ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 8 (april 2003)

1. Erfgoedweekend

In het kader van het Erfgoedweekend en de Vlaanderendag wordt de brieveneditie ’Ik ga voyageeren door Amerika.’ De Amerikaanse concertreis (1893-1894) van Julius J.B. Schrey, die Jan Dewilde en Stijn Vanclooster bezorgden, voorgesteld. Dit boek bevat de Amerikaanse reisbrieven van de violist, componist en dirigent Julius J.B. Schrey (1870-1936), die in 1893-1894 de grote oversteek naar Amerika waagde. In die brieven doet hij verslag van zijn Amerikaanse concerttournee als violist in een kamermuziekgezelschap. Ook brieven van zijn ouders en bevriende musici en collega’s werden opgenomen.
Dit boek wordt door het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie gepubliceerd als eerste deel van de gloednieuwe reeks CTB-Cahiers.

Geheel in het thema van het Erfgoedweekend Op Reis worden voor de presentatie van het boek twee getalenteerde jonge musici uitgenodigd die momenteel voor een langere periode in Vlaanderen op reis zijn. Heli Jakobson uit Estland (piano) en Dragutin Mladenovic uit Servië (viool) zullen muziek spelen van Schrey, Jan Blockx, Pablo de Sarasate, Heino Eller en Ludwig van Beethoven. Jan Dewilde leidt het concert in en Daniel Vidovsky leest fragmenten voor uit de brieven van Schrey.

De presentatie van het boek en het bijhorende concert vinden plaats op zaterdag 26 april om 16u.30 in het gebouw van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent (Koningstraat 18) en op zondag 27 april om 15u. in het Nationaal Scheepvaartmuseum in Antwerpen (Steenplein 1). De toegang is gratis.

Deze manifestaties worden georganiseerd door het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, in samenwerking met het Studiecentrum voor Vlaamse muziek.

2. Herdenkingsconcerten Flor Peeters

  • Op zondag 4 mei om 15 u. organiseert de Werkgroep Religieuze Muziek Mol in de abdijkerk van Tongerlo een herdenkingsconcert voor Flor Peeters. Op het programma staan o.m. de Missa Festiva, Quatuor motetta en Vlaamse Rapsodie.
    Uitvoerders zijn het Vlaams Radio Koor o.l.v. Vic Nees en Peter Pieters, orgel.
    Informatie:wrm@skynet.be
    Kaarten : 014 330 888 - info@getouw.be
  • Op vrijdag 4 juli 2003 om 20u30 gaat de 41ste Internationale Orgelcyclus van de Antwerpse Kathedraalconcerten van start. Toevallig is dat net de honderdste geboortedatum (en tevens de zeventiende sterfdatum) van Flor Peeters. Als vanzelfsprekend wordt de gelegenheid te baat genomen om met dit concert de herinnering op te roepen van de meest befaamde Vlaamse orgelcomponist van vorige eeuw.
    Als solist werd de Ier Desmond Hunter uitgenodigd. Deze was Peeters’ laatste leerling in de orgelklas van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen, en behaalde er in 1968 met grote onderscheiding zijn eerste prijs. Op het programma: Concert Piece, op. 52a; de Koraalpreludes Von Liebe kommt gross Leiden, op.39, nr. 9, en Wie schön leuchtet der Morgernstern, op. 68, nr. 7; Vlaamse Rapsodie, op. 37; Aria, op. 51a; Elegie, op. 38; en Toccata, Fuga en Hymne op “Ave Maris Stella", op. 28.
    Tussendoor worden er tevens twee werken gespeeld van twee oudere tijdgenoten van Flor Peeters. Joseph Jongen (1873-1953), een andere eminente organist-componist die dit jaar herdacht wordt, is vertegenwoordigd met Prière, op. 37, nr. 3. Een bijzonder vriendschapsband verbond Peeters met de Fransman Charles Tournemire (1870-1939) wiens Poème III, op. 59, nr. 3, op het programma prijkt.
    Informatie: http://www.akc-orgel.be
    Kaarten bij Fnac en bij Info Kathedraal (03/213.99.40)
  • 3. Reisliteratuur

    Nog in het kader van het reisthema van het Erfgoedweekend haalden we deze maand de historische teksten bij twee reislustige componisten, met name Emiel Hullebroeck en Albert De Vleeshouwer.

    Emiel Hullebroeck (1878-1965) reisde door Zuid-Afrika, de Verenigde Staten en Nederlands-Indië. Op 11 september 1915 scheepte hij in voor Nederlands-Indië en op 18 oktober 1915 begon hij een lange concerttournee die tot 24 mei 1916 zou duren. Een reisverslag publiceerde hij in het boekje Reisindrukken: Insulinde. Hieronder een fragment:

    2 maart.

    Ik moet hier een wederwaardigheid vertellen, welke ik zou willen betitelen: Een liederenavond in de binnenlanden van Borneo. Er kwam op het hoofdkantoor te Balikpapan een telefonisch verzoek uit Sambodja, een der verst afgelegen boorterreinen, of ik zou genegen zijn aldaar op te treden. Onder de Europeanen was een intekenlijst rondgestuurd en men zou het op zéér hoogen prijs stellen, indien ik het aanvaardde. Op de vraag of er een piano voorhanden was, werd bevestigend geantwoord. Goed was ze niet, maar ’t zou meevallen.

    Het "imprévu" van zoo’n tocht lachte mij toe en daar ik nog een paar dagen vrij had, nam ik aan.
    Uit Sanga-Sangadalem om 12 uur ’s nachts vertrokken, na afloop van den liederenavond aldaar, kwam het bootje om 7 uur voor een kleine baai, en stopte in volle zee, daar de kust wegens het ondiepe water niet nader te bereiken was. Het wachtende prauwtje kwam dan ook dadelijk aanleggen en het roeitochtje naar het strand duurde zoowat een half uur. Daar wachtte mij een Europeaan uit Sambodja en nu moest het te paard verder het binnenland in, dwars door het ongerepte oerwoud, langs een door de maatschappij aangelegd rijpad. De drie uren-lange tocht beviel mij bijzonder: wanneer men oog en oor heeft voor hetgeen de natuur biedt, is het een genot, ook zonder de brandende zonnestralen zoo’n wandelrit te doen. Iedere stond, om zoo te zeggen, brengt iets ongekends, iets belangrijks, iets boeiend. Het zijn de statige woudreuzen welke ten allen kante hun breede looverkruinen ten hemel richten: het zijn de ontelbare soorten varens, slingerplanten, palmen en grassen; het is het eigenaardig geschuifel van onbekende vogels; het zijn de schitterende gekleurde vlinders bij duizendtallen; het zijn de blinkende colibris die van bloem tot bloem vliegen, evenals een honingbijtje in een kelk verdwijnen  en met verbazende vlugheid er weer uitwippen; het zijn de ontelbare insecten, van anderen vorm en kleur als deze welke wij tot nu toe zagen; het zijn de "wouw-wouw’s", groote langarmige apen die hun klankrijk-gillend geroep uitstooten of met duizelingwekkende vaart van boom tot boom slingeren; het zijn de kleine grijze aapjes, die soms bij twintigtallen in een boom aan het spelen zijn en bij onze nadering als een bende schooljongens uiteenstuiven.

    Ik overdrijf dan ook geenszins als ik zeg, dat ik verwonderd was te vernemen dat wij aan den volgenden bocht ter bestemming zouden zijn. En werkelijk eenige oogenblikken later lag Sambodja voor ons, een heerlijke kleine vallei, een menigte boortorens, op de hellingen de huisjes der Europeanen en overal daartusschen een warrelnet van pijpleidingen. Plotseling een centrum van volle bedrijvigheid, het gesuis van stoommachines, het regelmatig zuigend geluid der pompen, de trillingen der geleidingen, waarin de olie met geweld wordt voortgestuwd. Wanneer men zoo uit het oerwoud komt, is Sambodja een groote, groote verrassing, die ontstemt door de ontheiliging van die grootsche omgeving, maar tevens verwondering baart voor het hier gepresteerde.

    Ik werd onmiddellijk bij den terreinchef geleid, die mij hartelijk welkom heette, zeggende dat de dankbaarheid der Europeanen groot was; dat het de allereerste maal was, dat een kunstenaar op Sambodja kwam en dat mijn komst in dat afgelegen hoekje vreugde en blijheid zou brengen in aller harten. Tezamen trokken wij naar de soos, een houten gebouw op palen, langs drie kanten open, een soort van groote waranda van waaruit men het geheele dal kon in oogenschouw nemen. Het zag er werkelijk gezellig uit in dat zaaltje; er was een biljart aanwezig en een meubilair zoo fijn als ik nog nergens in een soosgebouw aantrof. Toen ik die bemerking maakte, werd mij echter gezegd, dat de soos hoegenaamd geen meubels had en dat, hetgeen ik er zag, van links en rechts door de ingezetenen was aangebracht.

    Ik had reeds een poosje met wantrouwen naar een hoekje der zaal getuurd, waar iets stond dat op een piano leek en toen ik ze wilde beproeven zag ik dadelijk aan de houding der aanwezigen, dat er iets op til was. Oh! Oh! Oh! Ik heb nooit voor zoo’n speeltuig gestaan! Het was niet te gebruiken. Mijn ontstemming was veel grooter dan die van het instrument en zij klom nog, toen ik vernam, dat dit de eenige piano was van de plaats en ik dus gedwongen zou zijn om de pijniging te moeten doorstaan, mij zelf daarop te begeleiden. Ik gaf natuurlijk lucht aan mijn teleurstelling, maar de terreinchef, die met een onbetaalbare handigheid vertelde hoe hij niet had durven telefoneeren, dat het zoo erg was, al wist hij het wel; dat hij bang was dat ik zou geweigerd hebben enz., bracht mij al spoedig weer in mijn humeur en ik nam het besluit mijn uiterste best te doen, om het zaakje zooveel mogelijk op te knappen.

    De handen uit de mouwen dus! De piano werd  opengelegd, maar ik zag al dadelijk dat er weinig zalf aan te strijken was; alles was doorgeroest, de pedalen waren onbruikbaar, het vilt was overal van de hamertjes weggevreten  en, wat mij werkelijk een lachbui bezorgde, was de vaststelling, dat men de ontbrekende snaren had willen vervangen door…….. gagalvaniseerd ijzerdraad!! Ja, zij hadden hun best reeds gedaan voor ik kwam om alles goed te maken, maar ’t was hun niet gelukt: de draden waren òf gebroken bij het opspannen òf men kreeg er geen geluid uit. Terwijl ik nu bezig was met het mekaniek van naderbij te bezichtigen, hoorde ik een zacht gepiep. Ik ontgaf het mij eerst, maar daar trof het mij weer. Ik lichtte de toetsen op en daar onrdekte ik in een vilten nestje…. vijf jonge muisjes! Zie, beste lezer, toen nam de vroolijkheid  voor goed de bovenhand en ik heb nog steeds plezier, wanneer ik denk aan de gezichten van de rond mij staande menschen, wier getal intusschen tot zes was aangegroeid. De lieve diertjes werden verwijderd, de moeder-muis werd insgelijks van tusschen de snaren gehaald en dan heb ik zoowat een uur gewerkt aan den “grooten kuisch”, wat tot gevolg had, dat het geheel toch wel iets was verbeterd.

    ’s Avonds waren alle Europeanen aanwezig – twee en twintig personen, waaronder drie dames – en de liederenavond begon, maar ik was nog niet aan het eind van mijn miseries. Ook hier waren "tonguerrets" maar in zoo’n groot aantal, dat hun geluid dikwijls mijn zang overstemde. Daar was niets aan te doen, wanr er waren noch deuren, noch vensters en de dieren kwamen van alle kanten opdagen, aangetrokken door het licht; zij vlogen wild rond, tegen ons aangezicht aan, klampten zich vast op onze kleeren of verwarden zich in den haartooi der dames. Men begon alsdan een bestendige slachting; de diertjes werden zooveel mogelijk gevangen en den geheelen avond door hoorde men op den houten vloer den plons van doodgeworpen kevers, zoodat men bij het einde van den liederenavond letterlijk op een laag "tonguerrets" kon loopen.
    De uitvoering is intusschen een groot succes geweest. Ik heb zooveel mogelijk liederen gekozen met een eenvoudige begeleiding of sommige bijna heelemaal niet begeleid en op die manier heb ik toch den avond weten te vullen, maar het spreekt van zelf, dat de mooiste nummers moesten wegvallen. De menschen waren opgetogen, zij hebben dapper en dapper meegezongen en tot in den morgen weerklonk over de vallei.
    Hoog het glas! Hoog het hart! Hoog het lied!

    De liederenavond te Sambodja zal mij – trots al de  hierboven aangehaalde ervaringen – een prettige herinnering laten. Ik heb verbazend veel plezier gehad van mijn werk, véél, véél meer dan op een gala-avond in  een helverlichte schouwburgzaal. In mijn Indische rondreis zal hij ongetwijfeld een karakteristieke plaats innemen, zooals waarschijnlijk ook mijn optreden niet zoo spoedig door de aldaar verblijvende Nederlanders zal worden vergeten.
    Het Vlaamsche lied weerklinke er nog lang en luide! Het brenge in de harten dier dappere pioniers een ademtochtje uit het verre Vaderland!

    Balikpan, 4 maart

    Ik heb te Balikpapan nog een liederavond gegeven en – waarschijnlijk als gevolg van het stroovuurtje, – buitengewone blijken van sympathie moeten in ontvangst nemen. Verscheidene ingezetenen stuurden mij bloemen naar mijn hotel of schreven mij allerhartelijkste brieven. Ook na het zingen van den Vlaamschen Leeuw werd mij een bloemenschoof met de Belgische kleuren aangeboden.
    Het stadje is volop in beroering. Overmorgen is het algemeene vergadering van de leden der Societeit en men verwacht, dat het daar alles behalve kalm zal toegaan. Nu de leden weten op welke manier zij worden vertegenwoordigd, komt hun gemoed in opstand en zien zij den toestand in. Ik ben er fier op, dat ik ook iets tot een meer rechtvaardige beschouwing van het werelddrama in Balikpapan heb mogen bijdragen.



    Ook de Antwerpse componist Albert De Vleeshouwer (1863-1913) was door de reismicrobe gebeten. Vanaf het einde van de negentiende de eeuw ondernam hij tientallen reizen, van Zweden tot Corsica, en van Hongarije tot Engeland. Hij ontpopte zich tot een heuse reisjournalist, die niet alleen schreef over de bijgewoonde concerten of ontmoetingen met componisten, maar evenzeer over toeristische bezienswaardigheden. Zijn reisverslagen werden in de krant Le Matin gepubliceerd en na zijn dood in 1913 gebundeld in Impressions de voyage. Een fragment uit 1899: in zijn verslag over zijn bezoek aan Munchen heeft De Vleeshouwer het over het bier, François-Auguste Gevaert en militaire muziekkorpsen.

    Munich, 30 juillet 1899

    En débarquant à Munich, je tombai dans une des nombreuses brasseries de la ville, le "Löwenbrau", qui me fit l’effet d’une fourmillière humaine. Bien entendu tout le monde consommait de la Munich, et cette bière est autrement bonne dans la capitale de la Bavière qu’à Anvers. Sur les tables de la brasserie, s’alignent des légions d’énormes brocs en grès dont les couvercles sont soigneusement fermés. Si par hasard vous laissez votre couvercle levé, la “gemütliche kellerin” croit que votre chope est vide et vous en apporte "illico" un autre. Ces puissantes brasseries organisent des concerts donnés par des musiciens militaires. J’ai entendu au "Löwenbrau" la musique du régiment des gardes de corps badois de Karlsruhe, sous la direction de M. Boettge. Le programme, bizarrement composé, était consacré à la musique hongroise, italienne et espagnole, et je n’ai pas été peu surpris de voir figurer sur le programme espagnol, comme s’il s’agissait de compratriotes du Cid, Gevaert avec sa fantasie sur des motifs espagnols, Gounod avec sa sérénade espagnole et Chabrier avec son Espana. Cela me rappelle la phrase de l’opérette : Il y a des gens qui se disent Espagnols et qui ne sont pas du tout Espagnols". L’exécution du programme de la musique militaire s’est transformée tout-à-coup en une symphonie avec chœurs ! Des guitares et des mandolines intervinrent, les clarinettes et les pistons se mirent à jouer du violon, le bombardon chanta la partie du ténor solo, l’orchestre lui répondit, et les sous-chef dirigeant à la Strauss, c’est-à-dire en jouant lui-même, me parut plus enragé que les autres. On exécutait Funiculi-Funicula. On joue encore d’autres morceaux de la même manière. L’auditoire, silencieux pendant l’exécution, applaudit ferme après chaque numéro. Rien de plus curieux que cette transformation soudaine d’un orchestre. Les musiques militaires allemandes me semblent parfois un peu criardes, mais elles jouent avec autant d’ensemble que de justesse. 

    4. Aanvulling

    Een lezer van de nieuwsbrief wees op een interessante box met 4 cd’s met opnamen van het Pro Arte Quartet. Naast klassiek werk van W.A. Mozart, Ludwig van Beethoven, Franz Schubert, Robert Schumann bevat deze box ook composities van Alexander Borodin, Alexander Glazunov, César Franck, Ernest Bloch, Bélá Bartók en Maurice Ravel.
    Deze opnamen zijn gemaakt tussen 1933 en 1938 in de Abbey Road Studios in Londen.
    Meer informatie op www.andante.com.