ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 67 (mei 2008)

1. Peter Benoit : Big in Japan
door Jan Dewilde

Op 20 april ll. voerden het Nagaoka Chorus, het Kamerkoor van de Hosei University in Tokio en het Tokyo City Philharmonic Orchestra o.l.v. Yosuke Funabashi in Nagaoka de Messe solennelle (Hoogmis) van Peter Benoit uit. Dit opmerkelijke concert was een rechtstreeks uitvloeisel van de uitgave van deze partituur in de reeks The Flemish Music Collection (gepubliceerd door Musikproduktion Höflich in München). Hieronder een kort verslag van een gedenkwaardige gebeurtenis:

Geschreven op 9.000 m. hoogte, ergens boven Siberië, tijdens de retourvlucht van Osaka naar Parijs:
Mijn vijfdaags verblijf in Nagaoka is er een om nooit te vergeten. Meer dan 10.000 kilometer reizen om er op 20 april 2008 een wonderlijke uitvoering van Peter Benoits Hoogmis te horen, dat doet iets met een mens. Ik heb zelden of nooit een concert meegemaakt waarbij zoveel concentratie en discipline gecombineerd werden met een unanieme overtuiging en overgave. Iedereen die bij de uitvoering betrokken was, van koorlid tot dirigent, geloofde sterk in deze prachtige mis uit 1860, en dat liet zich horen. Het minuten lang durende applaus en de ontroering bij uitvoerders en publiek spraken boekdelen. Er leefde ook een grote nieuwsgierigheid naar de figuur van Benoit en naar de achtergrond van deze muziek. De lezing over leven en werk van Benoit, die ik er moest geven, werd dan ook druk bijgewoond. Combineer dat alles met een bijzonder hartelijke ontvangst en je krijgt een ervaring om in te lijsten.

In Nagaoka heb ik een overrompelende cultuurshock meegemaakt. Niet in de zin dat ik er me ontheemd voelde - wel integendeel - maar omdat ik er een waarachtige belangstelling ervoer van een stuk Vlaams erfgoed dat bij ons grotendeels genegeerd wordt. Dankzij de inspanningen van velen slaagt men er in een middelgrote stad in Japan in om iets te realiseren wat bij ons door een combinatie van nonchalance, onwetendheid en cynisme quasi onmogelijk lijkt. Dat te mogen meemaken, daar kan je alleen maar heel dankbaar voor zijn.

2. Vers van de pers : Octuors van Martin-Joseph Mengal (1784-1851) 
door Jan Dewilde & Jeroen Billiet

Zopas verscheen in de reeks The Flemish Music Collection van Musikproduktion Höflich in München een nieuwe partituur met hoornoctetten van Martin-Joseph Mengal. Deze telg van de Mengal-familie werd doorgaans Mengal 'aîné' genoemd om hem te onderscheiden van zijn jongere broer Jean-Baptiste die ook hoornist was. Martin-Joseph kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, die hoornsolo van de Gentse opera was. Op zijn twaalfde vertolkte hij vioolconcerto’s in het publiek en een jaar later al speelde hij in het Gentse opera-orkest hoorn, het instrument dat hij uiteindelijk zou verkiezen. Rond diezelfde leeftijd pleegde hij zijn eerste composities, haast instinctief, zonder gedegen kennis van de harmonie.

In 1804 trok hij naar Parijs waar hij aan het 'Conservatoire impérial' hoorn studeerde bij Frédéric Duvernoy en harmonie en contrapunt bij Charles-Simon Catel. Als dienstplichtige van de Franse staat werd Mengal in december 1804 ingelijfd in de 'Garde impériale', een korps dat grotendeels uit conservatoriumstudenten bestond. Met dit keurkorps trok hij door Italië, Oostenrijk en Pruisen en was hij getuige van de veldslagen bij Austerlitz en Jena. De Garde deed ook muziekcentra aan als Milaan, München, Berlijn en Wenen, wat hem toeliet om zijn muzikale kennis te verbreden en te verdiepen.

Tussen de opdrachten door keerde het korps naar Parijs terug zodat hij zo goed en zo kwaad als mogelijk zijn muziekstudies kon voortzetten. In 1807 beëindigde Mengal zijn dienst en twee jaar later behaalde hij zijn eerste prijs hoorn. Als 'premier cor' werd hij door het Théâtre Odéon geëngageerd en in 1812 door de Opéra Comique (toen in de Salle Feydeau). Ondertussen studeerde hij ook nog compositie bij Antoine Reicha. De vruchten daarvan waren waarschijnlijk al te horen in zijn 'opéra-comique' Une nuit au château, een eenakter die op 5 augustus 1818 in het Théâtre Feydeau in première ging. Later volgden nog L’ile de Babilary (1819) en Les infidèles (1823). In die jaren componeerde Mengal ook veel harmoniemuziek voor militaire korpsen, concertante symfonieën met blaasinstrumenten, kamermuziek en romances. Zijn romance Le chevalier errant was zelfs een tijdje in heel Europa 'en vogue'. Maar bovenal componeerde hij muziek voor zijn eigen instrument, in vele combinaties. Bij diverse Parijse uitgevers verschenen onder andere twee hoornconcerto’s, duo’s voor hoorn en harp, duo’s en fantasieën voor hoorn en piano en kwartetten voor houtblazers. Zijn drie kwartetten voor fluit, klarinet, hoorn en fagot (op. 19) werden in 1816 door Bochsa in Parijs uitgegeven.

Dat hij na Les infidèles in de Franse hoofdstad geen nieuwe kansen als operacomponist kreeg, zal zeker hebben meegespeeld in zijn beslissing om in 1824 naar Gent terug te keren. In het seizoen 1825-1826 volgde hij Charles-Louis Hanssens 'l’aîné' op als directeur-dirigent van de Gentse opera. Tijdens dat eerste seizoen voerde hij een herwerkte versie van Les infidèles op en creëerde hij zijn vierde opera, Le vampire. Het volgende seizoen trad Mengal terug als directeur, maar bleef hij aan als dirigent. Na de sluiting van de Gentse opera in de nasleep van Belgische revolutie van 1830, dirigeerde hij een tijdje het Théâtre français in Antwerpen. In 1833 werd hij geëngageerd door het Koninklijk Theater van Den Haag, waar in 1834 zijn opera Le retour au foyer werd gecreëerd.

Een jaar later werd Mengal de eerste directeur van het conservatorium van Gent. Hij combineerde er het directeurschap met de leergangen hoorn, harmonie en compositie. Bovendien leidde hij het conservatoriumorkest in interessante concertprogramma’s en schreef hij verschillende studiewerken, waarvan sommige het louter didactische niveau overschrijden. Een van Mengals opmerkelijkste leerlingen is François-Auguste Gevaert (1828-1908), die een grote carrière zou maken als componist, dirigent, musicoloog en pedagoog. In zijn Gentse jaren componeerde Mengal ook verschillende werken voor het koor 'Société des Mélomanes'. Het is ook dat Gentse koor dat in 1846 in de Keulse Gürzenichzaal zijn werk Juich Rhyn! uitvoerde tijdens de bijeenkomst van het 'Vlaemsch-Duitsche Zangverbond'. Mengal overleed op 4 juli 1851, twee dagen vooraleer in zijn geboortestad zijn zwanenzang te horen was: op 6 juli werd zijn koorwerk L’invocation uitgevoerd door 'Les Mélomanes' op een internationale koorwedstrijd die door dit Gentse koor werd georganiseerd. Het koor zamelde geld in om op het kerkhof Campo Santo een grafmonument ter ere van Mengal op te richten. Op de inhuldiging op 18 juli 1859 werden Gevaerts De profundis en zijn hymne À Mengal uitgevoerd.

Deze publicatie werd ondersteund door de research die Jeroen Billiet verrichtte in het kader van het studieproject 200 Years of Belgian horn school (Orpheus Instituut, 2001-2008). Op basis van het autografe manuscript dat in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Gent wordt bewaard, werd de partituur gereconstrueerd en gedigitaliseerd door Bart Snauwaert. Steven Vande Moortele verstrekte hierbij musicologisch advies. Een opname van de octetten werd gerealiseerd door het hoornensemble van het Koninklijk Conservatorium van Brussel o.l.v. Luc Bergé en verschijnt in 2008 bij het label Fuga Libera.

Hoornist Jeroen Billiet schreef bij deze partituuruitgave de volgende inleiding:

"Het is niet duidelijk wat Mengal inspireerde tot het schrijven van deze octetten voor een toch wel ongewone bezetting. Meer dan waarschijnlijk componeerde hij deze werken gedurende de laatste tien jaar van zijn verblijf in Parijs (1803-1824). Dit kan worden afgeleid van de opdracht op het eerste blad van het manuscript (à Mr. Stokhausen rue du Sentier n°6…). Bovendien worden de octetten al vermeld op de repertoirelijst in Dauprats methode uit 1824. Zonder twijfel was Mengal geïnspireerd door zijn compositieleraar Antoine Reicha (die zelf 24 hoorntrio’s componeerde) en door het Sextuor pour six cors en différents tons van zijn collega Louis Dauprat. Mengal had de creatie van beide werken meegespeeld. Misschien waren zijn octetten oorspronkelijk bedoeld als compositieoefening voor Reicha’s klas of werden ze voor een bijzondere gelegenheid geschreven. Dit zou een verklaring zijn voor de zeer klassieke compositiestijl, met de twee menuetten en het onvermijdelijke thema met variaties.

Dat Dauprat deze octuors al vermeldt in zijn monumentale Méthode de Cor-alto et Cor-basse terwijl het toen nog enkel in manuscript bestond, bewijst Mengals toenmalige reputatie als componist: "Parmi les morceaux dans lesquels le cor s'unit à un plus grand nombre d'instruments ... un octuor de Mr. Mengal aîné, pour six cors et deux trombones." [L.F. Dauprat, Méthode de Cor-alto et Cor-basse, deel 3, p. 53.]

Deze werken tonen zich in grote mate schatplichtig aan Reicha en verder zijn er enkele duidelijke verwijzingen naar tijdgenoten als Gioacchino Rossini (vooral in de finale). Maar bij momenten missen de octetten de frisheid en de durf van Dauprats sextet. Alle hoornpartijen zijn technisch uitdagend, maar door 'enkel' drie paar natuurhoorns in verschillende sleutels te gebruiken (waar Dauprat zes verschillende sleutels gebruikt), zijn de octetten minder complex en minder rijk aan kleuren. Toch zijn het fantastische werken om uit te voeren. De partituur verraadt Mengals uitgebalanceerde compositiekennis en zijn verregaande kennis van de mogelijkheden van het instrument. De partijen in Bes-alto zijn duidelijk geschreven voor excellente 'hoge hoorn'-spelers met een groot uithoudingsvermogen en vereisen ongewone stoptechniek op de Bes-alto wisselboog. De partijen in Es laten ten volle de warme kleur van de Es-hoorn horen en de partijen in F gebruiken alle flexibiliteit die de F-wisselboog voorziet. De trombones werden duidelijk toegevoegd om meer mogelijkheden in het lagere register en een rijker chromatisch palet te hebben. Zo vermeed Mengal de virtuoze lage hoornpartijen uit Dauprats sextet. Enkele jaren later, vanaf de jaren 1830, zou de introductie van de ventielhoorn het mogelijk maken om dit soort partijen ook voor hoorn te schrijven.

Alhoewel ik geen bewijzen heb gevonden voor een uitvoering kort na het componeren, bewijzen de (gebruikte) partijen uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Gent dat de octetten in die tijd werden uitgevoerd. Deze partijen bevatten enkele correcties en toevoegingen, zoals de prachtige inleiding tot het thema met variaties uit het derde deel. Die wijzigingen werden in deze editie verwerkt.
Vreemd genoeg is het manuscript met de partij van de eerste hoorn verloren gegaan, zodat men alleen kan gissen naar de originele partij. In deze uitgave werd de partij gereconstrueerd." 

3. Liedkunst op teksten van Gezelle : Achiel Van Beveren (1904-1985)
door Veerle Bosmans

Naar aanleiding van het project ‘Muziek en Woord – Liedkunst op teksten van Guido Gezelle’ dat loopt in de bibliotheek van het Antwerpse conservatorium belichten we elke maand een Gezellecomponist. Dit keer is het de beurt aan Achiel Van Beveren (Antwerpen, 5 maart 1904 - Antwerpen, 11 december 1985).

Achiel Van Beveren volgde zijn opleiding aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen bij Edward Verheyden (harmonie), Flor Alpaerts (contrapunt en fuga) en Arthur Steurbaut (zang). Na zijn Antwerpse opleiding zette hij zijn zangstudies verder in Den Haag bij Thomas Denijs. Eenmaal afgestudeerd, werd hij zangleraar aan de stedelijke conservatoria van Leuven en Mechelen, vanaf 1932 leidde hij het Borgerhouts mannenkoor. Ondertussen liet Van Beveren zich opmerken als zangsolist: zo zong hij de rol van Jezus in Drama Christi van Peter Benoit. Samen met het Borgerhouts mannenkoor zou hij dit werk overigens nog eens uitvoeren in Amsterdam. Dit mannenkoor werd opgericht in 1926, maar toen Van Beveren in 1932 het koor aanvoerde, breidde hij het repertoire gevoelig uit, van zestiende-eeuwse polyfonie tot de modernste meesterwerken.

Naast zijn werkzaamheden als zanger en pedagoog, schreef Van Beveren heel wat liederen, koorwerken en vocalises. Vooral in dat laatste genre, en met name zijn Twintig Vocalisen voor lagere en middelbare graad, slaagde hij erin om de basisregels van collega Willem Pelemans in acht te nemen: "De vocalises moeten vooreerst berekend zijn op de beste ontwikkeling van de stem; de melodie van die vocalises dient aangenaam te zijn om de leerling door een sterk muzikaal genot aan te moedigen en de pianobegeleidingen moeten enerzijds de zang steunen en anderzijds toch een zekere zelfstandige betekenis hebben om de leerling te gewennen aan de onafhankelijkheid van de moderne instrumentale muziek."

Ook zijn liederen waren van een degelijk niveau. De Gezelleliederen Gij badt op eenen berg alleen (1930) en Onendig wezen (1931) werden uitgegeven door G. Prop, waarbij de uitgave zelfs van een Franse vertaling door Helène Paris de Crossée werd voorzien. Gij badt op eenen berg alleen werd bovendien herwerkt voor zang en orkest. Het is een lyrisch en traag zanggebed, met een meer bewogen middendeel. Onendig wezen doet eerder impressionistisch aan qua kleurenpalet, maar kent wel een duidelijke melodische stemvoering. Van Beveren schreef ook talrijke bewerkingen van Oud-Vlaamse volksliederen.

Wat het schrijven van koorwerken betreft, liet koordirigent Van Beveren zich natuurlijk niet onbetuigd. Hij componeerde drie koorwerken op teksten van Guido Gezelle. In 1932 schreef hij Morgenstond, voor achtstemmig gemengd koor. Nadien volgden Sal Terrae in 1944 en Wat zijt gij toch in 1949, beiden voor vrouwen- of mannenkoor. Hoewel deze laatste compositie werd opgedragen aan de Paters van Tongerlo, kan er geen twijfel over bestaan dat Van Beveren ze ook met zijn eigen koor in het achterhoofd schreef. Naast het schrijven van liederen en koorwerken, componeerde Van Beveren ook orkestmuziek. Zo schreef hij een Fantasia Appassionata, die werd uitgevoerd onder leiding van Arthur Meulemans, en het symfonische gedicht Coriolanus, dat onder leiding van Franz André werd uitgevoerd.

Gezellewerken van Achiel Van Beveren

  • Gij badt op eenen berg voor zang en piano (1930)
  • Onendig wezen voor zang en piano (1931)
  • Morgenstond voor achtstemmig gemengd koor (1932)
  • Sal Terrae voor vrouwenkoor of mannenkoor (1944)
  • Wat zijt gij toch voor vrouwenkoor of mannenkoor (1949)  
  • 4. Een eeuw(igheid) geleden... : mei 1908
    door Jan Dewilde

    Op 4 mei 1908 liep het seizoen van de Muntschouwburg ten einde. Tussen 5 september 1907 en 4 mei 1908 werden er 276 voorstellingen gespeeld. Nieuwigheden waren onder andere Le chemineau van Xavier Leroux en Paul Dukas’ Ariane et Barbe-Bleue, twee opera’s die in 1907 hun wereldpremière hadden beleefd. Qua aantal opvoeringen scoorde Faust met 29 voorstellingen het best. De statistieken, zoals vermeld in Le guide musical van 10 mei 1908, toonden de dominantie van de Franse opera aan. Van alle opgevoerde werken waren er 19 opera’s van 17 verschillende Franse componisten, acht werken van zeven Italiaanse componisten, vijf werken van twee Duitse auteurs en één werk van een Zwitser.

    5. Historische tekst : De Muntschouwburg in Londen in 1845
    door Jan Dewilde

    Ook in de negentiende eeuw had de Muntschouwburg een zekere renommee in het buitenland. In 1845 bijvoorbeeld trok de troep van de Munt naar Londen om daar in Covent Garden opvoeringen te geven van Rossini’s Guillaume Tell en van Le châlet van Adam. Tot enthousiasme blijkbaar van de Londense pers, zo staat toch te lezen in La Belgique musicale van 12 juni 1845: 

    L’opéra belge à Londres

    Vendredi dernier de gigantesques affiches couvraient les murs de Londres ; elles annonçaient que le soir même la troupe d’opéra du théâtre royal de Bruxelles, sous le patronage de S.M. le Roi des Belges, donnerait à Covent-Garden une représentation composée de Guillaume-Tell et du Châlet. Le tarif du prix des places fixait les stalles à 12 fr. 50 cent; la galerie (dress circle) à 8 fr. 75 c., les loges à 6 fr. 25 c., le parterre à 3 fr. 75 c., et l’amphithéâtre à 2 fr. 50 c. Le succès obtenu par cette première représentation a réellement été colossal.

    Un Bruxellois, témoin oculaire, nous écrit : "Je n’ai entendu de ma vie applaudir ainsi ; cela tenait de l’extravagance. Le spectacle commençait par le Châlet. Dès la fin de l’ouverture les spectateurs ont fait tellement de bruit en applaudissant, en frappant des pieds et en criant bravo, que M. Hanssens, qui se trouvait à la tête de son orchestre, composé de soixante musiciens, est resté pendant cinq minutes sans pouvoir commencer le premier morceaux, et forcé à tout moment de courber la tête sous ces chaleureuses et flatteuses démonstrations d’enthousiasme. A leur entrée en scène nos artistes ont été reçus avec de grands témoignages de satisfaction. Couderc, Zelger et Mme Guichard ont été redemandés après le Châlet. Notre ténor surtout a produit un grand effet dans son duo avec l’excellent Zelger ; j’ai cru un instant qu’on allait compromettre la solidité de la salle."

    "Le même enthousiasme a eu lieu pour Guillaume-Tell. Après l’ouverture les applaudissements, et, qu’on ne l’oublie pas, nous sommes en Angleterre, les hurlements de satisfaction devinrent une seconde fois si étourdissants que M. Hanssens fut de nouveau obligé de se retourner pour saluer le public. Cet enthousiasme a continué pendant toute la durée de Guillaume Tell ; tous les artistes en général aussi bien que les chœurs ont reçu leur part de bravos. Laurent a été le moins fêté, quoique cependant il ait provoqué à différentes reprises des marques non équivoques d’approbation. M. et Mad. Page, dans un pas styrien, ont reçu un accueil extrêmement flatteur. La tyrolienne n’a pu être dansée faute d’une première danseuse. M. et Madame Laborde ont été unanimement redemandés à la chute du rideau. Après le spectacle un grand nombre de dilettanti gentlemen ont été trouver M. Hanssens pour lui exprimer tout le plaisir que son excellent orchestre avait causé, en lui certifiant que l’exécution n’avait jamais été plus satisfaisante au Grand-Opéra de Londres : aveu difficile à arracher à des Anglais. Je considère la position de l’opéra belge à Londres comme assurée, quoique la première recette n’ait produit qu’une somme de 900 francs, insuffisante pour couvrir les frais, mais qui aurait bien certainement été beaucoup plus considérable sans la grande fête donnée vendredi dernier à la cour. Il était question d’ouvrir les représentations de la troupe de Bruxelles par les Huguenots, mais cet ouvrage ne pourra être donné que plus tard lorsque le dernier coup de pinceau aura été appliqué à quelques décorations indispensables. Le public a fait demander pour lundi une seconde représentation de Guillaume-Tell et du Châlet, mais j’apprends à l’instant que le spectacle se composera ce soir-là du Châlet et de la Favorite, afin sans doute de faire paraître notre excellente prima donna, Mme Julien. Adieu, je vous renvoie pour plus amples informations aux journaux anglais, the Globe, the Times, Bell’s life in London and sporting chronicle, the Morning Post, qui tous font le plus bel éloge de l’excellente troupe que nous avons le bonheur de posséder à Bruxelles."

    "Nos artistes lyriques sont assez connus en Belgique, leurs qualités et leurs défauts sont appréciés depuis trop longtemps pour que nous ayons besoin d’attirer l’attention sur les erreurs commises par quelques journaux de Londres, se prononçant sur leurs qualités après les avoir vus seulement et pour la première fois dans Guillaume-Tell ; nous donnons, sans réflexions préliminaires, les extraits de ces feuilles, en laissant le soin à chacun d’en trier le bien et de remarquer l’exagération ou les contradictions que présentent certains passages."

    "Le rôle d’Arnold était rempli par M. Laborde, ténor d’une puissance et d’une énergie extraordinaires ; sa voix n’a que peu de volume, mais l’excellence de sa méthode, le naturel de son jeu et sa manière fière et mâle, lui donnent beaucoup de valeur et d’importance comme artiste. Sa déclamation produit beaucoup d’effet, mais dans les passages où il faut exprimer de la sensibilité, il laisse à désirer. Il a évidemment une âme ardente et n’épargne aucun effort pour produire de l’effet dramatique ; mais dans ces moments, sa voix devient quelquefois criarde et peu harmonieuse, ses intonations en souffrent. On établit naturellement une comparaison entre lui et Duprez, et quelquefois à l’avantage de celui-ci, mais en général sa manière (à Laborde) est un type de force et de fraîcheur qui a droit à tous les suffrages. Mad. Laborde, jolie et gracieuse personne, remplissait le rôle de Mathilde ; elle a une belle voix de soprano, une méthode et un goût irréprochables. Le trio du deuxième acte a été rendu avec un talent remarquable par MM. Laborde, Laurent et Zelger, en un mot il était impossible de mieux le chanter. Mention spéciale de Mad. Guichard, qui nous a montré une taille élégante sous le costume de jeune homme (boy’s apparel). Les choristes sont des gens de poumons indubitables (unquestionnable lungs). Le timbalier agitait ses bras d’un air sévère, imposant, et tirait des sons formidables de ses surfaces de parchemin, produisant des successions de crescendo et de diminuendo dont nous n’avions aucune expérience antérieure. L’orchestre est décidément bon ; seulement chaque musicien semble trop s’efforcer de se faire entendre au-dessus de ses voisins. M. Hanssens, le chef, pourrait chercher à adoucir un peu ces tendances bruyantes." (Morning-Herald)

    "Malgré l’apparition récente de Duprez et l’immense impression produite parmi nous par sa merveilleuse énergie dramatique et sa magnifique conception du rôle d’Arnold, M. Laborde a fait hier au soir un plaisir incontestable. "O Mathilde, idole, etc." a été chanté avec délicatesse et intensité. Sa partie du trio révéla beaucoup de sensibilité, mais sans cette douleur écrasante et passionnée que lui donne Duprez. Le Suivez-moi, a été rendu d’une manière dramatique et vigoureuse. Mad. Laborde (interesting lady) – peu de force dans le médium – vocalisation irréprochable – dépourvu de toute broderie superflue, etc." (Morning -Post.)

    "M. Laborde est un ténor dont la présence peut faire trembler Duprez pour sa suprématie. C’était une entreprise hardie de la part de M. Laborde de débuter à Londres dans le rôle d’Arnold, pendant que le souvenir de Duprez était encore si frais dans les esprits de nos dilettanti. La tentative a été aussi heureuse que hardie, et si nous ne nous trompons fort, les applaudissements que M. Laborde a reçus hier au soir ne sont qu’un avant-goût de la moisson de gloire qu’il est destiné à recueillir dans ce pays. Sa voix est un tenore di forza ; pure, riche et flexible ; d’une puissance et d’une étendue extraordinaires ; et ses notes, de tête, auxquelles il n’a que rarement recours, sont données avec beaucoup de goût ; sa manière de conduire son fausset nous rappelle celle de RUBINI, bien que le timbre de sa voix ressemble davantage à celui de Duprez. Dès l’air "O Mathilde", le public s’est aperçu qu’il avait devant lui un véritable artiste, aussi les applaudissements ont-ils été frénétiques. Le second acte nous a fait connaître Mad. Laborde, beau soprano, méthode, etc. L’air "Sombre forêt" a été chanté avec une expression exquise. Le duo d’Arnold et de Mathilde, véritable perle (gem). Le trio final du second acte a été magnifiquement rendu par MM. Laborde, Laurent et Zelger ; ces deux derniers gentlemen ont de belles voix, sont des musiciens consommés et ont admirablement secondé Laborde ; en un mot nous n’avons jamais entendu mieux chanter ce superbe trio.

    Mais le triomphe de Laborde, ce fut la dernière scène de l’opéra. Le fameux récitatif "Ne m’abandonnez point" et l’air "Asile héréditaire", ont été chantés avec un goût et un sentiment délicieux. A nos yeux, sous le rapport de la puissance, du sentiment et de l’expression, M. Laborde, dans cet air, est tout à fait à la hauteur de Duprez, tandis que dans le magnifique air de bravoure "Amis, amis, etc.," il l’emporte de beaucoup sur Duprez, du moins sur le Duprez que nous connaissons, et est tout à fait égal à ce qu’était Duprez il y a 8 ans, quand il fit tourner la tête aux dilettanti parisiens avec son fameux ut de poitrine. Le fait est que M. Laborde est le successeur légitime de Duprez, et le jour n’est pas éloigné où il sera connu et apprécié sur tous les théâtres de l’Europe. Les chœurs sont admirables et l’orchestre excellent ; nous n’avons jamais entendu la magnifique ouverture de cet opéra jouée d’une manière plus irréprochable.  Dans le Châlet, M. Couderc et Mad. Guichard ont fait rire le public à gorge déployée par la manière dont ils ont rempli leurs rôles respectifs. A la chute du rideau, M. Laborde a été rappelé à grands cris et il est venu tenant Mad. Laborde par la main. Tous les deux ont été couverts d’applaudissements." (Sun)

    "D’autres journaux disent que Mad. Guichard, Couderc et Zelger ont obtenu aussi les honneurs du rappel. Le Times appelle Couderc un drôle de petit gaillard (funny little fellow). Il produit son effet là comme ailleurs. En résumé, nos artistes ont un grand succès et la tentative de l’administration sera heureuse. Tout le monde doit être content."

    Bron
    La Belgique musicale, 12 juni 1845