ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 80 (juli-augustus 2009)

1. Concert in de kijker: muziek van Pieter Emmanuel Verheyen op 28 augustus in Gent
door Guido De Bruyker

Pieter Emmanuel Verheyen (Gent, 1747-1819) : een late, verheugende ontdekking
De halve eeuw die het ontstaan van de Belgische staat voorafging was voor onze muziekgeschiedenis zeker niet de meest ophefmakende periode. Politieke en economische omstandigheden stonden nu eenmaal haaks op de voorwaarden voor culturele bloei: escalerende onlusten over de hervormingen van Jozef II, Brabantse omwenteling, bezetting door revolutionair Frankrijk, moeizame inlijving bij het Koninkrijk der Nederlanden,… Toch heeft de wijze waarop men lange tijd ons patrimonium pleegde in te schatten (in de regel afgewogen tegenover grootse, invloedrijke fenomenen, genre "Vlaamse polyfonisten", Rubens of Benoit) heel wat figuren en ontwikkelingen genegeerd, die wij op heden geneigd zijn met een ander oor te beluisteren. Dit is zeker het geval met Pieter (Pierre / Petrus) Verheyen.

Te Gent geboren op 15 januari 1747, als zoon van een zanger aan de Sint-Baafskathedraal, bleek ook hij over een mooie stem te beschikken. Hij was kathedraaltenor te Brugge, later te Gent, en vertolkte operarollen bij het reizende gezelschap van Jacob Neyts (De Vlaemsche Opera) en bij dat van Ignaz Vitzthumb. Deze laatste, en ook Francesco Krafft, kapelmeester aan de Gentse St-Baafskathedraal, zouden hem raad hebben verstrekt bij het componeren, maar op dat gebied kan hij best als autodidact worden beschouwd. Hij was onder andere ook korte tijd zangmeester aan de Sint-Veerlekerk te Gent en orkestleider te Maastricht.

Een behoorlijke permanente aanstelling is er voor Verheyen niet gekomen. Zijn composities vonden weliswaar snel waardering - van de zeventiende Gentse bisschop mocht hij zelfs de titel voeren van 'compositeur ordinaire de S.A. Mgr. De Lobkowitz' - maar materieel gewin verwierf hij er nauwelijks mee. Sommige van zijn werken werden in Brugge uitgevoerd (onder andere een Te Deum ter gelegenheid van de inwijding van de Sint-Salvatorkathedraal) maar buiten zijn thuisstad bleef zijn muziek grotendeels onbekend. Ongunstige omstandigheden onder het Franse regime? Te grote bescheidenheid?

In 1808 was Verheyen een medestichter van de Gentse Société Royale des Beaux-Arts et de Littérature, en van de in 1812 opgerichte afdeling voor muziek mocht hij zich adjunct-directeur noemen (directeur was Pieter Jan De Volder). Het was diezelfde vereniging die met een jaargeld uiteindelijk zijn grootste noden heeft gelenigd. Tevens zorgde ze voor een aantal waardevolle blijken van eerbetoon. Een overzicht:
- 1809: opdracht tot het componeren van een requiemmis voor een luisterrijke dienst in de Sint-Niklaaskerk ter herdenking van de dood van Haydn, 9 april 1810.
- 1816: uitschrijven van een compositiewedstrijd op een gelauwerde cantatetekst van Philippe Lesbroussart (La Journée de Waterloo). Verheyen wint de wedstrijd en mag zich verheugen in een overweldigende hulde.
- 1840: postuum eerbewijs. Verheyens naam wordt aangebracht op het plafond van de spektakelzaal van het nieuwe Gentse operagebouw.

Verheyen overleed te Gent op 11 januari 1819.
Zijn werken omvatten gelegenheidsmuziek (vóór en tijdens Frans regime), arietta’s, toneelmuziek, pantomimes en drie opera’s (waaronder De Jagtparty van Hendrik IV, op Vlaamse tekst!), meer dan 50 romances, klaviermuziek en de cantate La Journée de Waterloo. Daarnaast is er ook heel wat religieuze muziek: missen, psalmen, hymnes, Te Deums (meestal koor, soli, orkest), Elevationes (solo’s, duo’s, trio’s met orgel of klein orkest) en het oratorium La mort de Jésus Christ (onvolledig manuscript).

Tijdens zijn leven verschenen enkel vier romances in druk. De uitgeverij Ut Orpheus (Bologna) publiceerde in 1998 zeven klavierwerken. Al de rest bleef tot voor kort manuscript.

Opvallend is het aanzienlijke aantal religieuze werken dat Verheyen schreef vanaf 1801, het jaar van het concordaat tussen Napoleon en paus Pius VII, waarin de kerkgebouwen in hun vroegere functie werden hersteld. Het is repertoire dat in Gentse kerken decennialang standhield. Van deze latere productie is - in tegenstelling tot het vroeger gecomponeerde - heel wat bewaard, onder andere in de bibliotheek van de Universiteit Gent en in kerkarchieven zoals dat van Sint-Baafs en Sint-Niklaas. Het moet gezegd dat het onderzoek naar deze manuscripten mij een heel authentiek talent openbaarde, dat van een vlot, trefzeker en vindingrijk componist.

Twee kwaliteiten die me meteen verrasten waren zijn vertrouwdheid met de mogelijkheden van het orkest en, naarmate volledige werken in beeld kwamen (vaak met een duur van 30 minuten), de typisch dramatische dimensie die al zijn vocale werken typeert - daarmee samenhangend ook het vermogen om lange passages boeiend uit te werken. Dit dramatische instinct (dat ons het verlies van zijn opera's doet betreuren) is meteen een prima tegenwicht voor de beperkingen van het classicistische idioom. Voeg daarbij briljante solo-aria's en effectvol koorwerk, in een uitdrukkingspalet van sprankelende feestvreugde, over pastorale charme naar duistere en gekwelde stemmingen, waarin hij trouwens vaak van harmonische inventiviteit getuigt. Ook in de interpretatie van godsdienstige teksten is hij eerder uitzonderlijk voor zijn tijd: overal bewaart hij het perfecte evenwicht tussen dramatische benadering en religieuze beleving.

Verschillende musicologen opperden in de 19e en de 20e eeuw al de wenselijkheid van een grondig onderzoek naar deze figuur. Misschien wordt Verheyen wel dé verrassing van dit Haydnjaar? Vrijdag 28 augustus, in de Sint-Baafskathedraal te Gent, weerklinkt voor het eerst sinds anderhalve eeuw opnieuw zijn muziek. Het voor de gelegenheid geformeerde koor en orkest De Restauratie (historische instrumenten – concertmeester: Paul Klinck), met solisten Hilde Coppé, Sophie da Costa Cabral, Inez Carsauw, Enrico Casari, Yu-Hsiang Hsieh brengt van Pieter Emmanuel Verheyen een selectie van vijf religieuze werken, opgespoord, uitgegeven en geleid door Guido De Bruyker: Te Deum, Messe à grand orchestre (Kyrie & Gloria), Laudate Pueri, Miserere en Lux Aeterna (uittreksel uit het Requiem ter nagedachtenis aan Haydn).
Aansluitend volgt een cd-opname, waarvan de release wordt verwacht in november.

Gent, Sint-Baafskathedraal - 28/08/2009 - 20:15
Pieter Emmanuel Verheyen : Te Deum, Messe à grand orchestre (Kyrie & Gloria), Laudate Pueri, Miserere, Lux Aeterna (uit Requiem)
Hilde Coppé - sopraan / Sophie da Costa Cabral - sopraan / Inez Carsauw - alt / Erico Casari - tenor / Yu-Hsiang Hsieh - bas
Koor en orkest De Restauratie
Guido De Bruyker, dirigent
Kaarten: € 13 (kassa: € 15) & € 10 (studenten, 60+), – 18 jaar: gratis
www.uitbureau.be - tel. 09/233 77 88
  

2. Topstukken uit de VMI-catalogus : de compositorische nalatenschap van August De Boeck
door Adeline Bouckaert

Een van de belangrijkste betrachtingen van de catalogus van het Vlaams Muziekinstituut is om het oeuvre van een componist, dat veelal op verschillende plaatsen bewaard wordt, zo volledig mogelijk te ontsluiten. Momenteel worden de werken van August De Boeck (1865-1937) ingevoerd in de databank. En zoals zo vaak het geval, ligt ook de nalatenschap van De Boeck her en der in Vlaanderen verspreid. Het overgrote deel van zijn autografische manuscripten bevindt zich in het AMVC-Letterenhuis, maar ook in de conservatoria van Antwerpen en Brussel en in het Stedelijk Conservatorium van Mechelen zijn manuscripten van De Boeck terug te vinden, evenals in de VRO-bibliotheek, in de muziekacademie van Asse en bij enkele privépersonen. En wellicht nog frappanter: niet alleen het volledige oeuvre van een componist kan versnipperd geraken over verschillende bewaarplaatsen, ook een compositie kan hetzelfde lot ondergaan. Het voorbeeld bij uitstek is De Boecks Concerto voor Hansklavier en orkest, waarvan de solopartij, de partituur en de partijen op drie verschillende plaatsen worden bewaard. De VMI-catalogus maakt het voortaan echter mogelijk om met slechts één zoekopdracht de verschillende bewaarplaatsen te doorzoeken.

Een korte blik op de catalogus toont aan dat de Boeck een uitgebreid oeuvre van zowat 400 titels heeft nagelaten. De vocale muziek neemt de grootste plaats in. Zo tellen we een honderdtal liederen, zowel op Nederlandse als Franse teksten. Bij de instrumentale muziek zijn de pianowerken het talrijkst. Het zijn geen grote sonates, maar bondige karakterstukjes onder diverse benamingen als Humoresque, Menuet, Prelude, Scherzo en Toccata. Het merendeel van zijn oeuvre bleef tot nog toe onuitgegeven.

August De Boeck in de VMI-databank : http://anet.ua.ac.be/desktop/vmi

3. Historische tekst : een brief van Prosper Verheyden aan Berthe Seroen
door Jan Dewilde

Het Nederlands Muziek Instituut (NMI), de centrale bewaarplaats van het Nederlands muzikaal erfgoed en gehuisvest in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, bewaart ook verrassend veel materiaal dat relevant is voor de Vlaamse muziekgeschiedenis. Bij een laatste bezoek vonden we enkele gesigneerde partituren van Léon de Burbure de Wesembeek én interessante biografische informatie over de zangeres Berthe Seroen. De informatie over Berthe Seroen (Mechelen, 1882- Amsterdam, 1957) is te vinden in een onuitgegeven biografische tekst, geschreven door Seroens stiefzoon G.G.A. Mastenbroek: Het leven van een zangeres, Berthe Seroen (typoscript, 1983). Naast allerlei wetenswaardigheden en een lijst met radioconcerten bevat deze biografische schets enkele uitgesproken persoonlijke uitlatingen van de auteur, zoals: "Haar artieste-zijn vergde al haar tijd. Als echtgenote en huisvrouw faalde zij volkomen. Van de huishouding wist zij niets af. Zij kon geen aardappel koken. Alles werd opgeofferd aan haar kunstenaarschap. En als tweede moeder van haar stiefzoon schoot zij, zeker in haar jongere jaren, volkomen te kort. Maar nu afstandelijk bekeken: het zij haar allemaal vergeven. Om alle goede menschelijke eigenschappen met een groot artist zijn in één persoon te willen samenvoegen, is een onmenschelijke eisch. De eisch tot volmaaktheid. En toch moet gezegd worden dat in haar latere jaren, op het eind van haar leven, Berthe hiernaar gestreefd heeft." (p. 51-52).

Bijzonder interessant is de passage waarin de auteur het heeft over Seroens debuut bij de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen. Blijkbaar was het niet evident om haar te engageren, want zoals zovele zangeressen uit die tijd stond ze eerder huiverachtig tegenover het operamilieu dat beschouwd werd als een poel des verderfs. Al waren het vooral haar ouders die bekommerd waren om haar morele welzijn… De man die haar toch over de streep kon trekken, was Prosper Verheyden (Mechelen, 1873-Wilrijk, 1948). Verheyden, een bibliofiel en boekhistoricus, was ook actief in het muziekmilieu. Hij was secretaris van de Beiaardschool in Mechelen en publiceerde over Joannes de Gruytter en Peter Benoit. Daarnaast was hij als secretaris van de stedelijke toezichtcommissie ook betrokken bij de jonge Vlaamse Opera in Antwerpen. Uit de in het NMI bewaarde brief wordt duidelijk dat Verheyden op instigatie van de directie van het Antwerpse operahuis – toen een duobaan voor Jef Judels en Bernard Tokkie – de weerstand van de jonge Seroen en haar ouders probeerde weg te werken. Dat Verheyden net als Seroen een Mechelaar was, zal hierin zeker hebben meegespeeld. Hieronder volgt de bewuste brief, zoals die door Westenbroek wordt weergegeven:

"Antwerpen, den 8-n januari 1908
Verdussenstraat 30

Waarde juffrouw,

Ik had U gaarne een bezoek gebracht maar voorzie niet dat ik in de eerste paar weken te Mechelen kom en schrijf U dan maar, hoewel ik beter uitkomst van het gesproken dan van het geschreven woord zou verwachten. Het is me te doen, U, met goedvinden van den Heeren Judels en Tokkie, ernstig in overweging te geven of de bezwaren die gij en M. en Mevr. Seroen kunt gehad hebben tegen schouwburgarbeid, niet te overwinnen zijn in het belang van uw toekomst, uw gelukkig leven – dat is mij de eerste beweegreden hierin – en in het belang van de Vlaamsche Opera, dat is een beweegreden die voor ons allen geldt.

Ik weet half, vermoed voor ’t overige, wat u van theaterleven heeft teruggehouden. Heb ik het goed voor, dan is het van uw ouders een, hoe begrijpelijke vrees om hun lieve dochter dichter bij hun hart te houden dan het zou mogelijk zijn, als duizend sympathiën haar konden bewonderen. Verder is deze vreeze zeker niet gegaan: hoeveel beter dan wij kennen uwe ouders de kracht van uw karakter en den adel van uw ziel, en hoeveel sterker dan wij het vermogen moeten zij gevoelen, dat uw jonkvrouwelijke hooghartigheid U altijd meesteresse van uw eigen wil zal laten, tusschen wat menschen gij ook moogt geraken. In hunnen nabijheid zoudt gij blijven en in een midden dat heel treffelijk [?] mag heeten, waart gij verbonden aan de Vlaamsche Opera. Menschen en toestanden ken ik er vrijwel: zij gelijken niet op verre na aan die, welke in andere schouwburgen algemeen regel zijn: het mag er, onder intellectueel en moreel opzicht, een gezonde atmosfeer genoemd worden. Van dien kant zal U niets afstootelijks blijken.

Het werk zelf kan U zeker niet tegenspannen: voor U moet het een genot zijn, U met heel uw talent te kunnen geven in een heerlijk werk, met goede mede-artiesten, op een nieuwen, prachtig ingerichte schouwburg, waaraan geen miljoen onder of boven gespaard werd om het werk volmaakt voor de menschen te brengen, ik spreek van tooneelinrichting en decor en eindelijk: voor een verstandig en dankbaar publiek. En werk zoudt gij vinden, al is er juist niet van afbreuken spraak. Ik hoor U al Agatha zingen (’t wordt nu door een lief, maar zwak stemmetje gedaan), maar bovenal zie ik U die rol al spelen. En wat een heerlijke Elsa, wat een Elisabeth zoudt gij zijn, met uw voornaam en toch zoo gloedvol spel, met uw wonderlijk schoone stem. Meer rollen van dien aard zoudt gij, naar Mr. Judels mij deze morgend nog zei, bestemd zijn, maar hij liet er de armen bij neervallen toen hij bedacht dat gij maar niet zoudt willen toestemmen om U aan het tooneel te wijden.

Ik vraag mij nog af: is dat wel zoo? Zoudt gij niet de baan willen ingaan langs de Vlaamsche Opera, die Swolfs – een zeer verstandige jongen, een artiestennatuur en een lieve stem, maar die zoo houterig in ’t eerst speelde en toch spoedig ontdooide – op korte jaren leidde naar de Monnaie, naar Nice en thans (weet gij het al?), met een zeer rijke verbintenis naar de Hofopera te Weenen. Ik wou dat gij kondet lezen – misschien komt daar wel gelegenheid toe – hoe hartelijk en hoe dankbaar Swolfs nog eenige dagen geleden aan Judels en Tokkie schreef over de weldaad die het hem geweest is, zijn eerste stappen op de Vlaamsche Opera te hebben gedaan, met gewetensvol werkende menschen en niet in het cabot-gedoe van meest alle Fransche schouwburgen van tweeden en zelfs van eersten rang.

De toekomst is dus niet gesloten voor een degelijke kunstenares die Vlaamsch begint te zingen, die op de Vlaamsche Opera zijn loopbaan begint.

En let op hoe spoedig dit tooneel een voortreffelijke faam heeft gekregen in het land en in de vreemde. Weldra groeit die aan en zal het aanbeveling zijn, er gewerkt te hebben. Ik wou dat gij ertoe besluiten kondet, toe te stemmen als Judels en Tokkie U konden vragen: dat is Judels tenminste van plan als hij maar weet dat gij geene princiepsbezwaren meer hebt. Ik beloofde hem U te schrijven: krijg ik van U een antwoord dat een toestemming laat verhopen, dan komt hij U bezoeken een dezer dagen, misschien met Maurits Sabbe als "renfort", om U te overtuigen. Verlangt gij, zonder dadelijk ja of neen te zeggen, den schouwburg te zien, van nabij de doening gade te slaan? Dat kan zeer wel: mijn vrouw en ik zullen U met veel genoegen ontvangen en ik kan U alle gelegenheid geven om den schouwburg ten alle tijden te bezoeken, (ik ben namelijk secretaris van den tooneelraad, een Stadsinstelling die den schouwburg onder haar toezicht heeft).

Ik had wel mogen beginnen met U een zeer gelukkig Nieuwjaar te wenschen, maar wensch ik dat niet van ganscher harte, als ik wensch U al het geluk te zien verwerven, waarop Uw talent en Uw karakter U recht geven? Laat mij dan voor M. en Mevrouw Seroen U wenschen aanbieden. Ons gaat het hier zeer wel. Onze jongen is een lief ventje. Zeer welkom zou ons uw bezoek zijn en het zou mij genoegen doen U nuttig te kunnen zijn in eeniger wijze. Lust het U te komen, gelief dan met een kaartje te verwittigen.

Intusschen groet U, waarde Mejuffer Seroen, met eerbied,
Prosper Verheyden."

Verheydens interventie moet effect gehad hebben, want enkele maanden later, op 4 mei 1908, tekende Seroen een contract voor 25 voorstellingen tijdens het seizoen 1908-1909 (oktober-maart). Ze kreeg hiervoor 6.000 fr., plus 75 fr. voor elke boventallige opvoering. Ze moest het operahuis Antwerpse exclusiviteit beloven, alleen voor één Dierentuinconcert in januari 1909 werd een uitzondering gemaakt.

Nog vooraleer haar vast engagement inging, gasteerde Seroen al op 19 maart 1908. Chroniqueur August Monet schreef over haar debuut: "(…) van grooter waarde, zou, voor de toekomst der Vlaamsche Opera, de gastvoorstelling zijn van "Tannhäuser" op 19 maart: deze van Mevr. Berthe Seroen, die toen voor ’t eerst – als Elisabeth – het voetlicht trotseerde; en indien dit debuut de schoonste verwachtingen wekte, dan zijn er weinige nadien zóózeer gerechtvaardigd gebleken. Want Bertha Seroen is een van de groote namen in de geschiedenis van de Vlaamsche Opera." (Een halve eeuw Nederlandsch Lyrisch Tooneel en Vlaamsche Opera te Antwerpen, Antwerpen, 1939, p. 185-186.)

Seroen, die tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog aan het Antwerpse operahuis verbonden bleef, zou er inderdaad furore maken. Een van haar vele belangrijke wapenfeiten was de rol van Hermelijn op 9 januari 1909 in de wereldcreatie van August De Boecks Reinaert de vos. Haar faam als operazangeres groeide zo snel, dat ze al vlug ook in de Muntschouwburg te horen was. Het viel voor dat ze in Antwerpen een matinee zong – in het Nederlands – en dan de trein nam naar Brussel om er ’s avonds in de Muntschouwburg soms dezelfde opera in het Frans te zingen.

Vanaf 1911 zong ze ook regelmatig in Nederland dat na 1914 haar tweede vaderland zou worden. Ze zou er vooral naam maken als vertolkster van het Franse liedrepertoire, toch nog grotendeels braakliggend terrein in Nederland.

4. Een eeuwigheid geleden… : "Musiques d’été"
door Annelies Focquaert

"La musique est partie en villégiature sur les bords de la mer, dans les montagnes et les villes d’eaux; elle s’est réfugiée sur les plages et dans les casinos. C’est donc le moment de constater la façon détestable dont elle prend ses vacances. Qu’elle s’installe en Normandie, en Suisse ou ailleurs, on lui a généralement réservé des distractions et des besognes assez grossières. Rares sont les établissements d’été où l’on fait de l’art, où la musique et les artistes ne soient pas relégués en un métier de préposés à la danse." (Ch. Cornet, Musiques d’été, in Le guide musical, 29 augustus – 5 september 1909)

Dat Ch[arles?]. Cornet, de Parijse correspondent van Le guide musical, niet erg opgezet was met het lage niveau van het muziekleven in Frankrijk tijdens de zomermaanden, moge blijken uit bovenstaand citaat. Ook in België was de situatie niet anders: platte rust voor de opera, voor orkesten, voor conservatoria en musici.

Toch was er één Belgische badplaats waar wel degelijk een bloeiend kunstleven mogelijk was, één van die 'zeldzame zomerse plaatsen waar de artiesten geen kermismuzikanten moeten worden', en die plaats was Oostende. Deze parel aan de Belgische kust kende dankzij het actieve en artistieke beleid van onder meer dirigent Léon Rinskopf, dirigent van het Kursaalorkest, haar hoogseizoen als alle andere seizoenen afgelopen waren. Le guide musical zet dan ook, dankzij een enthousiaste correspondent ter plaatse (met initialen L.L.), de volle schijnwerper op Oostende. Het seizoen 1909 van het Kursaal begon op 19 juni met de aankondiging van topconcerten van de Italiaanse tenor Enrico Caruso en de Franse pianist Alfred Cortot en het 'gewone' programma bevatte haast dagelijks concerten met degelijke symfonische muziek. Er waren twee festivaldagen voorzien onder leiding van niemand minder dan Richard Strauss en Alexander Glazoenov, maar deze concerten werden eind augustus afgezegd.

Op de Nationale Feestdag 21 juli vond jaarlijks een druk bijgewoond concert plaats met muziek van Belgische componisten. De traditie werd ook in 1909 voortgezet en volgens L.L. was het een 'uitzonderlijke plechtigheid'. Alle werken uit het feestelijke programma werden gedirigeerd door de componisten zelf:

- Variations symphoniques – Paul Gilson
- Andante uit het Vioolconcerto – Jan Blockx 
- Harpzang voor sopraan, twee harpen en 3 fluiten – Jan Blockx 
- Fête villageoise uit de suite Kermisdag – Jan Blockx 
- Le Sorbier voor soli, koor en orkest – Emile Mathieu 
- Te Deum voor koor, orkest en orgel – Edgar Tinel

L. L. bespreekt dit concert in Le guide musical van 1 en 8 augustus 1909:

"L’évènement de la dernière quinzaine, ce fut le festival de musique belge du 21 juillet, lequel a revêtu, cette année, une solennité extraordinaire. Programme aussi copieux que varié : M. Gilson a dirigé, pas trop mal, ses Variations symphoniques, tant admirées déjà lors de leur première exécution aux Populaires de Bruxelles. L’œuvre est, en effet, très forte : le rythme, l’harmonie, la couleur orchestrale y sont traités avec une maîtrise absolue, sans que l’on ait jamais l’impression d’un effort ou d’une recherche quelconque. Et quelle richesse de sentiment et d’expression dans le Nocturne, dans l’Elégie, dans la variation chromatique, pour aboutir dans le final à une explosion aussi belle que géniale au point de vue technique.

M. Jan Blockx avait inscrit au programme : d’abord un mélodieux andante de concerto, auquel notre violon-solo, M. Edouard Lambert, prêtait l’appoint d’un archet très pur et d’un jeu fort expressif ; puis le Harpzang accompagné par trois flûtes et deux harpes, et qui est d’un sentiment très élevé, fut chanté en un style fort large par Mme Hélène Feltesse ; enfin, ce fut le final de la suite d’orchestre Kermisdag, une œuvre de jeunesse où s’affirme déjà la personnalité naissante du futur auteur de Milenka.

De M. Emile Mathieu, nous avons entendu une partition pétrie de fraîcheur et de distinction : Le Sorbier, pour soli et chœurs. M. Henri Fontaine, professeur au Conservatoire royal d’Anvers, a noblement chanté le solo de baryton, tandis que Mme Feltesse détaillait à ravir le pimpant air du soprano. Les chœurs furent excellents ; quant à l’orchestre, il suffira de dire qu’il est resté à la hauteur de sa solide réputation.

Pour finir la soirée par le maximum de déploiement sonore et de majestueuse beauté, il y avait le superbe Te Deum, où M. Tinel a mis toute l’ardeur de sa foi et toutes les ressources de son admirable maîtrise d’écriture. De même qu’il y a deux ans, l’œuvre a produit une impression énorme et l’auteur de Katharina fut longuement acclamé.

Chacun de nos maîtres belges, qui ont conduit eux-mêmes leurs œuvres, a bénéficié d’ailleurs de la part de l’auditoire très nombreux, d’un accueil enthousiaste. C’est dire que le 21 juillet a été vraiment, à Ostende, une grande fête pour l’art musical national."