ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 87 (maart 2010)

1. Verslag Visser-Neerlandia Prijs voor Cultuur
door Adelheid Ceulemans en Vic Nees

Op 1 maart 2010 viel het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek in de prijzen. Het SVM ontving uit handen van Bert van der Stoel, voorzitter van het Algemeen-Nederlands Verbond (Internationale Vereniging voor Nederlandse Taal en Cultuur) de Visser-Neerlandia Prijs voor Cultuur. De prestigieuze onderscheiding werd uitgereikt in de Blauwe Zaal van deSingel tijdens de jaarlijkse Peter Benoitherdenking. Deze gelegenheid was uitermate geschikt om het SVM te belonen voor zijn jarenlange inzet om het Vlaamse muziekpatrimonium van de negentiende en twintigste eeuw te vrijwaren en bekend te maken. Het is genoegzaam bekend dat de negentiende-eeuwse Vlaamse componisten een belangrijke plaats innemen in de activiteiten van het SVM, met als boegbeeld Peter Benoit, de stichter van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

Zoals het een prijsuitreiking betaamt, werden er vele lofwoorden uitgesproken over en gericht aan de prijswinnaar, zo bijvoorbeeld in de laudatio van Vic Nees, een tekst die u aan het einde van dit verslag weergegeven vindt. Bij zo’n gelegenheid kon muziek uiteraard niet ontbreken. De avond werd ingeleid door het gemengd koor CantusAmici onder leiding van Urbain Van Asch. Verder was onder meer BL!NDMAN [news strings] te horen, dat het eerste gedeelte van de avond afsloot met delen uit het strijkkwartet van Peter Benoit. De plechtigheid werd beëindigd met een krachtig pianorecital door Jozef de Beenhouwer, die onder meer muziek van Marinus de Jong en Joseph Ryelandt tot klinken bracht. Naast het SVM werd ook Felix Ceunen in de bloemetjes gezet. Hij ontving de driejaarlijkse Jef Van Hoof Prijs voor Compositie, voor zijn Parcae voor vioolsolo.

Hoogtepunt van de avond was uiteraard de uitreiking van de Visser-Neerlandia Prijs, bestaande uit een oorkonde en een geldbedrag van 10.000 euro. Jan Dewilde, wetenschappelijk coördinator van het SVM, uitte zijn oprechte dank aan het Algemeen-Nederlands Verbond en speelde daarbij met de genreconventies van het dankwoord: hij maakte van de gelegenheid gebruik om een aantal pijnpunten van het Vlaams muziekerfgoedbeleid op te werpen. Hopelijk is zijn afsluitende oproep tot bezinning en verandering in dit beleid niet in dovemansoren gevallen. Na Jan Dewilde nam ook Michaël Scheck, directeur van het SVM, plaats achter het spreekgestoelte om zijn dank te betuigen aan het Algemeen-Nederlands Verbond.

Het applaus na afloop van de plechtigheid getuigde van oprechte belangstelling; zowel het SVM als Peter Benoit blijken over een grote schare sympathisanten te beschikken. Tijdens de pauze en de afsluitende receptie konden de talrijke muziekliefhebbers en genodigden op informele wijze de medewerkers van het SVM feliciteren en nog verder nakaarten over de zeer geslaagde avond.

De Visser-Neerlandia Prijs voor Cultuur is een verdiende pluim op de hoed van het SVM dat al elf jaar lang het Vlaamse muziekerfgoed van de negentiende en twintigste eeuw poogt te vrijwaren, in kaart te brengen en bekend te maken… met succes. Deze culturele activiteiten passen inderdaad in de doelstelling van de Visser-Neerlandia Prijs voor Cultuur, waarmee het Algemeen Nederlands Verbond personen of organisaties wil belonen die "het geestelijk welzijn in de zin van kunst- en (volks)cultuurbeleving […]" bevorderen. De prijs heeft bovendien "het karakter van een aanmoedigingsprijs om het goede werk voort te kunnen zetten en mogelijk zelfs uit te breiden". Deze erkenning is dan ook een duw(tje) in de rug om verder te gaan op de ingeslagen weg. Net als de literatuur van de negentiende eeuw, is immers ook de negentiende-eeuwse muziek nog een braakliggend terrein dat wacht op ontginning. Het SVM levert daartoe een niet onaanzienlijke bijdrage en is daar nu ook op gepaste wijze voor beloond.

Meer informatie over de historiek van de Visser-Neerlandia Prijs: http://www.algemeennederlandsverbond.org/

Laudatio Vic Nees
In onze Vlaamse leesbibliotheken worden jaarlijks duizenden boeken ontleend, boeken van Dostojesvki, van Kafka, van Pessoa of Proust. Indien een cultuurfunctionaris daaruit de conclusie zou trekken dat het goed gaat met de Vlaamse literatuur, er zouden vele wenkbrauwen gefronst worden. Daaruit kun je hoogstens concluderen dat het goed gaat met de leescultuur in Vlaanderen, terwijl boeken van Vlaamse auteurs misschien ongelezen in de rekken staan.

Op die wijze wordt nochtans de Vlaamse muziek benaderd. Niet alleen door argeloze gebruikers maar evenzeer op het niveau van de professionelen die het muziekleven bepalen, van concertorganisaties, media en beleidsorganen. Bij hen wordt het begrip Vlaamse muziek uitgebreid tot het begrip Vlaamse producties. Statistieken tellen Vlaamse uitvoerders mee als Vlaamse muziek. Het is dezelfde slordige redenering als die waarbij een vertaalde roman van Dostojevski tot de Nederlandse literatuur zou behoren. Het kan een hoogwaardige vertaling zijn met creatieve facetten, maar het blijft Russische literatuur. Als Herreweghe het Requiem van Fauré uitvoert, gaat het om Franse muziek. Als hij het Requiem van Benoit dirigeert, brengt hij Vlaamse muziek. Als Anima Aeterna walsen van Strauss speelt, blijven het niettemin Weense walsen. Het worden de facto geen Vlaamse walsen. Professionelen kunnen te goeder trouw deze denkwijze hanteren. Het gaat inderdaad om hoogwaardige, creatieve uitvoeringen waardoor het muziekleven wordt verrijkt. Het zou van een verregaand tunnelzicht getuigen ze niet naar waarde te schatten.

Zij die echter beweren dat de bekommernis om de Vlaamse muziek stricto sensu van een nationalistisch vooroordeel getuigt, begrijpen de zuivere motivatie niet van de initiatiefnemers van het Studiecentrum. Deze Visser-Neerlandiaprijs wordt dan ook uitdrukkelijk aan het Studiecentrum uitgereikt omwille van zijn zorg en inzet voor de blijvende bescherming van het Vlaamse muziekpatrimonium van de negentiende en twintigste eeuw. Uitvoerende kunstenaars worden zijdelings in het onderzoek betrokken, vooral als zij op hun beurt verspreiders zijn geweest van dat erfgoed.

Het is logisch dat wij trots zijn op de Vlaamse polyfonisten en op onze baanbrekende uitvoerders van hun werk. Maar de Vlaamse polyfonie behoort in die mate tot het werelderfgoed dat ze - ook zonder onze speciale zorg - niet in de vergetelheid kàn geraken. Het is even logisch dat hedendaagse scheppende kunstenaars in ons muziekleven leven een zekere voorkeur genieten. Van Luc Van Hove tot Wim Henderickx, van Luc Brewaeys tot Annelies Van Parys: zij verdienen ruimschoots de aandacht die zij krijgen. De polyfonie en de hedendaagse muziek: het zijn tevens de domeinen waarop onze universiteiten zich concentreren. Maar tussen de periode van de polyfonie, tussen de grotendeels reeds ontgonnen achttiende eeuw en de hedendaagse periode, liggen twee eeuwen die wetenschappelijk nauwelijks bestudeerd zijn, een woestijn vol muzikaal erfgoed waarvan slechts enkele individuele onderzoekers op de hoogte zijn.

Vroeger werd ervan uitgegaan dat wat onder het stof ligt er beter kan blijven liggen. In de moderne archeologie heeft elke potscherf betekenis gekregen. Elke compositie moet daarom niet uitgevoerd worden maar wel bewaard en vakkundig beoordeeld worden. Af en toe zit er een parel onder het stof die na een poetsbeurt onverwachts gaat blinken. Het kan om de vroege negentiende eeuw gaan zoals de muziek van Pierre Verheyen die onlangs voor het eerst sinds tweehonderd jaar in Gent schitterend heeft geklonken. Het kan even goed om het nabije verleden gaan zoals de onbekende facetten van Ryelandt en De Boeck die de laatste decennia opnieuw aan het licht kwamen. De herontdekking gaat altijd uit van de gedrevenheid van een individu, zelden van een officiële instantie.

Laat er nu een paar enthousiaste mensen zijn zoals Jan Dewilde en Michaël Scheck die zich bekommeren om de verwaarloosde periode waarop de officiële belangstelling tekortschiet, die aan hun droom gestalte weten te geven door het oprichten van een bescheiden stichting, dan krijg je het Studiecentrum voor Vlaamse muziek. Het is nog steeds een wankel organisme dat zich met beperkte middelen moet in standhouden, maar het geniet het respect van talloze nationale en internationale gebruikers. De Nieuwsbrief van het centrum bereikt honderden geïnteresseerden. Als Vlaanderen ooit het cultureel zelfbewustzijn bereikt van Nederland, Polen, Noorwegen of Turkije, landen waarvan het muziekhistorisch tijdschriftenbestand digitaal toegankelijk is via het RIPM - de Respective Index to Music Periodicals -, àls we dat ooit bereiken zal dat mede te danken zijn aan de niet aflatende stuwing die van dit Centrum uitgaat.

Het Studiecentrum timmert al meer dan tien jaar aan de weg. Er is geen tegenkanting, maar wel een gebrek aan interesse. Er heeft zelfs bij sommigen een verdenking op gerust van een vage vermenging van muziek met nationalisme. Laat dat nu juist de klip zijn die het Studiecentrum altijd heeft vermeden, meer nog, die ze heeft bestreden. Het gaat om een louter muziekhistorische wetenschappelijke benadering, om opzoekwerk, bewaring, beschrijving en classificatie. Het Centrum wil belangstelling wekken voor de hele Vlaamse muziek en de eventuele gevallen ontmaskeren waarin de artistieke waarde sterk werd opgeschroefd omwille van onderliggende nationalistische of religieuze motieven. Door die vermenging werd de Vlaamse muziek door sommigen tot een leuze verheven en door anderen gediscrediteerd. Het Studiecentrum is aan dat stadium lang voorbij. Het is bij bepaling een centrum waar gecèntraliseerd wordt, een studiecentrum waar gestùdeerd wordt, waar zorg wordt besteedt aan muzièk, met die beperking dat het Vlààmse muziek is. Daaronder moet verstaan worden alle muziek die door Vlamingen werd gecomponeerd, hier of elders, onafhankelijk van hun stijl of hun reputatie. Maar ook van componisten die hier woonden of sterk betrokken waren bij onze muziekcultuur. Zo wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan de Vlaams-Amerikaanse componist Frank Van der Stucken, aan de Franstalige Belgen Gustave Huberti, Adolphe Samuel en Emile Mathieu die een belangrijke rol speelden in het Vlaamse muziekleven, maar ook aan Paul Lebrun, Arthur De Greef, Georges D’Hoedt en Jules Toussaint De Sutter, allemaal notoire Franssprekende Vlamingen. Een gelijkaardige aandacht gaat uit naar Oscar Van Hemel, een Vlaming die Nederlander werd en naar Raymond Keldermans en Noël Goemanne, Vlamingen die Amerikaan werden. Het zijn stuk voor stuk belangrijke figuren met betrekking tot de uitstraling van onze muziekcultuur. Voor deze artistieke openheid, voor het belang van een objectieve studie van de eigen muziekcultuur, voor de volharding bij het roeien tegen de stroom in, daarvoor verdient het Studiecentrum deze Visser-Neerlandiaprijs met applaus, ook het applaus van al wie tot nog toe met enige reserve aan de zijkant toekeek. Proficiat Michaël voor de algemene omkadering, en proficiat Jan voor de algehele inhoudelijke uitwerking.  

2. Religieuze koormuziek uit de Belgische romantiek
door Mirek Cerny

De tiende cd in de rijke discografie van het Gents Madrigaalkoor springt eruit door zijn verdienstelijke samenstelling. Het nieuwste schijfje heet Super Flumina en stelt geestelijke werken van Belgische componisten uit de romantiek voor. Al in 1992 werd een cd met romantische componisten uitgegeven, maar behalve Tinel ging het om grote buitenlandse toondichters. De nieuwe cd werd op 27 februari in het Koninklijk Conservatorium van Brussel voorgesteld, in de zaal met zowat de beste akoestiek van de hoofdstad. Dat het Gents Madrigaalkoor en zijn dirigent Johan Duijck ook buiten Gent veel sympathisanten hebben, was af te lezen aan de goed gevulde grote zaal, wat het belang van dit gebeuren in de lange geschiedenis van het koor onderstreepte. Het programma van het concert was precies hetzelfde als op de cd. De samenstelling beoogde minder de representativiteit - al vinden we er de grote componisten uit die periode deels bij - dan wel de interpretatieve mogelijkheden van de koorzangers.

Voor de opening zorgde Jules Van Nuffel, voor velen de grootste naam binnen de Vlaamse romantische koormuziek. Bovendien leverde hij door de oprichting van het Sint-Romboutskoor een essentiële bijdrage aan het koorleven in Vlaanderen. Zijn eerste grote psalm Super flumina Babylonis uit 1916 ontstond nog voor de oprichting van het befaamde Mechelse koor. De andere versie van deze bekende psalm 137 was van de hand van de Brusselse pater Jean-Marie Plum. Plum, een minder bekende tijdgenoot van Van Nuffel, benadert de psalm op een meer poëtische wijze.

De faam van Jacques-Nicolas Lemmens blijft met het Lemmensinstituut verbonden. Hij was in zijn tijd ook een gerespecteerd organist en stond bekend als orgelleraar van onder meer Charles-Marie Widor en Joseph Callaerts. Van Lemmens werden twee kortere werken voor vrouwenkoor vertolkt, Ave Maria en Tota pulchra. Jef Van Hoof leverde ook twee werken. Zowel Aeterne Rex als Tantum ergo zijn in de typische trotse stijl van de componist geschreven. Het koor mocht even uitblazen tijdens de Trois Pièces van August De Boeck, sfeervolle orgelmijmeringen die de componist schreef in 1898. Jammer echter dat men niet één van zijn 38 motetten koos. Nadien werden twee Franstalige romantici uitgevoerd. In 1871, het jaar waarin César Franck de Franse nationaliteit verwierf, schreef hij het melodieuze Offertoire Domine Deus, een werk dat ook voor minder gevorderde koren is bestemd. Joseph Jongen componeerde zijn Alma Redemptoris Mater 24 jaar later. Het is een meer doorwerkte compositie die de eruditie van Jongen optimaal weergeeft.

De avond werd met de Missa opus 4 van Joseph Callaerts afgesloten. Callaerts is stellig de minst bekende componist in deze bloemlezing. Niet zonder reden: zijn koorpartij is eerder eenvoudig, de orgelbegeleiding is daarentegen meer doorwerkt (Callaerts was immers zelf een goede organist en ondermeer titularis in de Antwerpse kathedraal). Zijn mis is een gelegenheidswerk van een goed kwartier en het lage opusnummer doet vermoeden dat het om een jeugdwerk gaat.

Het Gents Madrigaalkoor is bijna 44 jaar actief en staat al 36 jaar onder leiding van Johan Duijck: cijfers die tellen. Johan heeft het koor overgenomen toen hij het vak nog leerde. Intussen is hij tot een van de meest succesrijke Vlaamse koordirigenten uitgegroeid. Het siert hem dat hij zijn amateurzangers niet in de steek liet, hij realiseerde met hen vele interessante koorprojecten. In het huidige koor zijn nog enkele leden van het eerste uur, maar veruit de meeste en vaak jonge zangers zijn al de zoveelste generatie van het Gent Madrigaalkoor dat nog steeds meer dan 60 zangers telt. Ze hebben nog wat reserves van stemtechnische aard, maar hun finale klank is homogeen met een evenwicht tussen de stemgroepen, al is het overwicht van de vrouwenstemmen visueel duidelijk zichtbaar. Johan Duijck heeft het koor goed voorbereid en de afwerking was, op enkele kleinigheden na (bijvoorbeeld de inzet in Franck), voorbeeldig. De Aalsterse organist Peter Thomas begeleidde het koor met veel gevoel en op een weinig opvallende manier.

Het concert stelde een niet alledaags deel uit de Belgische muziekgeschiedenis voor. Dankzij de cd-opname heeft dit project ook een belangrijke documentaire waarde en dat in een tijd dat haast iedereen (met de overheid op kop) vooral interesse heeft voor creatieopdrachten die doorgaans één keer uitgevoerd worden voor ze zo goed als vergeten worden.

Programma
-
Super flumina Babylonis - Jules Van Nuffel
- Super flumina Babylonis - Jean-Marie Plum
- Ave Maria - Jacques-Nicolas Lemmens
- Tota pulchra es - Jacques-Nicolas Lemmens
- Æterne Rex - Jef van Hoof
- Tantum ergo - Jef van Hoof
- Trois pièces voor orgel - August De Boeck
- Domine Deus - César Franck
- Alma redemptoris mater - Joseph Jongen
- Missa: Kyrie - Joseph Callaerts
- Missa: Gloria - Joseph Callaerts
- Missa: Credo - Joseph Callaerts
- Missa: Sanctus - Joseph Callaerts
- Missa: Benedictus - Joseph Callaerts
- Missa: Agnus Dei - Joseph Callaerts

De cd ‘Super Flumina’ kost 15 € (+ eventuele portkosten 2,5 euro) en kan besteld worden via:
- e-mail: cd@gmk.be
- secretariaat: 0488 29 52 46

3. Topstukken uit de VMI-catalogus : Emiel Wambach- kapelmeester van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal
door Adeline Bouckaert

Het spreekt voor zich dat er zich in het archief van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal ook muziek bevindt van de Antwerpse kapelmeesters. Eén van hen was Emiel Wambach, geboren in Aarlen op 26 november 1854 en overleden in Antwerpen op 6 mei 1924. Wambach was een leerling van de Antwerpse Muziekschool (onder meer van Benoit) en werd later de derde directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium, als opvolger van Jan Blockx (vanaf 1912).

Op 1 juli 1894 werd Wambach benoemd tot kapelmeester van de Antwerpse kathedraal, een functie die hij zou blijven uitoefenen tot in 1919. Hij zou er onder meer zijn Grote Mis, Stabat Mater en In Exitu Israel laten uitvoeren. Deze religieuze composities getuigen van zijn godsdienstig gevoel en katholieke overtuiging en behoren - alhoewel vele ook gelegenheidswerken zijn - volgens een publicatie van Hedwige Baeck-Schilders tot het beste van zijn oeuvre. In het archief zit niet alleen muziek door hem gecomponeerd, maar ook door hem verzameld en zelfs aan hem opgedragen.

Wambachs benoeming kwam niet uit de lucht vallen. In het begin van zijn carrière was hij reeds als violist een tijdje verbonden aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In 1881 richtte hij vervolgens de Antwerpse afdeling op van de Belgische Sint-Gregoriusvereniging, waarmee hij zich inzette voor de uitvoering van werken van Palestrina en andere oude meesters. Zijn inzet voor het herstel van de religieuze muziek maakte van hem dan ook de geschikte persoon om Frans Callaerts op te volgen als kapelmeester van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. In die hoedanigheid gaf hij liturgisch en artistiek verantwoorde muziekuitvoeringen, die grote bekendheid en waardering genoten.

http://anet.ua.ac.be/desktop/vmi

4. Componisten in de kijker : Frank Van der Stucken en Herman Roelstraete
door Hanne-Joost Peeters en Jan Dewilde

Frank Van der Stucken
De Belgisch-Amerikaanse componist-dirigent Frank Van der Stucken (1858-1929) was tijdens zijn leven zowel in Vlaanderen als in Amerika een gekend figuur. In de loop van de jaren is hij echter bijna volledig vergeten. Nochtans bevat zijn oeuvre erg mooie werken, die het verdienen om uitgevoerd en beluisterd te worden. Liederen vormen hierin het grootste aandeel. Naar aanleiding van een onderzoeksproject rond Van der Stucken in de bibliotheek van het Conservatorium van Antwerpen, zullen mezzosopraan Hanne-Joost Peeters en pianiste Veerle Bosmans een CD met liederen van Van der Stucken opnemen later dit jaar, waar u tijdens dit concert alvast een voorpoefje van kan smaken.

Het concertprogramma verzamelt de mooiste liederen van Van der Stucken uit verschillende compositieperiodes. Daarnaast staan liederen van Edvard Grieg (1843-1907) op het programma. Van der Stucken leerde Grieg kennen te Leipzig eind 1878, een kennismaking die zeer snel uitgroeide tot een hechte vriendschap. Enkele maanden brachten ze dagelijks in elkaars gezelschap door, gevolgd door een uitgebreide briefwisseling. Van der Stucken droeg in 1879 zijn liedbundel opus 5 op aan zijn vriend. Toen ze in de zomer van 1883 opnieuw enkele maanden samen door brachten, vertaalde Van der Stucken een reeks populaire liederen van Grieg naar het Frans voor uitgave bij Peters. Ook deze vertalingen zullen te horen zijn op het recital.

Meer info
-
Hanne-Joost Peeters, mezzosopraan & Veerle Bosmans, piano
- zondag 11 april, 15u, deSingel, Kleine Zaal (Desguinlei 25, Antwerpen)
- tickets: 12 euro in voorverkoop, 15 euro aan kassa, 10 euro voor studenten
Reserveren: info@hannejoostpeeters.be

Herman Roelstraete: 25 jaar geleden overleden
Op 1 april 1985 stierf, veel te jong, Herman Roelstraete (1925-1985). Hij was een bijzonder man, zeer veelzijdig, gedreven en enthousiast. Naast een uitstekend componist, dirigent en organist was hij, onder meer, ook organoloog en musicoloog. Hij hield er van in brocanterieën en tweedehandswinkels te snuisteren naar partituren van onbekende Vlaamse componisten die hij dan middels artikels, partituuruitgaven en uitvoeringen weer tot leven wist te wekken. Hij stelde zich altijd zeer dienstbaar op en daardoor is zijn eigen muziek soms in de verdrukking geraakt. Daarom signaleren we nu al twee concerten die in het najaar in Izegem zullen worden georganiseerd met orgelmuziek (24 september 2010) en koorwerken (17 oktober 2010). We komen hier later nog uitgebreid op terug. Wie ondertussen composities van Roelstraete wil consulturen kan terecht in de catalogus van het Vlaams Muziekinstituut die meer dan 1.400 handschriften en uitgaven van Roelstraete ontsluit (te raadplegen via via http://anet.ua.ac.be/desktop/vmi of via www.svm.be -> links).

5. In memoriam Noël Goemanne

Noël Goemanne werd geboren op 10 december 1926 te Poperinge. In 1948 behaalde hij het einddiploma orgel aan het Lemmensinstituut, waarna hij zich verder vervolmaakte aan het Conservatorium van Luik, waar hij werd begeleid door onder andere Charles Hens en Pierre Froidebise. In dezelfde periode nam hij twee jaar lang privélessen bij Flor Peeters.

In 1952, vlak na zijn huwelijk, emigreerden hij en zijn vrouw naar de Verenigde Staten waar hij de post kreeg van kerkorganist in St. Mary’s Catholic Church in Victoria (Texas). Later verhuisde Goemanne naar Michigan om zich in 1968 definitief in Dallas te vestigen. Zijn inzet als organist, dirigent en componist werd veelvoudig bekroond met talrijke onderscheidingen, waaronder eredoctoraten aan de universiteit van Rensselaer (Indiana) en de Madonna University van Detroit.

Zijn werkenlijst telt ongeveer 300 composities waarvan het leeuwendeel gaat naar (religieuze) werken voor koor. Voor orgel vinden we onder andere: Ode to St. Cecilia, The Canticle of the Sun, Te Deum, Saint' Antonio Suite, Trilogy for Dallas en Four short Improvisations on the Ite Missa Est. De Amerikaanse Vlaming die zich steeds verbonden bleef voelen met zijn roots stierf op 12 januari laatstleden aan de gevolgen van darmkanker en werd op zaterdag 16 januari in 'zijn' Christ the King Catholic Church in Dallas ten grave gedragen.  

6. Leven en betekenis van Ernest Van der Eyken
door Vic Nees

Naar aanleiding van het overlijden van Ernest Van der Eyken op 6 februari 2010, sprak Vic Nees een in memoriam uit in de Koninklijke Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten.

Op 6 februari overleed onze confrater Ernest Van der Eyken. Hij was drieëndertig jaar lid van de Academie. Met zijn zesennegentig was hij de absolute ouderdomsdeken van de Vlaamse componisten. Hij overleefde drie jaar zijn jaargenoot Albert Delvaux, die zich al lang uit het muziekleven had teruggetrokken. In tegenstelling tot Delvaux bleef Van der Eyken opvallend actief op allerlei domeinen. Bij zijn uitvaart waren dan ook talloze vrienden en collega’s aanwezig. Daarbij een belangrijke delegatie van onze Academie.

Van der Eyken bleef tot een stuk in de negentig dagelijks componeren. Hij bleef deelnemen aan onze klasse-vergaderingen en op concerten in het Antwerpse kon je hem vaak ontmoeten, altijd geïnteresseerd, altijd met een open geest en met een stimulerende vriendelijkheid voor zijn jongere collega’s. Hij beschikte over een muzikale ervaring waar wij allen naar opkeken. Componisten die voor onze generatie haast mythologische proporties hebben gekregen, had hij persoonlijk gekend. Hij had gespeeld onder leiding van Ravel en Stravinski, hij had gestudeerd bij Joseph Marx, hij had vergaderingen meegemaakt met Zoltan Kodaly en Arthur Honegger, maar de merkwaardigste ontmoeting van alle was die met Richard Strauss. Van der Eyken kreeg de gelegenheid hem zijn composities te tonen. Strauss haalde er het Pöema voor strijkorkest uit. Hij zei: "Junger Mann, das müssen Sie immer behalten". Wie op dat niveau een dergelijk compliment krijgt, vergeet het zijn hele leven niet. Van der Eyken verhaalt er ongedwongen over in een interview met Jan Dewilde in het tijdschrift Vlaanderen naar aanleiding van zijn negentigste verjaardag. Daarin geeft hij ook een overzicht van zijn rijke en zeer gevarieerde carrière.

In Antwerpen kreeg de jonge Van der Eyken les van Karel Candael, van Jan Broeckx en vooral van Emiel-Constant Verrees over wie hij met warmte getuigt. Altviool studeerde hij bij de legendarische Napoleon Distelmans, die hem ook in de Antwerpse orkesten introduceerde. Hij speelde er onder leiding van Lodewijk De Vocht en Flor Alpaerts. Bij August De Boeck studeerde hij contrapunt en fuga, maar het was Paul Gilson die als leraar op hem de grootste indruk maakte. Die wijdde hem in in de vormleer en vooral in de orkestratie. Gilson gaf blijk van een veel grotere openheid dan de leraars van het Antwerpse Conservatorium, die onder Lodewijk Mortelmans erg traditioneel gericht waren, zo getuigt Van der Eyken. Intussen speelt hij als altviolist in de opera onder leiding van Julius Schrey en Hendrik Diels. Deze laatste geeft hem de raad orkestdirectie te gaan studeren in Salzburg, bij Clemens Krauss. Krauss was een dirigent van wereldklasse. Hij bleek bovendien een uitzonderlijke pedagoog te zijn. Van der Eyken wordt lyrisch als hij het over hem heeft. Het is echter in de compositieklas van Joseph Marx dat hij de uitzonderlijke gelegenheid krijgt Richard Strauss te ontmoeten.

Na de oorlog wordt Van der Eyken leraar aan een paar Antwerpse muziekacademies, hij is een tijd lang realisator bij de Vlaamse televisie, maar uiteindelijk wordt hij gedelegeerd bestuurder van Sabam. Tot in 1990 blijft hij die functie bekleden, een taak waarvoor hij een aantal congressen zal voorzitten. Hij geldt als een specialist in het internationale auteursrecht wat hem weer nieuwe contacten oplevert. In 1977 wordt hij als corresponderend lid opgenomen in onze Academie. Nadat hij in 1980 een lezing heeft gegeven over De evolutie van het auteursrecht wordt hij werkend lid en in 1988 wordt hij verkozen tot bestuurder van de klasse en tot voorzitter van de Academie.

Inmiddels blijft hij actief als componist en dirigent. Hij sticht het Antwerpse orkest van Jeugd en Muziek en treedt op als gastdirigent bij Defilharmonie, bij het Nationaal orkest en bij de BRT. Na zijn pensionering blijft hij componeren met een ijzeren discipline van 10 uur in de ochtend tot 1 uur ‘s middags. Tot in zijn laatste jaren blijft hij op een verbazende wijze creatief. Veel van zijn voorkeurswerken ontstaan in zijn tweede levenshelft. Het zijn werken als zijn Tweede Symfonie uit 1975 en het Concerto per otto strumenti a fiato uit 1999. Van der Eyken staat vooral bekend als componist van instrumentale muziek met een uitgesproken voorkeur voor de kamermuziek. Hij speelde als altviolist zelf jarenlang kamermuziek en schreef voor diverse bezettingen in dat genre, waaronder drie strijkkwartetten. Maar ook vocale muziek heeft hij gecomponeerd: de koorsuite De kinderen van de Soetewey op gedichten van Alice Nahon en de merkwaardige liederencyclus De tuin van Cathérine op gedichten van Jo Gisekin. De opera Elckerlic op een libretto van Luc Vilsen werd slechts in een pianoversie uitgevoerd.

Vooraleer iets te zeggen over de betekenis van Ernest Van der Eyken als componist laat ik u luisteren naar een gedeelte van de Elegie voor Bieke, een werk voor strijkorkest dat hij in 1984 componeerde als in memoriam voor zijn echtgenote. Wie deze muziek beluistert, kan vaststellen dat Van der Eyken geen uitgesproken vernieuwer was, maar evenmin een traditionalist. Hij was veeleer een brugfiguur. Vanuit het muzikale verleden vond hij een eigen weg naar zijn tijd, een weg die specifiek was voor hem en waarmee hij in Vlaanderen een aparte plaats blijft bekleden. Hij behoort tot de generatie die geboren werd op het moment van de doorbraak van Stravinski en Bartok, dezelfde tijd ook waarin de tweede Weense school haar opgang beleefde. Er moest gekozen tussen de motoriek van de eersten en de meer lyrische benadering van de Weners. Terwijl zijn latere confraters Legley en Louel opteerden voor de motoriek, koos Van der Eyken voor de lyriek. De Oost-Europese en de Franse invloeden die in de muziek van zijn Vlaamse generatiegenoten dominant aanwezig waren, vonden in hem geen adept. Hij verkende ze wel en kon ze appreciëren bij zijn collega’s, maar zelf bleef hij zich - mutatis mutandis - ontwikkelen in het spoor van componisten als Alban Berg. Zijn oudere vriend Jef Van Durme was hem daarin voorgegaan. De enigszins cerebrale benadering van Van Durme werd bij Van der Eyken aangevuld met een meer emotionele ondertoon. Het aspect 'melos' bleef bij hem belangrijk. De chromatische complicaties van zijn harmonieën dreven hem soms naar de grenzen van de tonaliteit, - ik denk bijvoorbeeld aan zijn Octet voor blazers -, maar zelfs in zijn kamermuziek blijft het respect voor de traditie doorklinken.

Indien we hem in het kader van zijn Vlaamse achtergrond ergens moeten plaatsen, dan is het niet in de buurt van zijn Antwerpse leraars Candael of De Vocht, maar korter bij die andere Antwerpenaar, bij Jef Van Hoof. Die had voordien al Midden-Europese invloeden verwerkt. Terwijl Van Hoof dat deed op een uitbundige Vlaamse manier, deed Van der Eyken het op zijn eigen wijze, meer beheerst, aristocratischer en harmonisch meer vooruitstrevend. Als voorzitter van De Crans, de organisatie die de nalatenschap van Jef Van Hoof beheert, heeft hij zijn affiniteit met deze componist nooit verloochend. Dat hij bij tijd en wijle zelf een volkse stijl kon hanteren, bewijzen zijn Refereynen ende Liedekens, een werk dat misschien juist daardoor zijn meest bekende is geworden. Wij verliezen in Ernest Van der Eyken een ervaren confrater en een zeer goede collega. Wij waardeerden hem niet alleen om zijn rijke muzikale persoonlijkheid maar ook om de menselijke warmte die hem tot bij onze laatste ontmoetingen bleef kenmerken.  

7. Historische tekst : Wereldtentoonstelling in Brussel in 1910
door Veerle Bosmans

Met de Historische tekst van deze maand reizen we een eeuw terug in de tijd. Op 21 april 1910 startte immers de Wereldtentoonstelling te Brussel. De sfeer van deze Wereldtentoonstelling wordt nu opnieuw opgeroepen aan de campus van de ULB, waar van 5 februari tot en met 3 april 2010 een tentoonstelling loopt, die vooral de architecturale meerwaarde belicht die de Wereldtentoonstelling bood voor Brussel. Bovendien werd er ook recent een cd opgenomen met lichte muziek van toen: Bruxelles-Kermesse, uitgevoerd door de Tivoli Band o.l.v. Eric Mathot.

Naar aanleiding van deze oude én nieuwe tentoonstelling, verzamelde het SVM enkele historische artikels over de klassieke muziek van toen, die natuurlijk ook vertegenwoordigd was tijdens deze Wereldtentoonstelling. Tijdens de opening stond er bijvoorbeeld een nieuwe cantate van Paul Gilson op het programma. Verder zouden er concerten worden georganiseerd in samenwerking met de Koninklijke Muntschouwburg, het orkest van het conservatorium van Parijs zou langskomen, er zou een Duits festival georganiseerd worden en er zou veel Vlaamse en Belgische muziek op het programma staan.

Le Ménestrel schreef het al eind maart 1910: "Si tous le projets qu’on forme se réalisent, d’importantes manifestations musicales seront organisées à l’occasion de l’Exposition de Bruxelles. Un concert de l’orchestre et des chœurs du Conservatoire de Bruxelles dirigés par M. Edgar Tinel ; une exécution, sous la direction de M. Sylvain Dupuis et avec le concours de l’orchestre et des chœurs de la Monnaie, du Franciscus, de M. Tinel ; un concert par l’orchestre Ysaye, avec, au programme, les Béatitudes, de Franck ; et le concerto de Vieuxtemps ; plusieurs concerts consacrés à la musique et aux virtuoses belges et dirigés par M. Rasse ; enfin les chœurs et l’orchestre du Benoit’s Fond viendront d’Anvers donner une exécution intégrale de la cantate Rubens, de P. Benoit. Puis, c’est l’orchestre du Conservatoire de Paris qui viendra donner une audition de musique française, ensuite un concert consacré à Bach, à Brahms et à la Neuvième sera vraisemblablement dirigé par M. Steinbach. Enfin l‘on parle d’un concert espagnol, d’un russe, d’un italien et d’un anglais. Le Théâtre-Royal de la Monnaie annonce le Ring, de Wagner, en allemand, un cycle Gluck, des représentations italiennes, des représentations d’opéras et de ballets russes, Elektra et Salomé, de M. Richard Strauss, enfin les représentations de l’Opéra de Monte-Carlo avec Don Quichotte, de Massenet, et le Vieil Aigle de M. Gunsbourg." [Le ménestrel, jrg. 76, nr. 12, 19 maart 1910, p. 93]

Dit alles was echter zonder de inmenging der vakbonden gerekend, die op het laatste moment nog stokken in de wielen van deze prestigieuze onderneming staken: "L’Exposition universelle de Bruxelles devait être inaugurée, le 23 avril, par une ouverture solennelle dont la composition avait été demandée à M. Paul Gilson. Par suite des exigences du Syndicat des musiciens qui, au dernier moment, a cru devoir augmenter ses tarifs pour les concerts à l’Exposition, le Comité exécutif de celle-ci a décidé de supprimer purement et simplement la cantate. Il est probable que tous les concerts qui devaient se donner, cet été, dans la salle des fêtes de l’Exposition et dont nous avons récemment exposé le programme, seront également supprimés, le Comité exécutif n’entendant pas subir les conditions draconiennes exigées in extremis par le Syndicat des musiciens. On ne peut qu’approuver sa fermeté, tout en regrettant que les musiciens se laissent conduire à l’aventure par des meneurs qui n’ont rien à perdre, eux, dans les conflits qu’ils suscitent. […]" [Le Guide musical, jrg. 56, nr. 15, 10 april 1910, p. 293.]

"C’est le 23 avril que s’ouvrira l’Exposition internationale de Bruxelles. De grandes fêtes musicales sont annoncées, je vous l’ai dit. Or, il se pourrait fort bien que tout ce beau programme restât à l’Etat de projet !... La commission de l’Exposition avait voté un gros subside qui avait été réparti judicieusement sur les différentes solennités en perspective. Mais voici que, au dernier moment, le syndicat des artistes musiciens a fait connaître que, - probablement à cause de la cherté des vivres - il avait décidé d’augmenter son tarif… Cette augmentation détruisant tout l’équilibre du budget, il est plus que probable que, en présence des prétentions du syndicat, la Commission des fêtes renoncera à ses projets. Et ainsi , pour avoir voulu trop avoir, les artistes musiciens n’auront rien du tout. Ce sera bien fait. On se demande ce qui adviendra des concerts que devaient venir donner à Bruxelles certains orchestres étrangers, notamment celui du Conservatoire de Paris. Déjà les contrats étaient signés… Mais le syndicat s’inquiète bien de pareilles vétilles !..." [Le ménestrel, jrg. 76, nr. 14, 2 april 1910, p. 110]

"Ce que je prévoyais, l’autre semaine, en vous parlant de la musique à l’Exposition internationale à la veille de s’ouvrir, s’est vérifié… Le syndicat des musiciens ayant majoré, après coup, ses prétentions, la commission a refusé de se « laisser faire » : elle a décidé que l’ouverture solennelle, écrite par M. Paul Gilson pour l’inauguration, ne serait pas exécutée ; et il est probable que tous les autres concerts, très importants, qui avaient été annoncés, n’auront pas lieu non plus. Que le Pataud bruxellois, qui a fomenté la discorde parmi les musiciens, prenne la responsabilité, vis-à-vis de ceux-ci de son bel exploit !" [Le ménestrel, jrg. 76, nr. 16, 16 april 1910, p. 125]

De nieuwe cantate van Paul Gilson werd bijgevolg niet uitgevoerd. Maar blijkbaar verliep het grootste deel van de vooropgestelde muzikale programmatie wel volgens plan. Zo wordt er in de tijdschriften Le Guide musical en Le ménestrel gewag gemaakt van volle zalen, enthousiast publiek en mooie concerten: "La série des grandes fêtes musicales organisées à l’Exposition, s’est inaugurée dimanche dernier par un concert symphonique de l’orchestre du Conservatoire sous la direction de M. Edgar Tinel. On a pu constater, à cette occasion, l’excellente acoustique de la grande salle des fêtes où les nuances les plus délicates portent admirablement malgré les dimensions du vaisseau. Dans les forte et les mouvements vifs, il s’est produit quelque confusion. Mais il sera facile de remédier à ce défaut par quelques tentures qui arrêteront les cordes sonores. Ce dont il faut se féliciter surtout, c’est la distinction de sonorité de cette salle, malheureusement provisoire. Le prélude de Parsifal et l’Enchantement du Vendredi-Saint produisirent, grâce à elle, une impression énorme et valurent à l’éminent directeur du Conservatoire une chaleureuse ovation. Le programme de cette première fête musicale se composait, outre ces deux pièces célèbres, de la septième symphonie de Beethoven, de la Suite symphonique de Schumann et de l’ouverture de Freyschütz que M. Tinel nous avait fait entendre cet hiver dans ses concerts du Conservatoire. Le public avait répondu à l’appel des organisateurs et la salle était pleine. Le dimanche 19 juin, aura lieu le second festival. Au programme, l’oratorio Franciscus de M. Tinel, qui sera dirigé par M. Sylvain Dupuis." [Le Guide musical, jrg. 56, nr. 23, 5 juni 1910, p. 453-454]

"Maintenant voici la Monnaie fermée jusqu’au 1er septembre. L’Exposition universelle est le seul endroit où nous puissions espérer désormais un peu de bonne musique. Les prétentions du syndicat, vous le savez, en rendent les occasions rares ; mais c’est tant mieux, si la qualité y trouve son compte plus que la quantité. Nous avons eu dimanche dernier une admirable exécution, par les chœurs, l’orchestre et les artistes de la Monnaie, de l’oratorio célèbre de M. Edgar Tinel, Franciscus, que Bruxelles n’avait plus applaudi depuis vingt ans. Elle a valu un véritable triomphe au compositeur, félicité par la reine et ovationné par le public en délire. Les chœurs furent tout à fait remarquables, Mme Croiza et M. Girod chantèrent à ravir, et l’œuvre est restée une des plus belles, une des plus émouvantes que l’école belge ait produites." [Le ménestrel, jrg. 76, vol. 26, 23 juni 1910, p. 206]

"L’événement musical de ces jours derniers a été le concert que l’orchestre du Conservatoire de Paris est venu donner dans la grande salle des fêtes de l’Exposition, avec son chef M. André Messager. Malgré l’acoustique défectueuse de la salle, c’a été un régal pour tous ceux qui ne connaissaient pas encore cette belle phalange d’instrumentistes, - que bien peu de Parisiens, eux-mêmes, ont le privilège d’entendre. L’immense local était comble. La reine était au premier rang. Venue dès le début du concert, elle ne s’est retirée qu’à la fin et n’a pas été la moins enthousiaste parmi les auditeurs. Elle s’est fait présenter M. Messager et l’a félicité chaleureusement, pendant que le public tout entier, s’associant a cette aimable manifestation, faisait à l’artiste une ovation délirante. Tout le concert d’ailleurs, n’a été pour celui-ci et pour ses musiciens qu’un long triomphe. Après chaque morceau, c’étaient des acclamations sans fin. Il faut dire aussi que M. Messager avait eu la coquetterie de composer un programme de premier choix, et de l’exécuter avec une perfection qui n’eût pas laissé place à la moindre critique. La symphonie de M. Dukas, le Prélude à l’après-midi d’un faune de M. Debussy, le fragment symphonique de Rédemption de César Franck, le Phaéton de M. Saint-Saëns, le Shylock de M . Fauré, et la « Fête chez Capulet » du Roméo et Juliette de Berlioz ; voilà certes qui n’était fait pour dégoûter personne ! On ne pouvait présenter en une meilleure posture la musique symphonique française, à laquelle se mêlait si heureusement un Belge, le Liégeois Franck, gloire des deux nations." [Le ménestrel, jrg. 76, vol. 30, 23 juli 1910, p. 237]

"L’Exposition internationale de Bruxelles nous amène des foules innombrables, les théâtres comptent en profiter largement. […]" [Le ménestrel, jrg. 76, vol. 31, 30 juli 1910, p. 244]

"La saison de la Monnaie poursuit son cours brillamment. Grâce aux étrangers attirés à Bruxelles par l’Exposition, la salle est comble tous les soirs […]." [Le ménestrel, jrg. 76, vol. 39, 24 september 1910, p.309]

Daaruit blijkt dan toch dat het klassieke muziekgedeelte van de wereldtentoonstelling, ondanks de strubbelingen bij aanvang, als een succes kon beschouwd worden.