ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 73 (december 2008)

1. Hulde aan den beroemden Huyssenaar Frans-August Gevaert
door Jan Dewilde

Op 21 december werd het orgelpunt geplaatst achter een toch wel mooi gevuld herdenkingsjaar van François-Auguste Gevaert. In zijn geboorteplaats Huise vond een mooie herdenkingsplechtigheid annex concert plaats. In de stemmige kerk van Huise bracht het Vocaal Ensemble van het Koninklijk Conservatorium van Gent o.l.v. Marc Michael De Smet kerstliederen en de Grand’ Messe de Noël van Gevaert, een programma dat ’s avonds in het Gentse conservatorium werd hernomen. Hieronder kan u de tekst lezen van de lezing die door Jan Dewilde in Huise werd uitgesproken:

"Het minste wat men kan zeggen, geacht publiek, is dat het Gevaert-jaar niet onopgemerkt voorbij is gegaan. Het Festival van Vlaanderen – Mechelen maakte François-Auguste Gevaert tot een van de centrale figuren van de voorbije festivaleditie; de VRT-televisie capteerde in de Mechelse Sint-Romboutskathedraal een opmerkelijk concert met zijn toch wel indrukwekkend Requiem; in Brussel werd een tweedaags colloquium aan hem gewijd; het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek publiceerde in München enkele van zijn partituren; er verscheen een mooie cd met zijn kerstmuziek; momenteel wordt de laatste hand gelegd aan een webtentoonstelling waarmee de Vlaamse conservatoriumbibliotheken via het internet zijn leven en werk aan een internationaal publiek zullen presenteren; en begin volgend jaar volgt er nog een publicatie van de brieven die Gevaert tijdens zijn studiereis in Spanje aan het thuisfront schreef.

Het is duidelijk: deze herdenkingsplechtigheid en het concert van vanavond in het Gentse conservatorium – de plaats waar hij werd opgeleid – zijn het mooie orgelpunt van een geslaagd Gevaert-jaar. Geslaagd, omdat dit jaar het stof van vele decennia geblazen werd van verschillende van zijn werken en zijn stoffig imago ten gunste werd bijgewerkt. Toen ik musicologie studeerde, viel de naam Gevaert slechts zeer zelden en als hij al werd vernoemd, dan was het weliswaar als geleerde, maar toch ietwat saaie muziekwetenschapper wiens muziek in het beste geval als 'savant' werd gecatalogeerd. Ondertussen zijn we het er over eens dat Gevaert niet minder dan briljante werken over de meest uiteenlopende muziekdomeinen heeft geschreven, gaande van geleerde traktaten over muziek uit de oudheid tot orkestratiemethodes. Als componist ontbrak die sprankel genialiteit die hij als muziekwetenschapper wél bezat, maar ook hier hebben we ons beeld moeten bijstellen: Gevaert heeft verrassend goede muziek geschreven, dat was trouwens reeds bewezen door het succes dat hij als operacomponist in Parijs heeft gekend; muziek die later helemaal ondergesneeuwd raakte onder zijn activiteiten als musicoloog en musicograaf.

Laat me daarom in de korte tijd die me hier gegeven is, het even hebben over Gevaert en Parijs. Hoe kwam een Vlaamse jongen van eerder eenvoudige komaf uit deze landelijke streek in Parijs terecht en hoe groeide 'dat boerke uit Huise' – zoals hij soms genoemd werd – uit tot een gevierd componist, een gewaardeerd operadirecteur en een erudiet kosmopoliet? Gevaert was het eerste toptalent dat het toen nog stedelijke conservatorium van Gent afleverde en al op zijn negentiende won Gevaert de Prix de Rome, de tweejaarlijkse prestigieuze staatsprijs voor muziek. Nadat hij met het aan die prijs verbonden stipendium uitgebreid Duitsland, Italië en Spanje had bereisd, vestigde hij zich in 1852 in Parijs, toen de Europese hoofdstad van de muziek en de verplichte doopvont voor elke jonge componist. Omdat de Parijse straten met beloftevolle componisten geplaveid waren en de concurrentie dus moordend was, stelde hij zich in de pers voor als een herdersjongen die zichzelf muziek had geleerd terwijl hij zijn schapen hoedde. Als een soort verwilderd wonderkind zou hij op zijn eentje de geheimen van contrapunt en fuga ontsluierd hebben. Dat was dus de man die later complexe boeken schreef over antieke muziek, polyglot was en ook verschillende dode talen kon spreken, waaronder Sanskriet, zo werd beweerd. Maar zijn marketingstrategie werkte, want Gevaert kreeg al kort na zijn aankomst zijn kans op de Parijse operascène. Hij liet die kans niet liggen en op tien jaar tijd volgden nog acht opera’s, meestal drie-akters, wat alleen maar het resultaat kan zijn geweest van een sterke discipline en een verschroeiend werktempo.

Gevaert was in Parijs niet alleen succesvol als operacomponist, hij raakte ook goed ingeburgerd in 'la vie parisienne'. Hij had goede contacten met de entourage van Napoleon III; hij was bestuurslid van de 'Société des auteurs et compositeurs dramatiques' en hij kreeg officiële compositieopdrachten. Dat hij nog voor zijn veertigste een man van aanzien was en als Vlaming zijn stek had veroverd in de internationale muziekmetropool die Parijs toen was, bewijst zijn benoeming in 1867 tot muziekdirecteur van de Grand Opéra van Parijs, toen het belangrijkste operahuis van Europa. De traditioneel chauvinistische Parijse muziekpers vond Gevaert dan ook de juiste man op de juiste plaats, al was er hier en daar wel gemor dat een zo belangrijke functie niet in Franse handen bleef. Waarop een belangrijke Parijse muziekcriticus riposteerde: "Si vous parvenez à faire un peu de bonne musique à l’Opéra, personne ne se demandera plus si vous êtes Belge, Français ou Chikassaw." Die verwijzing naar de Indianenstam was niet toevallig: op een van Jacques Offenbachs mondaine vrijdagavondparty’s verscheen Gevaert ooit verkleed als Indiaan. (Georges Bizet deed nog gekker: hij arriveerde op het feestje als baby met een luier en een speen in zijn mond).

Vele jaren vóór Gerard Mortier had een Vlaming dus al een machtige functie in de Parijse Grand Opéra in handen. Een moeilijke en zware taak was het alleszins: de opera’s volgden elkaar in een hoog tempo op en bovendien was Gevaert verantwoordelijk voor een groot productieapparaat. Het personeelsbestand van de Opéra telde toen 800 mensen. Het orkest was 88 man sterk, het koor kon een beroep doen op 106 zangers, er waren niet minder dan 24 regisseurs en het balletkorps bestond uit 150 dansers. Gevaert beurde een jaarsalaris van 12.000 francs. Niet slecht betaald, maar zeker geen vette vis in de pan. Eerder borrelnootjes in vergelijking met de 10.000 francs die de bariton Jean-Baptiste Faure toen maandelijks in de Opéra opstreek. Gevaert kreeg een verregaande verantwoordelijkheid die hem toeliet om een gecentraliseerde controle uit te oefenen op alle diensten die meewerkten aan de muziekuitvoering en hij had de macht om in elke fase van het productieproces in te grijpen. Ondertussen vergat hij ook zijn familie niet: zo gaf hij zijn broer Vitus, die in Gent een muziekwinkel was begonnen, vanuit Parijs opdrachten om voor verschillende operaproducties de partijen uit te schrijven.

Vele documenten in de archieven van de Opéra bewijzen dat Gevaert zijn taak zeer ter harte nam en die belastende en tijdrovende functie betekende het einde van zijn carrière als operacomponist. Het was de Frans-Duitse oorlog van 1870 die een abrupt einde maakte aan zijn toch wel zeer succesvolle Parijse periode. Gevaert keerde noodgedwongen naar zijn geboorteland terug en in 1871 volgde hij François-Joseph Fétis op als directeur van het Conservatoire Royal van Brussel. Ook in die jaren componeerde Gevaert nog nauwelijks: hij had zijn handen vol met het leiden van het conservatorium, het dirigeren van de concerten oude muziek – die hadden zo’n grote renommee dat men in Parijs de trein nam om hem in Brussel te zien dirigeren – en het schrijven van boeken. Op het einde van zijn leven nam hij de pen weer op om een belangrijk werk te componeren, met name de Grand Messe de Noël die u straks zal horen. Deze kerstmis is symptomatisch voor de religieuze muziek die Gevaert componeerde. Met zijn liturgische composities ging hij resoluut in tegen de theatrale, door opera beïnvloede muziek die gedurende de negentiende eeuw vanop vele hoogzalen te horen was. Die reformatiebeweging werd ondermeer aangezwengeld door de essayist en componist E.T.A. Hoffmann die zo streng in de leer was dat hij in zijn geschrift Alte und neue Kirchenmusik zelfs Haydn en Mozart van frivoliteit ('Leichtsinn') beschuldigde. In navolging grepen vele componisten terug naar het gregoriaans en de polyfonie, beschouwd als de ware steunpilaren van de katholieke kerkmuziek. Zo ook Gevaert in zijn liturgische composities.

Net zoals zijn voorganger Fétis bleef Gevaert tot op hoge leeftijd actief en creatief. Gevaert schreef de mis in 1907 – hij was toen 79 – en men kan dit werk dan ook beschouwen als zijn muzikaal testament. In deze mis wordt zijn diepdoorvoelde kennis van vele eeuwen westerse muziek hoorbaar. Als leidraad gebruikt hij het gregoriaanse Puer natus en die muziek van een eeuwenoude schoonheid bedt hij in een klankwereld die reikt van de middeleeuwen tot de laat-negentiende-eeuwse romantiek en chromatiek. Het is een diepreligieus, sereen, maar toch doortastend werk waarmee Gevaert na een rijk gevuld leven op kerstavond 1908 afscheid nam, 80 jaar oud.

Een herdenkingsjaar naar aanleiding van het eeuwfeest van de componist en een plechtigheid als deze is nodig om opnieuw te beseffen hoe getalenteerd, erudiet en veelzijdig deze beroemde Huisenaar was. Wat we dit jaar van hem gehoord hebben, smaakt alleszins naar meer en zijn compositorisch oeuvre dient dan ook verder geëxploreerd te worden; net zoals zijn musicologische traktaten en muziektheoretische methodes stof bieden voor jarenlange intense studie en zijn pioniersrol in de revival van de oude muziek nog ondergewaardeerd wordt. Huisenaar François-Auguste Gevaert was een groot man en het is goed en nuttig dat dit hier gememoreerd wordt."
 

2. Tussen feit en fictie: brieven van Edward Keurvels (1876-1880)
door Adelheid Ceulemans

"Hoe vaar je? Met mij […] gaat het bepaald goed: iets dat wij van u ook wel denken, daar wij na rypelyke overweging gevonden hebben – Eureca – dat ge in 't geheel geene reden heb om ongesteld te zijn – en gij doet niets zonder reden, desalniettemin vragen wij u: Hoe vaar je? alleenlyk om te weten hoe je vaart."

Zo luiden de ietwat bizarre beginregels van de eerste brief in het kladschrift van Edward Keurvels (1853-1916), vriend en secretaris van Peter Benoit, dat wordt bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen. In dit 106 bladzijden tellend schrift, schreef Keurvels tussen 1876 en 1880 bijna 130 brieven in klad, om ze vervolgens over te pennen en op te sturen naar heel verschillende correspondenten. Het inleidend citaat is afkomstig uit de eerste brief van 'den anderen Eduward aan den Eenen' (Edward Keurvels aan Edward Croegaert). Deze Croegaert (1850-1936), door Keurvels aangesproken als 'Meesterken' of 'het Woord van den Mensch', was een amateur-wetenschapper die er soms vreemde theorieën op nahield (bijvoorbeeld wat betreft muziektheorie of taalkunde) maar was ook een begenadigd musicus en componist.

De brieven van Keurvels situeren zich tussen feit en fictie: een parabel over het leven in de 'appelenwereld' aan zijn zus 'Poly' (een bijnaam), denkbeeldige conversaties met Croegaert, maar ook een brief aan de Antwerpse burgemeester en schepenen, een verslag van de gemeenteraadverkiezingen, en bedenkingen bij de omvorming van de Antwerpse Muziekschool tot het Conservatoire Royal Flamand (1880) en de postjespolitiek die daarmee gepaard gaat. Keurvels' kladschrift werpt ook licht op zijn privé-leven. Persoonlijke zielenroerselen komen aan bod in zijn lange epistels aan Croegaert of in de brief waarin hij 'den baas' Benoit om geld verzoekt; die heeft hij overigens, volgens een later bijgevoegde notitie, niet verzonden. Keurvels beschrijft zijn nieuwe woonst (in de Dierckxsenstraat in Antwerpen) of zijn dagelijkse activiteiten die gaan van 'pinten pakken' tot 'dirigeeren' en 'repeteeren'. Ook zijn zoon blijkt veel muziek te spelen, vandaar de slechte resultaten op zijn 'bulletyn' voor Frans, zo schrijft Keurvels aan de leraar van 'de kleine'. Muziek vormt een belangrijk onderdeel van Keurvels' leven, dat blijkt eveneens uit de muziektheoretische vragen die hij stelt aan Croegaert en uit de vele recensies van allerhande concerten (de uitvoeringen van Benoit’s Oorlog, concerten van de Antwerpse Muziekschool, het 'Concert national' te Brussel, …). Die (muziek)besprekingen verzond hij naar verschillende tijdschriften, zoals De Eendracht, waarvan zijn neef Hendrik 'Rik' Keurvels de hoofdredacteur was, De Zweep of Het Volksbelang. Keurvels toont zich in zulke brieven een vurig verdediger van de Vlaams-nationale richting binnen de toonkunst, waarin Benoit hem voorging. Het moge duidelijk zijn dat, ondanks de soms beperkte leesbaarheid, Keurvels' brieven waardevolle documenten zijn, zowel op historisch als op muzikaal gebied. Ze verschaffen een blik in het leven van tot de verbeelding sprekende figuren als Edward Keurvels en Edward Croegaert en maken zo het Vlaamse muziekleven van de negentiende eeuw concreter en tastbaarder.
 

3. Willem Kersters 10 jaar overleden
door Veerle Bosmans

Op 29 december 1998 stierf Willem Kersters onverwacht op 69-jarige leeftijd. De laatste jaren bracht het Studiecentrum het werk van en de persoon Kersters verschillende keren onder de aandacht. Zo werd er vier jaar geleden, mede onder impuls van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek, een gedenksteen voor Kersters onthuld op het erepark Schoonselhof. Componist Vic Nees en minister van Staat Willy Claes spraken hierbij de aanwezigen toe.

Kersters’ werk stond dan weer vaak centraal in de verschillende nieuwsbrieven van het SVM. Zijn Concertino voor hobo en strijkers, opus 2 en zijn Pianokwartet werden besproken in de rubriek 'Geknoopte oren' en zijn uitvoerige kamermuziekoeuvre werd eveneens opgelijst. Al deze aandacht mondde in het begin van dit jaar uit in de monografie Willem Kersters: de suggestie van scheppen van SVM-medewerkers Tom Janssens en Veerle Bosmans in samenwerking met Kersters' vriend en librettist Bob De Nys.

Naar aanleiding van Kersters' tienjarige overlijden schenkt ook Klara aandacht aan Kersters' composities. In het programma Brede opklaringen voert Annemie Segers een gesprek met Vic Nees over Kersters. Achteraf staan de Drie Bagatellen opus 34 op het programma, gespeeld door I Fiamminghi onder leiding van Rudolf Werthen. Deze korte werkjes werden gecomponeerd in 1965, als verplichte samenspelstukjes voor de Limburgse muziekscholen. 

Uitzending
KLARA, 29/12/2008 - 9:00-11:00  

4. Nieuwe Lemmens-cd 
door Annelies Focquaert

Zeer recent verscheen onder de vleugels van Het Orgel in Vlaanderen vzw een cd met werken van Jacques-Nicolas Lemmens (1823-1881). Joris Verdin speelt solowerken van Lemmens op drie verschillende orgels, en begeleidt het Vlaams Radio Koor, onder leiding van Johan Duyck, in Lemmens' Messe en fa. Hieronder leest u de tekst die SVM-medewerkster Annelies Focquaert samenstelde voor het cd-boekje. 

Over de orgels
De opnames gebeurden op drie locaties: enerzijds op de Cavaillé-Coll-orgels van de St.-Etiennekerk in Caen (F) en van de Kapel van het Jezuïetenhuis in Heverlee, en anderzijds op het François-Bernard Loret-orgel in de Kathedraal van Arequipa in Peru. Aristide Cavaillé-Coll was zonder twijfel één van de beste en meest vooruitstrevende orgelbouwers van zijn tijd. Vooral in de jaren 1850-1860 had Cavaillé-Coll zeer goede contacten met Jacques-Nicolas Lemmens en is er sprake van wederzijdse inspiratie en beïnvloeding tussen beide kunstenaars. Het orgel in Heverlee (2 klavieren, en pedaal, bouwjaar 1880) is afkomstig uit de residentie van O.-L.-Vrouw van Vlaanderen van de Jezuïeten in Gent. Het is één van de weinige intacte en speelbare Cavaillé-Coll-orgels in België, en met zijn verfijnde klank leent het zich ideaal voor koorwerken met orgelbegeleiding. Het andere instrument, in Caen (3 klavieren, pedaal) is dan weer geknipt voor de grotere orgelwerken en werd ingespeeld op 3 maart 1885 door Alexandre Guilmant (er stond toen trouwens een Pastorale van Lemmens op het programma).

Het orgel van Arequipa was een geschenk van de Belgische regering en werd gebouwd door François-Bernard Loret in de periode 1852-1854 (2 klavieren, pedaal permanent aangehangen aan GO). Het komt uit een hele andere klankwereld dan de voorgaande instrumenten: terwijl de Cavaillé-Coll-orgels laten horen wat aan het einde van de negentiende eeuw de norm is geworden voor een romantisch orgel, situeert het orgel van Loret zich in een vroegere periode, waarin nog volop werd geëxperimenteerd met klankkleuren en waar de invloed van het classicisme nog sterk te horen is. Het standvastige instrument overleefde op wonderlijke wijze de hevige aardbevingen van 1868 en 2001 en een hele reeks kleinere aardschokken. De opname is een uniek tijdsdocument van hoe het orgel in 1991 klonk.

Over het programma
Jacques-Nicolas Lemmens was een sleutelfiguur voor de ontwikkeling van de orgelmuziek in de negentiende eeuw. Hij was één van de eerste internationaal gerenommeerde Belgische orgelvirtuozen en hij legde als leraar van Widor en Guilmant de basis voor de Franse Symfonische orgelschool. Door zijn orgelmethode Ecole d’orgue Basée sur le Plain-Chant Romain (1862) en zijn onderwijs aan het Conservatorium van Brussel (1849-1869) had hij een zeer grote invloed in België en Frankrijk. Als eerste directeur en oprichter van het latere Lemmensinstituut in Mechelen gaf hij zijn reputatie aan deze school mee.

Nagenoeg alle werken op deze cd, zowel de mis als de orgelwerken, werden gekozen uit Lemmens' zelden gespeelde Oeuvres Posthumes, die enkele jaren na zijn dood werden uitgegeven door zijn weduwe Helen Sherrington. Het werden een Ouvrage didactique: du chant grégorien en 4 boekdelen met composities, zowel voor orgel, als voor koor of solist met orgelbegeleiding. Lemmens had de bedoeling om deze composities, die ontstaan waren in de jaren na de publicatie van de École d'Orgue (1862), uit te geven in afleveringen ten behoeve van zijn studenten in Mechelen; zijn dood verhinderde dat. Het eerste boekdeel van de composities bevat de orgelwerken (1883), het derde boekdeel (1886) de melodieuze en elegante Messe en fa pour deux voix de soprani. De combinatie van originele orgelwerken, zowel groots opgezette composities als schitterende miniaturen, met onbekende maar minstens even mooie koormuziek, geeft een beter begrip van de muzikale leefwereld van deze componist. Bij de samenstelling werd er ook over gewaakt om de verschillende kleuren, de klankrijkdom en de innovatieve registers van zowel de orgels als van de composities tot hun recht te laten komen. 

Hoe bestellen?
De cd wordt u opgestuurd na overschrijving van 14 euro (inclusief verzending binnenland), op rekeningnummer 779-5929312-27 van Het Orgel in Vlaanderen vzw, met vermelding van Vision-Air 2008/02. Leden van Het Orgel in Vlaanderen betalen 11 Euro. Buitenland: 18,50 Euro (inclusief verzending).

  • Het Orgel in Vlaanderen v.z.w. - Centrum Elzenveld, Lange Gasthuisstraat 45, 2000 Antwerpen
  • tel: +32 3 202 77 06 - fax: +32 3 202 77 00 - info@orgelinvlaanderen.be - www.orgelinvlaanderen.be
  • 5. Internationaal colloquium 'François-Auguste Gevaert'
    door Adeline Bouckaert

    Op 24 december staan we niet alleen aan de vooravond van Kerstmis, ook is het dan precies honderd jaar geleden dat François-Auguste Gevaert overleed. Naar aanleiding van deze gebeurtenis organiseerde de Koninklijke Bibliotheek van België in samenwerking met de Belgische Vereniging voor Muziekwetenschap een internationaal colloquium op 12 en 13 december laatstleden. Het colloquium behelsde over de twee dagen vier verschillende luiken: Gevaert als componist, Gevaert als musicoloog, Gevaert & België en Gevaert als directeur van het Brusselse Conservatorium. Internationaal gerenommeerde sprekers belichtten telkens een bepaald facet van de gevierde componist die een centrale rol vervulde in het muziekleven van zijn tijd. Op de eerste dag lag de klemtoon vooral op Gevaert als componist van komische opera’s, werd zijn instrumentatieleer en zijn studie van de gregoriaanse muziek uit de doeken gedaan, en werd een blik geworpen op zijn uitgaven van oude muziek. De discussie achteraf toonde aan dat Gevaerts Parijse opera's vandaag de dag in het buitenland duidelijk anders gepercipieerd worden dan bij ons. De vraag naar de Vlaamse/Belgische invloed op het oeuvre van Gevaert werd – op de eerste dag althans – slechts heel summier behandeld.

    Mede door de beperkte ruchtbaarheid die aan dit colloquium werd gegeven, was de publieke opkomst aan de lage kant. De volle zalen bij het middag- en avondconcert tonen echter aan dat Gevaerts muziek toch heel wat aantrekkingskracht heeft. Vooral zijn minder gekend, komisch repertoire werd met veel enthousiasme onthaald. Ook de uitvoering van zijn bijzonder fraaie liederen, enkele operafragmenten en zijn Grand’ Messe de Noël bewees dat Gevaerts muziek zeker een plaatsje verdient naast andere grote negentiende-eeuwse componisten als Offenbach en Franck.

    6. Een eeuw geleden: de dood van François-Auguste Gevaert
    door Jan Dewilde

    Naar aanleiding van de dood van François-Auguste Gevaert op kerstavond 1908 publiceerde Le Guide musical drie dagen later deze necrologie : 

    "F.-A. GEVAERT

    Il y a un an, à peine, à l’occasion du soixante-quinzième anniversaire du Conservatoire de Bruxelles, nous rappelions dans cette revue, les rares mérites du musicien en du théoricien illustre que le Roi Léopold venait de créer baron (I).

    Le vénérable maître qui, le 31 juillet avait atteint à sa quatre-vingtième année, s’est éteint doucement le 24 décembre, emporté par une broncho-pneumonie qui l’avait, il y a quelques semaines, contraint de s’aliter après une répétition au Conservatoire. Cette mort est un grand deuil pour la Belgique musicale et creuse un vide profond, encore que Gevaert eut eu le privilège exceptionnel d’accomplir toute son œuvre. La haute autorité que lui avait acquise sa supériorité intellectuelle et son savoir universel, l’expérience consommée que sa longue pratique de l’art lui avait assurée, ses remarquables travaux d’érudition et de science musicale, tout avait contribué à faire de lui le prince de la musique dans son pays. Son influence ne s’était pas bornée aux limites de celui-ci. Elle rayonnait au loin, par delà les frontières de la Belgique, dans tous les pays où le culte de la musique est répandu. Si Gevaert n’eut pas le don absolu de la création dans le domaine de la composition, il n’en est pas moins une des plus hautes personnalités de l’art contemporain par le nombre et la valeur exceptionnelle de ses travaux de musicographie.

    Dans le champ de la pratique, inappréciables sont les services qu’il a rendus à son pays. Lorsqu’en 1871, il fut appelé à la direction du Conservatoire royal de Bruxelles tout était à réorganiser dans cet établissement. Il y fonda des cours nouveaux, institua les études parallèles qui ont si puissamment contribué à relever le niveau de l’éducation musicale; il fonda la Société des Concerts du Conservatoire à l’imitation de celle de Paris; enfin grâce à son initiative et à son influence, les écoles de musique existantes furent reformées sur des bases plus pratiques et de nouvelles écoles furent ouvertes un peu partout. En somme, c’est en grande partie à l’influence de Gevaert qu’est dûe la magnifique efflorescence de l’art musical en Belgique.

    Comme directeur des Concerts du Conservatoire, son action fut plus décisive encore au regard de l’éducation esthétique du public. L’audition des grandes partitions de Bach, Haendel, Palestrina, Marcello, Beethoven; la restitution des œuvres de Gluck au Conservatoire d’abord, au théâtre de la Monnaie ensuite, la formation d’un chœur mixte incomparable, la discipline introduite à l’orchestre, sa haute intellectualité enfin assurèrent un éclat extraordinaire à ces auditions du Conservatoires, bientôt célèbres dans toute l’Europe, et auxquelles des maîtres illustres accouraient de toutes parts, comme auditeurs.

    Bref, il n’est aucun domaine de l’art musical dans lequel son influence ne se soit exercée de la façon la plus heureuse et avec une supériorité universellement reconnue. Né à Huysse, près d’Audenarde, le 31 juillet 1828, élève de de Soomer et de Mengal au Conservatoire de Gand (1841-47), puis de Fétis à Bruxelles, il obtint le prix de Rome en 1847; il parcourut ensuite l’Espagne, l’Italie, l’Allemagne et se fixa finalement à Paris (1857); il s’y fit rapidement une situation en vue parmi les jeunes compositeurs, si bien qu’en 1867, Charles Perrin l’appelait au poste de directeur du chant en de la musique à l’Opéra. Il l’occupa jusqu’à la fin de 1870 et revint alors à Bruxelles, où peu après, il était appelé à la tête du Conservatoire de Bruxelles (1871), dont il fut ainsi le directeur pendant plus de trente sept années.

    (I) Voir le Guide musical du 10 novembre 1907."

    Bron
    Le Guide musical, jrg. 54, nr. 52, 27 december 1908, p. 347-348. 

    7. Historische tekst: Franciscus te Mechelen
    door Jan Dewilde

    In de aanloop naar het Edgar Tinel-jaar 2012 – naar aanleiding van de honderdste verjaardag van het overlijden van de componist – heeft de Stichting Edgar Tinel grootse plannen. Na een concert op 7 december ll. met kleinere werken van worden in de loop van de volgende jaren Tinels drie grote muzikale hagiografieën uitgevoerd, Godelieve, Katharina en tenslotte Franciscus. We volgen dit ambitieuze project op de voet en ondertussen blikken we terug op eerdere uitvoeringen van Tinels grote werken. Hieronder een recensie uit 1931 van een uitvoering o.l.v. de Mechelse beiaardier-componist Staf Nees:

    "Onder leiding van Staf Nees, vonden te Mechelen een paar merkwaardige uitvoeringen plaats van Tinel’s oratorium Franciscus, dat de laatste tijden wel wat in den vergeethoek raakte. Geheel ten onrechte, want de tand des tijds heeft dit mooie werk nog bijna niet aangeraakt. Het blijft zoo in vorm als in kleur een zeer belangrijke schepping, vol mysticisme, maar ook vol gevoel. Het is, naar onze bescheiden meening, niet overvleugeld, noch door Godelieve, noch door Katharina, die twee andere oratoria van den Vlaamschen meester. Franciscus is daarenboven een zeer representatief werk in onze Vlaamsche muziek en de menigvuldige uitvoeringen, die het heeft mogen beleven in alle groote kunstcentra van Europa, alsmede in Amerika, hebben niet weinig bijgedragen om den roem onzer Vlaamsche muziek te vestigen. Het doet weemoedig aan daarbij te moeten bedenken dat Tinel nog niet eens een bescheiden gedenkteeken heeft in zijn geboortedorp Sinaai. – Ondank is ’s werelds loon…

    De uitvoeringen te Mechelen gaven over het algemeen veel voldoening. Wij zullen maar aanstonds de groote meesterschap in het licht stellen, waarmede Staf Nees het werk leidde. De koren waren goed gedrild, het klankgehalte was zuiver en men voelde, dat er met geestdrift was gewerkt. Men weet, dat Tinel over ’t algemeen zeer hooge eischen stelde en hooge tessituren wenschte, wat gewoonlijk voor gevolg heeft dat er, naar het einde toe, vermoeidheid intreedt, die zeer dikwijls schaadt aan de zuiverheid. Te Mechelen was daar heel weinig van te bespeuren en de koren hielden zich flink. Zij waren voor vele toehoorders een openbaring.

    De solisten waren over ’t algemeen goed. De heer Arnold De Munnynck vertolkte de moeilijke Franciscusrol met mooie, buigzame stem en hij gaf in den Zonnezang een schitterend staaltje van zijn kunnen. Puik werk! De heer Jochem, de befaamde bas uit de Vlaamsche Opera liet zijn goede dictie en zijn mooi geluid bewonderen in de rol van den torenwachter; de heer Hubert was best in zijn weergave van den Oorlogsgeest, de heer Ceulemans zong verdienstelijk, en Mej. Briffaux, met haar mooie stem bekoorde zeer. Als nu haar uitspraak zoo goed ware geweest als haar helder geluid, en als zij een weinig meer rolvastheid hadde gehad, dan kon zij algeheele voldoening hebben gegeven. Thans wierp zij een vlek op de vertolking. De Edgard Tinelkring kan tevreden en fier zijn met deze kranige prestatie. En Staf Nees verdient onvoorwaardelijk lof!"

    Bron
    Muziek-Warande, jrg. 10, nr. 1, 1 januari 1931, p. 16-17.