ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 71 (oktober 2008)

1. De SVM-website breidt uit
door Annelies Focquaert

Na een periode van intensief werken achter de schermen, was het hoog tijd om onze nieuwste werkzaamheden aan de website het licht te laten zien.

Voor de componistenfiches ploegden we ons door verschillende belangrijke standaardwerken als de volledige Biographie universelle van Fétis en door Les Artistes-Musiciens Belges van Grégoir. Het overvloedige materiaal dat we daar vonden, werd systematisch verder onderzocht en aangevuld. Daarnaast pasten we ook onze componistendatabank zodanig aan, dat de verschillende foto’s die zich daar – in verborgen toestand – bevonden, nu ook zichtbaar zijn voor het publiek.

Niet alleen zijn er op dit moment dus een tachtigtal nieuwe foto’s van componisten toegevoegd, maar vanaf begin november zullen er maandelijks ook vijf nieuwe fiches gepubliceerd worden.

Nieuwe fiches deze maand:
- Egidius Aerts (biografie en bibliografie)
- Felix Aerts (biografie en bibliografie)
- Hendrik Van den Abeele (historische tekst)

Voorts wordt er ook duchtig gewerkt aan de verdere invulling van de tijdslijndatabank: zoals u zal kunnen zien, is het gedeelte Vlaamse muziek gevoelig uitgebreid over de hele periode van 1830 tot 1950. Stap voor stap, jaar voor jaar, werden de composities en belangrijke gebeurtenissen ingevoerd: het leverde ook voor ons interessante inzichten op.

Voor de iets verdere toekomst kunnen we nu al aankondigen dat de onderzoeksresultaten van het Gezelleproject, waar u eerder in onze Nieuwsbrieven over kon lezen, ook op de SVM-website zullen gepubliceerd worden in de vorm van een flinke databank: daarvoor is het nog wel wachten tot begin volgend jaar.

Het is enigszins bevreemdend om dat werk van maanden in zo’n korte tekst samen te vatten, maar (al zeggen we het zelf) het resultaat mag er zijn.  

2. Een (her)ontdekking : de requiemmissen van François-Joseph Fétis en François-Auguste Gevaert
door Jan Dewilde

Op 16 oktober ll. vond in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen een uniek concert plaats: in een programmering van het Festival van Vlaanderen - Mechelen voerden het Vlaams Radio Koor en de Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen twee requiems uit, twee Belgische dodenmissen die zowat 150 jaar onder het stof hadden gelegen. De requiemmissen van Fétis en Gevaert zijn op nauwelijks drie jaar tijd van elkaar gecreëerd, maar toch klinkt er een wereld van verschil in door en lijken de werken bij momenten in een andere era gecomponeerd.

Het vroegst gecomponeerde requiem, de Messe de Requiem van Fétis, klinkt veruit als het jongste. Het werk werd op 24 oktober 1850 gecreëerd – niet op 14 oktober zoals de partituur vermeldt – op een rouwplechtigheid voor koningin Louise-Marie, de echtgenote van Leopold I. Louise-Marie d’Orléans was op 9 augustus 1832 gehuwd met de eerste Belgische koning, de 22 jaar oudere Leopold I, en ze zou op 11 oktober 1850 in Oostende overlijden aan de gevolgen van tuberculose. Ze was pas 38 en die vroege dood van de eerste Belgische koningin beroerde dan ook de gemoederen. Louise-Marie werd op 17 oktober, dus zes dagen na haar dood, begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekapel in Laken en toen werd het Requiem van Joseph-François Snel gezongen. Nog een week later, op 24 oktober, was er dan in de Sint-Goedelekathedraal in Brussel een officiële 'service funèbre' en het is bij die gelegenheid dat Fétis' dodenmis werd uitgevoerd.

Het Handelsblad van Antwerpen schreef daags nadien: "De muziekmis was van M. Fetis, met accompagnement van orgel en koper-instrumenten. De beroemde tenor van het italiaensche opera Lucchesi zong de solo der elevatie."

Gezien de korte tijd tussen de dood van de koningin en deze funeraire plechtigheid, nauwelijks veertien dagen later, is het evident dat Fétis deze dodenmis al klaar had liggen. In zijn functie van hofcomponist moest hij op alle situaties voorzien zijn en voor plotse sterfgevallen moest hij dus een requiem voorbereid hebben. Volgens Wangermée zou het werk, of althans delen ervan, al in het midden van de jaren 1830 zijn gecomponeerd. Zonder daarvoor verdere bewijzen aan te dragen beweert Wangermée dat Fétis op dit requiem alludeerde in een brief die hij op 5 maart 1835 aan de Franse violist en componist Pierre Baillot adresseerde: "Je dois retourner à Paris dans quinze jours environ pour essayer d’entrendre au Conservatoire à Paris un Dies irae où j’ai essayé de nouveaux effets de voix et d’instrumentation".

Die nieuwe effecten haalde Fétis uit de bezetting, die even origineel als merkwaardig is. Het titelblad vermeldt: Messe de Requiem pour quatre voix: solos, choeur obligé, bugle ou saxhorn, 6 cors, 4 trompettes, 3 trombones, basse-tuba ou saxhorn basse, bombardon ou saxhorn contrebasse, violoncelles, contrebasse et timbales. Indien Wangermées bewering klopt dat delen van het werk uit 1835 dateren, dan was Fétis met deze begrafenismuziek meer op zoek naar nieuwe sonoriteiten met blaasinstrumenten dan Berlioz met zijn Grande messe des morts (1837) en zijn Grande symphonie funèbre et triomphale (1840). Misschien heeft Fétis zich dan wel laten inspireren door Nicolas Charles Bochsa die in 1816 voor de herbegrafenis van Louis XVI een groots opgevat requiem met begeleiding van harmonieorkest en slagwerk schreef. Maar in tegenstelling tot Bochsa gebruikt Fétis dus geen houtblazers en beperkt hij zich tot koperinstrumenten. Het feit dat Fétis verschillende instrumenten van de saxhoornfamilie gebruikt, plaatst vraagtekens bij Wangermées bewering dat alvast het Dies Irae in 1835 is geschreven: Adolphe Sax ontwikkelde zijn saxhoorns pas in de eerste helft van de jaren 1840. Maar het bewijs dat Fétis een deel van het Requiem al in de jaren 1830 heeft geschreven, werd ons aangereikt door VRT-producer Hugo Sledsens: in zijn harmonieleer citeert Fétis een passage uit een Requiem dat hij componeerde voor de septemberherdenking van de slachtoffers van de Belgische Revolutie in 1833. Die passage komt letterlijk voor in de dodenmis voor Louise-Marie. Een vergelijkend onderzoek tussen de missen uit 1833 en 1850 dient nog gemaakt te worden, maar het is alvast duidelijk dat Fétis delen uit de mis van 1833 herwerkte en aanpaste aan de nieuwe saxinstrumenten.

Werd Fétis' Requiem, mede door zijn gelegenheidskarakter, na de creatie grotendeels genegeerd, in de twintigste eeuw werd het door enkele eminente musicologen wél opgemerkt. In zijn Geschiedenis van de muziek in de Nederlanden (1951) wijst Van den Borren op de 'mooie klassieke snit' en 'het meesterschap in harmonie en contrapunt'. Hij meent wel enkele schoolse procédés te bespeuren (zoals de fugatische zetting van Quam olim Abrahae), maar hij is niettemin gul met zijn lof: "Er is afwisseling, er is stevig evenwicht en daarenboven worden de middelen spaarzaam aangewend, met een zekerheid die voor het geheel buitengewoon bevorderlijk is. Alles bijeen spreekt een rasechte, intelligente kunstopvatting, vrucht van een geestescultuur, die uitstekend leidde tot zelfcritiek. Melodische vondsten zijn er geen zeldzaamheid en de stijl wordt voorbeeldig zuiver gehouden."

Melodieus is bijvoorbeeld het Benedictus voor tenorsolo en orkest, bij veel componisten een larmoyant moment, maar Fétis houdt het hier eerder ingetogen. Het Benedictus is het enige deel waar het koor zwijgt. Over het algemeen is het koor prominent aanwezig, al dan niet bijgetreden door de (vier) solisten, wat op een bepaald moment een dubbelkorig effect bewerkstelligt (Requiem aeternam of Lacrymosa dies illa).

Fétis hanteert zijn merkwaardige bezetting inderdaad efficiënt en gevarieerd. Zo gebruikt hij in het Introïtus en in het Kyrie alleen het orgel en de lage strijkers, waardoor de inzet van de koperinstrumenten in het Dies Irae des te meer effect ressorteert. Ook in het ingetogen Agnus Dei blijft de begeleiding beperkt tot het orgel, de cello’s en de contrabas. De kopers laat hij meestal akkoorden spelen, waarschijnlijk omdat een te polyfone behandeling in de galmende akoestiek van een kerk voor problemen zou zorgen.

Misschien heeft zijn ervaring als operacomponist hem geholpen bij het creëren van dramatische effecten, zoals in het Dies Irae, dat een zweem van Meyerbeer oproept. Het Mors stupebit is de passage die het duidelijkst door het opera-idioom is geïnfecteerd, al deden 'de nobele toon', 'de voornaamheid' en 'de ingetoomde aard' van Fétis' mis Van den Borren vooral aan de religieuze muziek van Cherubini denken. In zijn Fétis-biografie beaamt Wangermée grotendeels Van den Borrens bevindingen en hij besluit: "La Messe de Requiem reste cependant une des partitions les plus importantes de Fétis."

Deze Messe de Requiem verdient dan ook zeker om op cd opgenomen te worden, net zoals het eerste werk op het programma, het Requiem van Gevaert. (Op diens dodenmis gaan we dieper in naar aanleiding van de uitzending door Canvas in het voorjaar 2009). De middelen zijn alleszins voorhanden om van beide werken een goede opname te maken, al verdienen ze allebei een betere voorbereiding dan voor de concertuitvoering van 16 oktober ll. Vooral in de mis van Gevaert schoot het VRO-koor tekort: het is volstrekt onprofessioneel om een werk dat voor mannenkoor geconcipieerd is, door vrouwenstemmen te versterken. Die timbres mengen niet en dat liet zich horen. Bovendien viel de bezetting te klein uit, zodat de zangers noodgedwongen gingen forceren, wat de intonatie niet altijd ten goede kwam. In Fétis' werk viel het dan weer op dat er niet grondig met het vocaal kwartet was geoefend. Vier solisten tot een hecht vocaal kwartet smeden, vergt de nodige repetitietijd.

De ervaringen van de laatste jaren bevestigen het: als het om Vlaamse/Belgische muziek gaat, dan legt de entourage van het omroepkoor- en orkest een tergende nonchalance aan de dag. Dat is hoorbaar op de meeste cd-monografieën van Vlaamse componisten die de laatste jaren werden uitgebracht, dat was ook merkbaar op het concert dat het VRO op 4 oktober ll. speelde in Mechelen (eveneens met werk van Fétis en Gevaert). Blijkbaar is het bij de verantwoordelijken van deze ensembles nog altijd niet doorgedrongen dat het contraproductief werkt als men onbekend werk van Vlaamse/Belgische componisten onverschillig en onzorgvuldig aanpakt. Die componisten én het publiek verdienen beter, dat is op 16 oktober, dankzij het Festival van Vlaanderen - Mechelen, opnieuw bewezen. Revelatie van het concert waren de koperblazers van de Gidsen (het korps dat in 1850 mee Fétis’ Requiem heeft gecreëerd): uitstekende musici die zich toegewijd van hun taak kweten.

Naar aanleiding van het thema 'Belgen in Parijs' van het Festival van Vlaanderen – Mechelen, heeft het Studiecentrum verschillende partituren van Fétis (Requiem, Grand Sextuor en Première Symphonie) en Gevaert (Fantasia sobre motivos españoles) gepubliceerd. Al deze uitgaven verschenen, voorzien van een viertalige inleiding bij Musikproduktion Hoeflich in München, die binnenkort ook het Requiem van Gevaert zal publiceren.  

3. Er beweegt wat rond Tinel
door Annelies Focquaert

Op 11 juni 2008 werd in Sinaai, het geboortedorp van Edgar Tinel, de Stichting Edgar Tinel opgericht. Deze stichting wil de belangstelling voor Edgar Tinel bevorderen door "het verrichten van onderzoek, het uitvoeren van composities en het scheppen van een financieel kader". Het bestuur van de stichting heeft een Belgisch-Nederlandse samenstelling. De leden zijn:

- Mr. Igno Sutorius, voorzitter
- Jo de Vos, Lic. Germ. Fil.
- Mtr. Dominique Matthys
- Paul van Gulick, toonkunstenaar
- Ir. Jan Zaaijer, secretaris - penningmeester

De Stichting werkt vanzelfsprekend samen met de vzw Tinelmuseum, een vereniging die al jaren aan de kar trekt en nu in Nederland steun heeft gevonden om een groots project rond Edgar Tinel op het getouw te zetten. Zoals de Stichting het zelf verwoordt:

"Tinelproject 2008-2012. In 2012 herdenken we de honderdste verjaardag van Tinels overlijden. We willen dat op een gepaste wijze doen. Daarom plannen we de uitvoering van zijn drie grote werken. In 2009 voeren wij Godelieve uit, in 2010 Katharina en in 2012 zijn wereldwijd uitgevoerde Franciscus. Initiatiefnemer is de componist-dirigent Paul van Gulick uit Tilburg. Het Tinelcomité uit Sinaai organiseert mee. Samen met vijf koren (meer dan 350 zangers) wordt dit project uitgewerkt. We willen daarbij een cd-reeks met zijn composities uitbrengen. Uit Breda zingen het 'Princenhage's Mannenkoor' en het 'Toonkunstkoor' mee, uit Den Bosch komt het 'Jeroenboschkoor', en uit Den Haag werken het 'Residentiekoor' en het koor 'BonTon' mee. Deze koren staan al jarenlang onder de leiding van Paul van Gulick. We hebben ook al contacten met Vlaamse koren. Om dit alles te organiseren en te coördineren werd de Stichting Edgar Tinel opgericht. Naast Godelieve, Katharina en Franciscus willen we ook nog volgende werken uitvoeren en opnemen: Pianosonate, Schilflieder, Loverkens, Vier Oud-Vlaamse Drinkliederen, Pianosonate vier handen, Klokke Roeland, Drie Ridders, Kollebloemen, Polyeucte, Grafgezangen, Vlaamse Stemmen, Orgelsonate, Drie Motetten voor O.L.Vrouw, Bunte Blätter, Geestelijke Gezangen, Marialiederen, Adventsliederen, Te Deum en Psalm 150. Tot nu toe werden al de Drie Motetten, de Orgelsonate, de vierhandige Pianosonate en fragmenten uit Godelieve uitgevoerd."

Op de bijzonder mooi vormgegeven website www.tinelconcerten.eu kan u binnenkort hierover meer informatie lezen.

De Stichting Tinel vroeg ons ook om volgend zoekertje in de verf te zetten, wat wij graag doen:

Voor ons Tinelproject zoeken wij de partituren voor de afzonderlijke instrumenten en de afzonderlijke stemmen van Godelieve en van Katharina. Graag vlug een seintje naar devosjo@skynet.be

4. Lof zonder grenzen : Charles de Bériot
door Jan Dewilde

De Leuvense vioolvirtuoos en componist Charles de Bériot (1802-1870) mocht dan bij leven een internationale ster zijn, na zijn dood is zijn muziek grotendeels in de nevelen der tijd verdwenen. Of zoals het tijdschrift Gramophone het in zijn voorlaatste nummer verwoordde: "Charles de Bériot, one of the most prominent 19th-century violinists, composed prolifically for his instrument, yet his Music has suffered a more complete eclipse than that of such contemporaries as Paganini and Vieuxtemps."

Maar zijn muziek is aan herontdekking toe, dat bewijzen twee recente cd’s. Zo werkt Naxos aan de opname van Bériots tien vioolconcerto’s. Onlangs verschenen nummers 2 (opus 32), 3 (opus 44) en 5 (opus 55), vertolkt door de Russisch-Amerikaanse violist Philippe Quint en het Slovak Radio Symphony Orchestra o.l.v. Kirk Trevor. Het is een meer dan geslaagde opname waarin Quint gretig zijn virtuoze mogelijkheden demonstreert en ook in de meer melodieuze passages weet te overtuigen.

Over Bériots muziek schrijft Duncan Druce in Gramophone (2008, nr. 1037): "These three works, dating from the 1830s and ‘40’s, show Bériot succesfully integrating showy, Paganini-style flights of fancy into a softer, more elegant idiom." Het derde concerto, met zijn verrassende opening in de pauken, beschrijft de recensent als "notable for several anticipations of violin figuration in the Mendelssohn concerto." Zijn eindoordeel luidt: "This isn’t profound music but it’s appealing and full of interest, and very well served here."

Voor het label Talent grasduinden Kuniko Nagata (viool), Mark Drobinsky (cello) en Hirotoshi Kasai (piano) in De Bériots kamermuziek. In het laatste nummer van Gramophone (2008, nr. 1038) ziet Druce een gelijkenis met de concerto’s: "These trios show the same easy, melodious style; songful tunes alternating with brilliant passages." De recensent beoordeelt de Bériots muziek als charmant, maar vindt de uitvoering delicaatheid missen. Zijn besluit: "An interesting issue, then, for its rarity value, but worth only a guarded recommendation." 

5. Historische tekst : François-Auguste Gevaert en Glucks Armide
door Jan Dewilde & Adelheid Ceulemans

In de bibliotheek van de Universiteit van Gent vonden we, naast vele andere brieven van Gevaert, ook deze twee brieven die Gevaert vanuit Parijs aan zijn broer en zussen schreef. Ze zijn geschreven op briefpapier van het Théâtre Impérial de l’Opéra en moeten dus dateren van na 1867, toen Gevaert werd benoemd tot muziekdirecteur van dat prestigieuze operahuis. De eerste brief is ongedateerd, maar moet uit dezelfde periode stammen als de tweede, die gedateerd is op 26 augustus 1868.  Naast allerlei huishoudelijke en familiale 'faits divers', behandelen beide brieven vooral praktische aangelegenheden over het uitschrijven van de vocale  partijen voor een geplande uitvoering van Glucks Armide.

In de uitgave ('partition piano et chant') die in 1902 door de Parijse uitgeverij Lemoine werd gepubliceerd in de reeks Collection des opéras français de Gluck, geeft Gevaert niet alleen een interessante inleiding op Armide, hij doet ook het relaas van de geplande, maar niet gerealiseerde uitvoering door de Opéra van Parijs. De uitvoering was gepland voor het seizoen 1870-1871, maar de voorbereidingen gingen al in 1868 van start. Gevaert, die in zijn jeugd de opera’s van Gluck grondig had bestudeerd, was intens bij de voorbereidingen betrokken. Vooral in het aanmaken van de partituur en de partijen, en bij de casting speelde hij een belangrijke rol. De cast zou trouwens worden aangevoerd door de Gentse diva Marie Sasse in de titelrol. De rollen werden maandenlang grondig ingestudeerd en rond 10 juli 1870 werd een eerste gezamenlijke repetitie met de zangers en het koor gepland. Een week later zou men beginnen met de 'mise en scène', maar toen liep het grondig mis. Gevaert in zijn inleiding tot Armide:

"Mais deux ou trois jours après la susdite répétition, la funeste guerre était déclarée, et Armide rentra dans les cartons... Après les événements, Perrin [de directeur van de Opéra] ne retourna plus à l’Opéra. Quant à moi, j’étais définitivement fixé dans mon pays."

De Frans-Duitse Oorlog kelderde dus niet alleen de heropvoering van Armide, maar ook Gevaerts Parijse carrière.

Hieronder twee brieven van Gevaert waaruit blijkt dat hij een beroep deed op zijn broer Vitus als kopiist. Wou hij zijn broer een bijverdienste gunnen of betrouwde hij de Parijse kopiisten niet? Gevaerts handschrift is niet altijd even duidelijk, zodat bepaalde zinsnedes enigszins onduidelijk blijven:

"Théatre Impérial DE L’OPÉRA 

Lieve Broeder en Zusters,

Zyt niet kwaad op mij voor myn weinig schrijven… Het kan nooit van komen… Elisa is gisteren voor de eerste maal opgestaan… Zij is niet gewoon zoo spoedig op hare lappen te zijn [1]… de kleinste is een klein Schreepmesken [2]… een gerekt konyntjen… maar tot nu toe stelt zy het niet al te slecht… wy hebben eene goede memme [3]… Zal ze goed blyven??? Martha (ik heb hare zuster Maria geheeten gelyk in St Jans Evangelie) Martha heeft nog altyd hare kiekhoest [4]… Zy is met onze groote meid | die haar heel geerne ziet | eene reisjen gaan doen in Bourgondië op het einde van Julij voor de kiekhoest; zij is byna genezen te huis gekomen maar zedert zy weder in Parijs is, hoest zy byna standvastig… Gy weet hoe ziek Paul van de kiekhoest geweest is…

Daar is al het interessant van de kudde… Nu ander

Ik zal myn jaarlyksch reisje naar Gent doen in de eerste dagen van Augusty, omtrent den 6en denk ik… Ik hoop dat Paul een vent[?] van wetenschap zal zijn tegen dien tijd… Ik zou geerne hebben dat gy Gustaaf niet heel en gansch uit de oogen verliest… Ik vrees dat hy zich[?] te Loochristy vermoeit met te les geven[?]...

Ik verwacht met weinige dagen de proeven der Tenor en Basparty van Armide nu begint er haast mede te zyn (van daag ensemble voor de acteurs) De koors moeten beginnen studeren. Zendt my twee proeven van de Tenors ik zal op ééne de party van Haute-contre disposeren. Ik zal u de vijf partyen te zamen wederzenden (ten ware gy het anders wenschtet). Neemt myne dispositien om de partien te doen brocheren te Gent. Aan ieder party zult gy een couvertjen [5] doen, van verschillig kleur… Ik verwacht deze proeven met ongeduld…

Omhelzingen voor myne Twee zoons en u allen van wegens heel den boel…

Uwen verkleefden broeder

August

__________________________________

Théatre Impérial                        Paris, le 26 Aout 1868
DE L’OPÉRA                                               

Beminde broeder,

Gy moogt den vierden akt uit de kopy schryven, gelyk heel de rest – Het zal gemakkelyker zyn voor u. – Wy kunnen de coopyken[?] partyen, in het begin der scène, heel wel missen degenen die dat zingen hebben reeds hunne rol. – Dus volgt de copy. – Nogthans voor alle zekerheid doet nog aanstonds eene 1e tenor party schryven van denzelven 4en act, vooraleer de andere in trein te stellen [6]. Ik heb dien 4en act maar oppervlakkiglijk nagezien, en er mogten somwylen groote ketteryen [7] in zijn… doch twyfel ik daaraan.

Heden zend ik terug de Tenors (1e en 2e) van den Eersten Akt gecorrigeerd door Massé [8] en Delibes [9], en dan nog eens overzien door my, vervolgens zullen er geene fouten blyven, verhoop ik. – Het is niet noodig ons eene tweede proef te zenden – Verzeker U slechts dat alles nauwkeuriglyk gecorrigeerd is, en dat de correctien wel gepakt zyn, en net uitkomen (de tweede tenors laat een weinig te wenschen over voor de duidelykheid) nadien moogt gy definitief doen trekken 12 Eerste Tenors en 12 Tweede (25 Bassen 20 1e Dessus 20 tweede). Au fur et à mesur [10] dat de correctien u toekomen doet corrigeren en trekken [11], en de getrokken cahiers zult gy aan onze dispositie houden en gereed om ons per post te zenden | au premier signal |.

Intusschentijd gaat gij voort met den derden act te schryven en te completeren en ons proeven te zenden | Vier cahiers a la fois van ieder party |. Die twee dingen moeten de front mascheeren [12] willen wy op tijd arriveren.

Ik hoop dat Paul van zyne reizen terug gekomen is en dat hy zich naarstig aan de studie gezet heeft… Je compte sur l’engagement qu’il a pris vis à vis de moi en me reconduisant au chemin de fer dernièrement.

Hoe gaat het met den kleinen Gustaaf… Ik hoop dat hy van tijd tot tijd een uurtjen met zyn broeder overbrengt.

Omhels de twee schurken voor ons allen alsook de zusters.

En lacheert de Huguenots niet voor alles gedaan is… dat gaat hier altyd zoo in het opera; hobbeli schrobbeli [13], zoo als moeder zaliger zegde.

Martha gaat heel wel en kust hare broeders; het heel kleintje kwelstert[?] [14] een weinig.. maar tot nu x niets is ernstig.

Vaart allen wel

Uwen verkleefden broeder

August

--------------------------------------------------------------------------------

[1] Op de been zijn.
[2] Schraapmesje.
[3] Min, vrouw die kinderen van andere vrouwen zoogt en/of oppast.
[4] Kinkhoest.
[5] Omslag, kaft.
[6] Definitief op schrift stellen.
[7] Grove fouten.
[8] Victor Massé (1822-1884), Frans componist die op dat moment
koordirigent van de Opéra was.
[9] Léo Delibes (1836-1891), Frans componist die Massé assisteerde als
assistent-koordirigent.
[10] Geleidelijk, bladzijde voor bladzijde.
[11] Exemplaren trekken: drukken.
[12] Marcher de front: vooruit gaan.
[13] Op en neer, niet vlot.
[14] Kwalsteren: speeksel, fluimen ophoesten.

Bron
Vlaamsch leven, nr. 29, 22 april 1917, p. 462
 

6. "Waarde redactie"
door Guido Persoons

Van Prof. Guido Persoons mochten we volgend bericht ontvangen. Bij deze bedanken we hem voor de nauwgezetheid waarmee hij onze Nieuwsbrieven leest!

"Waarde redactie, dank voor uw onvermoeibare zeventig nieuwsbrieven. Hierbij maak ik een kleine bedenking over bij Nieuwsbrief 70/5.

François-Auguste Gevaert (1828-1908), componeerde Cantate A Pie X gedateerd 23 juillet 1851, mus. hs., eertijds in de Muziekbibliotheek College Paters Josefieten te Melle, thans verworven door de Centrale Bibliotheek KULeuven; tijdelijk ondergebracht in de Maurits Sabbe Bibliotheek (Bériotstraat, Leuven). Pius X was echter paus van 1903 tot 1914; Leo XIII van 1878 tot 1903. Maar, Pius IX zetelde van 1846 tot 1878. Deze paus heette Giovanni Maria graaf Mastai-Ferretti, was Italiaan uit Sinigaglia in de Marken. Geestdriftig zong het volk ooit Eviva Pio nono (oprichting van de burgerwacht 30 juli 1847). Maar het kan verkeren zei Bredero... Betrof de compositie van deze cantate door F.A. Gevaert een apologie voor Pius IX als reactie tegen het populaire boek van Vincenzo Gioberti dat in 1851 verscheen: Rinnovamento civile d'Italia waarin deze auteur de ondergang van de wereldlijke macht van de pausen als een geluk voor de Kerk zelf beschouwt? Alleszins dient de titel van F.A. Gevaert gelezen als Cantate A Pie IX gedateerd 23 juillet 1851.
Uit waardering en met vriendelijke groeten,
Prof. Guido Persoons"