geboorte van Flor Peeters schreef componist, organist en klavecinist Raymond Schroyens volgende interessante en persoonlijke bijdrage over zijn leraar (en latere collega), bij wie hij aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen in 1956 een eerste prijs orgel behaalde. 

"
Was Flor Peeters een componerend concertorganist, of was hij veeleer een concerterend orgelcomponist?  We zullen het precieze antwoord nooit weten, omdat hijzelf hieromtrent geen uitsluitsel heeft gegeven. Zijn lijfspreuk was “The organ is my castle”. Daartegenover staat dat hij reeds componeerde sedert zijn studentenjaren, en zei reeds heel vroeg zijn "eigen stijl en toonspraak" te hebben gevonden. Daar moet hij dus al naar op zoek geweest zijn als pril componist. Flor Peeters heeft 140 opusgetallen bereikt en iets méér dan 2000 orgelrecitals gespeeld over heel de wereld. Ben je in zo’n geval componist of concertist?

Wie geboren wordt onder het teken van de Kreeft, is iemand die verre reizen maakt, brede sociale contacten tot stand brengt, maar steeds naar zijn punt van vertrek weerkeert. Voor Flor Peeters wat dat punt Mechelen. Wat hij hierdoor bewerkstelligde was dat Mechelen een aantrekkingspunt werd voor vele jonge organisten uit alle continenten, die bij hem in de leer wilden komen. En met "alle continenten" bedoel ik ze werkelijk allemáál!  Al die studenten kenden zijn orgelcomposities, vooral de grote "monumenten" zoals Toccata, Fuga en Hymne op Ave Maris Stella op. 28, Vlaamse Rapsodie op. 35, Passacaglia en Fuga op.42, Sinfonia per Organo op.48, Lied Symphony op. 66, en het grandioze opus 100, die ze  - uit eerste hand -  definitief zochten in te passen in het internationale orgelrepertoire.

Flor Peeters genoot een gelukkig gesternte. Hij was intelligent, was opvallend muzikaal begaafd, was een niet onaantrekkelijke jonge man, en ontplooide een natuurlijke elegantie; maar hij bezat ook voldoende persoonlijkheid en vastberadenheid om rekening met zich te laten houden. Hij beschikte over een organiserende geest, kon - gewoon door de inclinatie van zijn diepe stem - iemand vrij vlug voor zijn eigen stelling winnen, en wist steeds, door zacht geïntoneerde autoriteit, een vriendelijke discipline te ontwikkelen. Bij alleszins 97 op de 100 gevallen ging dat zo.

Flor Peeters was de moderne afspiegeling van een Maestro: fotogenieke figuur, golvende haarsnit, modieuze kledij, (later) dik hoornen brilmontuur, ontspannen gelaatsuitdrukking, veelzijdige informatiebron. Hij poogde daarmee voornaamheid en eerbiedwaardigheid uit te stralen, die - zei hij - van nu af de ware status van een hedendaags kunstenaar diende te zijn. Hij beschouwde zich als een medevertegenwoordiger van de schare hedendaagse cultuur-overdragers, erfgenamen van een roemrijk verleden, bouwend aan een verheven toekomst. Daar hoorden tevens, zo vond hij, voor "elkeen die het waard was", een passende erkenning en een eerbare materiële status bij.

Ondanks sommige toen gangbare uiterlijkheden, was en bleef Flor Peeters een "gewoon" mens; een gemoedelijke kempenaar, die van eigen volk en heem hield, en die een pretje niet schuwde. Ook van hém zijn plezierige anekdoten bekend, waarmee hij jaren nadien nog gemoedelijk kon lachen. Zijn spontaneïteit verklaart wellicht waarom hij zowel door koningen, prelaten en ambassadeurs, als door ambtenaren, dagjesmensen en boerenvolk graag aangesproken werd. "Ieder zijn werk, ieder zijn omgeving", hield hij vol. En hij kon het zeker weten, als man, als vader, als kunstenaar, als wereldreiziger, als personaliteit van aanzien.

Onwillekeurig denken we hiermee aan de ere-galerij van befaamde Belgische musici die weerklank vonden (en wisten te behouden) in de wereld: De Bériot, Vieuxtemps, Ysaye, Lemmens, De Greef. Zij componeerden, concerteerden, waren geëerde pedagogen, en trokken niet weinig de aandacht op ons kleine land. Daar plaatsen wij Flor Peeters zonder enige aarzeling bij, want al speelde hij concerten overal ter wereld, hij heeft ook meerdere tientallen leerlingen naar Vlaanderen geloodst, en andersom, vanuit Vlaanderen over een groot deel van de wereld uitgestuurd.

Het belang dat ons land hierdoor verwierf is niet gering geweest, want niet alleen België, maar vooral Vlaanderen werd voor vele buitenlanders een geografische werkelijkheid. "Flanders, in Belgium", meer zelfs: "Mechlin in Flanders, halfway between Antwerp and Brussels". Op het vlak van orgelspel was ons landsgedeelte inderdaad een gezaghebbend uitstralingsgebied geworden, en groeide o.a. het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen uit tot een aantrekkingspool die, vaak duizenden mijlen ver, jonge musici beroerde. Van wáár ze ook kwamen, telkens droegen zij een stel partituren van directeur Flor Peeters bij zich, want zowat alle belangrijke muziekuitgevers ter wereld hadden werk van hem gepubliceerd. Niet zo bijster veel landgenoten zijn er aan toe gekomen hun composities uitgegeven te zien bij Lemoine Parijs, Heuwekemijer Amsterdam, Schott Mainz, Peters New York, Novello Londen en Schwann Düsseldorff. 

Er school een "aantrekkelijke veelzijdigheid" in zijn kunst, die zowel uitvoerder als toehoorder bleef boeien. Men erkende in Flor Peeters’ interpretatie- en compositiestijl een evenwicht tussen vormbeheersing en klankbegeestering, tussen denkvermogen en gemoedsexpressie; eigenschappen die ook in onze gotische en renaissance-bouwwerken werden teruggevonden, en daar tot groot meesterschap waren gebracht. Desondanks was hij een echt kind van zijn tijd, en zweefde zijn geest niet uitsluitend in vroegere eeuwen. "Een scheppend kunstenaar heeft tot taak ideeën en emoties als eeuwigheidwaarden naar elkaar toe te brengen". Meermaals heeft Flor Peeters deze gedachte in essentie geparafraseerd en haar zélf ook nagestreefd. Ze bracht niet alleen nieuwe expressiemiddelen aan het licht, maar ook een osmose van eertijdse  met hedendaagse uitdrukkingsmiddelen. 

Vergeten we toch niet dat één van de ontwikkelingsfazen van de (post)romantiek was: de belangstelling voor vervlogen eeuwen, waaruit tenslotte wereldwijd de huidige grote voorliefde voor de gotiek, de renaissance, de barok en het classicisme zijn voortgesproten. Flor Peeters was hierover goed geïnformeerd en gedocumenteerd. Hij zocht (al gold het toen nog veel tastwerk) en vond een palet dat hem begeesterde, met daarin zowel de archaïserende sonoriteiten die aan een Dufay refereerden, als het volumineuze glinsterwerk dat naar orgelmeesters als Cornet en Van den Kerckhoven verwees. Maar het leek toch vooral het contrapuntische beitelwerk van de gotiek te zijn dat zijn compositiearbeid in de greep hield, hoewel de oplaaiende gevoelsconstructies uit de laat-19de/ vroeg-20ste eeuw zich niet totaal lieten wegdrukken. Deze vermenging van impulsen plaatsten Flor Peeters als orgelmeester hierdoor op een kruispunt van cultuurstromingen, daar hij als Vlaamse Belg het Romaanse met de Germaanse genie perfect wist te combineren. Dat maakte hem enigszins uniek in zijn interpretaties van zowel De Grigny als Buxtehude, Franck als Reger, Tournemire als Hindemith. Zowaar geen geringe verdienste!

Wie Flor Peeters live gehoord heeft oordeelt ánders over hem dan zij die hem slechts gehoord hebben “van horen zeggen” of van op CD. Wie hem nooit echt ontmoet of gesproken heeft weet niets af van zijn kalmerende charisma, van zijn oprechte menselijkheid, van zijn gave tot mededeelzaamheid. Wie Flor Peeters alleen maar oppervlakkig of met een vooroordeel benadert, kan onmogelijk tot het besef komen hoe belangrijk hij op vele domeinen wel geweest is, zowel binnen als buiten de orgelwereld!
En, wie dat allemaal wél heeft meegemaakt, weet op de duur niet meer precies of Flor Peeters nu leraar, raadgever, vriend of vader is geweest. Maar dat hij uit het leven van de betrokkene niet meer weg te denken valt, is een axioma."

Raymond Schroyens
Gent, februari 2003 

3. Concerten

  • Turnhout (Pinksterkerk, Koningin Astridlaan) - 23 maart 2003 - 15 u.:
    Herdenkingsconcert Flor Peeters met Kristine Hermans (zang), Els Swinnen (piano), Chris Dubois (orgel) en het Turnhouts gemengd koor De vedel o.l.v. Maurits Duyck. Reservatie: 014/ 61 56 02.
  • Brussel (Koninklijk Conservatorium, Regentschapstraat, 30) - 24 tot 28 maart 2003: “De week van het interbellum” Het conservatorium van Brussel organiseert een volledige week rond de muziek uit het interbellum. Naast lezingen en tentoonstellingen zijn er dagelijks concerten met nogal wat Vlaamse/Belgische componisten op het programma: August Baeyens, August De Boeck, Paul Gilson, Albert Huybrechts, Joseph Jongen, E.L.T. Mesens, Marcel Poot… Meer informatie: 02/513 45 87 – www.kcb.be
  • Sint-Niklaas (kapel klooster, Plezantstraat, Sint-Niklaas) - 30 maart - 15u: Het Goeyvaerts Consort zingt zijn lijfstuk, met name “Het Passieverhaal volgens Matteus”, de “Vlaamse Matteuspassie” uit 1973 van Norbert Rosseau (1905-1975). Op het programma staat verder ook “Kanon 9” en “Gebed na de kanon” van Arvo Pärt. Organisatie: O.L.V. Presentatie-klooster, tel. 03.760.08.70. Verdere inlichtingen: 055.30.40.26 of goeyvaerts.consort@wanadoo.be 
  • 4. Publicaties

  • Een essay over Hendrik Conscience en de muziek verscheen in:
    Edward Vanhoutte (red.), De ene Leeuw is de andere niet. Zeven maal De Leeuw van Vlaenderen herlezen. Antwerpen: AMVC-Letterenhuis, 2002. 176 p., ill. ISBN: 90-76785-05-8.

    Toen Hendrik Conscience De Leeuw van Vlaenderen of De Slag der Gulden Sporen in 1838 de wereld instuurde, kon hij enkel hopen dat dit het begin van de Nederlandstalige literatuur in België zou worden. Meer dan anderhalve eeuw lang heeft De Leeuw een groot lezerspubliek geboeid in tal van herwerkte, hertoetste, hertaalde, bewerkte, geadapteerde of verstripte versies. Vandaag de dag zijn het boek en zijn verhaalstof weliswaar tot ons collectief geheugen gaan behoren, maar of De Leeuw nog daadwerkelijk gelezen – laat staan herlezen – wordt, is veel minder duidelijk.

    In zeven originele bijdragen gaan de auteurs van deze essaybundel op zoek naar argumenten voor het (her)lezen van De Leeuw van Vlaenderen – dé klassieker onder de klassiekers. Elk vanuit hun eigen specialisme en invalshoek hebben de zeven auteurs De Leeuw van Vlaenderen herlezen, en behandelen ze achtereenvolgens de sociaal-politieke betekenis van het Voorwoord, de literariteit van de roman, de historische context van de verhaalstof, de invloed van en op de Poesje van Antwerpen, de wisselwerking tussen de literaire wereld van Conscience en het muziekleven in de 19de eeuw, en het belang van de roman voor de beeldende kunsten.

    De essays zijn van de hand van Guido Fonteyn, Johan Van Iseghem, J. Mertens, Rolf Falter, Alfons Thys, Jan Dewilde en Bart Stroobants. Het boek wordt voorafgegaan door een inleiding van samensteller Edward Vanhoutte, die als coördinator van het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde tevens de editeur is van de tekstkritische editie van De Leeuw van Vlaenderen (Lannoo, 2002).
  • Inhoud
  • Vooraf - Leen van Dijck
  • Inleiding: Zeven argumenten voor het herlezen van De Leeuw van Vlaenderen - Edward Vanhoutte
  • Hendrik Conscience, L'Ame Belge, en de Walen - Guido Fonteyn
  • De ouverture van ‘De Leeuw van Vlaenderen' - Johan Van Iseghem
  • 1302 en de relativiteit van het geschiedenisbeeld - J. Mertens
  • Braveheart op de Groeningekouter: de militaire revolutie van de slag van Kortrijk - Rolf Falter
  • De Leeuw van Vlaanderen: sedert 1894 in de Antwerpse poesjenellenkelder - Alfons Thijs
  • Conscience, de leeuw en een lusthof vol muziek… Muzikale sporen van De leeuw van Vlaenderen en zijn auteur - Jan Dewilde
  • Literatuur en beeldende kunst tijdens de 19de eeuw: een vruchtbare kruisbestuiving - Bart Stroobants

    Te bestellen bij uw boekhandel of bij het AMVC-Letterenhuis, Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen.
    Tel.: 03 222 93 20
    Fax: 03 222 93 21
    E-mail: amvc@cs.antwerpen.be.
  • Herman Kerstens, Vlaamse organisten sinds 1900 in het buitenland, Tongerlo, 2002.
    Te bestellen bij: Kempense Cultuurkring, Abdijstraat 40, 2260 Westerlo.
    Tel.: 014/53 99 00
    Fax: 014/ 53 99 08
    E-mail: abdij@tongerloo.org  
  • 5. Nieuwe cd

    Bij Phaedra verscheen onlangs de cd Arthur Meulemans (1884-1966) – Orchestral music
    (In Flanders’ Fields vol. 31 - Phaedra 92031).

    Deze cd met kleinere, minder bekende orkestwerken van Meulemans, bevat niets dan cd-premières:

  • Kermisfantasie op twee volksrythmen naar een schilderij van David Teniers
  • Twee movimenti voor viool en orkest
  • Twee idyllen voor hobo en orkest
  • Ouverture tot de opera Adriaen Brouwer
  • Concerto voor hobo en orkest
  • Rhapsodie voor klarinet en orkest
  • Twee dansen voor orkest

    Uitvoerders zijn: Piet van Bockstal (hobo), Ludmila Peterková (klarinet), Jindřich Pazdera (viool), Hradec Králové Philharmonic Orchestra o.l.v. Herman Engels.

    Deze week beginnen in de Academiezaal in Sint-Truiden de opnamen van een nieuwe Phaedra-cd, deze keer met liederen van August De Boeck door de Zweedse zangeres Nina Stemme, aan de piano begeleid door Jozef De Beenhouwer. Deze uitvoerders brachten deze De Boeck-liederen onlangs met veel succes in de Giresta Kyrka in Uppsala.
    De voorzitter van de organiserende Dag Hammarskjöld Foundation, Olle Nordberg, schreef in een bedankingsbrief aan Jozef De Beenhouwer: "Everybody I have talked to is very positive, well even euphoric about it.
  • 6. Stroppe la Corde

    Als historische tekst sluiten we deze nieuwsbrief met een artikel van de overleden componist Peter Welffens. In juni 1994 publiceerde hij in Muziek & Woord volgende tekst over de ontstaansgeschiedenis van zijn opera Stroppe la corde:

    "Het Middelnederlandse dierenverhaal Van den vos Reynaerde is een ongenadigde satire op mens en maatschappij. De figuur van de vos en al wat hij voorstaat inspireerde talloze kunstenaars, in woord, muziek en beeld. Zo ook de net 70-jarige componist Peter Welffens. Dat het ontstaan van zijn opera, door samenloop van omstandigheden, bijwijlen Kafkaiaanse vormen aannam, lezen we hier in zijn verhaal.

    Nochtans droomde ik ervan, het was begin jaren zestig, ooit een opera te schrijven. Het lot had het zo gewild dat theater (toneel, opera en ballet) mijn vertrouwd milieu zou worden. Ik schreef hier in Antwerpen een aanzienlijk aantal partituren voor produkties van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, het Koninklijke Jeugdtheater en het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst (Studio Herman Teirlinck), alsook voor de toenmalige Antwerpse dansgroepen van Lea Daan en Jeanne Brabants (meer recent ook voor de Compagnie Aimé de Lignière). Het onderwerp voor mijn "droomopera" zou "de Schone en het Beest" zijn. Maar waar kon ik een geschikt Nederlandstalig libretto vinden? Ik heb toen verschillende auteurs benaderd o.m. Clem Schouwenaars en, naar ik meen ook Hubert Lampo, die toen tot de "entourage" van de "Gewestelijke Omroep Antwerpen" behoorden, waar Renier Van der Velden toen de muzikale scepter zwaaide, en waar ik ook "vriend aan huis" was. Zonder resultaat echter.

    Toen begon het toeval te spelen. Begin 1963 vroeg Leonce Gras mij enige repetities te begeleiden van het destijds zeer vermaarde St. Lievensknapenkoor dat zou meewerken aan een uitvoering onder diens leiding (ik had af en toe wel eens audities begeleid op het Flageyplein). Het toeval nu wou dat bij deze repetities Mark Liebrecht en Eddy Steylaerts aanwezig waren, de uitvoering zou immers uitgezonden worden door de televisie. Tijdens mijn gesprekken met Mark Liebrecht en Jan Hellinckx viel het woord "jeugdopera" en of ik die niet wou schrijven, dit alles in het vooruitzicht van een televisieproduktie. Zo begon de bal te rollen. Na enig zoeken en afwijzen kozen wij de Reinaert-versie van Eduard Veterman, een barokke herdichting uit het Middelnederlands. Deze, hoewel archaïsch klinkende, herdichting bleek een zingbaar Nederlands, want zoals reeds vermeld, een "zingbaar" Nederlandstalig libretto vinden was (en is) problematisch. Ik vond trouwens dat een epos als Reinaert een archaïsch klinkende taal gerust kon verdragen. Bij de compositie, die ik aanving op 6 mei 1963, bleek al vlug (na tweederde van het eerste bedrijf) dat de compositie boven de opdracht uitgroeide, bovendien waren er in het St. Lievenscollege moeilijkheden gerezen rond het knapenkoor. Het zou dus geen jeugdopera maar een gewone, avondvullende opera worden. Op aandringen van Mark Liebrecht componeerde ik verder (met ettelijke onderbrekingen omwille van ander kleine opdrachten) zodat op 13 mei 1964 het tweede bedrijf voltooid was. Toen echter begon een zenuwslopend, drie maanden durend "welles-nietes"-spelletje rond een mogelijke uitvoering,  tot begin augustus ’64 de beslissing viel: een verkorte versie voor televisie op 11 juli 1965, en een serie integrale opvoeringen in de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen (seizoen 1965-’66).

    Ondertussen was mijn compositie-in-wording immers opgenomen in het "vijfjarenplan" van Minister van Cultuur Renaat Van Elslande en K.V.O.-directeur Renaat Verbruggen. Andere opera’s in dit plan waren o.m.: De Antikwaar van Jef Maes, De verzoeking van St. Antonius van Louis De Meester en Willem Van Saeftinge van Freddy Devreese.
    Ondertussen moest ik tijdens de resterende tijd in ijltempo nog het derde bedrijf schrijven en het geheel orkestreren. Op 3 december 1964 was alles voltooid. Verder tribulaties rond het aanmaken van het nodige materiaal, evenals de stress bij de voorbereiding , laat ik hier onvermeld. Op 11 juli 1965 ging de televisieversie op antenne en op 5 maart 1966 vond, onder mijn leiding, de creatie plaats van de integrale versie in de K.V.O. in Antwerpen.

    De opera is "durchkomponiert" met gebruik van het "leitmotiv"-principe. Ieder figuur heeft zijn motief, motieven die constant in de orkestbegeleiding aanwezig zijn. Het muzikale idioom is een zeer chromatische polytonaliteit. Daar er reeds een Vlaamse opera bestond met als titel Reinaert de Vos (van August De Boeck), suggereerde Mark Liebrecht als titel Stroppe la corde.

    Het verhaal van Reinaert is, naar ik aanneem, eenieder welbekend. In de versie van Veterman treedt ook een "Ezelskoor" op dat, evenals in de Griekse treurspelen, het gebeuren sarcastisch commentarieert. Deze commentaren betreffen vooral het relatieve in de menselijke rechtspraak. In de televisieserie, waarvan in deze uitzending de klankband gebruikt wordt, komen maar twee korte fragmenten van deze ritmisch gereciteerde koren voor. Het eerste, met z’n zeurende toon, is bedoeld als persiflage op de manier waarop in de gerechtszaal wel eens langdurig acten voorgelezen worden.

    Ook persiflerend bedoeld is de figuur van Courtois. Deze figuur, met zijn geradbraakt Frans, als prototype van de toenmalige "bourgeois", gaf me de gelegenheid een loopje te nemen met het "belcanto". Ook moet vermeld dat het tweede bedrijf met o.m. de bezoeken van Meneer Bruin en Juffrouw Tybaert aan Reinaert, voor een groot deel is samengevat in twee pantomimes, voor de televisieversie geschreven voor klavecimbel, celesta en percussie.

    Een historisch aspect van deze opname is wel dat ik toen als laatste gebruik maakte van het grote orgel in Studio 4 aan het Flageyplein; de reciterende stem die men hoort is die van Mark Liebrecht."

    Peter Welffens
    Muziek & Woord, juni 1994, p. 11.
    (Met dank aan Leen Boereboom – VRT, Muziek & Woord)