ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 60 (september 2007)

1. De ontdekking van het Mustel-harmonium in het Antwerpse Stadhuis: verslag van een zoektocht 
door Annelies Focquaert

Ik geef het toe: bij het schrijven van mijn artikel over Anton Brees (SVM-Nieuwsbrief 59 van juli-augustus 2007) heb ik gevoelige informatie achtergehouden. Ik schreef in de zomer als inleiding: "Dat we ons ook in onze vrije tijd nog bezighouden met onderzoek en prospectie, mag blijken uit een recente vondst op een rommelmarkt: een postkaart alias visitekaartje uit de jaren 1910-1930 van een knappe 'jeune premier'. Het blijkt te gaan om Antoon Brees, naar eigen zeggen hulpbeiaardier van de Kathedraal van Antwerpen. Wie was deze Antoon Brees?" Maar wat ik verzweeg, was dat die tekst onvolledig was. De volledige tekst op de postkaart luidde namelijk: "ANTWERPEN. Antoon Brees, Hulpbeiaardier. Orgelist der Trouwzaal van het Stadhuis."

Het was natuurlijk deze laatste zin die mijn aandacht trok, want als organiste met een jarenlange studietijd in Antwerpen, kon ik wel met zekerheid zeggen dat er over een orgel in het Stadhuis niets bekend was. Mijn speurneus rook een verhaal en dus zocht ik uit wie Antoon Brees was; wat resulteerde in mijn eerder vermelde artikel. Maar over de echte aanleiding voor mijn onderzoek kon ik niets vinden in de geijkte bronnen, dus gaf ik het spoor bijna op. Tot een simpel telefoontje naar de balie van het Stadhuis bevestigde dat er inderdaad ergens achter een schilderij een orgel moest verstopt zitten. Meer informatie was er echter niet voorhanden, dus trok ik op aanraden van Jan Dewilde naar het Stadsarchief, op zoek naar administratieve sporen van dit ongrijpbare instrument. Mijn mond viel open van verbazing toen ik er inderdaad een dossier (nummer 6387) met als titel "Stadhuis – Trouwzaal – Orgel" vond, met daarin onder meer de originele factuur van de aankoop van een Mustel-harmonium, "modèle 5" voor het Stadhuis. Andere documenten wezen erop dat dit harmonium inderdaad door onder meer Antoon Brees bespeeld werd tijdens huwelijken; alleen was het niet duidelijk waar het harmonium dan wel opgesteld stond. Het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek contacteerde hierop het kabinet van schepen Heylen, die zorgde voor een "vrijgeleide" naar het Stadhuis op woensdag 26 september. Alle puzzelstukken vielen op hun plaats toen iemand erop wees dat er in het schilderij Het huwelijk bij de Oude Belgen in de Trouwzaal van het Stadhuis, een vreemde knik zat. Aan de andere kant van het schilderij bleek zich een piepkleine tussenverdieping te bevinden, die gebruikt werd als bergruimte: en daarin stond inderdaad het bestofte maar goed bewaarde Mustel-harmonium.

Het was een magisch moment, toen ik het instrument mocht wakkerspelen. Zonder een zucht, zonder gekraak of tegenspraak deed het harmonium waar het al zo’n zeventig jaar geleden noodgedwongen mee opgehouden was, namelijk weerklinken in de Trouwzaal, zonder dat iemand kon zien waar dat hemelse geluid vandaan kwam. Onverhoeds kwam heel de pracht en praal van de late 19e eeuw tot leven… En even onverhoeds bleek deze ontdekking interessant nieuws te zijn, zoals u misschien de dagen erna in de pers hebt gelezen.

1898-1918
Uit de documenten in het Stadsarchief valt veel bijzondere informatie op te maken, die het plaatje nog duidelijker maken. Het oudste document in het dossier dateert van 12 september 1898: toen besliste het college van burgemeester en schepenen om in te gaan op het voorstel van de heer Van Kuyck, toenmalig ambtenaar van de burgerlijke stand, om een harmonium aan te kopen - een jaar later werden op diens advies trouwens ook een tafelkleed en een tapijt aangekocht voor de Trouwzaal. Er werd een krediet van 4.000 frank vrijgemaakt voor de aankoop van het harmonium: omgerekend naar vandaag is dat het mooie bedrag van meer dan 25.000 euro (volgens Mustel-kenners een koopje).

Het volgende document, gedateerd op 11 oktober 1898, legde vast dat voor huwelijken op bijzondere dagen (buiten de vaste dinsdag en zaterdag) 15 frank moest worden betaald, en men ging er daarbij van uit dat dit jaarlijks 500 frank inkomsten zou opleveren (3.178 euro). De uitgaven voor de organist bedroegen jaarlijks 350 frank voor orgelspel op de gewone dagen, en 5 frank voor buitengewone dagen. Uit dit document komen we ook te weten dat Karel Gras (1875-1936) de toenmalige organist-harmoniumspeler was: hij was een leerling van kathedraalorganist Joseph Callaerts en de vader of oom (daarover bestaan tegenstrijdige verklaringen) van dirigent Léonce Gras.

Op 24 oktober 1898 ontving het college de volgende factuur vanwege Louis Anthonis, een pianohandelaar uit de Antwerpse Rue d’Aremberg 27:

"Pour livraison à l’Hôtel de Ville d’un harmonium Mustel modèle 5, caisse en chêne ciré,
clavier transpositeur. 3800 fr.
Douane 200 fr.                                                                                                                                                  

Het model 5 was in 1898 een kerkharmonium met transpositieklavier en zonder 'percussion': dat wil zeggen dat het klavier op een andere toonhoogte kon verplaatst worden en dat er geen systeem was om de metalen 'tongen' (die de klank veroorzaken) snel in actie te slaan. Dit in tegenstelling tot het "harmonium d’art" - het beroemdste, beste en duurste model van Mustel - dat wel 'percussion' maar geen transpositieklavier had. Afgezien van deze verschillen heeft dit zeldzame kerkmodel wel degelijk alle kwaliteiten van het beroemdere "harmonium d’art".

Het instrument werd intens gebruikt, zo valt af te leiden uit een factuur voor reparaties aan het harmonium, uitgevoerd door Louis Anthonis in mei 1907. Eind december 1911 stelde de bevoegde schepen voor om het loon van de organist op te trekken, waardoor Gras inderdaad vanaf 1912 10 frank kreeg per buitengewoon huwelijk.

1919
Op 17 december 1919 komt Antoon Brees voor het eerst met zekerheid in beeld: hij deelt aan de bevoegde schepen mee dat het harmonium dringende herstellingen nodig heeft, en hij tekent met "organist der Trouwzaal". Het college laat er geen gras over groeien en al op 24 december antwoordt P. Anthonis (waarschijnlijk de zoon en opvolger van pianohandelaar Louis Anthonis): "Gevolg gevende aan uw aanvraag heb ik den harmonium van de Trouwzaal nagezien. Buiten verschillende gebreken welke men op het eerste zicht kan bemerken, zijn er andere, welke voor het goed behoud van de harmonium nadeelig zijn. Het speeltuig moet geheel nagezien worden." De prijs van deze reparatie wordt door Anthonis geschat op 300 fr., aangevuld met transportkosten en de huur van een vervanginstrument; midden februari 1920 is het weer hersteld.

Het is mogelijk dat Brees in december 1919 nog niet zo lang aan zijn opdracht bezig was en dat hij, mede door de oorlogsperikelen, het instrument in niet al te beste staat had aangetroffen; het zou ook kunnen dat hij al voor 1914 onofficieel aan het werk was, aangezien het laatste spoor van Gras uit 1912 dateert. Vanaf 1921 vinden we verschillende brieven waaruit blijkt dat Brees herhaaldelijk om opslag vroeg, zeker voor de huwelijken op bijzondere dagen – immers, na de oorlog was die vergoeding hetzelfde gebleven terwijl de prijzen van de dagelijks leven drastisch gestegen waren. De vaste vergoeding was wel mee gestegen (van 600 fr. per jaar vòòr 1914, naar 150 fr. per maand in 1920), maar de bijzondere vergoeding was blijven hangen op 10 fr. Uiteindelijk werd in november 1921 beslist om Brees opslag te geven naar 15 fr. voor huwelijken op bijzondere dagen. Uit een daaropvolgende nota van overste Baeyens aan de Stadssecretaris blijkt enige ergernis om Brees’ aanhoudend gevraag (let op de onderstrepingen)[nvdr: in vet]: 

"28 november 1921

Stad Antwerpen. Gemeentebestuur. Secretariaat. Nota voor den heer Stadssecretaris.

De vaste maandwedde van den heer Brees, A., tijdelijke orgelist, werd met ingang op 1 augustus 1920 gebracht op 150 fr. (voor den Dinsdag en den Zaterdag). Voor de huwelijken op bijzonder dagen ontvangt hij 10 fr. per huwelijk en 5 fr. voor onderhoud van het harmonium. Deze vergoeding wordt door de Stadskas uitbetaald per kwartaal op voorlegging eener rekening van den heer Brees, goedgekeurd door den Heer Overste van het 5e Bureel B. Deze uitgaaf wordt in 1921 gedaan op een krediet van 2000 fr., voorzien in de begrooting. […]
De Bestuurder, Overste,
Get. Grégoire Baeyens.

P.S. Mijnheer Brees heeft in den loop van dit jaar gevraagd om Gemeente bediende te worden. Dit werd afgewezen door het College."

Het is levendig voor te stellen dat Brees niet tevreden was met de weigering om hem een vaste baan te geven, en dat hij vanaf dan uitkeek naar andere werkmogelijkheden. In die periode volgde hij lessen aan de pas opgerichte beiaardschool in Mechelen en in de loop van 1921 werd hij ook beiaardier van het huidige districtshuis van Borgerhout. Helaas werd hij ook daar teleurgesteld: de beiaard was in slechte staat en werd, ondanks goed advies van Brees, niet naar behoren hersteld. In elk geval was Antoon hulpbeiaardier in de Kathedraal, waar hij zijn vader Gustaaf, die er hoofdbeiaardier was, bijstond. We zien hen regelmatig (en in symmetrische afwisseling) optreden als beiaardier tijdens "den Beiaard". Maar dit alles bood blijkbaar toch te weinig perspectief en dus vertrok Brees in september 1925 naar de Verenigde Staten, waar hij een pracht van een carrière maakte.

In maart 1929 was er een nieuwe (en voorlopig onbekende) organist met de naam Cuykens, die het college adviseerde om het harmonium na te kijken:

"Ingevolge van het advies van den heer Cuykens, orgelist, dient worden nagezien
1° het dubbel klavier
2° 4 spelen (registers)
3° de verbinding om de spelen voor te bereiden
Bovendien moet het harmonium gestemd worden."

Deze werken gebeurden ook inderdaad, maar een jaar later moest het harmonium opnieuw worden gerepareerd, en de kosten liepen tamelijk hoog op. In elk geval blijkt uit de huidige staat van het instrument dat het na al die jaren behoorlijk goed in orde is: aan de kwaliteit van de bouw zal het dus niet gelegen hebben, misschien eerder aan de capaciteiten van de organist.

Op 6 juni 1933 verscheen in de Gazet van Antwerpen het volgende veelzeggende bericht:
"BELACHELIJK! Burgemeester Huysmans heeft zijn excentriek gedacht toch doorgedreven en het orgelspel in de Trouwzaal vervangen door pick-updeuntjes. Als dat de trouwplechtigheden moet opluisteren en den kunstzin moet bevorderen, dan weten wij er alles van! We meenden te weten, dat heer Huysmans, die al maanden met een pick-up in zijn karakteristieken kop liep, op veel tegenstand aanbotste, maar hij heeft getoond dat zijn wil hetzelfde is als wet, en dat de anderen niets in de pap te brokken hebben. Maar om dat te toonen heeft hij waarlijk een slecht onderwerp gekozen. Wanneer wordt de pick-up vervangen door een straatorgeltje?"

En inderdaad, op 7 december 1933 werd er een pick-uptoestel met toebehoren aangekocht ter waarde van 13.264 fr. (ofwel 9.328 euro; alhoewel dit veel geld lijkt, werd de berekening gemaakt volgens informatie van de Nationale Bank van België). Het harmonium bleef nog wel in gebruik, maar niet voor lang: het laatste document waarin sprake is van een vergoeding voor de organist, dateert van 25 november 1935, en daarin wordt de post vermeld onder:
Lijst der vergoedingen voor buitengewone werkzaamheden van toevallige aard:
"… Diensten van de orgelist der Trouwzaal bij huwelijken met luister: 30 fr."

Het is aannemelijk dat het harmonium vanaf 1935 langzaamaan in onbruik is geraakt, tot het op 26 september 2007 herontdekt werd. De goede staat van het instrument is wellicht te danken aan het feit dat het al die tijd onaangeroerd op zijn originele plaats is blijven staan: geen licht, extreem vocht of extreme droogte hebben het aangetast. Het is uitzonderlijk dat het instrument nog op zijn originele plaats staat en dat de originele factuur nog bewaard is; nog uitzonderlijker, en bijna niet te geloven, is dat het na al die jaren ook nog zo mooi klinkt.

Nu is het wachten op iemand die de sleutels vindt van de beide opbergkastjes boven het harmonium, zodat ook de partituren die zich daar waarschijnlijk achter bevinden, weer tot leven kunnen komen… Wordt dus hopelijk vervolgd!

PS: Op 5 juli 1907 besliste het college het volgende: "Beiaardspel. In ’t vervolg zal er gebeierd worden voor de huwelijken, die hiertoe ’t verzoek zullen doen. Er zal gespeeld worden van ’t ogenblik der intrede in de Trouwzaal tot aan ’t vertrek. De vergoeding, hiervoor verschuldigd, zal 50 fr. bedragen, […], waarvan de helft zal komen ten gunste van de beiaardier en de andere helft in stadskas zal gestort worden voor onderhoud en onkosten van klokkenspel. Eene electrische lamp zal aangewend worden op den toren, ten dienste van de beiaardier, tegelijk met een seinknop, gaande van ’t Stadhuis (Trouwzaal) naar het vertrek van de beiaardier." Aangezien deze nota zich in hetzelfde dossier 6387 bevindt en een afschrift werd bezorgd aan Gustaaf Brees, is het aannemelijk dat "den draad" vanuit het kleine kamertje beneden achter de Trouwzaal, naar het kleine torenkamertje boven in de toren liep: een rode draad tussen organist en beiaardier, tussen zoon Antoon en vader Gustaaf… Zou deze knop nog werken? 

2. Geknoopte oren : Morgenstemming van Lodewijk Mortelmans
door Tom Janssens

In de rubriek Geknoopte oren zetten we elke maand een ander, interessant werk van een Belgisch componist in de kijker. We letten erop werken te kiezen die niet alleen de moeite waard zijn om te beluisteren, maar die u ook op cd terug kunt vinden. Deze maand is het de beurt aan Morgenstemming van Lodewijk Mortelmans (1868-1952).

Op 26 oktober speelt deFilharmonie onder leiding van Jaakko Kuusisto in deSingel Mortelmans’ Morgenstemming. Reden genoeg om dit symfonisch gedicht eens van naderbij te bekijken, vooral dan omdat verder op het programma ook het Pianoconcerto van Edvard Grieg geprogrammeerd werd. Kan Mortelmans’ orkestrale ochtengloren zich staande houden naast dé componist die de morgenstemming van een onsterfelijke soundtrack voorzag? Wie Griegs Morgenstemming in de oren neemt, zal meteen de verschillen opmerken. Begint Griegs Morgenstemming met een pastoraal wiegende ochtendhymne, dan is Mortelmans’ visie op de zonsopgang heel wat symbolischer. Mortelmans begroet de ochtend met een ietwat naïeve hoornroep, die onmiddellijk beantwoord wordt door mummelende strijkers. Het licht van deze eerste zonnestralen komt onmiskenbaar van Richard Wagner, en het is niet moeilijk een reminiscentie te zien tussen deze partituur en passages uit de tweede scène uit Das Rheingold, die niet toevallig begint met het ontwaken van Wotan en Fricka. Grijpt Mortelmans’ partituur naar Wagneriaanse hoogten? Het lijkt er sterk op, want pal na het herhaalde hoorngeschal duikt een verkapte parafrase van de repetitieve aanhef van Das Rheingold op, waarin de stromende Rijn het zonnelicht weerkaatst: deze ochtendstond heeft inderdaad goud in de mond. Wagneriaanse stemmingslyriek kan zo vroeg op de ochtend nogal tegenvallen, maar Mortelmans weet heel goed waar hij naartoe wil. De componist laat strijkers en houten evolueren naar een speelse en om zichzelf cirkelende fluitfiguur, die uiteindelijk het hele orkest laat openbreken in wat – zo vermoedt de romanticus in ons – de voltooide zonsopgang moet wezen. Het ganse orkest ontvouwt vervolgens met veel animo een heerlijke melodie (inclusief de voor Vlaamse muziek typerende versnelling aan het einde van een frasering), alvorens terug te grijpen naar de aanhef van deze Morgenstemming. De klarinetten nemen de hoornroep enigszins getransformeerd over, en bereiden zo een herhaling van de net daarvoor gehoorde hoofdmelodie voor. Afsluiten doet Mortelmans op dezelfde manier waarop hij dit staaltje ochtendkrieken aankondigde: met Wagneriaans golvende, boven elkaar gestapelde motiefjes. We zijn nauwelijks twee minuten ver, en de ochtend lijkt al voorbij te zijn. Mortelmans is er duidelijk de man niet naar om zoals Grieg de dageraad over een hele compositie uit te smeren. Wat volgt op Mortelmans’ eerste zonnestralen is in de eerste plaats een landelijke melodie (aanvankelijk gespeeld door de hobo, later – door middel van een meesterlijk bruggetje – door de strijkers). Een paukenroffel en een plotse ommeslag naar mineur verraden reeds dat deze morgenstond niet onbezwaard zal verlopen… Mortelmans legt de melodie niet neer, maar schakelt gelijk over naar een iets gejaagdere passage, waarin voor het eerst de trompetten duidelijk naar voren treden. Opnieuw is het harmonisch evenwicht zoek en is het wachten tot de aan de hoornroep refererende klarinet de nieuwe toonaard stabiliseert. Een nieuwe orkesteruptie dient zich aan, al is de vitale draagkracht daarvan beduidend zwakker dan de triomfantelijke uitbarsting van even daarvoor. Mortelmans gaat opnieuw de dieperik in, maakt zijn strijkersfiguren langer en mysterieuzer en strandt uiteindelijk op een quasi bewegingsloos platform. De optimistische levensvreugde die we gepaard zagen met het ontluiken van de eerste zonnestralen, heeft plaats geruimd voor een heel wat bedachtzamere kijk op de natuur. Het is alsof Mortelmans de blik plots binnenwaarts keert, en daar een nederig, haast religieus weerwoord vindt op de virulente natuurweelde van daarvoor. Toch is de introspectieve bezinning geenszins mistroostig: met behulp van langademige houten, atmosferische strijkers en een archaïsche harmonievoering presenteert Mortelmans een van de meest ontroerende passages uit de Vlaamse orkestliteratuur. We denken daarbij prompt aan de existentiële verstilling die later wel eens opduikt in Amerikaanse neoromantiek (men denke aan Barbers Tweede symfonie, Hansons Lux aeterna of Schumans New England triptych). Uiteindelijk lijkt de introverte Mortelmans zich te verzoenen met de natuur, want via een hobosolo en een uit het niets aanzwellende strijkersgroep voert hij de luisteraar naar een fraai geharmoniseerde versie van de aanhef. Het is alsof hier – na de daadwerkelijke en de innerlijke ochtendstond – een derde zonsopgang plaatsvindt. Het effect is wonderlijk, want deze nieuwe morgen staat duidelijk in het teken van de bezinning. Minder pompeus, rijker geschakeerd, meer orkestkleuren: deze derde ochtendstond is niet langer louter natuur, maar de poëtische versie van de zonsopgang, ervaren door de blik van de kunstenaar. Pas nu wordt de afstand duidelijk tussen de Wagneriaanse grandeur aan het begin, en Mortelmans visie daarop. Door atmosferische verstilling als niet-thematische doorwerking te hanteren, gaat Mortelmans voorbij de olympische hoogten van het Wagneriaanse imperium. Helemaal aan het eind presenteert de componist nog een epiloog, waarin – na een bedachtzame suggestie en een woeste orkesteruptie – de hoorns teruggeroepen worden en zo het geheel afsluiten met enkele harmonisch bevreemdende slotmaten.

Opname
Lodewijk Mortelmans > Belgisch Radio & Televisie Orkest olv Alexander Rahbari > NAXOS 8.223418 

3. Liedkunst op teksten van Guido Gezelle : Lucien Van Branteghem 
door Veerle Bosmans

Naar aanleiding van het project ‘Muziek en Woord – Liedkunst op teksten van Guido Gezelle’ dat loopt in de bibliotheek van het Antwerpse conservatorium belichten we elke maand een Gezellecomponist. Dit keer is het de beurt aan Lucien Van Branteghem (08.01.1910 - 23.01.1994).

Lucien Van Branteghem was een geboren en getogen Oostendenaar. Na studies aan het stedelijke conservatorium van zijn geboortestad, waar hij een laureaatsdiploma viool behaalde, studeerde hij verder in Brussel. Van Branteghem studeerde er viool - bij Matthieu Crickboom, die zelf nog leerling was geweest van Eugène Ysaye - en notenleer. Compositie en orkestratie leerde Van Branteghem liever privé, bij respectievelijk Maurits Schoenmaker en Paul Gilson. Na het voltooien van zijn opleiding keerde hij meteen terug naar West-Vlaanderen, waar hij in 1935 (op vijfentwintigjarige leeftijd!) al directeur werd van de muziekacademie van Nieuwpoort. Zijn ware roots lagen echter duidelijk in Oostende, want zijn directeursbaan te Nieuwpoort gaf hij in 1937 op, om aan het stedelijk conservatorium van Oostende secretaris-bibliothecaris te worden. In 1945 kwam daar nog een opdracht als leraar muziekgeschiedenis bij. Tijdens het schooljaar 1959-1960 werd Van Branteghem tenslotte directeur ad interim van zijn geliefde muziekschool. In 1972 werd hij op pensioen gesteld.

Van Branteghem begon zijn carrière als componist met het schrijven van diverse kamermuziekwerken zoals Aubade voor viool en piano en Epithalama voor cello en piano. Vanaf 1935 ging zijn interesse echter steeds meer uit naar het kunstlied. Fel bejubeld werd zijn bundel Moeder en Kind, waarin hij op teksten van Karel Jonckheere het verlangen van een vrouw naar een kind schetst en ook haar verdriet tekent waneer het langverwachte kind uiteindelijk sterft. Naar aanleiding van deze liedbundel schreef Van Branteghem: "Het doel dat ik altijd nastreef, bij het componeren van een lied, is eerst en vooral de geest van het gedicht te doorgronden, de expressie welke in het vers vervat ligt nog intenser te doen uitkomen, door de aanpassing van een melodie, die de trouwe weerspiegeling dient te zijn van de tekst en tevens de natuurlijke declamatie van het vers dient te volgen. Het persoonlijk gevoel dat de dichter in zijn verzen legt, dient door de componist gerespecteerd te worden, want hij heeft voor taak een nauw verband tussen woord en toon te verwezenlijken." 

Deze cyclus is dan ook het ontegensprekelijke hoogtepunt uit Van Branteghems oeuvre. In deze reeks liederen komt de verwantschap van Van Branteghem met de melodische erfenis van Mortelmans en De Boeck het sterkst naar voren. Staat in zijn andere liederen meestal de stem centraal, in deze bundel merkt men zeer veel variatie in de klavierpartij, al is het duidelijk dat de componist steeds vanuit de tekst vertrekt om zijn liederen vorm te geven. De melodieën zijn meestal tonaal, en moduleren enkel wanneer de expressie van de tekst daarom vraagt. Ook de harmonisaties zijn tamelijk eenvoudig, chromatische wendingen en plotse modulaties worden enkel benut in functie van de uitdrukking van de tekst.

Van Branteghem wijdde zijn hele leven aan de muziek en deed dat niet alleen door te componeren. Hij publiceerde ook enkele verhandelingen, waaronder Het klavierconcerto van Bach tot Bartók, Theorie der muziek en Het muziekconservatorium van Oostende 1849 – 1949. Hij was eveneens werkend lid van de Belgische vereniging voor muziekwetenschap en van de Société Internationale de Musicologie. Daarnaast had hij nog een carrière als muziekrecensent en werkte hij sporadisch mee aan de tijdschriften Vlaanderen en West-Vlaanderen.

Gezelleliederen van Lucien Van Branteghem

  • 't Mezeken (1957) voor tweestemmig koor en piano
  • Mietje (1966) voor driestemmig koor en piano
  • Gezelletriptiek ('s Avonds - O Lied - Als de ziele luistert) (1970) voor vierstemmig gemengd koor a capella 
  • 4. Studiedag Adrien François Servais - 8 november 2007
    door Jan Dewilde

    Op 8 november organiseert het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek in samenwerking met het Koninklijk Vlaams Conservatorium een studiedag rond de Halse cellovirtuoos Adrien François Servais (1807-1866), onder de titel Een rondreizende cellovirtuoos en zijn omgeving. Naar aanleiding van zijn tweede eeuwfeest belichten sprekers vanuit verschillende disciplines leven en werk van de 'Paganini van de cello'. Naast specifiek muzikale aspecten (het instrument, de speeltechniek, de virtuositeit, het repertoire, de concerten) wordt er ook ruime aandacht besteed aan de omgeving waarin de virtuoos gedijde, zoals zijn familiale en artistieke relaties en de concertplaatsen die hij tijdens zijn internationale tournees aandeed.
    Het programma ziet er als volgt uit:

  • 09u30-10u00: ontvangst
  • 10u00:
      > Jan Dewilde, De virtuoos in de negentiende eeuw: een nomade met bravoura (Studiecentrum voor Vlaamse Muziek -Hogeschool Antwerpen, Koninklijk Vlaams Conservatorium)
      > Seeli Toivio, Adrien Francois Servais' left hand technique (celliste - Sibelius Academy, Helsinki)
      > Pascale De Groote, Misia Sert en de kunst van het inspireren (Hogeschool Antwerpen, Koninklijk Vlaams Conservatorium)
  • broodjeslunch
  • 14u00:
      > Peter François, Cellovirtuoos Adrien François Servais (1807-1866): een reizende ster (vzw Servais, Halle)
      > Malou Haine, Joseph Servais et la musique de chambre à Bruxelles (ULB - Instrumentenmuseum MIM, Brussel)
      > Karel Moens, De cello in de negentiende eeuw (Museum Vleeshuis, Antwerpen)
      > Hilde Thibaut, De villa Servais te Halle (Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed)
      > Recital: Makcim Fernandez Samodaiev (cello) en Monica Florescu (piano)
  • 17u15: receptie
  • 20u00: concert in de Bozar door deFilharmonie o.l.v. Paul Watkins met de uitvoering van Servais’ eerste concerto door Seeli Toivio. 
  • Servais componeerde zijn Concerto en Si mineur vermoedelijk rond 1834 en droeg het op aan koning Willem II van Nederland. Hij speelde het werk op 25 mei 1835 in Londen met het orkest van de gerenommeerde Royal Philharmonic Society. In samenwerking met de vzw Servais zorgde het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek voor een moderne editie van het werk (verschenen bij Musikproduktion Hoeflich in München). Op het avondconcert in de Bozar wordt Servais’ concerto omkaderd door Zwei Episoden aus Lenaus Faust van Liszt en de Symfonische dansen van Rachmaninov.

    Dit symposium wordt georganiseerd met de steun van het Centrum voor Europese Cultuur en de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor wetenschappen en kunsten en vindt plaats in de fraaie gebouwen van de Koninklijke Academie in Brussel (Hertogsstraat 1, Brussel 1000).

    Inschrijving: symposium: 5 € / symposium + concert: 5 € + 13,50 € (ticket 2de rang aan 50%)
    Inlichtingen: j.dewilde@ha.be

    5. Een eeuw(igheid) geleden... : het eeuwfeest van Adrien François Servais (1807-1866)
    door Jan Dewilde

    In Halle loopt het herdenkingsjaar van de cellovirtuoos Servais stilaan naar zijn einde. Het is verbazingwekkend hoeveel activiteiten er werden georganiseerd en hoeveel mensen door de Servais-activiteiten in beweging werden gebracht.
    Halle heeft een traditie op dat gebied, want ook honderd jaar geleden werd er al druk gevierd en herdacht, zoals blijkt uit deze korte passus uit Le guide musical van 13 oktober 1907: 

    "Hal. - Le centenaire de Servais a été célébré à Hal dimanche dernier dans sa ville natale. ’a été une fête charmante, une fête charitable, et ― ce qui ne gâte rien ― une fête artistique.
    On a acclamé M. Ernest Van Dyck ― le gendre de Servais ― qui a chanté le Chant d’Amour de la Walkyrie, le Sonnet de Ronsard, d’Huberti, une œuvre de Demol et un Lied de Schumann.
    M. Ysaye avait tenu à apporter le concours de son talent à cette commémoration d’un grand artiste. Le grand artiste a exécuté, avec une admirable virtuosité, un concerto de Saint-Saëns et une polonaise de Vieuxtemps.
    Mlle Bourgeois s’est fait applaudir dans un air de Samson et Dalila, et M. Hollman a fait apprécier ses belles qualités de violoncelliste.
    Tous les artistes ont été chaleureusement applaudis." 

    6. De Vlaamse Leeuw op de topstukkenlijst
    door Jan Dewilde

    Vorige week heeft de Vlaamse overheid de eerste 'muzikale' topstukkenlijst bekendgemaakt. Daarop prijken een dertigtal stukken, waarbij de muziek van na 1600 werd schromelijk werd verwaarloosd.
    Welk beeld geeft die lijst van de Vlaamse muziekproductie van na 1600, als De Vlaamsche leeuw het enige stuk is dat in deze fase de moeite waard wordt geacht op te nemen? Deze 'topstukkenlijst' is een sprekend voorbeeld van hoe op zich goede intenties verzanden in een fiasco. Dat heeft alles te maken met de treurige voorbereiding door Resonant, dat er nog prat op gaat gebruik te hebben gemaakt van een gebrekkig instrument als de Muziekbank Vlaanderen. Bovendien is de afbakening tot 1600 volstrekt arbitrair. Het vervolg van de lijst, áls die er ooit komt, doet het ergste vrezen, als men het voorbeeld leest: 'de oudste Vlaamse klarinetmuziek uit 1720'. Precieuze topstukken, muzikaal én historisch, blijven ondertussen onder het stof liggen.

    7. Recensie : François-Joseph Fétis: correspondance rassemblée et commentée par Robert Wangermée
    door Jan Dewilde

    Brievenedities zijn essentiële bouwstenen voor het schrijven van de muziekgeschiedenis. Zeker voor wat het pre-telefoontijdperk betreft, vormt de correspondentie een onontbeerlijke bron om een biografie samen te stellen, de verbreiding van artistieke en wetenschappelijke ideeën na te gaan of om aan netwerkonderzoek te doen. Een brievenbezorger is dan ook de poortwachter van het verleden. Via het publiceren en annoteren van brieven zorgt hij niet alleen voor een directe toegang tot het handelen, denken en zelfs voelen van de brievenschrijver, maar tegelijkertijd zorgt hij ook voor een levendig beeld van een stuk muziekgeschiedenis. Dat is dan ook de grote verdienste van de uitgave die Robert Wangermée bezorgde van meer dan achthonderd brieven van François-Joseph Fétis (1784-1871).

    Moet het nog gezegd? Fétis is een van de meest veelzijdige en productiefste figuren uit de muziekgeschiedenis: componist, dirigent, criticus, musicoloog, muziektheoreticus, organoloog, collectioneur… hij was het allemaal en dankzij zijn legendarische werklust was hij het zeer intens. Hij bleef tot op hoge leeftijd actief, zodat zijn correspondentie verslag uitbrengt van meer dan een halve eeuw muziekgeschiedenis: een brief van 1816 opent deze uitgave, terwijl de laatste brief dateert van 27 februari 1871, nauwelijks twee maanden vóór Fétis’ dood.

    De publicatie van Fétis’ brieven is dan ook een daad van de hoogste orde en meteen de bekroning van de lange carrière van Robert Wangermée (1920) die zelf toch ook enkele 'Fétisiaanse' trekjes vertoont. Parallel met zijn academische loopbaan aan de Université Libre de Bruxelles, waar hij zijn leermeester Charles Van den Borren opvolgde, speelde hij ook een toonaangevende rol in de Franstalige openbare omroep in België en in het culturele leven in Brussel en Wallonië. Verbazend dat hij daarnaast nog de tijd en de energie vond om meer dan een halve eeuw lang een drukke musicologische activiteit aan de dag te leggen! Een activiteit die trouwens uitmondde in tal van gezaghebbende publicaties, zoals zijn biografie over Fétis (1951) en La musique flamande dans la société des 15e et 16e siècles (1965). Tussen zijn vele publicaties steekt trouwens al een belangrijke brievenuitgave: Paul Collaer: correspondance avec des amis musiciens, in 1996 eveneens bij Mardaga gepubliceerd.

    Deze monumentale Fétis-editie droeg Wangermée al vele jaren met zich mee. De eerste kiemen van het werk liggen in 1972 toen de Koninklijke Bibliotheek van België een tentoonstelling, met bijhorende catalogus, organiseerde naar aanleiding van het eeuwfeest van de aankoop van Fétis’ bibliotheek. Bij die gelegenheid werd in Fétis’ geboortestad Mons een symposium georganiseerd, dat de verdienste had om de decennia lange bekladding van Fétis’ musicologische activiteiten tegen te gaan. (Om maar één voorbeeld te noemen: in zijn werk La musicologie médiévale: histoire et méthodes (1900) noemde Pierre Aubry Fétis een "mystificateur" en hij wou hem zelfs postuum als musicoloog royeren.) Op het symposium werd ook het belang van Fétis’ geschriften beklemtoond en betreurd dat zijn uitgebreide correspondentie, die zou toelaten om zijn inzichten en methodes beter te begrijpen, niet ontsloten was. Pas enkele jaren eerder, na de dood in 1965 van de Zweedse musicoloog en collectioneur Daniel Fryklund, was diens indrukwekkende collectie met enkele honderden Fétis-brieven toegankelijk gesteld voor onderzoekers. Er groeide ook aandacht voor de brieven die bewaard werden in Parijs (Bibliothèque nationale) en Brussel (Conservatoire royal), de twee steden waar Fétis actief was, zodat deze drie collecties de basis vormden voor Wangermée’s verdere opzoekingen in bibliotheken en archieven in Europa en de Verenigde Staten. Het uiteindelijke resultaat is dus een selectie van meer dan achthonderd brieven van en aan Fétis. Van kattebelletjes tot bladzijdenlange brieven.

    Een belangwekkend deel van de correspondentie betreft, hoe kan het ook anders, Fétis’ opus magnum, de Biographie universelle des musiciens. Fétis beschikte over een uitgebreid internationaal net van correspondenten die hem de resultaten van hun archivalische opzoekingen bezorgden. Hun brieven laten toe na te gaan hoe en in welke mate Fétis de informatie die hem van over heel Europa werd aangereikt, verwerkte. Een van zijn meest nijvere en bereidwillige leveranciers van informatie over de polyfonisten was de Vlaamse musicoloog Léon de Burbure. In een van zijn vele brieven aan Fétis bezorgt hij hem enkele hypotheses over Lassus – 'en les soumettant à votre jugement'. Fétis twijfelde blijkbaar toch aan de echtheid van deze informatie en nam ze daarom niet op in het lemma over Lassus. De brieven van Ambroise Firmin-Didot, de Parijse uitgever van de tweede editie van de Biographie universelle, werpen dan weer een licht op de praktische problemen die een dergelijke uitgave met zich meebracht, – problemen met de posterijen! Blijkbaar hadden beiden een traditionele uitgever-auteurs-relatie: Firmin-Didot maande de toch altijd al nijverige Fétis steeds weer tot spoed aan. Hij deed dat trouwens steevast met het zelfde citaat van Horatius: "Eheu fugaces, Postume, Postume, labuntur anni" (Alas, Postumus, the fleeting years slip by). Een belangrijke rol in het tot stand komen van de tweede editie van de Biographie universelle speelde Aristide Farrenc, muziekuitgever en echtgenoot van de succesvolle pianiste en componiste Louise Farrenc. Als groot, zij het niet kritiekloos bewonderaar van Fétis’ "Concerts historiques", bood hij zijn diensten als corrector aan. Hij voerde die taak nauwgezet uit en had geen schroom om Fétis te wijzen op vergissingen en omissies. In zijn voorwoord wijst Wangermée er op dat Farrencs medewerking niet geheel en al zonder eigenbelang was: Farrenc hoopte dat Fétis zijn autoriteit zou verlenen aan zijn eigen reeks Le trésor des pianistes én bekendheid aan de composities van zijn vrouw.

    Een andere categorie correspondenten zijn collectioneurs, antiquairs en bibliothecarissen. Tot op hoge leeftijd bleef Fétis precieuze boeken en partituren najagen. In zijn inleiding verwerkt Wangermée een mooi en veelzeggend fragment uit een brief die Fétis op 12 november 1863 aan de Bolognese componist en bibliothecaris Gaetano Gaspari schreef. Daarin vraagt Fétis zich af of het niet belachelijk is dat hij op zijn tachtigste nog steeds zijn bibliotheek wil uitbreiden. Het antwoord geeft hij zelf: op zijn leeftijd is hij nog altijd even nieuwsgierig naar de inhoud van een onbekend boek of de waarde van een ongeziene partituur en dan kent hij geen rust tot hij het werk in handen heeft.

    Talrijk zijn ook de brieven aan en van instrumentenbouwers, zoals Jean-Baptiste Vuillaume en de firma’s Broadwood en Merklin-Schütze. In de inleiding legt Wangermée de vinger op de misschien wel dubieuze relatie tussen Fétis en de door hem sterk gepromote Belgische orgelbouwers Merklin-Schütze. Hij verwijst naar een opgenomen brief van Fétis aan een medewerker van die orgelbouwersfirma waarin hij – "conformément aux conventions" – 1.000 francs reclameert. Het is bij dit soort brieven dat de lezer een uitgebreidere annotatie verwacht dan de simpele vraag of Fétis regelmatig geldsommen van Merklin ontving. Fétis had inderdaad voortdurend financiële problemen en sommige van zijn praktijken zou men nu als onethisch beschouwen, maar meer duiding was hier wel gewenst. Zo schreef Fétis de brief twee maanden nadat op 9 mei 1856 het Merklin-Schütze-orgel in Saint-Eugène in Parijs was ingespeeld. Het was hetzelfde instrument dat op de Exposition Universelle van 1855 bekroond werd, mét Fetis – maar niet alleen hij – in de jury. De brief kan dus gemakkelijk geïnterpreteerd worden als het opeisen van een beloning voor het positieve juryrapport en de aankoop voor de nieuwe Saint-Eugène-kerk. Dat is niet onmogelijk, het is zelfs plausibel, maar er zijn (voorlopig) geen bewijzen voor en er zijn ongetwijfeld andere verklaringen mogelijk. Twee dagen vóór Fétis in de bewuste brief zijn geld opeiste, verscheen in de Revue et gazette musicale de Paris een lovend artikel van zijn hand over het orgel dat Merklin-Schütze op dat moment bouwde voor de kathedraal van Murcia. Uit dat artikel blijkt dat Fétis de bouw van het orgel in het Brussels atelier op de voet volgde en op de hoogte was van de technische vernieuwingen in dat instrument. Zó goed op de hoogte dat het lijkt alsof hij er een hand in heeft gehad. Het is zeker niet onmogelijk dat Fétis – zelf organist – als adviseur optrad voor Merklin-Schütze. Betaald worden als lobbyist of als technisch adviseur, er ís een waardeverschil. Het moet benadrukt: Fétis begint zijn artikel in de Revue et gazette met uitdrukkelijke lof aan concurrerende bouwers zoals Hill en Cavaillé-Coll. En bovenal, Fétis had gelijk: het orgel van Murcia is inderdaad een schitterend instrument.

    Dit boek maakt ook nog eens ten overvloede duidelijk hoe breed Fétis’ interesseveld was. In zijn niet te stuiten drang naar volledigheid bestudeerde hij de antieke muziek en wilde hij de volksmuziek "de toutes les nations classés par origines de races" bestuderen, om zo de originaliteit van ieders muziekproductie te kunnen onderscheiden. Daartoe correspondeerde hij niet alleen met collega-musicologen, maar ook met oriëntalisten, linguïsten, etnologen en archeologen.

    Een laatste belangrijke groep correspondenten zijn uitvoerende musici en componisten. Daarbij valt vooral de hartelijke, zelfs vriendschappelijke correspondentie met Franz Liszt op. Het is precies in die brieven aan Liszt dat Fétis zich sporadisch eens bloot geeft, emoties toont of iets over zijn familieleven vertelt, zodat hij doorheen deze correspondentie toch ook een mens van vlees en bloed wordt.

    Een mens die, zoals alle harde werkers, voortdurend worstelde met deadlines en tijdsgebrek. Op 29 februari 1856 – Fétis was toen bijna 72 – schreef hij aan Liszt dat hij op acht maanden tijd 22 (!) keer weg en weer naar Parijs was gereisd en naast zijn gewone bezigheden, rapporten had geschreven over 2.000 (!!) instrumenten die op de Exposition universelle tentoongesteld werden. "C’est trop pour mes 72 années", zucht hij dan ook. Of zoals hij in 1863 aan Gaspari schreef: "Lorsque j’ai entrepris tant de choses, j’avais oublié qu’on meurt."

    Uit andere brieven komt Fétis dan weer te voorschijn als een bezorgde, vaderlijke leraar die voor zijn studenten graag zijn internationale netwerk aansprak. Voor zijn armlastige leerling Jacques Nicolas Lemmens vroeg hij gratis toegang tot de Muntschouwburg; Adolphe Samuel beval hij bij Giacomo Meyerbeer aan, Peter Benoit bij Ferdinand Hiller en François-Auguste Gevaert bij Fromental Halévy. Uit de brief van 1849 aan Halévy blijkt dat Fétis in de jonge Gevaert vooral een componist van instrumentale muziek zag. Dat was slecht ingeschat door Fétis: Gevaert heeft nauwelijks orkestrale muziek geschreven en werd in Parijs vooral als operacomponist bekend. De jongeman die 23 jaar later zijn opvolger als conservatoriumdirecteur zou worden, beschreef hij aan Halévy beeldend als "un véritable flamand dans toute la force du terme; sorte de paysan assez mal tourné, mais d’ailleurs bon garçon."

    Fétis was trots op zijn leerlingen. Dat verschillenden onder hen in Parijs actief waren en er een zekere renommee verwierven, straalde op zijn pedagogische capaciteiten af en demonstreerde de kwaliteit van zijn conservatorium. Dat blijkt ook uit een brief van Aristide Farrenc (30 juli 1861) waarin hij Belgische componisten in Parijs verwelkomt: "Qu’il nous arrive de grands artistes: nous en avons besoin. Vous y avez la main, cher maître, des Lemmens, des Mailly, des Gevaert, des Benoit: ce n’est pas trop mal, ce me semble." Andere brieven getuigen van zijn pedagogische inzichten of van zijn engagement om van het Conservatoire royal in Brussel een modelinstelling te maken, tegen administratieve en financiële beperkingen in.

    Elk van de hierin opgenomen brieven opent veel deuren en dit boek is dan ook een goudmijn voor wie de muziekgeschiedenis van de negentiende eeuw bestudeert. Men kan dan ook betreuren dat er slechts een selectie van Fétis’ correspondentie werd opgenomen, tegelijkertijd moet men alle begrip opbrengen voor Robert Wangermée die wegens tijdsgebrek zijn aanvankelijke ambitie om volledigheid na te streven gaandeweg heeft moeten opgeven. Spijtig is wel dat hij niet duidelijk maakt welke criteria zijn uiteindelijke selectie hebben bepaald. Bijgevolg is het ook niet duidelijk of bepaalde brieven niet werden opgenomen omdat Wangermée ze niet kende of omdat hij ze, zonder verdere verklaring, niet selecteerde. Ook al kon hij ze vinden in Belgische bibliotheken en archieven.
    Spijtig is ook dat bepaalde brieven, soms om even onduidelijke redenen, niet letterlijk worden weergegeven, maar geparafraseerd. Misschien gebeurde dat onder druk van de uitgever die het aantal pagina’s toch enigszins binnen de perken wilde houden. Wellicht hadden bovenstaande problemen die, het moet gezegd, in het niets verzinken bij de enorme verdiensten van dit werk, voorkomen kunnen worden door met een ploeg auteurs te werken. Een samenwerkingsverband had ook geholpen om kleine fouten en onnauwkeurigheden te vermijden en had uitgebreidere annotaties mogelijk gemaakt.
    Al wist ook Fétis dat ook dan nog fouten onvermijdelijk blijven: "Si dix personnes se mettaient à l’ouvrage pour faire disparaître ces imperfections, si elles y employaient dix années de recherches, il en resterait encore." Dat maakt het respect voor Wangermée’s Fétisiaanse éénmans-aanpak alleen maar groter. 

    Bron
    François-Joseph Fétis: correspondance rassemblée et commentée par Robert Wangermée, Sprimont (Mardaga), 2006

    8. Concertkalender oktober 2007

    In de maand oktober staan er heel wat concerten met Vlaamse muziek op het programma. U vindt ze allemaal op onze nieuwe website www.svm.be. Toch willen we in onze nieuwsbrieven telkens één of meerdere concerten extra aandacht geven.

    Het Festival van Vlaanderen-Mechelen is weer volop in de ban van Vlaamse muziek. Naar goede jaarlijkse gewoonte is één van de concertreeksen gewijd aan Vlaams Erfgoed. In 2007 staat muziek uit de tweede helft van de achttiende eeuw centraal, met componisten als Henri-Jacques De Croes, Willem Gommaar Kennis, Matthias Vanden Gheyn en Pieter Van Maldere. Een heel weekend lang (van 5 tot 7 oktober) dompelt Mechelen zich onder in de muziek die aan het hof van Karel van Lotharingen weerklonk.

    Praktisch
    5 oktober 2007 > 20u15 > Cultuurcentrum Minderbroederscomplex, Mechelen > Uitvoerders: Il Gardellino & Anne Cambier (sopraan) > Muziek van Henri-Jacques De Croes, Jean-Engelbert Pauwels en Luigi Bocherini > tickets: € 15 (kortingen : € 12 / € 10)

    6 oktober 2007 > 17u30 > Cultuurcentrum Minderbroederscomplex, Mechelen > Uitvoerders: Quatuor Thaïs > Muziek van Pietro Antonio Fiocco, Pieter Van Maldere, Gommaar Kennis, Jean-Engelbert Pauwels en Luigi Bocherini > tickets: € 15 (kortingen : € 12 / € 10)

    6 oktober 2007 > 21u00 > Cultuurcentrum Minderbroederscomplex, Mechelen > Uitvoerders: Vocaal en Instrumentaal ensemble Ex Tempore o.l.v. Florian Heyerick, dirigent (Elisabeth Scholl, sopraan, Steve Dugardin, altus, Jan Van Elsacker, tenor, Dirk Snellings, bas) > Muziek van François-Joseph Krafft, Henri-Jacques De Croes en Charles-Joseph Van Helmont > tickets: € 15 (kortingen : € 12 / € 10)

    7 oktober 2007 > 11u15 > Cultuurcentrum Minderbroederscomplex, Mechelen > Uitvoerders: Blai Justo & Michiyo Kondo, viool, Michel Boulanger, cello & Guy Penson, klavecimbel, Anne Cambier, sopraan > Muziek van Matthias Vanden Gheyn, Jean Jacques Robson, Ignaz Vitzthumb, Gommaar Kennis, Pietro Torri > tickets: € 15 (kortingen : € 12 / € 10) 

    7 oktober 2007 > 15u00 > luisterplaats : De Cellekens, Minderbroedersgang 12, Mechelen > Uitvoerders: Jo Haazen, beiaard > Muziek van Matthias Vanden Gheyn, Willem De Fesch, Boudewijn Schepers, Joost Boutmy, Ioannes De Gruytters, J.B. Stockmans, Jozef-Hector Fiocco > gratis

    7 oktober 2007 > 20u15 > Cultuurcentrum Minderbroederscomplex, Mechelen > Uitvoerders: Les Agréments o.l.v. Florian Heyerick > Muziek van Franciscus Krafft, Pieter Van Maldere, Henri-Jacques De Croes, Luigi Boccherini, Pieter Van Maldere > tickets: € 15 (kortingen : € 12 / € 10) 

    Op 20 mei 2007 is het 100 jaar geleden dat de Mechelse componist Gaston Feremans het leven zag. Dit wordt gevierd door de uitvoering van het grootse oratorium Het Bronzen Hart. Dit oratorium uit 1961 is een ode aan de Mechelse Sint-Romboutskathedraal en haar beiaard. Het is een uniek en uitdagend werk: het wordt uitgevoerd door een immens gemengd volwassenenkoor, een kinderkoor en een symfonisch orkest : in totaal meer dan 400 zangers en muzikanten! Tijdens de uitvoering zullen bovendien met behulp van multimediatechnieken sfeerbeelden weergegeven worden over de beiaard, het werk zelf en het leven van Gaston Feremans.

    Praktisch
    12 oktober 2007 > 20u00 > Sint-Romboutskathedraal, Mechelen > Uitvoerders: Brussels Filharmonisch Orkest, Chorale Caecilia, Koninklijk Familiakoor Elsdonk, Onze-Lieve-Vrouwkoor, Antwerps Kathedraalkoor, Clari Cantuli o.l.v. Rik Ghesquière, dirigent (met Evelyne Bohen, sopraan; Bruno De Jonghe, bariton; Carl Van Eyndhoven, beiaard; Andrei Kavalinski, trompet; Eddy Mariën, beiaard) > Muziek van Gaston Feremans (Het Bronzen Hart en Concerto Grosso per Orchestra) en Marinus de Jong (Concerto voor Trompet en Orkest) > Info : 0475 49 81 47 > tickets: 070 22 28 00

    13 oktober 2007 > 20u00 > Christus-Koningkerk, Antwerpen > Uitvoerders: Brussels Filharmonisch Orkest, Chorale Caecilia, Koninklijk Familiakoor Elsdonk, Onze-Lieve-Vrouwkoor, Antwerps Kathedraalkoor, Clari Cantuli o.l.v. Rik Ghesquière, dirigent (met Evelyne Bohen, sopraan; Bruno De Jonghe, bariton; Carl Van Eyndhoven, beiaard; Andrei Kavalinski, trompet; Eddy Mariën, beiaard) > Muziek van Gaston Feremans (Het Bronzen Hart en Concerto Grosso per Orchestra) en Marinus de Jong (Concerto voor Trompet en Orkest) > Info : 0475 49 81 47 > tickets: 03 203 95 85

    Op 26 oktober organiseert de Marnixring Ros Beiaard een recital door sopraan Hendrickje Van Kerckhove en pianist Jozef De Beenhouwer. Op het programma staat werk van Vlaamse componisten als Benoit, Mortelmans en De Jong, afgewisseld met Schumann en Brahms.

    Praktisch
    26 oktober 2007 > 20u30 > CC De Pit, Buggenhout > Uitvoerders : Hendrickje Van Kerckhove (sopraan) & Jozef De Beenhouwer (piano) > Info : 052/42 31 55  

    9. Historische tekst : Brood en Ideaal

    Veel componisten zijn organist of leeraar. Eenige zwaaien den maatstok als dirigent. Enkele hebben het tot bestuurder van een conservatorium of een andere muziekinrichting gebracht. Door het vervullen van die ambtsbezigheden, waarbij nog het geven van bijzondere lessen en ook het schrijven in de kranten kan gevoegd worden, - te Parijs, b.v. - trachten zij in hun bestaan te voorzien. Sommige leven nog voor andere idealen, - zoals de priesters-componisten, - of hebben (of hadden tijdelijk) een andere broodwinning; ja, deze kan weleens wat prozaïsch lijken, hetgeen hoegenaamd niet zeggen wil, dat zij te versmaden is, allerminst in de dure tijden, die wij thans beleven. Men wijst zelfs op talentvolle mannen, die 's avonds in een kinema spelen of den heelen dag als handelsreiziger het land moeten doorlopen. Nu, het geld heeft geen geur, zegt het spreekwoord. Grondeigenaars, renteniers, bankiers, aandeelhouders zullen wel altijd zeldzame verschijningen onder de toondichters geweest zijn, zoowel binnen als buiten de grens; doch minder rooskleurig dan heden is het leven voor de ware musici misschien wel nooit geweest.

    Nog onlangs las ik het volgende bij A. Boschot: "De menschen moeten de ellende der artiesten kennen, evenals die van al degenen, wier verstand met onbaatzuchtige opzoekingen bezig is. Overal, op het gebied der kunst, zoowel als op dat der wetenschap en der letteren, hetzelfde gebrek, dezelfde hopelooze nood!" (Chez les Musiciens.)

    Zijn de cachetten van de muziekleeraars wat hooger dan vóór den oorlog, verdrievoudigd zijn zij wellicht nergens, zoo min in Frankrijk en Engeland als ten onzent. En nochtans, wanneer die leeraar een beafstuk verlangt, moet hij het driemaal duurder betalen dan vroeger, zoo niet moet hij er aan verzaken, hetgeen bij velen, eilaas, een gewoonte dreigt te worden. Aan het uitgeven van groote muziekwerken valt niet meer te denken. De drukkosten voor een symfonie beloopen tot twintig duizend frank. Voor een copie er van wordt vier duizend frank geëischt. Voor een puike melodie betaalt men in Frankrijk vijftig tot honderd frank, zelden meer, en dan nog op voorwaarde dat de componist ze heelmaal afsta aan den uitgever. Wint deze er twintig duizend frank mee, dat gaat den toondichter niet aan. Treurige toestanden! Geen wonder, zoo heden veel musici het componeeren laten slabakken, en naar meer winstgevende middelen uitzien. Nu, reeds vóór den oorlog - en vooral vroeger - zorgden sommige toonkundigen er voor, dat het geld langs een ander deurtje binnenkwam.

    Haydn was een lakei; - Bach: een cantor; - Haendel: operadirecteur; - Schubert: schoolmeester; - Monsigny: intendant; - Clementi: muziekuitgever en piano-fabrikant; - Pleyel: id. ; - Litolff: muziekuitgever; - de Castillon: officier; - Duparc: burgemeester; - J. B. Faure: operazanger; - A. Roussel: scheepsvaandrig; - Weckerlin: bibliothecaris; - Cui: genie-officier; - Serow: bankbediende; - Balakirew: natuuronderzoeker; - Moussorgski: beambte; - Borodine: dokter; - Rimsky-Korsakoff: zee-officier; - Van Duyse: krijgsauditor; - Blaes: kerkzanger, kapelmeester, daarna muziekschoolbestuurder; - Antheunis: vrederechter; - Busschaert: pastoor; - Moeremans: fabrikant van koperinstrumenten; - Maertens: zaakvoerder; - Brengier: tapijtfabrikant; - Hamoir: beiaardier; - Van Nieuwenhove: beambte; - Boterdael: bankbediende; - Pape: landmeter; - Opsomer: handelaar; - Trenteseau: id. ; - De Bom: onderwijzer; -Kreps: domheer; - Verhelst: aalmoezenier; - Wille: advocaat; - Chaubet: fotograaf.

    P.S. - Het spreekt van zelf, dat deze opsomming, - die reeds duchtig besnoeid werd, - niet voor doel kan hebben een enkel musicus onaangenaam te zijn; in de verste verte niet!

    Bron
    Anoniem, Brood en Ideaal, in: Muziek-Warande, 2e jg., nr. 5, 1 mei 1923, p. 106-107.