ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 69 (augustus 2008)

1. Concertreeks in de kijker : Belgen in Parijs
door Annelies Focquaert

Op zaterdag 4 oktober 2008 geeft het Vlaams Radio Orkest het startschot voor de prachtige reeks Belgen in Parijs van het Festival van Vlaanderen - Mechelen, dat opgebouwd is rond werken van François-Joseph Fétis (1784-1871), François-Auguste Gevaert (1828-1908) en César (Auguste) Franck (1822-1891). De aanleiding voor deze niet te missen reeks wordt gevormd door enerzijds de verjaardag van 175 jaar Conservatorium Brussel, waar zowel Fétis als Gevaert directeur waren, en anderzijds de herdenking van Gevaerts honderdste sterfdag.

Op 4 oktober staat Gevaerts ouverture tot zijn succesvolle opera Le capitaine Henriot op het programma, naast de Eerste symfonie van Fétis en dé Symphonie van Franck: een geweldige kans dus om deze werken tijdens éénzelfde concert te kunnen horen.

Zaterdag 4 oktober 2008, 20:15
Oude Mechelse Vleeshalle, Huidevettersstraat 7, 2800 Mechelen
Vlaams Radio Orkest o.l.v. Marc Soustrot
Inleiding door Jan Dewilde om 19u15
Info en tickets: 015 26 23 41

De Koninklijke Manufactuur De Wit vormt op zondag 12 oktober het weelderige decor voor een concert dat verschillende tijden door elkaar weeft. Francks klassiek opgebouwde maar tegelijk romantische expressie ademende Quintette uit 1879 wordt er opnieuw naast een werk van Fétis gezet, namelijk diens klassieke Grand sextuor opus 5 uit 1812. Om het klankentapijt nog kleurrijker te maken wordt ook nog Guillaume Lekeu’s Molto adagio uitgevoerd. Ondanks de schijnbaar ver uit elkaar liggende tijdsperioden waarin deze werken werden gecomponeerd, zal het toch niet verbazen als er hier en daar een rode draad opduikt...

Zondag 12 oktober, 20:15
Koninklijke Manufactuur De Wit, Schoutetstraat 7, 2800 Mechelen
Musique Oblique
Inleiding door Jan Dewilde om 19u15
Info en tickets: 015 26 23 41

Op donderdag 16 oktober is het de beurt aan de religieuze muziek: Gevaerts Missa solemnis en Fétis’ Requiem, gecomponeerd in 1850 voor de begrafenis van koningin Louise-Marie van België, sluiten de reeks af in de Sint-Romboutskathedraal.

Donderdag 16 oktober, 20u15
Sint-Romboutskathedraal, Mechelen
Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen & Vlaams Radio Koor o.l.v. Bo Holten
Inleiding door Jan Dewilde om 19u15
Info en tickets: 015 26 23 41

2.  Hommage aan Jozef De Beenhouwer
door Michaël Scheck

Op zondag 5 oktober aanstaande zet Marnixring Max Wildiers de Antwerpse pianist Jozef De Beenhouwer in de bloemen. Aangezien de gehuldigde zelf het feestconcert verzorgt, samen met sopraan Cristel De Meulder, belooft het niet alleen een verdiende hulde, maar tegelijk ook een bijzonder boeiend muzikaal evenement te worden. Jozef De Beenhouwer is meer dan een vaste waarde in het muzieklandschap, hij is een baken dat hoog boven het haast niet meer te overzien concertaanbod van alle dagen uitstijgt. Zo hoog zelfs dat het door sommigen blijkbaar niet meer waargenomen wordt.

Als solist, kamermusicus en fijnbesnaarde liedbegeleider verschijnt Jozef De Beenhouwer regelmatig op de grote podia van Europa en daarbuiten. Zijn radio- en tv-opnames zijn legio, alleen al voor het label Phaedra heeft hij meer dan een dozijn cd’s ingespeeld. Indrukwekkend zijn De Beenhouwers verdiensten op musicologisch gebied. Zijn speurwerk bracht hem onder meer in nauw contact met onbekende bladzijden uit het oeuvre van Clara en Robert Schumann, partituren die hij verzamelde, bestudeerde, uitvoerde en publiceerde. Hiervoor en voor zijn magistrale vertolkingen werd hem in 1993 de Robert Schumann Preis der Stadt Zwickau toegekend.

De toekenning van de Belgische Caecilia-Prijs aan Jozef De Beenhouwer heeft symboolwaarde gekregen. Onverstoorbaar is hij bedrijvig met de herwaardering van de betere Vlaamse pianomuziek, die hij daarnaast ook nog vertolkt als geen ander. Tegen de heersende stroom van onwetendheid in, heeft hij de meesterwerken van een Benoit, Ryelandt, Mortelmans, de Jong en anderen terug op de kaart van de grote klaviermuziek gezet. Alleen daarvoor al komt Jozef De Beenhouwer de grootste eer toe.

Zondag 5 oktober 2008, 15:00, AMUZ Augustinus Muziekcentrum Kammenstraat 81, 2000 Antwerpen
Programma: Schubert, Schumann, Wolf, Benoit, de Jong, Mortelmans
Uitvoerders: Christel De Meulder, sopraan & Jozef De Beenhouwer, piano

De laudatio wordt uitgesproken door de heer J. Schiltz, voorzitter vzw Lodewijk en Frans Mortelmans
Organisator: Marnixring Max Wildiers

3. Liedkunst op teksten van Gezelle : Peter Benoit (1834-1901)
door Veerle Bosmans

Hoewel Peter Benoit geen Gezelleliederen schreef, hebben beide kunstenaars wel wat met elkaar te maken. Ondanks het feit dat Benoit nooit van de gedichten van zijn streekgenoot gebruik heeft gemaakt en ondanks de grote ideologische verschillen die componist en dichter uit elkaar hielden, was het Guido Gezelle die in 1885 een tekst schreef voor het doodsprentje van Benoits moeder Rosalie Monie. Gezelle eindigt zijn gedicht met een duidelijk oproep aan de componist:

"Staat op, en volgt uw Moeder na,
van God begaafde zanger, ja,
onsterflijke, en laat hooren
uw stemme eens, en vergeet dat niet,
aan haar die zong uw wiegelied,
in ’s hemels blijde chooren!"

Benoit wordt zelfs vernoemd in een van Gezelles gedichten. Op de keerzijde van een ongedateerde brief werd volgend kwatrijn teruggevonden:

"Peter Benoit est un génie
Toutes ses oeuvres en font foi,
On respire de l’harmonie
Quand on entend Peter Benoit."

Zeer ironisch om als Vlaamsgezind dichter een Frans vers over een expliciet Vlaamsgezinde componist te schrijven… Vermeldenswaard nog is dat Gezelle zelf twee gedichten, Het standaardlied en Komt kameraden, op bestaande melodieën van Benoit plaatste. Met Komt kameraden, een tekst voor het Sint-Caecilia-feest op 25 november 1877 van een Kortrijkse muziekvereniging, speelde Gezelle in op de muzikale actualiteit. De tekst moet worden gezongen op Dan zal de beiaard spelen uit de Rubenscantate die pas op 18 augustus 1877 was gecreëerd. En zo staat er dan toch nog muziek van Benoit op een tekst van Gezelle!

4. Historische tekst : Orpheus van Cocteau en De geschiedenis van den soldaat van Stravinsky
door Willem Putman

In zijn Tooneeldagboek, 1928-1938 wijdt de West-Vlaamse toneelauteur en –recensent Willem Putman (1900-1954) enkele pagina’s aan een (niet gedateerde) opvoering door het Vlaamsch Volkstoneel van Jean Cocteau’s Orphée en Igor Stravinsky’s L’histoire du soldat. De muziekuitvoering werd verzorgd door het toen spraakmakende ensemble Pro Arte o.l.v. Arthur Prévost.  Hieronder volgt Putmans impressie van de opvoering van het stuk van Stravinsky:

"Beter dan het stuk van Cocteau paste Strawinsky’s 'Geschiedenis van den Soldaat' in het repertoire van het Volkstoneel. Want hoe modern en extravagant dit werk ook moge klinken, het blijft volkskunst en de menigte zal er motieven in ontdekken, die van oudsher tot het domein van het sprookje hebben behoord en altijd het gemoed van de massa hebben aangegrepen.

De vertolking was een perfectie. Als het doek opgaat, zit links de voorlezer (Johan De Meester jr.) in rok aan een tafeltje. Rechts is het orkest ('Pro Arte', onder leiding van Prévost) opgesteld. In het midden is een soort theaterke opgetimmerd, waarop het beloop van het gebeuren wordt gemimeerd. Er is een ophaaldoek met geestige teekening van Floris Jespers, die trouwens ook de andere décors had ontworpen. Zij waren een fantastische kleurenweelde, waarmede de pittoreske costuums volkomen harmonieerden. Op dit theaterke zien we gebeuren: de ontmoeting van den soldaat met den duivel; zijn terugkomst in het dorp alwaar hij een vreemde is geworden; zijn rijkdom; zijn stijgend verlangen; zijn samenkomst met de prinses. Tusschenin ‘zegt’ de voorlezer en licht toe, terwijl de muziek dit alles schraagt met het hortende rythme van koper, waarin de viool geheimzinnige melodieën slingert van heimwee en verlangen. Muziek, plastiek en spel zijn hier op voorbeeldige wijze vereenigd. En de drie factoren stonden op een evenhoog peil.

Het orkest speelde met een treffende perfectie. De stem van Johan De Meester scheen mede deel uit te maken van de orchestratie. Op het tooneeltje speelde Staf Bruggen den soldaat op sobere en diep-menschelijke wijze. Om hem slingerde Verheyen (de duivel) zijn lenig lijf. Af en toe wordt gesproken. Soms is er een brokje dialoog tusschen den voorlezer op het proscenium en den soldaat op het tooneel. Ook tusschen orkest en spelers is er bij poozen directe aansluiting. Als duivel of soldaat spelen op de wonderlijke viool en daarbij niet verroeren maar als versteende beelden verstrakt schijnen in het geluid der muziek, stijgt uit het orkest de viool-solo op en zingt zinderend het aangrijpend lied dat over dit spel huivert...

Alles wordt nog vollediger, intenser, bij het verschijnen van de danseres Maria S. Nathusius, die met een niet te evenaren stijl gestalte wist te geven aan Strawinsky’s orchestratie. Ook Verheyen’s dans was heerlijk, een volkomen vergeestelijkte expressie van duivelschen list. Een dans die hier de brug was, waarlangs men dit stuk brengen kon in het bereik van een publiek...

Deze voortreffelijke vertooning werd gegeven in den schouwburg van het Koninklijk Paleis te Laeken. Een glanspunt in onze tooneel-beweging en een volkomen verdiende erkening van de hooge waarde des Volkstooneels. De koninklijke familie woonde de vertooning bij, en ontving te dezer gelegenheid de élite der Vlaamsche en Waalsche kunstenaars.

Het was, helaas, de afscheidsvertooning van Johan De Meester jr.

Bron
Willem Putman, Tooneeldagboek, 1928-1938, Antwerpen, 1938, p. 45-47.

5. Een eeuw(igheid) geleden : Monna Vanna van Maurice Maeterlinck
door Jan Dewilde

Een eeuw(igheid) geleden... berichtte Le guide musical in het dubbelnummer van 16-23 augustus 1908 omtrent het proces dat de Gentse Franstalige auteur Maurice Maeterlinck (1862-1949) had ingespannen tegen de Hongaarse componist Emil Ábrányi (1882-1970). (Le guide musical kende Ábrányi verkeerdelijk de Tsjechische nationaliteit toe). Ábrányi had zonder Maeterlincks toestemming diens toneelstuk Monna Vanna tot opera bewerkt en Maeterlinck eiste een schadevergoeding van 4.000 fr. Het was Ábrányi’s vader die uit Maeterlincks stuk het libretto distilleerde en de opera was op 2 maart 1907 in Boedapest in première gegaan. Maeterlinck ving bot bij de rechtbank van Budapest: tot zijn ontsteltenis oordeelde de rechter dat zijn auteursrechten in deze kwestie niet waren geschonden.

Maeterlinck had de exclusieve rechten voor een operabewerking aan de Franse componist Henry Février (1875-1957) gegeven, maar ook deze versie zorgde voor problemen. Bij elke opera-enscenering van een van zijn toneelstukken eiste Maeterlinck dat zijn vrouw Georgette Leblanc de belangrijkste titelrol zou zingen, zo ook in Févriers versie van Monna Vanna. Toen de Parijse operadirecties weigerden om haar de titelrol te laten zingen, spande Maeterlinck een proces tegen hen in. Ook in deze rechtszaak moest Maeterlinck bakzeil halen: Févriers opera werd in 1909 in Parijs gecreëerd met Lucienne Bréval in de titelrol. Ondertussen was begin 1907 ook Sergei Rachmaninov aan de compositie van Monna Vanna begonnen. Hij schreef de eerste acte en maakte schetsen voor de tweede… tot hij vernam dat Maeterlinck Février exlusiviteit had gegeven en hij het werk opgaf. In 1984 dook Rachmaninovs manuscript op in de Library of Congress in Washington. Igor Buketoff orkestreerde de eerste acte die in die versie werd uitgevoerd in augustus 1984 tijdens de Saratoga Springs in New York.

6. Vers van de pers : La strada van Luc Van Hove

Onlangs publiceerden het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek en Musikproduktion Höflich in München de orkestpartituur van Luc Van Hoves eerste opera La strada. Deze partituur op groot formaat is te verkrijgen bij de uitgeverij:
Musikproduktion Jürgen Höflich
Enhuberstrasse 6-8
D-8033 München
004989522081
hoeflich@musikmph.de

Zowel voor het Studiecentrum als voor de uitgeverij betekende deze uitgave een zware inspanning, maar op deze manier ligt de partituur ter beschikking voor studie en, hopelijk, volgende uitvoeringen. Hieronder volgen de teksten uit de inleiding (die in de partituur ook in het Frans, Engels en Duits werden afgedrukt, samen met het libretto:

La strada - Luc Van Hove (Wilrijk, 1957)

De componist
(door Adeline Boeckaert)

De Vlaamse componist Luc Van Hove genoot zijn muzikale opleiding aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen. Hij studeerde er onder meer compositie bij Willem Kersters, analyse bij August Verbesselt, piano bij Lode Backx en muziekgeschiedenis bij Kamiel Cooremans. Later volgde hij nog orkestdirectie aan het befaamde Mozarteum in Salzburg en compositie en choreografie aan de universiteit van Surrey in Guildford. Naast componist is Luc Van Hove ook een van de meest vooraanstaande compositieleraars in Vlaanderen. Hij is gewezen buitengewoon leraar aan de muziekkapel Koningin Elisabeth en doceert momenteel compositie aan het conservatorium van Antwerpen en compositie en analyse aan het Lemmensinstituut in Leuven.

Het oeuvre van Luc Van Hove bestaat vooral uit absolute muziek waarbij het zuivere muzikale aspect centraal staat. De componist combineert een zintuiglijke fascinatie voor het klankbeeld met een analytische benadering van de partituur. Enkele vroege werken niet te na gesproken, schreef Van Hove tot voor kort quasi uitsluitend instrumentale muziek. Zijn voorkeur gaat uit naar traditionele genres uit de klassiek-romantische periode zoals het concerto, strijkkwartet, symfonie en sonate. Een van de belangrijkste bekommernissen van Van Hove is de thematische verwerking van een aantal tonen tot een samenhangend geheel. Hij maakt daarbij dankbaar gebruik van de middelen die hem vanuit de traditie worden aangereikt en schuwt geenszins de klassiek-romantische en vroeg-moderne muzikale technieken en vormen. Hoewel Van Hove nooit de banden met het verleden heeft doorgeknipt, springen ook een aantal eigentijdse kenmerken in het oor. Zo vormen de snel evoluerende en dichte texturen enerzijds en de gelijktijdige ontwikkeling van verschillende, boven elkaar geplaatst lagen anderzijds ook belangrijke bestanddelen van zijn werk. Zijn voorkeur voor beweeglijke en kleurrijke texturen komt duidelijk tot uiting in zijn vier concerti, respectievelijk voor elektrische gitaar (op. 26, 1990), hobo (op. 29, 1993), piano (op. 32, 1995) en cello (op. 36, 1998).

Met de composities Four Sacred Songs (op. 42, 2003) en Psalm 22 (op. 44, 2005) waagt Luc Van Hove zich voor het eerst in ongeveer twintig jaar opnieuw aan vocale werken. "Het was een bewuste strategie. Ik vind dat schrijven voor zangstem zoiets specifiek is dat je dat het best doet wanneer jouw muzikale taal helemaal vastligt; wanneer je als componist meesterschap hebt bereikt. Anders ga je vals spelen, dingen doen die je anders niet zou doen. Zang vraagt om een perfecte beheersing van de muzikale taal. Recent heb ik weer wat koormuziek geschreven, niets solistisch. Daaruit heb ik opgemaakt dat ik geleidelijk een eigen vocale stijl heb gevonden." In 2002 kreeg Luc Van Hove van de Vlaamse Opera de opdracht een avondvullende opera voor grote bezetting te componeren. La strada ging op 29 januari 2008 in de Vlaamse Opera in première. Zijn devies voor opera klinkt: "Je moet je eigen esthetica ten volle begrijpen en beheersen. Aan opera moet je je niet te vroeg wagen."

Het werk
(door Piet De Volder)

Met de nieuwe opera La strada vallen componist Luc Van Hove en librettist Eric de Kuyper terug op een geconsacreerd meesterwerk: de gelijknamige, legendarische film van Federico Fellini uit 1954 – een mijlpaal in het oeuvre van de Italiaanse maestro met memorabele vertolkingen van Giulietta Masina - Fellini’s echtgenote - en Anthony Quinn. Toch willen de makers geen doorslagje of een remake van de film afleveren. Het eenvoudige verhaal over de krachtpatser Zampanò, zijn wat simpele assistente Gelsomina en de acrobaat Il Matto leidt een eigen muziekdramatisch leven. Het libretto blijft dichtbij het originele filmscenario. Niettemin verandert de volgorde van bepaalde scènes en worden afzonderlijke scènes samengebald. Eric de Kuyper voegt bovendien tekst toe, in het bijzonder voor Gelsomina. In zogenaamde inner speeches reflecteert ze over de gebeurtenissen onderweg en over haar ervaringen aan de zijde van Zampanò.

Referenties naar de bekende filmmuziek van Nino Rota zijn afwezig. Toch behoudt de componist uit de film de band tussen afzonderlijke personages en hun instrument: de trompet voor Gelsomina – het instrument waarmee ze Zampanò’s acts aankondigt – en de viool voor Il Matto. Elk van de drie hoofdpersonages wordt geassocieerd met een welbepaald type muziek: energieke muziek met kopers en percussie voor Zampanò; dromerige, onbestemde muziek voor Gelsomina (strijkers en harp) en een virtuoze vioolpartij voor Il Matto – een muzikale metafoor voor zijn lichtvoetigheid en voor zijn activiteit als koorddanser. Eerder dan met Leitmotive werkt de componist met terugkerende orkestrale texturen en tonaliteiten.

De opera is onderverdeeld in een proloog en twee bedrijven. De bedrijven zijn respectievelijk genoemd naar Gelsomina (1ste bedrijf) en Zampanò (2de bedrijf). Componist en librettist verwijzen hiermee niet zozeer naar het aandeel van elk van de personages in de handeling maar naar het bewustzijnsproces dat zich binnen elk van hen voltrekt: Gelsomina’s roeping als straatartieste en haar menselijke roeping als liefhebbend wezen (einde van het eerste bedrijf); Zampanò’s tragische besef van eenzaamheid na de dood van Gelsomina.

De scènes van de twee bedrijven worden onderling met elkaar verbonden door tussenspelen die de componist 'strada’s' noemt. Deze muziek beschrijft de dagelijkse sleur van het onderweg zijn, als schril contrast met de kicks van de optredens. Voor de componist is het muziek die een sfeer van tristesse, melancholie en monotonie uitstraalt. De bugel speelt in deze tussenspelen een centrale rol. Trompet en bugel belichamen tevens het 'aankondigingssyndroom' waarover Luc Van Hove het heeft: "Het aankondigen is essentieel voor mij; niets waar een artiest een grotere kick van krijgt dan aangekondigd te worden." In overeenstemming met de eenvoud van zijn personages opteert Van Hove voor eenvoudige zanglijnen die dicht aanleunen bij de spreektaal en die wezenlijk een diatonisch profiel hebben.

Net zoals in zijn andere werken hanteert Luc Van Hove de zogenaamde set-theorie van Allan Forte als uitgangspunt voor de compositie. In deze theorie passen zowel tonale/centristische als atonale strategieën. Dissonanten en consonanten worden volstrekt evenwaardig behandeld. In deze context omschrijft de componist zijn opera als 'post-tonaal' of 'post-atonaal'.

La strada is het operadebuut van Luc Van Hove. Het werk ging in première in de Vlaamse Opera te Antwerpen (België) op 29 januari 2008.

Synopsis
(door Eric de Kuyper & Piet De Volder)

Gelsomina, een simpel en zonderling meisje 'zonder leeftijd', wordt door haar moeder voor tienduizend lire verkocht aan de rondreizende krachtpatser Zampanò. Gelsomina’s zus Rosa was eerder Zampanò’s assistente maar ze kwam op een niet nader omschreven wijze om. Niettemin moet de moeder niet aandringen: Gelsomina droomt van dansen en optreden. In haar naïviteit meent ze een stel met Zampanò te vormen maar vlug volgen ontgoochelingen. "Zampanò is er zo eentje die met de vrouwen gaat", merkt Gelsomina op nadat hij met een prostituee op pad is geweest. De norse, zwijgzame bruut en het meisje trekken van het ene dorpsplein naar het andere om steevast dezelfde acts op te voeren. Ze zijn steeds onderweg. Op een bruiloftsfeest waarop Zampanò voor de zoveelste keer zijn 'nummer met de ketting' ten beste geeft, ontmoet Gelsomina 'de Gek' (Il Matto). Ze geraakt onder de indruk van zijn vioolspel terwijl Zampanò de schoonmoeder van de bruid verleidt. Ook al geniet Gelsomina van de status van 'artieste', ze lijdt onder Zampanò’s hardvochtigheid. Tevergeefs poogt ze zich van hem los te maken. In een circus vindt ze de Gek terug die Zampanò’s 'nummer met de ketting' ridiculiseert. De krachtpatser is in alle staten. Het komt tot een gevecht waarin de Carabinieri tussenkomen. Zampanò wordt gearresteerd en een tijdlang vastgehouden. Ondertussen probeert de Gek Gelsomina zelf in zijn act te integreren maar het meisje voelt zich nutteloos en verdrietig. De Gek maakt haar duidelijk dat alles zin heeft op aarde, zelfs het kleinste keitje, zelfs haar eenvoudig leventje. Ze beseft dat haar plaats bij Zampanò is. Eens die terug uit de gevangenis is, hervatten ze hun rondreizend bestaan.

Ze houden halt aan zee. Zampanò herstelt zijn motorwagen terwijl Gelsomina met haar trompetspel de aandacht van een jonge kloosterzuster trekt. Deze maakt het meisje duidelijk wat een roeping is. Gelsomina beseft dat het haar roeping is om bij de krachtpatser te blijven. Maar weerom verschijnt de Gek. Ditmaal besluit Zampanò de rekeningen te vereffenen: de Gek bekoopt zijn grappen met de dood. Gelsomina treurt. Halfgek trekt ze zich terug in haar wereldje. Zampanò van zijn kant poogt haar tevergeefs te overtuigen dat Matto’s dood een ongeval was. Hij besluit haar achter te laten. Jaren later hoort hij van een meisje over Gelsomina’s dood; ze geeft hem haar trompet. Te laat beseft hij wat het kleine wezentje met hem heeft gedaan. Te laat lijkt hij iets als liefde te voelen.

Voor het orkestmateriaal, gelieve u te wenden tot CeBeDeM (www.cebedem.be).
Deze partituur werd gepubliceerd in samenwerking met het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek (www.svm.be)