ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 64 (januari 2008)

1. Tien jaar Studiencentrum voor Vlaamse Muziek vzw

Het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw bestaat sinds 1998. Ter gelegenheid van zijn tienjarig bestaan treedt het naar buiten met de resultaten van een decennium werking. Op dinsdag 18 maart 2008 van 14.00 tot 18.00 uur vindt in Muziekcentrum Augustinus, Kammenstraat 81, Antwerpen een symposium met gevarieerde onderwerpen en muziekuitvoeringen plaats, om 20.00 uur volgt een avondconcert, tegelijk de jaarlijkse Peter Benoitherdenking van het Koninklijk Vlaams Conservatorium.

Tien jaar geleden was er nog geen sprake van een landelijk erfgoedbeleid voor het Vlaams muziekpatrimonium. Ook was er nauwelijks wetenschappelijk onderzoek over de muziek tussen circa 1800 en 1950. Uitvoeringen van ten onrechte vergeten partituren waren eerder schaars. Het erfgoed dat zijn weg naar een officiële bewaarinstelling niet had gevonden, werd stilaan bedreigd door onherstelbaar verlies. Het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek is ontstaan vanuit de intentie hier verandering in te brengen. De doelstellingen zijn zeer verscheiden. Ze gaan van de lokalisatie van composities en documenten over onderzoek, inventarisatie, conservatie en ontsluiting tot valorisatie. De website www.svm.be, een maandelijkse elektronische nieuwsbrief en databanken die gelinkt zijn aan bibliotheeknetwerken, verstrekken uitvoerige informatie voor diverse gebruikers. De ondersteuning van cd-uitgaven en partituren draagt bij tot de verspreiding van waardevolle, maar vergeten muziek uit anderhalve eeuw Vlaamse muziekgeschiedenis. Festivals, concertorganisatoren en uitvoerders in binnen- en buitenland worden aangezet tot het uitvoeren van belangrijke partituren. Door de verbinding van onderzoek en praktische toepassing heeft het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek een unieke plaats verworven, niet alleen in de wetenschappelijke wereld, maar ook in het nationale en internationale muziekleven. De verschillende aspecten van de werking worden op een bijzonder publieksvriendelijke manier voorgesteld op dinsdag 18 maart 2008 in Muziekcentrum Augustinus te Antwerpen.

PRAKTISCH
Dinsdag 18 maart 2008
Muziekcentrum Augustinus, Kammenstraat 81, Antwerpen

SYMPOSIUM / 14.00-18.00 uur / Toegang vrij
Het doet ons plezier indien u uw aanwezigheid op het symposium per e-mail of per telefoon kan bevestigen: 03 241 01 30 of info@svm.be

Gelegenheidstoespraken en lezingen door Hugo Sledsens (musicoloog; producer Canvas), Prof. Dr. Larry Wolz (USA), Jan Dewilde (wetenschappelijk coördinator Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw; bibliothecaris Koninklijk Vlaams Conservatorium), Daniel Gazon (dirigent; editor van The Flemish Collection bij Musikproduktion Höflich, München) en Tom Janssens (wetenschappelijk medewerker Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw; dramaturg bij deFilharmonie). Muziekuitvoeringen met solisten en ensembles van het Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen en het Conservatoire Royal de Mons, met werken van Frank Van der Stucken, Willem Kersters en Paul Gilson.

CONCERT PANACHÉ 20.00 uur / Toegang € 10 / 8
Reservatie: tel. 03/248.28.28 (deSingel)

  • Hoorntrio Gent: werken van Martin Joseph Mengal
  • Annelies Focquaert, op het onlangs teruggevonden stadhuisharmonium: werken van Jacques-Nicolas Lemmens, Joseph Callaerts en Louis Maes
  • Feestrede door Michaël Scheck
  • Jeroen Billiet, hoorn, en Jozef De Beenhouwer, piano: Sonate voor hoorn en piano van Joseph Ryelandt
  • Jozef De Beenhouwer, piano: werken van Peter Benoit, Marinus de Jong, Victor Legley en Lodewijk Mortelmans
  • Georganiseerd door Studiecentrum voor Vlaamse Muziek, in samenwerking met: Hogeschool Antwerpen - Departement Conservatorium Concertvereniging Conservatorium Antwerpen vzw en het Peter Benoitfonds vzw

    2. Vers van de pers 
    door Jan Dewilde

    Onlangs kregen we enkele nieuwe en minder nieuwe, maar steeds interessante cd’s met Vlaamse muziek in handen:

  • Op het Phaedra-label verschenen twee cd-monografieën, gewijd aan Piet Swerts (vol. 52) en Johan Duijck (vol. 54). Van Swerts werd de live-opname uit 2000 van zijn boeiende Morgenrot-symfonie uitgebracht, terwijl Duijck in 2007 met zijn Gents Madrigaalkoor en het VRO-koor zelf de opnames realiseerde van zijn El Camino del Alma-triptiek. Twee mooie realisaties! Meer info op www.phaedracd.com
  • Een andere live-opname betreft de Gaston Feremans-concerten die op 12 en 13 oktober 2007 plaatsvonden in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen en in de Antwerpse Christus Koningkerk. Onder leiding van Rik Ghesquière werden toen het Trompetconcerto van Marinus De Jong en het Concerto grosso per orchestra en het oratorium Het bronzen hart van Feremans voor een groot publiek uitgevoerd. Nu dus op cd opnieuw te beluisteren.
  • Ook buitenlandse platenmaatschappijen wagen zich aan Vlaams repertoire. In 2003 wijdde het Duitse label ScèneDG een volledige cd aan de saxofoonmuziek van Jean-Baptiste Singelée (1812-1875). Singelée was concertmeester en dirigent aan de Muntschouwburg, maar verbleef ook een tijdje in Parijs. Daar hielp hij zijn vriend Adolphe Sax met het lanceren van de saxofoon. Om de mogelijkheden van het nieuwe instrument te demonstreren en had Sax speciaal voor het instrument geschreven muziek nodig en die werd hem op maat geleverd door Singelée. Tussen 1850 en 1864 schreef Singelée 25 concertstukken (voor sopraan-, alt-, tenor- en baritonsaxofoon) en twee briljante saxofoonkwartetten. Deze cd laat 18 van die stukken horen in een uitstekende uitvoering door saxofonist Christian Peters en pianiste Yoriko Ikeya. Het is onbegrijpelijk dat deze muziek hier nauwelijks bekend is. Binnen die tijdsgebonden genres als fantasieën, capriccio’s en 'solos de concert' etaleert Singelée een groot melodisch talent, met zanglijnen die recht uit de bel canto-traditie stammen. Toegegeven, die aanstekelijke melodieën omgeeft hij met virtuoos passagewerk en eenvoudige begeleidingen, maar goed verdedigd is deze lichte, charmante muziek zeer genietbaar. Een mooie en interessante cd, deze Virtuoso concert pieces. Souvenirs de Jean-Baptiste Singelée.
  • Nog in Duitsland verscheen in 2005 een dubbel-cd met de volledige blazerskwintetten van de Gentse hoornist en componist Martin Joseph Mengal (1784-1851). Drie van de vier kwintetten zijn naar het voorbeeld van Antonin Reicha vierdelig en redelijk uitgebreid. In die drie kwintetten, in 1824 bij Pleyel in Parijs gepubliceerd, gebruikt Mengal op een handige manier thema’s uit kamermuziekwerken van respectievelijk Haydn, Mozart en Beethoven. Opmerkelijk is dat hij er geen mengelwerk van maakt, maar elk deel op één thema baseert. Mengal geeft hier blijk van een zeer grondige kennis van dat kamermuziekrepertoire. Bij momenten is hij ook amusant. Zo voegt hij net voor de finale van het Quintetto tiré des oeuvres de Haydn, gebaseerd op thema’s op pianotrio’s en een pianosonate, twee maten in die zich ontpoppen als de inleidende blazersakkoorden uit Bei Männern, welche Liebe fühlen uit Die Zauberflöte. In het Quintett nach Mozart gebruikt hij thema’s uit de vioolsonates KV 304, 306 en 379, in het Quintett nach Beethoven thema’s uit de vioolsonates op. 12 nrs. 2 en 3. Het menuet is origineel, door Mengal 'im Stil von Beethoven' geschreven. Het afsluitende Premier quintette de Rossini is op de cd een buitenbeentje. Het bleef in Mengals tijd ongedrukt (het manuscript wordt bewaard in de Gentse conservatoriumbibliotheek); het is eendelig, met een trage inleiding; en het gebruikt verschillende thema’s van Rossini. Ook hier overstijgt Mengal dankzij zijn vakmanschap moeiteloos de ordinaire potpourri. Deze goede uitvoering door Das Reicha’sche Quartett verscheen op het NCA-label en is een coproductie met de DeutschlandRadio.

    Op het label Senzanome verscheen de cd Perels volledig gewijd aan liederen van Lodewijk Mortelmans (1868-1952). Uitvoerders zijn sopraan Hendrickje Van Kerckhove en pianiste Christel Kessels. De Gezelliaanse titel Perels is goed gekozen: de cd is een mooie anthologie van twintig parels uit het liedoeuvre van de Vlaamse liedcomponist par excellence. Zijn collega Paul Gilson noemde hem de 'prins van het Vlaamse lied'. Die eretitel kreeg hij niet zozeer vanwege de kwantiteit van zijn liedœuvre - een tachtigtal liederen - , als wel omwille van de verinnerlijkte kracht en de diepe, persoonlijke expressie die uit zijn liederen spreekt. Nadat hij voor zijn vroegste liederen direct aansprekende teksten had gezocht bij romantische dichters als Albrecht Rodenbach en Emanuel Hiel, raakte hij rond de eeuwwisseling bezield door de poëzie van priester-dichter Guido Gezelle.

    In de subtiele en sensitieve taal waarin Gezelle natuurbeschouwingen of religieuze ervaringen neerlegde, voelde Mortelmans een zielsverwantschap en vond hij een spiegel en een klankbord voor zijn muzikaal idioom. Voor zijn eerste Gezelle-liederen grasduinde Mortelmans vooral in de natuurpoëzie (‘t Groeit een blomken) en zette hij zowel Gezelles contemplatie van het ochtendgloren (Hoe schoon de morgendauw) als van het vallen van de nacht (’t Avondt) op muziek. Het is in deze vroege Gezelle-liederen dat Mortelmans tracht naar een zo natuurlijk mogelijk samengaan van poëzie en muziek, van zang en piano. Mortelmans tracht hier de stemming van het hele gedicht weer te geven, eerder dan dat hij aan geïsoleerde woorduitbeelding doet. Ook reduceert hij de zinnelijke dominantie van de stem en emancipeert hij de pianopartij, ten voordele van de zeggingskracht van het lied. Over die eerste reeks Gezelle-liederen schreef de componist in 1910: "Il me semble, - et d’autres l’ont certifié – que ces lieders me donnent une place absolument à part dans la littérature musicale. Ce que je cherche surtout c’est: la vérité d’expression, l’atmosphère poétique, le tout moulé dans une forme accomplie." Die eerste Gezelle-liederen werden gepubliceerd door de Amsterdamse uitgeverij Alsbach en kende zo een zekere internationale verspreiding. Aan die eerste serie van twaalf Gezelle-liederen voegde Mortelmans in 1904 en 1905 twee zettingen van Gezelles Wiegeliedje toe. Het kind staat ook centraal in latere liederen als het ballade-achtige Kindje wat ben je toch zacht (gedicht van Joannes Reddingius) en O kind, o kind, op tekst van die andere priester-dichter Hugo Verriest. Een buitenbeentje tussen Mortelmans’ liederen is Lied van Mignon (Kent gij het land) uit 1906, niet alleen omdat het op verzen van Johann Wolfgang von Goethe werd getoonzet, maar vooral omdat het een van zijn meest hartstochtelijke en dramatische liederen is. Qua concept sluit het eerder bij een concertaria, dan bij een liedvorm aan.

    1913 was Mortelmans’ wonderjaar als liedcomponist. Hij keerde toen naar Gezelle terug voor een serie van zeven liederen. Waar hij voor de eerste reeks vooral natuurlyriek had gekozen, greep hij nu eerder naar religieuze gedichten, zoals Als de ziele luistert en O mocht ik. In dit laatste lied vallen de prachtige voor- en naspelen op, die het woord intensifiëren en geconcentreerd doen nawerken. Opmerkelijk in die tweede serie Gezelle-liederen is het rijke gebruik van polyfonie, wat de religiositeit van de liederen versterkt. Deze Gezelle-liederen werden in een Engelse vertaling door Mary Ellis Opdyke gepubliceerd door de Composers Music Corporation in New York. Nadat zijn liedproductie twaalf jaar lang stokte – alleen onderbroken door Gezelles Kerkhofblommen die hij in het midden van de Eerste Wereldoorlog op muziek zette – schreef Mortelmans tussen 1925 en 1928 verschillende liederen op verzen van Pol De Mont. Mortelmans was zeer dankbaar voor De Monts gedichten, die hem tot vlug componeren inspireerden. In een brief aan De Mont schreef hij dat zijn verzen als "muzikaal manna uit den hemel daalden en hart en brein ontroerden" en in hem een "muziekbreuk" verwekten. En over het gedicht Doornroosje getuigde hij dat "niet ik haar, maar zij me wakker riep".

    In de jaren ’30 voegde Mortelmans nog een aantal prachtige Gezelleliederen, zoals Blijde mei, aan zijn toen reeds impressionante liedœuvre toe. In die liederen wordt nog eens duidelijk hoe Mortelmans in een gedicht niet op zoek ging naar concrete beelden, maar naar de innerlijkheid van een tekst om die dan in één muzikaal idee doorheen het hele lied te weven. In zijn beste liederen lukte Mortelmans er wonderwel in om, zoals Mortelmans-kenner Jan Broeckx het verwoordde, "een volstrekte psychologische eenheid van tekst en muziek" te realiseren. Andere kwaliteiten van zijn liedkunst zijn de evenwichtige opbouw, de elegante melodie en de efficiënte en expressieve pianopartij. Bij sommige liederen – denk maar aan Wierook, Hoe schoon de morgendauw of Het jonge jaar – lijkt het alsof de pianopartij quasi als zelfstandig pianostuk, zonder zanglijn dus, zou kunnen overleven. Anderzijds lijkt het alsof sommige van zijn pianominiaturen zijn liederen parafraseren. Na 1938 componeerde hij geen liederen meer, maar orkestreerde hij ruim de helft van zijn liedoeuvre.

    3. Geknoopte oren : Tijl Uilenspiegel van Flor Alpaerts
    door Tom Janssens

    In de rubriek Geknoopte oren zetten we elke maand een ander, interessant werk van een Vlaams componist in de kijker. We letten erop werken te kiezen die niet alleen de moeite waard zijn om te beluisteren, maar die u ook op cd terug kunt vinden. Deze maand is het de beurt aan Tijl Uilenspiegel van Flor Alpaerts.

    Wat The idiots is in het oeuvre van cineast Lars von Trier, is Till Eulenspiegel voor Richard Strauss. De schelmenstreken van deze anarchistische verzetsheld leenden zich volgens Strauss uitstekend tot een opera waarin de focus scherp gesteld zou werd op de lach als wapen om de burgerij in z’n hemd te zetten. Dat de zestiende-eeuwse legende eindigde met Tijls executie mocht daarbij geen probleem zijn: over de dood heen zou Tijls ontregelende grappenmakerij model staan voor elk authentiek en vrijgevochten mens. De opera zou er nooit komen, maar het schetswerk vond wel haar plaats in wat zijn beroemdste orkestcompositie zou worden. Toen Till Eulenspiegels lustige Streiche op 5 november 1895 in première ging, weigerde de componist aanvankelijk commentaar te geven op de muziek – al was hij een jaar later wel bereid een gedetailleerd programma af te leveren. Welke grappen nu precies op welke manier een muzikale gestalte kregen, speelt uiteindelijk geen rol. Belangrijk is vooral dat Strauss in de vrijgevochten figuur van Tijl een zielsgenoot zag, wiens vitalisme hem verleidde tot een bruisende partituur waarin "alle grappen in de noten" staken.

    Strauss’ meesterlijke orkestpartituur staat sindsdien geboekstaafd als een orkestraal essay zonder weerga. Deze heerlijk bruisende en tomeloze orkestpartituur is de natte droom van elke dirigent. Toen de Antwerpse componist Flor Alpaerts in 1927 besloot eveneens een orkestwerk aan de antiburgerlijke held te wijden, plaatste hij zich dus in zeer eminent gezelschap. Maar, al is het overbodig te stellen dat Strauss’ partituur elke concurrentie ver vooruit is, toch verdient Alpaerts’ Tijl Uilenspiegel een herbeluistering. Alpaerts was namelijk zo slim om geen kopie te serveren van Strauss’ turbulente orkestgeraas. Waar Strauss een veelzijdige levensloop van de verzetsheld schetst, is Alpaerts meer in de anekdotiek geïnteresseerd. Dat levert een eerder zwierige en aangenaam voortkabbelende orkestcompositie op die niet echt tegemoetkomt aan het nogal strijdlustige motto vooraan de partituur ("Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit!").

    Alpaerts opent met een tonaal ter plaatse trappelende entree, waarin hij meteen de focus scherp stelt op het humoristische aspect van deze compositie. Geen ontwapenende sluimertoestand dus zoals bij Strauss, maar wel een bevreemdende opener die de belofte van veel animo in zich draagt. Alpaerts weet die toezegging alvast waar te maken in de opvolgende passage, waarin met veel gevoel voor kleurschakeringen een schalks aandoende hoofdmelodie gepresenteerd wordt. De melodie en het orkestgebruik klinken zeer filmisch in de oren en effectief moet Alpaerts het beeld voor ogen gehad hebben van de verzetsheld die door het Vlaamse platteland struint. Al meteen valt op dat Alpaerts er niet helemaal in slaagde zich aan Strauss’ invloed te onttrekken: de verdwaalde trompet die ergens omstreeks de eerste minuut boven het orkest uitschiet, refereert al te duidelijk naar Strauss’ hoofdmelodie. Toch doet Alpaerts iets anders met deze figuur: waar Strauss volop voor actie gaat, smoort zijn Antwerpse collega alle viriliteit in een tonaal ambigu strijkersveld, dat uiteindelijk verzandt in een elegische liefdesmelodie die – zo stellen we het ons graag voor – Nele verbeeldt. De nerveuze trekjes in de houtblazers ten spijt, blijft deze melodie zich verder ontwikkelen, totdat ze het trompetmotief opnieuw tegenkomt en ermee samengevoegd wordt. De unie tussen beide karakters levert een aanstekelijk en geslaagd effect op. Alpaerts stuurt het orkest richting een marsachtig tafereel, dat onvermijdelijk de Spaanse overheersing moet voorstellen. Na anderhalve maat pompeus marsgestamp weerklinkt een heerlijk hispanofiele melodie, waarvan de protserige zwier tegelijk charmeert en doet glimlachen. Alpaerts trekt vervolgens de trukendoos open en levert enkele schrikwekkend bedoelde orkesterupties. Het effect valt wat magertjes uit, zodat het lijkt alsof een windje door de Spaanse melodie blaast. Dat kan de pret echter niet derven, want een tromroffel en een dialoog in de houten verder schakelt Alpaerts door naar een meer vindingrijk tafereel. Alpaerts laat de strijkers verleidelijk over elkaar kronkelen, maar plaatst in de achtergrond enkele malen een onnozel danswijsje. Dit moet wel Tijl zijn, die zich verkneukelt over de misplaatste ernst waarmee de vleiende strijkers er niet in slagen een deftige melodie uit hun slingerende bewegingen te krijgen. Pas wanneer een hobosolo de strijkers vervoegt, verslapt het commentaar van Tijl en is de weg vrijgemaakt voor een pastoraal tafereel, waarin de aanhef van het spottend lachje een nieuwe, harmonisch rijkere dimensie krijgt. De hobo lanceert daarop een dansachtige passage, die voor even het ganse orkest meesleurt. Toch is het Alpaerts niet om een danspastiche te doen: in plaats van het verwachte feestgewoel, ontvouwt de strijkerselegie van daareven zich opnieuw en weet ze – ditmaal niet onderbroken door onnozel hoongelach – deze keer wél te bekoren. Na wat tumult komt opnieuw de Spaanse melodie om de hoek kijken. Een finale dient zich aan en inderdaad neemt Alpaerts de Spaanse tune als uitgangspunt voor de coda, wat – gezien het motto vooraan de partituur – een nogal merkwaardige keuze is. Wie zich niet laat storen door deze inhoudelijke anomalie, hoort enkel een opzwepende, ietwat brave, maar niettemin erg amusante slot van een prikkelend orkestwerk.

    Opname
    Vlaams Radio Orkest o.l.v. Jan Latham-Koenig > The Flemish Connection (muziek van Benoit, Alpaerts, Rosseau, Meulemans, Legley en Tinel) > Klara-cd MMP 024 

    4. Liedkunst op teksten van Guido Gezelle : Jos De Klerk [1885 > 1969]
    door Veerle Bosmans

    Naar aanleiding van het project ‘Muziek en Woord – Liedkunst op teksten van Guido Gezelle’ dat loopt in de bibliotheek van het Antwerpse conservatorium belichten we elke maand een Gezellecomponist. Dit keer is het de beurt aan Jos De Klerk (Merksem, 8 januari 1885-Haarlem, 7 november 1969).

    De Klerk was een jong talent aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen: in 1900 startte hij er als vijftienjarige fluit-, zang- en compositiestudies. Voor zang kreeg hij ondermeer les van de beroemde bas Henry Fontaine en de befaamde Wagnerspecialist Ernest Van Dijck, die een tweejarige cursus doceerde aan het conservatorium. Contrapunt en harmonie studeerde De Klerk bij Heinrich Zöllner, maar ook met de latere conservatoriumdirecteur Jan Blockx had hij, naar verluidt, veel contact.

    Na zijn studies werd De Klerk in 1909 onderchef van de Sint-Bartholomeusharmonie en werd hij gevraagd als dirigent van de fanfare van 'de Dam' in Antwerpen-Noord. In 1910 volgde er dan een officiële aanstelling als muziekleraar aan verschillende gemeentelijke scholen. Ondertussen componeerde hij tientallen liederen waarvan De vink en Wie kan u ooit vergeten? het meest bekend bleven. In het voorjaar van 1914 begon De Klerk aan de voorbereiding van een grootse opera Baas Gansendonck naar het boek van Hendrik Conscience. De oorlog strooide echter roet in het eten, en verplichtte de Klerk om met zijn twee half-voltooide bedrijven, vrouw en kind naar Nederland te vluchten.

    Hij kwam terecht in Haarlem, waar hij al de eerste avond van zijn verblijf de Nederlandse componist Hendrik Andriessen leerde kennen; een ontmoeting die een grote invloed zou hebben op De Klerks arbeidsmogelijkheden in Nederland. Zo werd hij vrijwel onmiddellijk aangesteld als koordirigent in de Sint-Josephskerk waar Hendrik Andriessen organist was en nam hij in 1916 de job van muziekmedewerker en recensent bij De oprechte Haarlemsche Courant over van Philip Loots. In die hoedanigheid was hij trouwens werkzaam als jurylid bij verschillende muziekwedstrijden en examens van conservatoria, zowel in Nederland als België. In 1919 werd hij bovendien ook aangesteld als leraar aan de muziekschool der Maatschappij der toonkunst in Haarlem.

    Het componeren kwam echter niet op het tweede plan: de Klerk werkte ijverig verder aan zijn in Vlaanderen begonnen opera en werkte Baas Gansendonck af in 1919. Op 1 januari 1920 werd het jaar stevig ingezet met de première van De Klerks mastodontenwerk in de Vlaamse Opera te Antwerpen. Daarnaast schreef hij verschillende cantates die soms Vlaamse onderwerpen (Vlaanderens herwording), soms Nederlandse onderwerpen (Herboren Holland) beroerden. De Klerk schreef ook toneelmuziek bij werken van de Franse schrijver Henri Ghéon en van zijn schoonbroer Anton Van de Velde. De Klerk was trouwens al lang in toneel geïnteresseerd: reeds in 1902 stichtte hij de toneelkring De Nachtegaal te Merksem.

    De Klerks belang ligt naast compositie voornamelijk in de muziekrecensies die hij schreef en die een accuraat beeld geven van de muzikale omstandigheden waarin men tijdens die periode werkte. Hij schreef naast zeer vele artikels ook een aantal boeken zoals Uit de schatkamer der Oud-Nederlandse Polyfonie, Muzikale speurtochten in Haarlems historie en Het Haarlems muziekleven in de loop der tijden waarover het NRC-Handelsblad in 1965 volgende lovende woorden schreef : "Het 360 bladzijden dikke boek is een treffend bewijs voor De Klerks eruditie en speurzin, niet minder voor zijn altijd nog jeugdig frisse ontvankelijkheid voor het wonder muziek, hoe dat wonder zich ook openbaart."

    Voor zijn werk kreeg De Klerk verschillende medailles, waaronder de herdenkingsmedaille van de gemeente Merksem en werd hij Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Zijn zoon Albert De Klerk werd een gevierd organist en nam op negentienjarige leeftijd al de taak over van Hendrik Andriessen in de Sint-Josephkerk. Ook Albert schreef bovendien enkele Gezelleliederen, die we hieronder mee oplijsten.

    Gezelleliederen van Jos De Klerk

  • Caecilia (1950) voor vierstemmig mannenkoor a capella
  • Zoo ’t leken van den morgendauw voor zang en piano
  • O gulden hoofd (1920) voor mannenkoor a capella
  • Mijn kind (1925) voor zang en piano of orgel
  • Groeningeveld (1911) voor zang en piano
  • Gezelleliederen van Albert De Klerk

  • Naar ’t kribbeken des Heren voor zang en piano
  • Eerste Communieliedje voor unisono koor en orgel
  • Hoe zeere vallen ze af voor vierstemmig gemengd koor a capella
  • 5. Een eeuwigheid geleden : februari 1908
    door Jan Dewilde

    Een eeuw(igheid) geleden... in februari 1908 werd de Franse organist en componist Charles Widor (1844-1937) door de Klasse van Schone Kunsten van de Koninklijke Academie van België gekozen tot corresponderend lid. In zijn dankwoord verwees Widor naar zijn studietijd in Brussel. Op aanraden van orgelbouwer Cavaillé-Coll was Widor in 1863 naar Brussel getrokken om er te studeren bij Lemmens en Fétis: "Grand est l’honneur; il me touche d’autant plus qu’ayant dans ma jeunesse travaillé un an à Bruxelles avec Fétis et Lemmens, je gardais au fond du coeur une très vive reconnaissance pour votre pays aussi artistique qu’hospitalier. Et me voici un peu des vôtres, très fier de me trouver associé à une compagnie qui compté des maîtres illustres que j’admire et que j’aime." 

    6. In memoriam René De Maeyer
    door Jan Dewilde

    In de nacht van 3 op 4 februari 2008 overleed de Vlaamse musicoloog René De Maeyer in zijn woonplaats Würzburg. De Maeyer was gedurende meer dan twintig jaar, van 1968 tot 1989, conservator van het Instrumentenmuseum in Brussel. In die hoedanigheid was hij ook verantwoordelijk voor tal van publicaties over uiteenlopende aspecten van de organologie. Aan René De Maeyer danken we ook een meer dan degelijke studie over August De Boeck, namelijk zijn licentiaatsthesis August De Boeck: biografische nota's: catalogus van het werk en bespreking zijner liturgische composities (KU Leuven, 1951).

    7. Historische tekst : Het Koninklijk Conservatorium van Brussel in 1850
    door Jan Dewilde

    De historische tekst van de maand vonden we in het Brusselse muziektijdschrift Le diapason. Revue musicale de Bruxelles van 11 juli 1850. Het is een fragment uit de officieel document van de provinciale overheid waarin wordt gewezen op het belang van het Brussels conservatorium niet alleen voor de provincie Brabant, maar voor het hele land.

    Conservatoire royal de Musique de Bruxelles
    (
    Extrait de l’Exposé de la situation administrative de la province de Brabant, fait au Conseil par la Députation permanente - Session 1850.

    Quelques modifications ont eu lieu dans les classes de cet établissement si remarquable. Les leçons de chant d’ensemble ont été supprimées. L’économie qui en est résultée a permis de pourvoir aux frais d’un cours de déclamation dont le besoin se faisait impérieusement sentir. Le nombre des élèves de la classe supérieure de piano étant considérablement augmenté, ce qu’il faut attribuer à l’immense talent du professeur et à son excellente méthode d’enseignement, il est devenu indispensable d’y adjoindre un répétiteur. L’un des anciens élèves de la classe, premier prix du concours de 1849, a été chargé de cette fonction. La classe de basson subsiste toujours, malgré le départ du professeur titulaire. C’est un répétiteur qui est chargé de cette classe.

    En général, la marche des études, pendant l’année 1849, a été satisfaisante. Les anciens professeurs ont persévéré dans leurs efforts, et ceux qui sont entrés récemment au Conservatoire ont pleinement justifié les espérances que leur talent avait fait concevoir. Il suffit, pour s’en assurer, de jeter les yeux sur le programme de la distribution des prix aux lauréats des concours de 1849; un assez grand nombre de distinctions ont été obtenues dans presque toutes les branches de l’enseignement, et cependant les jurys paraissent avoir fait preuve d’une sévérité inusitée. Il résulte d’un rapport récent de la commission administrative du Conservatoire, que la province de Brabant fournit à elle seule la moitié des élèves de cet établissement, et que la capitale entre presque pour les trois quarts dans ce nombre. Parmi les élèves du Conservatoire qui se sont signalés par des talents remarquables ou par des dispositions toutes particulières, on peut citer plusieurs noms qui appartiennent à cette province. MM. Servais, Blaes, Bosselet, Warot, Bernier et Lambelé ont été élèves du Conservatoire. [Il y a ici erreur, quant à deux de ces artistes: M. Bosselet est Français, et M. Warot est de la province d’Anvers (Note du Diapason.)]

    Nous citerons ensuite, comme appartenant également à la province de Brabant:

    1. M. Goossens, de Bruxelles, ancien élève de la classe de chant, chargé aujourd’hui au Conservatoire d’une classe de vocalisation en qualité de répétiteur.
    2. M. de Ponthières, de Bruxelles, premier prix de flûte du Conservatoire, actuellement professeur particulier attaché au Théâtre Royal de Bruxelles.
    3. M. Wesen, premier prix de piano, attaché actuellement au Conservatoire en qualité de répétiteur.
    4. MM. Voogels, de Diest, et Van Lamperen, de Bruxelles, premiers prix de violon, devenus également répétiteurs au Conservatoire.
    5. Mlle Bienaimé, de Bruxelles, premier prix de piano de la classe de Mme Pleyel.
    6. Mlles Vervenne, d’Iseghem, et Cocquereau, de Bruxelles, toutes deux premiers prix de chant.

    Enfin une foule d’autres élèves distingués ont obtenu les premiers prix dans leurs classes respectives, tels que MM. Lafaye, de Bruxelles (hautbois), Tielemans, de Woluwe-Saint-Étienne (orgue et composition), Martinet, de Bruxelles (hautbois), Pletinckx, de Bruxelles (hautbois), Claes, de Hal (contre-basse), Vouvé, de Tirlemont (violon), Deswert, de Louvain (violoncelle), Michelot, de Bruxelles (piano), Moyaerts, de Bruxelles (chant), de Brouwere, de Bruxelles (basson), Lejeune, de Jodoigne (violoncelle), Devillé, de Bruxelles (cor), Demol, de Bruxelles (harmonie et composition), Mlle Deraty, de Bruxelles (piano), etc., etc.

    Voici un résumé sommaire du chiffre des élèves, divisés par provinces, dressé d’après des renseignements statistiques qui ont été fournis à la fin de 1849 par M. le directeur du Conservatoire.

    Il est aisé de voir, au premier examen de ce tableau, combien le nombre des élèves a augmenté depuis peu. Ce fait prouve que l’étude de l’art musical prend chaque jour plus de développement. La cause en est due en partie, empressons-nous de le reconnaître, à l’émulation que font naître nos artistes éminents, dont plusieurs ont contribué à l’éducation du personnel du Conservatoire, et dont un grand nombre se sont formés, à cette école que l’on peut, sans crainte d’être démenti, ranger sur la première ligne parmi celles du même genre qui existent en Europe.