ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 86 (februari 2010)

1. Honderd jaar Servaisacademie Halle en Charles De Koster (1885-1939)
door Peter François

Tijdens het schooljaar 2009-2010 viert de Stedelijke Servaisacademie voor Muziek, Woord en Dans van Halle haar honderdste verjaardag, een gelegenheid om de eerste decennia van de instelling te (her)ontdekken. En daarin was de Belgische musicus Charles De Koster prominent aanwezig. De Servaisacademie werkt voor dit project samen met de vzw Servais en het Zuidwestbrabants Museum in Halle.

Charles De Koster
Charles De Koster werd in Halle geboren op 5 december 1885. Vader Louis De Koster (1857-1906) was er op dat moment al actief als organist en componist. De liefde voor de muziek kreeg Charles van jongs af mee. Verder muzikaal onderricht genoot hij vanaf 1898 in het Koninklijk Conservatorium van Brussel, waar hij solfège studeerde bij Julien Vienne en Richard Kips en orgel in de klas van Alphonse Mailly. Mailly, zelf oud-leerling van Jacques-Nicolas Lemmens, was aan zijn laatste jaren bezig; in 1901 ging hij met pensioen. Gezien zijn jonge leeftijd - Charles was immers pas dertien toen hij het conservatorium binnenstapte - zal hij wellicht vooral les gekregen hebben van Mailly’s assistenten. Hij vervolgde zijn opleiding aan het Lemmensinstituut, toen nog in Mechelen gevestigd. Bij Edgar Tinel, Aloys Desmet en Oscar Depuydt volgde Charles piano, orgel, harmonie, contrapunt en fuga. Op 31 juli 1906 deed hij als enige van de ongeveer vijftig studenten mee aan de examens om het diploma van 'troisième degré' te behalen. Het jaar nadien was Charles de enige kandidaat voor het diploma van 'deuxième degré', dat hij met onderscheiding behaalde. Daarmee was zijn opleiding afgerond.

Charles De Koster wordt vooral herinnerd als stichter en eerste directeur van de Halse muziekschool. De 'Académie de Musique de Hal' startte op 10 mei 1909 en Charles De Koster werd voor het leven benoemd als leraar piano en algemeen directeur. Toen het cursusaanbod uitgebreid werd, gaf hij ook vocaal en instrumentaal ensemble, geschiedenis, orgel, harmonie, contrapunt en fuga. In 1921 werd de academie een Conservatorium van het Rijk, op dat moment het hoogste wat een instelling voor basisonderricht in de muziek en woordkunst kon bereiken. De Koster organiseerde talrijke concerten voor de academie, vaak met medewerking van gerenommeerde artiesten. Zelfs de befaamde Hongaarse vioolvirtuoos André Gertler trad drie keer in Halle op. De Koster dirigeerde meestal zelf het orkest. Van 1913 tot 1924 was hij in Halle eveneens de dirigent van het koor 'Roland de Lattre' en van 1919 tot 1939 van het symfonisch orkest 'Cercle Servais'. Daarnaast was hij de vaste organist van de Sint-Martinusbasiliek van 1906 tot 1919.

Charles De Koster was ook actief als componist. De stevige basis van contrapunt en harmonie die hij in het Lemmensinstituut aangeleerd had gekregen, kwam daarbij goed van pas. Bovendien had hij zich verder in compositie bekwaamd bij Paul Gilson. De Koster liet een relatief omvangrijk œuvre na, voor diverse bezettingen: liederen voor zang en piano (of orkest), cantates, werken voor harmonie of symfonisch orkest, motetten voor koor en orgel, werken voor orgel solo, … Minstens eenenveertig van De Kosters composities werden gepubliceerd. Vele andere werken bleven in manuscript. Tot voor kort waren slechts enkele van die manuscripten bekend. In 2008 verwierf de Halse vzw Servais een stapel manuscripten van De Koster, goed voor 903 pagina’s, waarvan 794 in zijn eigen handschrift. De collectie bevat het manuscript van vijf orkestwerken, zeventien orgelwerken, drie vocale werken met orkest- of orgelbegeleiding, dertien vocale werken met pianobegeleiding en zelfs een foxtrot. Ze zijn ondertussen geïnventariseerd en bij de vzw Servais beschikbaar voor musici en onderzoekers.

Vanuit de academie bouwde De Koster goede contacten uit met talrijke vertegenwoordigers van het Belgische muziekleven, zoals Emile Wambach, August De Boeck, Paul Gilson, Arthur De Greef, Joseph Jongen en Edouard Jacobs. Zij kwamen ook allemaal naar Halle voor een concert of om deel uit te maken van een jury. Op 12 januari 1936 organiseerde De Koster bijvoorbeeld een 'Festival Paul Gilson', volledig gewijd aan Gilsons composities. Op 10 januari 1937 dirigeerde Arthur De Greef zelf het orkest van de academie en de 'Cercle Servais' voor een programma dat enkel uit werk van De Greef bestond. Voor de viering van 25 jaar academie in 1935 was er een groot galaconcert met werk van August De Boeck, Arthur De Greef, Paul Gilson, Joseph Jongen en Charles De Koster zelf. De Koster spande zich dus zichtbaar in voor de verspreiding van het œuvre van hedendaagse Vlaamse en Belgische meesters.

Naast zijn drukke activiteiten in Halle was De Koster vanaf 1912 leraar muziek en muziekgeschiedenis in het Athénée Royal in de Eikstraat in Brussel. Hij werd ook gevraagd om in allerlei jury’s te zetelen. Daarnaast werkte hij mee aan een aantal muziektijdschriften en was hij bovendien vanaf 1925 voorzitter van de 'Fédération Nationale des Ecoles de Musique du Royaume'.

Na het overlijden van Charles De Koster in 1939 werd zijn broer Emile De Koster directeur van de Halse academie. In 1962 kwam Leopold Sluys - leraar orgel in het Conservatorium van Brussel - aan het hoofd van de academie, waarvan hij al veertien jaar leraar was. Na hem kwamen Louis Boets, Jozef Janssens (nu directeur van de academie van Tienen) en Anne-Marie Debusscher. Sinds 1999 is Dirk Ottoy directeur. Ook hij is organist. Anno 2010 telt de academie 33 leerkrachten en 645 leerlingen.

Academische zitting

Een hoogtepunt van de festiviteiten rond honderd jaar Servaisacademie was de academische zitting op 5 februari 2010. Directeur Dirk Ottoy zette de avond in met de uitvoering op orgel van het Andante in D van Charles De Koster. Ook de andere intermezzo’s waren gecomponeerd door de oud-directeur. Er was zelfs een foxtrot bij, gespeeld door Dirk Herten, de vaste begeleider van de academie. Oud-lerares Jeanne Carlier-Heureux speelde op orgel Andante quasi moderato en Choral-prélude. Op haar zevenentachtigste volgt ze opnieuw les in de academie, bij organist Wouter Dekoninck, die zelf een Antienne uitvoerde. Tenor Koen Vereertbrugghen zong Lacrimae Sacrae.

Ondergetekende Peter François, historicus en musicoloog (en oud-leerling), gaf een overzicht van de honderdjarige geschiedenis van de academie. Luc Ponet, inspecteur van het Deeltijds Kunstonderwijs, sprak over de rol van academies anno 2010 en in het komende decennium. Burgemeester Dirk Pieters nam het slotwoord voor zijn rekening. Daarin benadrukte hij de belangrijke rol van de academie voor het Halse culturele leven.

Publicatie

Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de academie deed Peter François archiefonderzoek in Halle en elders in het land en nam hij contact met talrijke mensen die van ver of dicht bij de academie betrokken zijn. Dat resulteerde in een lijvige brochure. De auteur staat uitgebreid stil bij de carrière en het œuvre van Charles De Koster en zijn directeurschap. De publicatie bevat ook een gedetailleerde œuvre-catalogus van De Koster. Uiteraard komen ook de latere periodes uit de geschiedenis van de academie aan bod. Een apart artikel is gewijd aan de celloklas van de academie en daarbij is de Halse cellist Servais nooit ver weg. De publicatie is rijkelijk geïllustreerd met foto- en archiefmateriaal en heeft dankzij Renaat Uyttersprot een aantrekkelijke vormgeving.

Aan de publicatie is ook een kleine tentoonstelling gekoppeld. Die loopt van april tot oktober 2010 in het Zuidwestbrabants Museum, Kardinaal Cardijnstraat 7, 1500 Halle (praktische info op http://www.toerisme-halle.be/NL/152/357/Musea.htm).

Meer weten?
-
François, P.: Honderd jaar Servaisacademie Halle (1909-2009). Halle, Stedelijke Servaisacademie, 2010, ISBN 978-9-081-51100-1 (56 p.). Te koop via de Servaisacademie (http://users.telenet.be/servaisacademie/) en via de vzw Servais (www.servais-vzw.org).
- François, P. en Hanssens, S.: De orgelcomposities van Charles De Koster. Te verschijnen in: Orgelkunst, jrg. 33, nr. 1, maart 2010, p. 17-23.
- Partituren van Charles De Koster in de Halse Servaiscollectie: contact via de vzw Servais (www.servais-vzw.org).  

2. Concerten in de kijker
door Gilbert Huybens en Martine De Craene

Concert 'Immortel Amour': 200 jaar muziekonderwijs in Leuven
Uit diverse bronnen blijkt dat in Leuven vanaf het begin van de negentiende eeuw geestdriftig werd geijverd om vocale en instrumentale muziek via een goed georganiseerd muziekonderwijs voor het grote publiek open te stellen. Een 'Académie de Musique' - een instelling met privé-allures - heeft vanaf 1809 tot 1834 stand gehouden en onder de leiding van Joseph Terby sr. (1780-1860) talrijke leerlingen gevormd. In 1835 werd door de stad een officiële 'Section de musique' toegevoegd aan de bestaande 'Académie des Beaux-Arts'. Ernest Spindler (?-1850), een Duitser die op dat ogenblik in Leuven een militaire muziekkapel leidde, werd tot 'premier professeur-directeur' benoemd. Als allround musicus onderwees hij de vakken solfège, fluit, hobo, klarinet, klephoorn, trompet, hoorn, fagot, trombone, ophicleïde, muziektheorie, harmonie, compositie, samenspel en samenzang. Viool, altviool, cello, contrabas, vocalise en zang werden onderwezen door Terby sr. en zijn zoon François.

Enkele jaren na de dood van Spindler werd de 'Section' volledig gereorganiseerd en door een administratieve commissie geleid. Het lerarenkorps werd uitgebreid tot elf leerkrachten waaronder professoren van het 'Conservatoire Royal de Musique' te Brussel, er werden examens georganiseerd en palmaressen gedrukt. Geregeld publiceerde de stad in haar jaarverslagen interessante gegevens met betrekking tot het geboden muziekonderwijs.

Eind 1880 kreeg de 'Section de musique' een autonoom statuut. Ze werd ontkoppeld van de 'Académie des Beaux-Arts' en kreeg de naam 'Ecole de musique de Louvain'. De eerste directeur was Emile Mathieu wiens ouders nog zangonderricht hadden gegeven in de 'Section de musique'. In 1898 werd hij directeur van het Gentse Conservatorium. Hij had de Prijs van Rome behaald en was een gezaghebbend componist. Dat waren ook zijn vier illustere opvolgers: Léon Du Bois (directeur van 1899 tot 1912), Paul Lebrun (1913-1920: onder zijn beleid verwierf de school de titel Stedelijk Muziekconservatorium), Martin Lunssens (1921-1924) en Henry George D’Hoedt (1924-1936). Na hen kwamen Rodolphe Soiron (1936-1953), Louis Weemaels (1953-1974), Willy Roskams (1974-2000) en Cathérine Legaey.

Zienderogen verwierf de school - een van de oudste en belangrijkste van het land - een benijdenswaardige reputatie: gerenommeerde leraren stonden en staan nog steeds garant voor een muziekonderricht van hoog niveau. Vandaag telt de school meer dan 2000 leerlingen.

Bij een viering als deze is het zinvol om werk te laten horen van enkele oud-directeurs. Hun oeuvre, dat vakmanschap uitstraalt, bestaat vooral uit grootse orkestwerken, cantates en koorwerken. Maar ze muntten ook uit in intimistische liederen en solostukken voor piano en dwarsfluit. Bij deze gelegenheid wordt ook werk uitgevoerd van burggraaf de Spoelberch en François Terby.

Literatuur:
- Huybens, G.: Het officieel muziekonderwijs te Leuven 1835-1881, in: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 25 (1985), p. 3-48.
- Id.: Het muziekconservatorium te Leuven (1835-1985), in: Bols, M., Huybens G. en Verpoest, L.: Het stedelijk Kunstonderwijs te Leuven. Jubileumboek uitgegeven naar aanleiding van het 200-jarig bestaan van de Academie voor Schone Kunsten en het 150-jarig bestaan van het Muziekconservatorium, Leuven, 1985, p. 95-138.
- Id., Negen componisten rond '150 jaar conservatorium Leuven', Leuven, 1985.

'Immortel Amour': 200 jaar muziekonderwijs in Leuven
-
Annelies Meskens, sopraan - Wim Spaepen, viool - Catherine Mertens, piano - Toon Fret, fluit - spelen muziek van Henry George D'Hoedt, François Terby, Léon Du Bois, Paul Lebrun en Martin Lunssens.
- Info en tickets: 016 23 84 27 - www.30cc.be
- 21 maart 2010 - 11:00 - Leuven, 30CC (Wagenhuis)

Concert Robert Herberigs
Robert Herberigs (1886-1974) beoefende drie kunstdisciplines op het hoogste niveau: muziek, schilderkunst en literatuur. Kunstkenners zijn er niet uit welke discipline voor hem het belangrijkst was, of het meest betekenisvol voor de geschiedenis. Sinds december 2007 worden in verschillende steden en gemeenten van de Vlaamse Ardennen tentoonstellingen en concerten georganiseerd rond Herberigs. Zo organiseerde CC De Brouwerij in Ronse vorig seizoen een lezing door M. Vuylsteke rond werk en kunst van de meester en een retrospectieve tentoonstelling van zijn schilderwerken. Als afsluiter van alle activiteiten vindt een prestigieus concert plaats met sopraan Martine De Craene, pianist Luc Devos en de plaatselijke koren Toon op Toon onder leiding van Ruben Claus en Sint-Gregorius onder leiding van Dominique Wybraeke. Op het programma staan Gezelleliederen, La Chanson d'Eve, 2 Choeurs Mixtes en pianowerken van Robert Herberigs.

- Martine de Craene, sopraan - Luc Devos, piano brengen werk van Robert Herberigs
- info en tickets: 055 23 28 01 - cultuur@ronse.be
- 13 maart 2010 - 20:00 - Ronse, CC De Brouwerij 

3. Recensie : André Cluytens. Itinéraire d'un chef d'orchestre van Erik Baeck
door Jan Dewilde

André Cluytens. Itinéraire d’un chef d’orchestre. Erik Baeck. Wavre: Mardaga, 2009. [416 p. ISBN 978-2-8047-0011-9. €39]

André Cluytens (1905-1967) was ontegensprekelijk een van de grote dirigenten van de twintigste eeuw. Klinkende getuigenissen daarvan zijn Cluytens' opnamen die nog steeds op cd worden uitgebracht. Vorig jaar verschenen cd's met zijn opnamen van Mozarts KV 491 met Clara Haskil en het Orchestre National de la RTF (Andromeda ANDRCD 9050) en van Brahms' Tweede concerto met Arthur Rubinstein en het Orchestra Sinfonica della RAI de Torino (Arts 43081-2). Beide opnamen laten Cluytens horen als een excellent en inspirerend begeleider; de opname met het omroeporkest van Turijn toont bovendien dat Cluytens niet alleen met toporkesten uitstekende resultaten wist te halen. Voor wie Cluytens ook aan het werk wil zien, bracht EMI in 2003 een dvd uit met registraties uit 1959 en 1960 van werk van Ravel, Mussorgsky en Tchaikovsky (Eerste pianoconcerto met Emil Gilels) (EMI DVA 4901249). Het is een plezier om Cluytens aan het werk te zien, niet alleen omdat hij een bijzonder elegant dirigent met een loepzuivere techniek was, maar ook omdat hij onafgebroken intens communiceert met de orkestmusici. Bovendien etaleert hij een grote musiceervreugde.

André Cluytens werd in 1905 in Antwerpen in een muzikantenfamilie geboren. Zijn vader Alphonse was niet alleen dirigent aan de twee operahuizen die Antwerpen toen nog rijk was (het Théâtre Royal Français en de Koninklijke Vlaamse Opera), maar ook een productief componist van onder andere drie opera’s, verschillende cantates, koren, liederen, orkestwerken en pianomuziek. (De bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen bewaart meer dan 80 partituren van Cluytens sr., waaronder een voltooiing van Schuberts Unvollendete). Na zijn studies als pianist aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen volgde Cluytens zijn vader naar het Théâtre Royal Français, eerst als pianist-repetent, daarna als dirigent. Het werd een levenslang liaison met de operaliteratuur.

Nadat hij in Antwerpen de stiel als operadirigent had geleerd, verlegde hij op zijn zevenentwintigste zijn activiteiten naar Frankrijk. Als chef-dirigent was hij aan verschillende operahuizen in de provincie verbonden, tot hij in het omineuze jaar 1944 eerste dirigent van de Opéra van Parijs werd. Dat hij zich onder het Vichy-regime sterk had geëngageerd, heeft zijn verdere carrière niet in de weg gestaan. Wel integendeel, tussen 1950 en 1954 bekleedde hij zelfs simultaan vier belangrijke dirigentenposten in Parijs: bij de Opéra, de Opéra-Comique, de Société des Concerts du Conservatoire en het Orchestre National de la RTF.

Zowel binnen de opera als het symfonisch orkest exploreerde Cluytens een breed repertoire, van barok tot hedendaags (met wereldpremières van onder andere Jolivet, Milhaud en Messiaen). Zwaartepunten in zijn repertoire waren de Weense klassieken, het Frans en het Russisch repertoire en Wagner. Vanaf de vroege jaren ’50 werd hij een graag geziene gast bij de grote internationale operahuizen en orkesten aan beide kanten van de oceaan en in 1955 debuteerde hij met Tannhäuser bij de Bayreuther Festspiele, een momentum in zijn carrière. Gedurende vijf Festspiele zou hij met veel succes 48 voorstellingen dirigeren, tot hij in 1965 afzag van de directie van Parsifal het volgend jaar. Officieel wegens gezondheidsredenen, maar in feite wegens huwelijksproblemen. Cluytens was toen immers verliefd geworden op de jonge Duitse sopraan en femme fatale Anja Silja, op dat moment de minnares van Wieland Wagner.

Op het hoogtepunt van zijn indrukwekkende internationale carrière tekende Cluytens, die in 1940 de Franse nationaliteit had aangenomen, in 1960 een contract als eerste muziekdirecteur bij het Nationaal Orkest van België, een terugkeer naar zijn geboorteland. Was de samenwerking met Cluytens een hoogtepunt in de geschiedenis van dit orkest, voor Cluytens zelf waren het moeizame jaren. Hij leed onder zijn zware oogproblemen en ook de relatie die hij na Wieland Wagners dood met Anja Silja was begonnen, zorgde voor persoonlijke en familiale moeilijkheden. Niettegenstaande die fysieke en emotionele problemen verlengde hij zijn contract bij het NOB tot 1972 en bleef hij fascinerende concerten geven. Zijn allerlaatste concert dirigeerde hij in Stuttgart op 25 april 1967. Enkele weken later, op 3 juni, overleed hij in Neuilly-sur-Seine.

Het boek van Erik Baeck is welgekomen, want tot nu was het behelpen met de brochure die Bernard Gavoty in 1955 aan Cluytens wijdde (in de reeks Les grands interprètes). De sterkte van het boek steekt in het verzamelde feitenmateriaal, meer bepaald de lijsten met concerten, opera-opvoeringen en de uitgebreide discografie. Die lijsten maken het mogelijk om Cluytens' steile opgang en zijn carrière langs de grote internationale orkesten en operahuizen te volgen en geven ook een inkijk op zijn gevarieerd en uitgebreid repertoire. Maar net die kwaliteit vormt ook de zwakte van het boek. De auteur doet niet veel meer dan die concerten aan elkaar te plakken en te larderen met uittreksels uit recensies (in Franse vertalingen). Niet alleen zorgt dat voor vermoeiende lectuur, problematischer is dat de auteur zich achter die recensenten schuil houdt. Bovendien zijn vele van die recensies op clichés gebouwd, nietszeggend of contradictorisch. Waar Baeck zich zelf zou kunnen uitspreken, over de plaatopnames, daar laat hij vreemd genoeg verstek gaan. De auteur slaagt er dan ook niet in om te verklaren wat Cluytens nu tot zo’n groot en belangrijk dirigent maakte. Daar waar Baeck zich wel engageert, waagt hij zich soms op glad ijs. Zo beschrijft hij de Antwerpse muziekcultuur en meer bepaald het onderwijs dat Cluytens aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium genoot, eenduidig als nationalistisch-romantisch en geretardeerd. Maar de feiten spreken dat tegen. Tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw was het Antwerpse concertleven sterk gediversifieerd, bij de tijd en internationaal georiënteerd. Zoals Baeck zelf aangeeft waren er twee operahuizen en verschillende concertverenigingen. De belangrijkste concertorganisatie was de Maatschappij der Nieuwe Concerten die belangrijke internationale solisten, dirigenten en orkesten naar Antwerpen haalde en veel eigentijdse muziek programmeerde. Die orkesten bestonden voor een groot deel uit professoren en afgestudeerden van het Koninklijk Vlaams Conservatorium. Aan dat Conservatorium studeerde Cluytens bij eminente pianisten als Émile Bosquet, zelf een leerling van Arthur De Greef in Brussel, en Emmanuel Durlet, die zich na zijn studies in Antwerpen had vervolmaakt bij Leopold Godowsky in Wenen. Cluytens liet zich overigens meermaals lovend uit over het onderwijs dat hij in Antwerpen genoot. Dat Peter Benoit, de stichter van het Antwerpse Conservatorium, postuum persoonlijk verantwoordelijk wordt gesteld voor het missen van de aansluiting bij het modernisme, zou de auteur toch wel eens mogen beargumenteren. Ook hier waren de volgelingen vaak strenger in de leer dan de profeet. En wat dan met een componist als August Baeyens (1895-1966) die ook aan het Antwerps conservatorium studeerde en uitgroeide tot een van de eerste Vlaamse modernisten?

Verder in het boek is het merkwaardig hoe coulant Baeck schrijft over Cluytens' activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat Cluytens op 3 maart 1943 zijn contract bij het Grand-Théâtre van Lyon verlengde, enkele dagen na de vreselijke razzia's in Lyon op Joden - waarvan sommigen uit zijn geboortestad Antwerpen kwamen -, wordt afgedaan als een onverschilligheid te wijten aan Cluytens' werkkracht, energie en ambitie. Ook problematisch zijn de passages die de auteur wijdt aan Cluytens' huwelijksproblemen en zijn affaire met Anja Silja. Daarin wordt Cluytens' vrouw belasterd op een manier die een roddelblad waardig is. Baeck steunt overigens te veel op getuigenissen van Silja, ook voor feiten en evenementen waarbij ze zelf niet betrokken was. Zeer interessant dan weer is het goed gedocumenteerde hoofdstuk over Cluytens' passage bij het Nationaal Orkest van België. Hier rendeert Baecks research ten volle. Spijtig dat het boek geen namenregister bevat. Vreemd ook dat een onvoltooide thesis over Cluytens, eind van de jaren ’90 geschreven aan de Université de Paris IV, niettegenstaande enkele gelijkenissen niet in de bibliografie is opgenomen.  

4. In memoriam
door Luc Leytens en Jan Dewilde

Ernest Van der Eyken
Op 6 februari 2010 is de nestor van de Vlaamse muziek, Ernest Van der Eyken, zachtjes ontslapen te Antwerpen. Hij was er geboren in 1913 en kon dus terugblikken op een lange carrière. Op vier terreinen was hij actief: als instrumentalist, als dirigent, als administrator en als componist.

Zijn opleiding kreeg hij hoofdzakelijk in het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen. Hij verzamelde er de nodige eerste prijzen voor notenleer in de klas van Jan Broeckx (1930) en vooral voor altviool in de klas van de legendarische Napoleon Distelmans (1931). Maar nog voor hij dat "ezelsvel" had gekregen, deed hij al ijverig mee in verschillende orkesten die Antwerpen toen rijk was. Voornamelijk speelde hij in het Orkest van de Dierentuin onder leiding van Flor Alpaerts, in dat van de Nieuwe Concerten onder Lodewijk De Vocht en in de Vlaamse Opera, eerst onder Julius Schrey en vooral onder Hendrik Diels die er sinds 1931 de eerste dirigent was. Hij hield niet op te onderstrepen (en hij kon er sappig over vertellen) dat hij er in 1936 Salome van Richard Strauss had gespeeld onder leiding van de meester. Zo bekroop hem de lust om zelf ook dirigent te worden.

Door bemiddeling van Diels kon Van der Eyken zich in 1942 vervolmaken op een internationale directiecursus te Salzburg bij de beroemde Clemens Krauss, een gereputeerd strenge leermeester. Het bleef voor hem een onvergetelijke ervaring. Terug in het land werd hij tot tweede dirigent benoemd in de Koninklijke Vlaamse Opera. Onvermijdelijk werd hem dat na de oorlog aangerekend en verloor hij zijn post. Hij stichtte en leidde een Philharmonisch Kamerorkest en kon zich door deze moeilijke periode worstelen als leraar in verschillende muziekacademies. In het begin van de jaren zestig geraakte hij als muziekredacteur verbonden aan de nog prille Vlaamse Televisie. Af en toe mocht hij wel eens het Symfonieorkest van de BRT of De Philharmonie dirigeren.

In 1963 stond hij aan de wieg van het Orkest van Jeugd en Muziek te Antwerpen, dat hij oprichtte samen met Dr. Hugo Janssens en Prof. Edward Maurice. Ongetwijfeld heeft hij hier pioniersarbeid verricht. Buiten Brussel bestond er immers in ons land geen ensemble van dien aard. Toch had hij er blijkbaar aanvankelijk zelf nog geen vertrouwen in want hij deed in de beginjaren ook een beroep op enkele oudere, ervaren musici om de jongeren aan de lessenaar bij te staan. Dit lokte de gewettigde kritiek uit dat dit geen echt jeugdorkest was. Van die 'paternalistische' formule werd nadien gelukkig afstand genomen en toen hij in 1975 vertrok, kreeg hij er de titel van eredirigent.

Van der Eyken hechtte een grote waarde aan vakkennis en werd bewonderd om zijn sierlijk gebaar. Uiteindelijk is zijn professionele loopbaan als dirigent te snel op een dood spoor terecht gekomen. Het heeft hem kennelijk gefrustreerd.

Het jaar 1975 bracht een grote verandering in zijn leven. Hij werd namelijk, in opvolging van Hendrik Diels, benoemd tot gedelegeerd bestuurder van SABAM te Brussel. Hij was al lid van deze auteursvereniging sinds 1952, en was intussen tot ondervoorzitter verkozen. Met hart en ziel zette hij zich in voor de verdediging van het auteursrecht. Door de aard van zijn functie vertegenwoordigde hij ons land ook vaak op internationale bijeenkomsten. In de Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België verscheen in 1981 onder de titel De Evolutie van het Auteursrecht de tekst van een lezing die hij over dit onderwerp hield. Hij was inderdaad in 1977 lid geworden van de Klasse der Schone Kunsten van deze eerbiedwaardige instelling. In 1987 was hij er voorzitter van.

Verder werd Ernest Van der Eyken bestuurslid van CeBeDeM. Gedurende vele jaren maakte hij deel uit van het bestuur van De Crans, de muziekuitgeverij die in 1917 werd opgericht door Jef Van Hoof met wie hij nauw bevriend was. Van 1988 tot 2000 was hij voorzitter van deze vereniging. In die functies zat hij van 1971 tot 2007 de jury’s voor van de driejaarlijkse Jef Van Hoof Prijs voor Compositie.

Al deze activiteiten stonden nochtans in de schaduw van zijn werk als componist, dat hij als zijn kerntaak beschouwde. Zelf beweerde hij al te componeren van toen hij twaalf was. Toch is de omvang van zijn oeuvre alles bijeen verrassend klein.

Om zich te bekwamen nam hij in de jaren dertig privé-lessen bij August De Boeck en Paul Gilson. Zoals bij zo velen, liet vooral deze laatste een diepe indruk op hem na. Van de werken die Van der Eyken schreef voor de Tweede Wereldoorlog is, behalve enkele liederen, enkel het bezielde Poëma voor strijkorkest nog min of meer bekend gebleven. Hierin treedt al zijn voorkeur voor strijkinstrumenten aan het licht. Het is illustratief voor de postromantische strekking van zijn beginjaren, een tendens die hij later afzwoer. Maar misschien nog het meest kenmerkend is de korte duurtijd. Ook later zullen haast alle werken van Van der Eyken minder dan twintig minuten in beslag nemen.

Zijn persoonlijke taal vond hij al tijdens de oorlog met het ontstaan van twee strijkkwartetten. Hij zegde het meest van kamermuziek te houden en in het bijzonder van het strijkkwartet. Toch componeerde hij er slechts drie, waarvan het Eerste Strijkkwartet (1941) later werd ingetrokken; pas in 1997 zou er nog een Derde Strijkkwartet volgen. Op die manier neemt het Tweede Strijkkwartet (1942) een sleutelrol in. Het is trouwens een van zijn meest imponerende stukken, gekruid met stevige dissonanten en chromatische wendingen die de hem eigen lyriek ietwat versluieren en hem het predikaat "expressionist" opleverden. De opbouw is klassiek vierdelig maar voortaan legde hij een uitgesproken voorkeur aan de dag voor drieledige structuren.

Onmiddellijk na de oorlog volgde een Trio voor houtblazers (1945) dat aangeeft dat ook de blaasmuziek hem niet onberoerd liet. Naast het Strijkkwintet van 1951 treffen we enkele bladzijden voor kamerensemble aan waaronder een Suite van Vlaamse volksliederen (1957), de voorbode van wat wellicht zijn meest toegankelijke en dus populairste compositie werd: de Refereynen ende Liedekens voor strijkorkest, gebaseerd op een zestal volksliederen. Hij schreef ze in 1964 voor het Jeugd en Muziek Orkest (later volgde er nog een versie voor blazers).

Minder geluk kende hij met zijn opera Elckerlic op een libretto van Luc Vilsen (pseudoniem van Alfons Van Impe). Hij werkte er aan van 1963 tot 1966. Elckerlic werd geconcipieerd voor de Koninklijke Vlaamse Opera, die onder het directeurschap van Renaat Verbruggen (1961-1974) elk jaar een creatie plande van een opera in de Nederlandse taal. Om onduidelijke redenen kwam het echter nooit tot een opvoering - evenmin toen Alfons Van Impe enkele jaren later directeur werd van de inmiddels omgedoopte Opera voor Vlaanderen. Ook pogingen om het stuk als een televisieopera te brengen, mislukten. Zo is het waarschijnlijk langste muziekwerk van Van der Eyken nooit tot klinken gekomen.

Wel kende hij heel wat bijval met zijn Eerste Symfonie voor strijkers uit 1967, die in 1975 gevolgd werd door een Tweede Symfonie voor symfonisch orkest. De componist zelf beschouwde deze laatste als zijn meesterwerk. Hij mocht ze zelf dirigeren met het Nationaal Orkest van België. Een ander succesnummer heette Ricordanza (1978) voor harmonieorkest, vooral toen het gepropageerd werd door het onvolprezen Orkest van de Gidsen. Het sloot als het ware zijn tweede en belangrijkste scheppingsperiode af.

Door zijn drukke bezigheden bij SABAM kwam Van der Eyken de volgende jaren nog amper aan componeren toe. Behalve een leuk pianowerkje, Sonatine voor Sofie (een van zijn kleinkinderen), bleef het in het begin van de jaren tachtig stil. Het verlies van zijn echtgenote in 1984 viel hem zeer zwaar. Dit verdriet verwerkte hij het volgende jaar in het orkestwerk Elegie voor Bieke.

Het einde van Van der Eykens mandaat bij SABAM in 1990 maakte de weg vrij voor een soort van 'Indian summer' die weer in hoofdzaak, zij het niet uitsluitend, de kamermuziek centraal plaatste. Het begon al in 1989 met een vrij hermetisch Trio voor fluit, viool en altviool, en omvat ondermeer Twee Goya’s voor brassband, een Saxofoonkwartet (1993), een Poëma voor klarinettenensemble (1993), een Sonate voor altviool (1996), een Klarinettenkwartet (1997) en een cyclus voor zangstem en piano getiteld Zeven gedichten uit 'De Tuin van Cathérine' op teksten van Jo Gisekin (1998). Een Pianoconcerto (1996) bleef net als zijn opera onuitgevoerd in de kaften steken.

Tijdens die laatste jaren geraakte Van der Eyken als het ware behept met een dwanggedachte. Hij wilde en zou kost wat kost "eigentijds" zijn. Zeker was hij niet de eerste of de enige die aan dit syndroom leed, maar het maakte zijn muziek niet bepaald toegankelijker voor het grote publiek. Anderzijds ergerde hij zich, terecht trouwens, aan het feit dat de Vlaamse componisten steeds minder kansen kregen om te worden gespeeld, in het bijzonder op de radio. Het was een van zijn leitmotieven…

Zijn werk werd in 1999 praktisch afgesloten met een mooi Concerto per otto strumenti a fiato dat nog eenmaal al zijn kwaliteiten als beheerste gevoelsmens aan bod liet komen.

Luc Leytens

***

Karel Wauters
Nauwelijks twee weken na de nestor van de Vlaamse componisten overleed op 16 februari in Edegem em. prof. dr. Karel Wauters. Karel Wauters was ere-hoogleraar moderne Nederlandse literatuur aan de UA en was een autoriteit inzake de Vlaamse literatuur uit de negentiende eeuw. Wauters had ook een grote belangstelling voor muziek en publiceerde ondermeer over muziek en Vlaamse Beweging, Peter Benoit, Hector Berlioz en Alphons Diepenbrock. In 1976 promoveerde hij aan de KU Leuven met een proefschrift over Wagner en Vlaanderen. Deze excellente studie Wagner en Vlaanderen 1844-1914, cultuurhistorische studie werd in 1983 gepubliceerd. Het blijft een van de best gedocumenteerde studies over de Vlaamse muziekgeschiedenis van de negentiende en begin twintigste eeuw.

Jan Dewilde 

5. Historische tekst : Een wedstrijd voor religieuze muziek in 1866
door Veerle Bosmans en Annelies Focquaert

De historische tekst van deze maand belicht de internationale wedstrijd voor religieuze muziek die tussen 17 en 20 juli 1866 plaatsvond in Leuven. Reeds in 1864 was bekend dat er een dergelijke wedstrijd zou komen; de beslissing werd genomen door het 'Congrès de Malines' dat vergaderde van 29 augustus tot 3 september 1864. Secretaris Xavier Van Elewyck en voorzitter T. J. De Vroye namen het wedstrijdreglement als annex op in hun boek De la musique religieuse. Les congrès de Malines (1863 et 1864) et de Paris (1860) et la législation de l’église sur cette manière. De jury was op het moment dat het boek ter perse ging nog niet bekend. Hierbij een deel van het wedstrijdreglement:

Pour la composition de ces œuvres, les auteurs auront à se conformer aux résolutions votées, sur la musique religieuse, par le Congrès de Malines dans ses sessions de 1863 et 1864, et notamment à la suivante : "Les règles de l’art et les exigences de la liturgie seront respectées dans la composition : 1° en prononçant les paroles de l’Eglise sans altération, sans omission, sans répétitions fastidieuses ; 2° en calculant la longueur des pièces de telle sorte que l’officiant, qui ne met pas de précipitation dans la célébration de l’office, n’attende pas longtemps la fin de l’exécution, et que le Gloria et le Credo, par exemple, ne dépassent pas notablement la durée des mêmes morceaux chantés solennellement en plain-chant ; 3° en faisant coïncider exactement la coupe de la composition musicale, avec la coupe, l’accentuation et la ponctuation du texte ; 4° en excluant d’une manière absolue les rythmes, les formes et les effets trop dramatiques, appartenant au théâtre ; 5° en n’appliquant pas les paroles de l’Eglise à des morceaux de théâtre." Voir les comptes-rendus des sessions de l’Assemblée des catholiques de 1863 et 1864, ou le volume spécial contenant tout ce qui concerne la musique religieuse, publié par MM. le chanoine De Vroye, Président, et X. van Elewyck, Secrétaire (Louvain, Vanlinthout, 1865). 

Nog interessanter wordt het wanneer we te weten komen wie er in de jury van dit concours zetelde. Naast François-Joseph Fétis werden er namelijk vertegenwoordigers gestuurd vanuit alle deelnemende landen om in de jury te zetelen. Frankrijk werd door niemand minder dan Hector Berlioz vertegenwoordigd, en ook Saint-Saëns was van de partij. Dat zien we in volgend verslag dat verscheen in Le Guide musical van 18 - 26 juli 1866:

Voici le résultat du grand concours international de musique sacrée ouvert par la Section de Musique du Congrès de Malines.
Nombre des concurrents dont les envois sont parvenus avant la date fixée du 1er Juin 1866 : 76.
Pays de Provenance : Belgique, France, Angleterre, Autriche, Prusse, Bavière, Wurtemberg, Duchés allemands, Rome, Italie, Espagne, Hollande.
Composition du jury :
Pour la Belgique : MM. Fétis, maître de chapelle du Roi ; Soubre, directeur du Conservatoire de Liège ; Gevaert, compositeur à Paris ; chanoine Devroye, de Liège, Président.
Pour la France : MM. Hector Berlioz ; J. d’Ortigue ; St-Saëns, organiste de la Madeleine, à Paris ; E. Batiste, professeur au Conservatoire de Paris.
Pour l’Allemagne : MM. Ferd. Hiller, maître de chapelle royal et directeur de musique à Cologne ; Damcke, du Hannovre, à Paris ; Ferd. Kufferath, à Bruxelles.
Pour la Hollande : M. Verhulst, directeur du Felix Meritis, à Amsterdam.
Pour l’Angleterre : le R.P. Maher, S.J., à Londres.
Secrétaire : X. van Elewyck, docteur en sciences politiques à Louvain.
Le jury, en décernant les prix qui vont suivre, a constaté que les conditions du programme étaient très difficiles à remplir, et que les lauréats n’y ont point satisfait d’une manière complète.
Premier prix : Médaille en or plus une somme de mille francs, à M. Edouard Silas, compositeur néerlandais, organiste d’une église catholique de Londres.
Deuxième prix : Médaille en vermeille plus une somme de cinq cent francs, à M. Godefroid Preyer, maître de chapelle de la grande cathédrale de St-Etienne à Vienne.
Troisième prix : Une somme de deux cent cinquante francs, à M. Jean Habert, organiste à Gmunden en Autriche.
Le jury a vivement regretté que les auteurs des œuvres dont les devises suivent, n’aient point pu être admis au concours : Soli Deo Gratia - Ich Dien.
Ces regrets ont été unanimement formulés, en ce qui concerne la première de ces partitions.
Les séances du jury ont eu lieu à l’Université catholique de Louvain, les 18, 19 et 20 Juillet 1866.

Deze gelegenheid was wellicht de laatste waarop Fétis en Berlioz elkaar in levenden lijve ontmoetten. De twee kroonjuwelen van de Belgische en Franse muziekgeschiedschrijving hadden op dat moment al een bewogen gezamenlijke geschiedenis achter de rug.

Hun eerste samenkomst dateerde van 1828. Berlioz vertoonde in zijn brieven een groot respect voor Fétis' kennis van zaken en was zeer vereerd met de aandacht die hij van zijn oudere collega kreeg: "Fétis lui-même, dans un salon, s’exprima à mon sujet en termes extrêmement flatteurs et annonça mon entrée dans la carrière comme un véritable événement."

Fétis toonde zich iets minder lyrisch, maar toch overwegend positief over de jonge componist: "M. Berlioz a les plus heureuses dispositions; il a de la capacité; il a du génie. Son style est énergique et nerveux. Ses inspirations ont souvent de la grâce, mais plus souvent le compositeur, entraîné par sa jeune et ardente imagination, s’épuise en combinaisons d’un effet original et passionné. Il y a beaucoup de bonnes choses dans cela; il y en a aussi de mauvaises."

Vanaf 1832 veranderde Berlioz' gedrag tegenover Fétis radicaal. Hij nam het Fétis kwalijk dat deze laatste bepaalde harmonische 'correcties' aanbracht in zijn editie van Beethovens symfonische werken. Fétis werd vanaf dat ogenblik vereenzelvigd met alle oude krokodillen die Berlioz al zijn hele leven bestreed. In het werk Le Mélologue voerde Berlioz de strijd tegen Fétis zelfs van op het podium: "[…] Fétis, qui a reçu en plein sur la figure le soufflet qui je lui ai adressé dans le Mélologue dans la tirade des arrangeurs et correcteurs, s’en est vengé aujourd’hui dans un article virulent du Temps où la passion perce de toutes parts. N’importe, le succès est immense […]."
Hierna leefden de twee bij wijze van spreken op voet van oorlog, waarin de hele muzikale goegemeente van Europa werd betrokken. Vanaf 1855 koelde de vijandelijke sfeer terug wat af. Hoewel Fétis nog steeds niets van de muziek van Berlioz begreep, nam Berlioz - die op dat ogenblik in Brussel een aantal concerten gaf - de kans te baat om zijn 'vijand' met een bezoekje te vereren. Fétis bracht hiervan verslag uit in een brief aan Franz Liszt: "[…] J’ai eu ici Berlioz dont L’Enfance du Christ a eu du succès. Cela est simple et naïf: mais il y a du sentiment. C’est une modification très marquée de son talent primitif. Je l’ai trouvé bien changé et vieilli. Il m’a fait le plaisir de dîner chez moi avec sa femme; c’est un homme d’esprit et de grande intelligence musicale et autre; malheureusement la richesse de son imagination n’égale pas ce qu’il a acquis d’habileté.[…]"

De plooien waren dus gelukkig glad gestreken op het ogenblik dat Berlioz en Fétis samen jureerden in de jury van het internationaal concours te Leuven. Berlioz vond de jury-arbeid trouwens behoorlijk vermoeiend, zoals hij getuigt in een brief aan Estelle Fornier: "[…] J’arrive de Louvain, où je suis allé pour un jury musical dont on m’a un peu contraint à faire partie. Il s’agissait de donner un prix de composition religieuse. J’ai dû lire, en conséquence, soixante-treize messes en partition et choisir, non la meilleure, mais la moins mauvaise. Nous étions quatorze jurés, belges, flamands, allemands, anglais et français. Je vous assure que nous avons trouvé notre tâche fort rude. Mais elle a été accomplie en conscience et, contre l’ordinaire des concours, aucune vilenie, aucun passe-droit n’ont été commis. Quand nous avons décacheté la lettre portant le numéro du premier prix, j’ai eu le plaisir d’apprendre que le candidat couronné était un jeune Hollandais de mes amis, qui habite Londres et qui est fort pauvre [Eduard Silas]. Ce prix de mille francs l’aura donc comblé de joie.[…]"

Literatuur:
- Le Guide Musical, jrg. 12, nr. 29-30, 18 en 26 juli 1866, [p. 4]. 
- De Vroye, T. J. en van Elewyck, X.: De la musique religieuse. Les congrès de Malines (1863 et 1864) et de Paris (1860) et la législation de l’église sur cette manière, Leuven, 1866, p. 131.
- Tayeb, M. en Austin, M.: Berlioz in Belgium op The Hector Berlioz Website, via <www.hberlioz.com/Europe/brussels.htm>