ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 7 (maart 2003)

1. Concerten

  • Antwerpen, cultureel centrum De Luchtbal (Columbiastraat, 8 – 2030 Antwerpen) - Houtblazersensemble BRAVENTI speelt een concert in het kader van het project Drieluik Jan Blockx
    Op het programma staan, naast werk van Mozart en Dvorak, de Vlaamse Dansen van Jan Blockx (bewerking van Danny Van Biesen) en De terugkomst naar het land van Paul Gilson in (bewerking van Danny Van Biesen).
    Naar aanleiding van het Blockx-project heeft Van Biesen een boekje geschreven over leven en werk van Jan Blockx.
    Reservaties (na 20 u.) op 02/767.01.89 - 0496/57.21.69 of per e-mail vanbiesenbeke@pandora.be
  • Dendermonde, Sint-Pieters en Paulusabdij – 29 maart, 20.00 u.
    Passieconcert met werk van Aegidius Vernimmen en Herman Roelstraete.
    Van Aegidius Vernimmen (1646-1729), die als Frater Lucas in het Capucijnenklooster in Dendermonde leefde, is het manuscript Libellus Cantionum Catholicarum bewaard gebleven. Het is in dit handschrift dat Herman Roelstraete (1925-1985) materiaal vond voor de reconstructie van Vernimmens De Memoria Passionis, een merkwaardige Nederlandstalige liederenpassie. Roelstraete realiseerde de strijkers- en orgelpartijen op basis van de basso continuo in het manuscript.
    Het eerste deel van het concert bestaat uit een bloemlezing uit het omvangrijke werk van de veel te vroeg overleden componist en musicoloog Roelstraete. Er staan werken voor koor, orgel, solozang, piano en strijkers op het programma.
    Uitvoerders zijn Lieve Van Lancker (sopraan), Analivia Bekaert (mezzo), Koen Laukens (tenor), Marleen Uten (piano), Peter Thomas (orgel), het koor Viva Voce o.l.v. Jos Moens, een strijkersensemble o.l.v. Marleen Ydiers. Het geheel wordt geleid door Mark Goossens.
    Reservatie op 052/21 00 23.
  • Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, afdeling muziek (4de verdieping) – 4 april 2003, 12.30 u.:
    Huldeconcert aan Flor Peeters door Benjamin-Joseph Steens, klavecimbel
    Op het programma staan onder andere Peeters’ Preambulum voor klavier op de naam van Jan de Smedt op. 138 en de Sonatine op. 46.
  • 2. CD's

    Het Italiaanse label Fono Enterprise heeft zich gespecialiseerd in historische opnamen. Enkele jaren geleden bracht Fono Enterprise een reeks cd’s uit met oude opnamen van het Belgische Pro Arte-kwartet.
    Dit gerenommeerde kwartet, dat verder bouwde op de traditie van grote Belgische strijkkwartetten van Eugène Ysaye en César Thomson, werd in 1912 gesticht door studenten van het conservatorium van Brussel. Tijdens het eerste publieke concert in de lente van 1913 bestond het gezelschap uit de violisten Alphonse Onnou en Laurent Halleux, de altist Germain Prévost en de cellist Fernand Quinet. De veelbelovende start van het kwartet werd even gehinderd door het uitbreken van de oorlog, maar dankzij de inspanningen van enkele hooggeplaatste muziekliefhebbers werden de vier musici aangesteld tot militaire musici, zodat ze tijdens de oorlogsjaren konden verder spelen als Quatuor de l’Armée de campagne.
    In 1923 werd Quinet vervangen door Robert Maas. Zijn komst viel samen met de meest productieve jaren van het kwartet. Op de Pro Arte-concerten speelden ze nieuw werk van componisten als Bela Bartok, Alfredo Casella, Darius Milhaud en Arthur Honegger. Na een succesvol optreden in 1923 op het festival van de International Society of Contemporary Music, onderman het kwartet een succesvolle Europese tournee. Vanaf 1926 concerteerde het kwartet ook in de Verenigde Staten en Canada. En ook daar stonc nieuwe muziek op het programma. Op 16 februari 1929, bijvoorbeeld, tijdens een concert van de League of Composers in New York speelden Onnou en Maas samen met de pianist Walter Gieseking de wereldcreatie van Aaron Coplands Vitebsk. Study on a Jewish theme.
    Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog weken Onou, Halleux en Prévost uit naar de Verenigde Staten. Onnou stierf in 1940 aan leukemie, hij was 47 jaar. Als primarius werd hij vervangen door Antonio Brosa (tot 1944) en daarna door Rudolf Kolisch. Maar het werd al vlug duidelijk dat met de dood van Onnou de gouden jaren van het kwartet voorbij waren.
    Het kwartet Pro Arte werd in zijn beginjaren vooral geprezen omwille van zijn uitvoeringen van hedendaagse muziek. Maar naarmate de jaren verstreken kende het kwartet steeds meer succes met de uitvoering van klassieke muziek, vooral van Haydn, Mozart en Schubert. Verschillende van hun werken werden voor het eerst door Pro Arte op plaat gezet.
    Het Pro Arte-kwartet werd vooral geprezen omwille van de exceptionele klank. Het feit dat de vier musici uit de zelfde vioolschool stamden, zal daar niet vreemd zijn aan geweest. Bovendien telde het kwartet met Onnou en Maas twee uitzonderlijke musici.

    In de reeks Strings bracht het label Fono Enterprise onder andere volgende opnames van het Belgische kwartet uit:

  • QT 99.315
    Mozart, Pianokwartet KV 478
    Mendelssohn, Pianotrio op. 49 nr. 1
    (opnamen uit 1927 en 1934)
  • QT 99.334
    Schubert, Strijkkwintet in C
    Schubert, Pianokwintet D 667
    (samen met Anthony Pini en Arthur Schnabel; opnamen uit 1935)
  • QT 99.370
    Haydn, Strijkkwartet op. 77 nr. 1
    Franck, Strijkkwartet in D
    (opnamen uit 1933)
  • De geluidskwaliteit van deze historische opnamen is verbazend goed.

    3. Martin Lunssens

    De historische tekst vonden we deze keer in het satirische tijdschrift Reinaert. Deze veertiendaagse periodiek verscheen in Gent onder leiding van Firmin Parasie van 4 januari 1930 tot mei 1940. Het tijdschrift richtte zijn pijlen tegen gematigde Vlaamsgezinden als Frans Van Cauwelaert en Camille Huysmans. Daarnaast besteedde het tijdschrift ook veel aandacht aan de Gentse universiteit. De toon van het blad was zeer bitter en een ruime verspreiding bleef dan ook uit. In 1935 trok Reinaert fel van leer tegen de Franstalige componist en dirigent Martin Lunssens (1871-1944), die sinds 1924 dirigent van het conservatorium van Gent was.
    Lunssens had gestudeerd aan het Brussels conservatorium bij François-Auguste Gevaert en won in 1895 de Prijs van Rome met de cantate Callirhoé. Hij componeerde vier symfonieën (de Romeinse, de Florentijnse en de Franse), verschillende symfonische gedichten (Romeo en Julia, Timon van Athene, Phèdre, Le cid), concerto’s voor viool, altviool en cello, liederen en kamermuziek.
    Hij dirigeerde in de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen, waar hij zich vooral als Wagnerdirigent liet opmerken. Maar Lunssens maakte vooral carrière in het muziekonderwijs. Hij was harmonieleraar aan het conservatorium van Brussel; in 1905 werd hij directeur van de muziekschool van Kortrijk; in 1916 directeur van het conservatorium van Charleroi; in 1921 van de stedelijke muziekschool van Leuven en in 1924 directeur van het Koninklijk Conservatorium van Gent.
    In onderstaand artikel gaat Reinaert niet alleen tekeer tegen Lunssens’ gebrekkige kennis van het Nederlands, maar blameert het blad ook zijn kwaliteiten als dirigent. Een tijdsdocument:

    MARTIN LUNSSENS AND HIS BOYS

    Deze reus  – zoo groot in figuurlijke als in stoffelijke beteekenis – beeldt zich in, dat hij bestuurder is van het koninklijke muziekkonservatorium te Gent. In feite, dus in rechte , om het als troonrede te zeggen, is monsieur le directeur zoo’n soort tyrannetje, de lengte uitgezonderd, dat over dit muzikaal instituut regeert zooals een blank distriktshoofd over een negerstam, à la cravache.

    Monsieur Lunssens kent geen woord Nederlandsch zoo groot als een huis. Hij beproeft het soms wel, du flamand usuel over zijn lippen te brengen. Dan stamelt hij twee woorden Duits, drie woorden Engelsch, een paar Gentsche straatwoorden très couleur locale. Aldus wordt, op het einde van het jaar 1934, in het hartje van Vlaanderen openbaar onderwijs verstrekt in een taaltje, dat meer op Papoeadialekt lijkt dan op Nederlandsch. Het is beschamend, het is grievend, het is tergend, maar…we hebben taalwetten veroverd, die à la Lunssens worden durchgesetzt, by application of the vlomsk lawerlaubnisaccommodement je n’en sors plus potverdek, héla concierge, traduisez-moi ça pour ce crétin qui ne saisait pas, faut-il être vache pour ne pas me comprendre même quand je parle flamin, potverdek.

    We vragen niet, dat men ons op ons woord geloove. Wie nieuwsgierig is, kan steeds bij dat heerschap de visu, vooral de auditu gaan experimenteren, hoe wonderzoet de taal van Vondel en van Gezelle klinkt, in een instituut waar ook een klas voor Nederlandsche voordracht op leerlingen, en zelfs op professoren mag roemen.

    We hoeven monsieur Lunssens niet boosaardiger af te schilderen dan hij het is. We bekennen dat, op zijn negertaaltje na, de leeraar voor fuga en de toondichter een knappe kop is. Hij zou een goed bestuurder voor een muziekschool zijn, ergens in het Fransche taalgebied, zoo te Carcassonne of te Tarascon, liefst zoo diep mogelijk in het Zuiden want de man is een esprit latin. Zijn uiterlijk rangschikt hem veeleer bij de bosjesmannen of bij de rondreizende dwergen uit het circus Gleich, maar zijn geest is Latijnsch, tout ce qu’il y a de plus latin, net als de Vesuvius of de crème glace, om eventjes ongelijkwaardige Zuidersche produkten te noemen.

    Maar Lunssens is meer dan prof, meer dan toondichter voor morceaux de concours, hij is ook dirigent. En dat geval wordt bedenkelijk. De  ramp ware nog niet zoo uitgebreid, moest de  man de Latijnsche  toondichters Puccini of Mascagni of Leoncavallo ten gehoor brengen, maar – wonder der wonderen – de dirigent wordt Germaansch, zoodra hij den maatstok ter hand neemt, en mishandelt dan Wagner en Beethoven.

    Neen, keer u niet om in uw graven, reuzen van scheppende kracht, van goddelijke inspiratie. Het is niet eens de moeite waard, ce n’est que Lunssens qui fait son numéro. Hebt u ooit, muziekliefhebbers over heel Vlaanderen, een zaal vol menschen lachend zien zitten, toen na het statige pelgrimskoor van Tannhäuser het strijkkwartet opklauterde naar de bacchanale van de Venusberg? Of een publiek het hooren uitproesten, wanneer de tragische rouwmarsch uit de Derde den val van den Held schetst met onovertrefbare sombere klankenweelde? Dàt is het spektakel, dat een reisje naar Gent loont: Lunssens die dirigeert. De critique éminent, Paul Bergmans, die in de Flandre libérale deze artistieke moorden heeft goed te praten, bezit een prachtig cliché, om dit vandalisme te verontschuldigen: de chef en het orkest kregen last van de warmte.

    Bevreemdend, zeer bevreemdend: want gewoonlijk gaat er een ijzige tocht, van de zaal uit, over het hoofd van den aanvoerder naar de uitvoerders toe. Het is een eigenaardig natuurkundig verschijnsel, dat de koorts van het slechte geweten de ijskelderlucht uit de zaal niet aanvoelt. Dit verschijnsel is het merkwaardigste, dat we bij de koncerten van Lunssens kunnen aanstippen.

    Eens is er, in het burokratische pedante leventje van Lunssens iets vreeselijks gebeurd: men heeft hem voor flamingant gescholden. Stel je voor, hij was bij toeval lid geworden van  Navea, en kwaadwilligen hadden daaruit afgeleid, dat hij een Vlaamsch extremist was.

    Ware Lunssens nu een origineele kerel geweest, hij had een symfonie getoondicht op thema's van de Brabançonne en van de Marseillaise, om met klanken deze klinkende laster te logenstraffen. Maar Lunssens greep naar zijn pen, om in een soort politiek testament neer te schrijven, dat hij heel het aktief van zijn muzikale balans aan het Latijnendom te danken had, dat hij Latijnsch was zoo van hart als verstand, vanaf zijn manen en zijn teenen tot in zijn ingewanden. Over driehonderd jaar zullen de historici aan de hand van dit dokument vaststellen, dat er wel een Belgische staat, wel Belgische staatsburgers, wel Belgische budgetivoren bestonden, maar geen Belgische toondichters, daar diegenen die geen Vlamingen waren dan ook evenmin als Belgen pronkten, wel als Latijnen, als Zuiderlingen, niet als aanhangers van een Belgicistische-unitaire kultuur.

    Dit testament van Lunssens is de eenige sympathieke daad die wij, Vlaamsche extremisten, op zijn aktief kunnen boeken. Merci Martin, c’est craché.

    We vereeuwigen hier den grooten maëstro, in zijn geliefkoosden werkkring. Wagner of Beethoven massakreerend, met een driedubbel fortissimo Isolde doodbliksemend, of presto in operettenstijl inzettend de noodlotkreet van de Vijfde.

    Armstrong, Ray Ventura, Jack Hylton, tot zelfs de solist uit het kannibalenkoncert op de Stille Eilanden zullen dat niet beter lappen. We klappen hier, uit al de kracht der toetsen van onze schrijmachine, een honderdvoudig bravotje ter eere van le latin Martin et son répertoire.”

    Uit: Reinaert, Satirisch Tijdschrift, Vijfde jaargang, nr.26, 5 januari 1935, p. 402-403