ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 90 (juni 2010)

1. Geknoopte oren : Werken van Frits Celis, Peter Welffens, Alain Craens & Joseph Jongen
door Guido Defever

Tarquinia is een Etruskische parel aan de Tyrrheense zee. Het huidige Tarquinia kijkt uit over de zee; het oude Tarquinia, iets meer landinwaarts, werd in de achtste eeuw verlaten na de verwoesting door de Saracenen. In het heuvelland tussen de oude en de nieuwe stad bevindt zich de beroemdste en rijkste site van Etruskische grafkamers, met wandschilderingen uit de zesde en vijfde eeuw vóór Christus. Hoogtepunten in de reeks van meer dan 6000 grafkamers zijn het graf van de Jacht en Visvangst, het graf van de Luipaarden en het graf van de Onderwereld, om er slechts enkele te noemen. De levendige natuurtaferelen, de dreigende gedaanten uit de onderwereld en de tijdloze verstrengeling van leven en dood inspireerden de dichter en classicus Anton van Wilderode tot een aantal gedichten in zijn bundel De Overoever (1981). Frits Celis koos hieruit vijf gedichten als uitgangspunt voor zijn compositie Tarquinia (2005) voor fluit, hobo (en engelse hoorn), (bas)klarinet, (contra)fagot, strijkkwartet en percussie. Een recitant legt de rode draad bloot, waarbij blijkt dat Frits Celis hoegenaamd geen nummerstructuur op het oog heeft en zich niet houdt aan de volgorde of aan een evenredige behandeling van elk gedicht. Net zomin als Anton van Wilderode de volledige grafkamers nog eens opnieuw in gedichten naschildert, maar zich vastklampt aan één treffend detail en deze ene impressie een pars pro toto laat zijn. Trouwens, één gedicht uit Wilderodes reeks verwijst helemaal niet naar een grafschildering, maar beschrijft de kracht van de gebeeldhouwde, gevleugelde paarden die vroeger het fronton van de tempel van het oude Tarquinia versierden en nu in het Nationaal Museum van het huidige Tarquinia hun eeuwenoude wedloop verder zetten.

De grafkamer van de Onderwereld is het vertrek- en eindpunt voor de reis die Frits Celis ons aanbiedt met Hypnos, de god van de slaap, als zinnebeeld. Een vrij uitgebreide inleiding gaat het eerste gereciteerde gedicht vooraf. Een donkere, diepe stemming met een slepend ritme laat even een engelse hoornsolo opstijgen vooraleer de strijkers het verhaal overnemen. Quasi stilstaand onderlijnt de muziek verder de beide strofen van het gedicht Hypnos, waarna direct het gedicht De fluitspeler aansluit. Het is de beroemde figuur uit de grafkamer van de Luipaarden, tevens de afbeelding op de cd-hoes. Met zijn natuurlijkheid, souplesse en levensvreugde is de fluitspeler een confronterende verschijning in een dodenkamer. Die tweeslachtigheid heeft Anton van Wilderode in zijn gedicht gelegd en Frits Celis trekt dit muzikaal open in een schrille verklanking. Hierna versnelt het tempo en de blazers zetten jachtige canonische motiefjes in. Het is de overgang naar het middendeel met de gedichten: Jagers te paard (uit de grafkamer van de Jagers) en het reeds eerder vermelde De gevleugelde paarden, naar het beeldhouwwerk in het Nationaal Museum. Frits Celis heeft muzikaal de beide gedichten aan elkaar gesmeed tot één, quasi doorlopende beweging. De telkens verschuivende ritmische accenten ontwijken de valstrik van een banaal galopperend motiefje en verlenen dit deel het dreigende, steigerende karakter van de gedichten van Anton van Wilderode. Een heel mooi muzikaal tussenspel voert ons weg van het geweld naar een ijle berusting die de toon zet voor het derde en meest uitgebreide deel, gedragen door twee gedichten: De zwemmer en een gedeeltelijke herneming van Hypnos. De zwemmer is een tafereel uit de grafkamer van de Jacht en Visvangst. Van Wilderode plaatst de zwemmer in de wateren van de onderwereld. De ijle berusting gaat over in een lome zwemslag die het tempo bepaalt waarop het gedicht gereciteerd wordt. Daarna duikt opnieuw het beginmotief van de engelse hoornsolo op, gelinkt aan Hypnos. Ditmaal wordt het gedicht slechts fragmentarisch gereciteerd: enkel de eerste strofe, daarna eventjes de eerste en derde regel. De muzikale omlijsting daarentegen wordt steeds verder uitgesponnen tot een prachtig, verdroomd einde.

Recitant Hubert Damen en het Ensemble Emanon hebben van Tarquinia een heel mooie opname gemaakt, die ditmaal geen collage is van een apart opgenomen ensemble met een later opgeplakte tekst. Wanneer tekst en muziek samen horen, heb je ook de intensiteit van de gezamenlijke uitvoering nodig. Even dacht ik wel dat de stem van de recitant té direct klinkt tegenover het ensemble, maar dit is gewoon een kwestie van smaak. Tarquinia van Frits Celis is de blikvanger van deze cd, al was het maar voor de prachtige hoes waarin de Etruskische fluitspeler zichzelf enkele keren achterna loopt.

Toch verwonderde het mij dat een ander werk op deze cd, óók bedoeld voor recitant en ensemble, alleen maar een instrumentale verklanking kreeg. Wandelen met Eva van Peter Welffens wordt hier gepresenteerd als een suite van vijf deeltjes voor fluit, klarinet, viool, cello en piano. Overigens zou onze goede Peter Welffens volgens het cd-programma wel een zéér lang leven gehad hebben: 1824 - 2003. Peter Welffens werkte in 1988 (op 64-jarige leeftijd) samen met dichter Toon Brouwers en het gezelschap 'Dansproject' van Aimé de Lignière, voor een project van Jeugd en Muziek. Welffens koos vijf gedichten uit de bundel De lange Wandeling van Toon Brouwers en vertrok vanuit dit tekstuele gegeven voor zijn compositie Wandelen met Eva. Als all-round musicus en theaterman werkte Peter Welffens voor dit project trouwens ook nog nauw samen met beeldende kunstenares Marga. Poëzie, muziek, dans en scenografie maakten deel uit van de creatie in 1988 waarbij de gedichten door Toon Brouwers zelf gereciteerd werden (*). Op deze cd blijft enkel de muziek over. Een mooi maar toch een beetje onvolledig eerbetoon voor een componist die te weinig in de schijnwerpers van het "grotere" muziekcircuit stond. Zijn verknochtheid aan het Antwerps Jeugdtheater heeft hem waarschijnlijk een te eenzijdig etiket gegeven. Bij Welffens' overlijden in 2003 heb ik met veel voorliefde zijn erg aangrijpend Stabat Mater op Klara mogen programmeren. Welffens was een man van zijn vak en iemand met ongewone muzikale intuïtie. Soms ook heel intimistisch, zoals in de vijf muzikale illustraties van de gedichten van Toon Brouwers. Ze lijken ietwat conventioneel... tot je er de gedichten naast legt (nvdr: ter vervollediging vindt u deze teksten aan het einde van dit artikel). Dan ervaar je zijn ingetogenheid, zijn opgejaagdheid, zijn wanhoop en zijn berusting. Welffens was vooral een heel eerlijk musicus. Als we de Zeven romances opus 127 van Dmitri Sjostakovitsj op teksten van Alexander Blok zo prachtig vinden, dan ook deze muziek van Peter Welffens bij de vijf gedichten van Toon Brouwers. Het is van hetzelfde kaliber. Met dank aan de vijf musici van het Emanon Ensemble die ook zonder de tekst een boeiende vertolking hebben gebracht.

De jongste componist op deze cd is Alain Craens. Zijn Three Summer Pieces dateren van 2008. Het zijn drie aparte stukjes voor blaaskwintet, strijkkwintet, piano en percusssie. Aubade, Capriccio en Nocturne: een zomerse dag in miniatuur. Craens koos voor een structuur van twee langzame hoekdelen, zodat de Aubade helemaal niet de luchtige, frisse aanpak van een nieuwe dag verraadt, maar eerder een uitgebreid genieten van een langzaam ontwaken. Het blijft een donkere aubade met voorkeur voor lage registers als basklarinet, fagot, engelse hoorn. Na een langzame inleiding trekt de fluit arabesken, maar ze moet dan wijken voor haar donkerder medespelers. Het Capriccio is opgebouwd met korte motorische motiefjes in kleine stretto’s die telkens homofoon uitlopen, terwijl de pianopartij er doorheen krioelt. Het Capriccio deint rustig uit om de verstilling naar de volgende Nocturne in te leiden. De Nocturne is één ostinato van slepende akkoorden waarboven zich langzame melodische lijnen ontplooien in fluit, hobo, viool, fagot en verderop vooral prominent, engelse hoorn.

Het tekstboekje bij de cd vermeldt dat een kinderliedje doorheen de Summer Pieces een bindend element vormt. Ik heb er vergeefs naar gezocht. Ten einde raad heb ik Alain Craens zelf gebeld tijdens zijn zomers familiefeest. Ja, er is een kinderliedje, verborgen op het einde van de nocturne als een pentatonisch motief. Welk kinderlied dan? Wel, een zelf gecomponeerd kinderliedje. Van Alain? Neen, van zijn echtgenote die het als wiegeliedje voor de kinderen zong. Ja, daarvoor moet je de mensen dan GSM’en op een zomerse zondag tijdens een familiefeest. Met dank aan Alain. En aan zijn echtgenote.

Het vroegste werk op deze Phaedra-cd is de Rhapsodie uit 1922 voor blaaskwintet en piano van de Waalse componist Joseph Jongen (1873-1953). Vijftig jaar na zijn overlijden komt hoe langer hoe meer het beeld naar voor van de krachtigste muzikale persoonlijkheid uit de vorige eeuw in België. Zijn veelzijdigheid was verbluffend: organist, professor harmonie, contrapunt en fuga, pianist en kamermusicus, dirigent en tenslotte directeur van het Conservatorium in Brussel. Ondertussen schreef hij een omvangrijk en uiterst kwalitatief oeuvre samen en evolueerde van een Franckistische stijl naar een zeer persoonlijk en beheerst laat-impressionisme. Van 1925 tot aan zijn pensioen in 1939 was Joseph Jongen directeur van het Conservatorium van Brussel. Ondertussen ging bijna geen maand voorbij zonder een concert van Jongen in het buitenland, als pianist, organist of dirigent. Vooral met de stad Parijs en haar Conservatorium had hij zeer sterke bindingen. Als componist bleef Jongen een bijzondere voorliefde koesteren voor de kamermuziek. Bij hem voltrok zich een hele evolutie binnen het klankidioom van het impressionisme: delicate klankkleuren, soepele melodievoering, pure vorm, beknoptheid. Het werden zijn muzikale kenmerken, die men onder één noemer kan samenbrengen: voornaamheid. Jongen was zeer zelfkritisch: hij componeerde 241 werken, maar kort voor zijn dood snoeide hij zijn oeuvre terug tot 137 werken. De Rhapsodie voor blaaskwintet en piano heeft de snoeibeurt overleefd. En toch moet dit werk blijkbaar steeds opnieuw ontdekt worden. De naam Jongen scoort internationaal niet zoals Roussel, d’Indy of Pierné, hoewel de muziek van Jongen de vergelijking met die van zijn Franse tijdgenoten meer dan ruimschoots doorstaat. En daarenboven is deze Rhapsodie geen gemakkelijke klus. De blazers én de pianist moeten van aanpakken weten. Het is één doorlopend stuk van meer dan 17 minuten in een constante afwisseling van tempi en motieven. Ondanks de titel Rhapsodie heeft het een klare en heldere structuur. Het zogenaamd rapsodische karakter wordt vooral in het begin uitgespeeld waar een arabeskachtig motief achtereenvolgens in fagot, hoorn en klarinet opduikt. Verderop neemt de piano het voortouw met een stevig Habanera-ritme; de rest moet volgen en wordt voortgestuwd naar een volgende episode met verrassende effecten die bijna weggeknipt lijken uit Petroesjka van Stravinsky. Enkele keren verenigen de blazers zich in een feestelijke stoet op een stevige cadans van de piano. Naar het einde toe horen we eventjes een reminiscentie aan de Danse générale uit Daphnis et Chloe. De rust keert terug, maar net vóór het slotakkoord flakkert de Rhapsodie nog eens kort en hevig op. Het is niet de gemakkelijkste muziek en de musici van Emanon hebben het er meer dan behoorlijk vanaf gebracht. Maar ergens blijf ik voor dit werk nog een klein beetje op mijn honger zitten. Voor mij blijven de hoogtepunten van deze cd de vertolkingen van het werk van Frits Celis en van Peter Welffens. Proficiat voor de musici en hun dirigent; proficiat voor het initiatief en de productie.

* Met dank aan Toon Brouwers voor het verstrekken van deze gegevens.

Wandelen met Eva

1.
de lange weg naar het geboortehuis
en het wachten aan het water
(met de karige, ingekalfde oevers)
zwijgend, met weinig woorden.
niet verder kunnen gaan: hopend
op een uitweg, gebeurtenis,
een wonder misschien:
hopend, hopend.

2.
naast de spoorwegbrug
wijken de schaarse huizen.
en de brug wordt laag,
de spoorweg lang.
hier zeg je, hier:
en in je gewelfde hand ligt
als in een schelp
het weiland van je horizon.

3.
er opent zich geen enkel graf.
de sluimerende kruisen:
een beschermende kraal.
het water zwijgt, en zelfs
het grint is rustig.
alleen je handen, tastend naar
mijn geknakte stengel,
mijn gevlekte ruggengraat.

4.
in de lage kamer:
de vrienden, de vreemden,
en centraal je mond
in zovele concentrische kringen.
ik zie je zeggen
de dingen die ik ken,
de woorden die ik weet.
mijn dagelijks gebaar, onopgemerkt,
vermengt zich met de rook.
mijn fluisterstem: je hoort ze niet.
vandaag is al verleden.

5.
schrijf me niet meer
en laat me de mist,
de draaikolk van gisteren.
met de kikvors in het gras
de withouten bank
de rode telefooncel
en je huiverende borsten,
scheurende mond.(1)

Uit: Toon Brouwers: De lange Wandeling, ’s Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar / Antwerpen: Soethoudt, 1974

Tarquinia: Phaedra-cd met werk van Peter Welffens, Joseph Jongen, Frits Celis en Alain Craens door het Ensemble Emanon o.l.v. Raf De Keninck met Hubert Damen, recitant. In Flanders Fields Vol. 62: PHAEDRA DDD 92062

2. Topstukken uit de VMI-catalogus : In a lyrical way - music for horn & piano by Flemish masters
door Adeline Bouckaert

In vorige nieuwsbrieven werden vooral beschrijvingen behandeld van partituren, boeken en archieven, die rechtstreeks verband houden met een Vlaamse componist, uitvoerder, ensemble, orkest, concertvereniging of instelling. Maar de catalogus van het Vlaams Muziekinstituut (VMI) bevat ook audio- en video-opnamen, op verschillende dragers. Deze opnamen worden gedetailleerd beschreven (inclusief bezetting, toonsoort, opusnummer…), zelfs tot in de afzonderlijke onderdelen of tot op track-niveau.

Een voorbeeld hiervan is de cd In a lyrical way: music for horn & piano by Flemish masters met de Amerikaanse hoornist Jeffrey Powers en de Nederlandse pianist Vincent De Vries. Powers was gedurende 16 jaar als hoornsolo verbonden aan het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen. "During my 16-year tenure as Co-Principal Horn with the Royal Philharmonic of Flanders, I came to greatly appreciate the beautiful lyrical writing for the horn that characterizes the Works by the Flemish masters recorded here." staat in het inlegboekje bij de cd te lezen. Powers stelde een overzicht samen uit het werk van Arthur Meulemans, Lodewijk Mortelmans, Marcel Poot, Prosper van Eechaute, Wilfried Westerlinck, Paul Gilson en Joseph Ryelandt. Op die manier wordt meer dan 75 jaar Vlaamse hoornmuziek belicht. Het oudste werk is de Sonata voor hoorn en piano op. 18 van Ryelandt uit 1897. In deze compositie is, onder invloed van Ryelandts leermeester Tinel, de stijl van Schumann en Brahms terug te vinden.

Het meest recente werk op de cd is Maclou voor hoornsolo van Wilfried Westerlinck uit 1975. Westerlinck inspireerde zich voor deze compositie op de laat-gotische Église Saint-Maclou uit Rouen.

- http://anet.ua.ac.be/desktop/vmi
- In a lyrical way: music for horn & piano by Flemish Masters (Jeffrey Powers - Vincent De Vries) - MSR Classics - MS 1266 (2008) 

3. "Waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men U, Maria, tegen..."
door Annelies Focquaert

… maar wie had gedacht dat ik haar ook zou tegenkomen in het Antwerpse Letterenhuis? In mijn artikel rond het ontstaan van het lied Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen van Lodewijk De Vocht (verschenen in de vorige nieuwsbrief van het SVM) kon ik geen sluitend antwoord vinden op de vraag wat er geworden was van de andere werken voor die zogenaamde wedstrijd in 1910, of ze wel bestonden, wat voor muziek het was … Wat was waarheid, en wat legende?

Dat deze andere liederen wel degelijk bestaan, is intussen duidelijk geworden. Want het was Marc Somers, directeur van het Letterenhuis, die in genoemd artikel de sleutel vond voor een raadsel uit 'zijn' collectie.

In februari 1978 overhandigde Mej. Germaine Axters uit Brussel een pakje met manuscripten van Mestdagh, De Vocht, Herberigs en Ryelandt aan het toenmalige AMVC. Deze dame was de zus van Stefaan Axters (1901-1977), een Leuvense Dominicaan en specialist in Middelnederlandse literatuur. Het geschenk kwam er na bemiddeling door Marcel Boereboom. De vier manuscripten hadden met elkaar gemeen dat ze geschreven waren rond 1910 ter ere van Onze Lieve Vrouw, maar wat hun onderlinge verband was, bleef tot voor kort een vraagteken.

Dit zijn de vier liederen, zoals ze nu bewaard worden in de dossiers van de respectievelijke componisten in het Letterenhuis:

  • Karel Mestdagh: Lofzang aan O.L.V. van Vlaanderen.
    Brugge, 1 mei 1910 (M534/H, nr. 202275)
  • Lodewijk de Vocht: Onze Lieve Vrouw van Vland’ren.
    Ongedateerd (V724/H, nr. 202272)
  • Robert Herberigs: Gebed aan O.L.V. van Vlaanderen.
    Gedateerd maart 1910 (H523/H, nr. 202274)
  • Joseph Ryelandt: Zang ter eere van Onze Lieve Vrouw van Vlanderen. Gent 1860-1910.
    Duinbergen, april 1910. (R926/H, nr. 202273)
  • De vier autografe composities zullen binnenkort in de VMI-cataloog opgenomen worden, vandaar dat hier een technische beschrijving niet op haar plaats is. Een korte vergelijking dringt zich evenwel op. Wat betreft opzet, toonaard en maatsoort zijn de vier liederen allemaal verschillend. De melodieën zijn redelijk eenvoudig (die van Ryelandt is het meest gericht op volkszang), maar bij de begeleidingen is een groot verschil te merken. Mestdagh is de enige die voor de begeleiding een orgelregistratie en ad libitum pedaal voorziet en kiest voor een chromatische schrijfstijl die onafhankelijk is van de melodie. De andere componisten gaan grotendeels uit van een eenvoudige tot zeer eenvoudige begeleiding op orgel of klavier/harmonium.

    Van De Vochts lied zijn er twee versies: één is autograaf en stemt overeen met de gekende versie, de andere is een kopie van een ander autograaf. De kopie, gedateerd "Linth, december 1909", is volgens een bijbehorend titelblad opgedragen aan ene Mejuffrouw Fanny Snellaert "die haar glorienaam veel eer aan doet". Over deze dame valt voorlopig niet veel te vinden, al is niet uitgesloten dat ze familie was van literator F.A. Snellaert (1809-1872). Een afstammeling in rechte lijn kan ze echter niet zijn, want Snellaert was niet gehuwd. Beide versies van het lied (autograaf ten opzichte van kopie) verschillen van elkaar in maatsoort (4/2 < > 2/2), karakteraanduiding (Gaande – Plechtig < > Rustig en ingetogen) en metronoomaanduiding (halve = 63 < > 56). De autograaf heeft een korte inleiding en lijkt door haar brede slag ruim te kunnen klinken, terwijl de kopie, die dichter aanleunt bij de officiële versie, een gecondenseerde indruk maakt en geen inleiding heeft. Ook in de melodie zijn er enkele kleine verschillen.

    De partituur van Ryelandt geeft het meeste informatie over het oorzakelijke verband tussen de vier composities en bevestigt ook hun bestaansreden: ze is opgedragen "Aan den Eerweerden Pater Axters", en vermeldt in de titel de gelegenheid waarvoor ze is gecomponeerd: "Onze Lieve Vrouw van Vlanderen. Gent 1860-1910." De opdracht aan pater Axters doet al vermoeden dat de bundel dankzij een familieband van de ene naar de andere Axters is overgaan. Dat wordt bevestigd door het boekje Joseph Axters S.J. - een oudere vriend van Albrecht Rodenbach, geschreven door Stefaan Axters [1], waaruit blijkt dat Jozef een oom was van Stefaan. Over de eerwaarde pater Jozef Axters is veel te vertellen – hij was actief in de Vlaamse beweging en onder meer een vriend van Rodenbach (die zelfs een gedicht opdroeg "aan Den Eerweerden Heer Axters") - maar het belangrijkste voor ons verhaal is dat hij sinds 1891 in de Gentse jezuïetenresidentie van onze Lieve Vrouw van Vlaanderen was binnengekomen en daar zou blijven tot aan zijn dood in 1913. Hij werd geboren in Brugge op 11 januari 1850 - een stadsgenoot dus van Mestdagh en Ryelandt - en werd tot priester gewijd in 1874. In 1896 werd hij 'minister' van het Gentse jezuïetenhuis, later werd hij ook bestuurder van de 'Sodaliteit der jongelingen' en van de 'Congregatie der jonge dochters', en gedurende enkele jaren directeur van het Retraitehuis (dat was ondermeer zijn functie in 1909-1910).

    In het boekje van Stefan Axters wordt vermeld dat de liederen niet geschreven zijn voor een wedstrijd of prijskamp, maar wel op vriendelijk verzoek van de Gentse jezuïeten en meer bepaald Jozef Axters: "Wanneer het halve eeuwfeest van het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen in de jezuïetenkerk te Gent plechtig zou worden gevierd, schreef hij immers vier musici aan om hun muziek te vragen voor een lied ter ere van de met de hier even vermelde naam vereerde Moeder Gods. Twee van hen waren de Brugse toondichters Karel Mestdagh (+1924) en Joseph Ryelandt. De anderen waren Lod. De Vocht en Robert Herberigs. Hoewel zij alle vier, blijkens de nog bestaande autografen, op het verzoek ingingen, gaf mijn heeroom de voorkeur aan het lied van Lod. de Vocht met de woorden van wijlen August Cuppens (+1924) en dit lied met het aanvangsvers Liefde gaf u duizend namen heeft, na de jubelviering van het jaar 1910, ook spoedig in Vlaanderen een aanzienlijke verspreiding gevonden."

    Maar waarom spreekt Axters niet van vijf composities, hoe komt dan de partituur van Uyttenhove in het verhaal? Een logische stap is dan om te kijken of Uyttenhove in het Letterenhuis ook een dossier heeft. Dat is het geval, maar een autograaf is er niet te vinden. Wel is er een klein gevouwen zangblaadje ten behoeve van de kerkgangers waarin het lied van Uyttenhove gedrukt is. De melodie ervan is niet gemakkelijk te zingen door de vele sprongen en modulaties, maar heeft een meeslepend refrein. De titelpagina van het blaadje wijst erop dat dit hét feestgezang was van de vieringen van mei 1910: Kerk van O.L.V. van Vlaanderen - 1860-1910 - Vijftigste verjaardag der plechtige Kroning van het Beeld van O.L.V. van Vlaanderen. - Feestgezang - Het beeld van O.L.V. van Vlaanderen is het eerste dat in België in den naam van Z.H. den Paus gekroond werd. Als er al een wedstrijd was, of een hiërarchie in de keuze van de liederen, dan is duidelijk dat in 1910 Uyttenhove uitverkoren was, en niet De Vocht.

    Maar zou er dan niet ergens nog een autograaf van Uyttenhove zijn? Een groot deel van het antwoord op die vraag bevindt zich in het Archief van de Vlaamse jezuïeten (Heverlee). Het autograaf van Uyttenhove is er niet terug te vinden in de verschillende dossiers rond het Gentse huis - dat zou ook te mooi geweest zijn om waar te zijn - maar er is wel een heel dossier samengesteld rond de feestelijkheden in de meimaand van 1910, dat het mogelijk maakt om de muzikale aspecten ervan te reconstrueren en om uit te maken of er nu een wedstrijd was of niet.

    Via de uitgebreide aankondigingen en verslagen in ondermeer de katholieke Gentse krant Le Bien Public valt goed te volgen hoe alles verliep. Op 1 mei 1910 startte een reeks vieringen die negen dagen duurde en met veel luister gepaard ging. Op 9 mei vond er een grote hoeveelheid missen plaats (vanaf 4u30 ’s morgens), met hoog bezoek van Mgr. Stilleman, bisschop van Gent, de pauselijke nuntius Mgr. Porcelli en diverse gekende predikanten. Om 20u werd de noveen plechtig afgesloten met een laatste mis, waarbij in het Nederlands gepreekt werd - de meeste preken in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen waren in het Frans. Het was bij die gelegenheid dat het Feestgezang van Uyttenhove voor het eerst werd uitgevoerd, door een koor van 90 zangers dat onder leiding stond van Uyttenhove zelf. Uyttenhove was niet alleen organist van de kerk, maar ook dirigent van het vaste koor, wat allicht mee verklaart waarom zijn lied als Feestgezang werd uitgekozen en voorrang kreeg op de andere liederen. Le Bien Public vermeldt ook wat er verder aan koormuziek werd gezongen die avond: Adoro te van Kempter, Ave Maris Stella van Franz Uyttenhove, Te Deum van Tinel en Tantum ergo van Van Reysschoot (het is niet duidelijk of het gaat om werk van de in 1908 overleden Désiré, dan wel om werk van diens zoon Dorsan). Na het 'salut', aan het einde van de mis, werd de 'Hymne de fête' van Uyttenhove gezongen, op tekst van Caesar Gezelle.

    De feesten waren een groot succes. Op een van de foldertjes die een overzicht bevatten van de noveen heeft pater Adolf Langendries, die in zijn hoedanigheid van kerkprefect verantwoordelijk was voor de organisatie van de feesten, genoteerd hoeveel gelovigen er tijdens die noveen ter communie waren gegaan: hij komt uit op een cijfer boven 4.000. Kranten vermelden dat er in de kerk te weinig stoelen waren voor alle aanwezigen wegens de enorme toeloop. In het archief zijn foto's te vinden van de prachtig versierde kerk, waar men trouwens speciaal voor een betere verlichting van het beeld een raam had bijgemaakt.

    De krantenknipsels uit deze periode maken geen melding van uitvoeringen van de andere vier liederen. Toch zijn er veel sporen van. Vlak voor de feesten werd door de jezuïeten een brochure gemaakt, die een historiek geeft van de kroning van 1860 en al foto's toont van de versierde kerk. De brochure verscheen in het Nederlands met als auteur J.M. Bergmans [2] en werd uitgegeven in Gent, zonder jaartal. De Franstalige brochure met als auteur Adolf Langendries, ziet er grotendeels hetzelfde uit maar werd uitgegeven in Brussel en draagt het jaartal 1910. Het grote verschil tussen beide brochures is dat de Nederlandse een overzicht geeft van de Vlaamse composities die ter ere van deze feesten werden geschreven (met de teksten erbij), en de Franse deze liederen helemaal niet vermeldt. Misschien speelt hier de taalgevoeligheid in Gent mee, of misschien een verschillende opinie tussen de paters, waarbij de ene al Vlaamsgezinder was dan de andere? Op p. 24-27 van de brochure van Bergmans is te lezen: "Dichters en Toonzetters uit Vlaanderen, Antwerpen en Limburg hebben hulde willen brengen aan Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen. Hunne bijdragen, die ter gelegenheid der Jubelfeesten, Maria ter eere zullen gezongen worden, meenen wij hier te moeten doen volgen." In volgorde worden dan Drie Gezangen ter eere van Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen vermeld. Het eerste is dat van Uyttenhove en C. Gezelle, het tweede dat van De Vocht-Cuppens en het derde dat van Herberigs-Fleerackers. De liederen van Mestdagh en Ryelandt worden niet vermeld.

    In deze dossiers is ook een Franse vertaling te vinden van Uyttenhove’s compositie, uitgegeven op hetzelfde formaat zangblaadje en gemaakt door pater Langendries (A notre Dame de Flandre). Op dezelfde manier - zij het enkel in het Nederlands - werden ook de liederen van De Vocht en Herberigs uitgegeven, met een aparte nummering: 2. Liefde gaf u duizend namen en 3. O Moeder met de Maagdenkroon. Deze drie liederen werden dus gedrukt met de bedoeling om ze ook te zingen.

    Wat dan met de liederen van Mestdagh en Ryelandt? Rond 1956 schreef pater Leon Van den Bosch, die sinds 1928 bij de Gentse jezuïeten was, een tekst over de sluiting van de kerk en de residentie in de Bestormstraat, een tekst die niet werd uitgegeven maar wel in het dossier zit. Hij schrijft dat na de feesten van 1910 alle vijf de liederen regelmatig (minstens jaarlijks) gezongen werden, maar dat het lied van Uyttenhove in die tijd het populairst was en telkens een golf van ontroering veroorzaakte bij de gelovigen. Waarschijnlijk heeft hij zijn informatie van oudere paters - het is niet te zeggen of hij er zelf bij was in 1910.

    In het gedrukte jaarverslag van de jezuïeten van de vestiging in Oost-Eeklo staat over de feestdagen van begin mei 1910 een Latijnse tekst die de volgorde van Bergmans bevestigt: "Universae autem civitati spectaculo fuerunt festa Mariana novendialia in eunte maio celebrata. [dan volgt een opsomming van wie er allemaal is voorgegaan of heeft gepreekt]. Cantus praeter liturgicos artis ope institutos, laudes Beatae Mariae Virginis cantibus flandricis extulit optimus quisque poeta ac musicus, quas laudes inde turbae vocibus consonis cecinerunt." In een hierbijhorende voetnoot volgt dan "En ordo cantuum qui festorum decursu singillatim prodiere : 1) Kerk van O.L.V. van Vlaanderen… - Feestgezang (Uyttenhove)" 2) [De Vocht] - 3) [Herberigs] - 4) [Mestdagh] - 5) [Ryelandt].[3]

    Deze volgorde wordt bevestigd door nog een ander zangblaadje (Gulden Jubelfeest der Plechtige kroning van Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen - Geestelijke Liederen) waarin de teksten van de vijf liederen in dezelfde reeks als hierboven werden afgedrukt.

    In 1960, bij de 100e verjaardag van de kroning, werd opnieuw een brochure [4] uitgegeven, die echter de volgorde van de liederen zoals ze was in 1910 veranderde. Onder het hoofdstukje 1860-1960 staat te lezen: "De 50e verjaardag van de pauselijke kroning van het Mariabeeld op 9 mei 1910 werd op grootse wijze gevierd: een ganse noveen van plechtigheden, waarbij de pauselijke nuntius, Mgr. Tacci Porcelli, en de Bisschop van Gent, Mgr. Stillemans, aanwezig waren. Voor die gelegenheid werd aan dichters en componisten een nieuw lied gevraagd ter ere van Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen. Meerdere liederen ontstonden aldus, onder meer één van Pater Fleerackers met muziek van Robert Herberigs, van Caesar Gezelle met muziek van Fr. Uyttenhove, van Aloïs Walgraeve met muziek van J. Ryelandt, van J. Noterdaeme met muziek van Mestdagh. Maar diep in 't hart van de vrome Mariavereerders, sterk en indringend aansprekend en ontroerend als een waar volkslied, werd onmiddellijk de tekst van priester-dichter A. Cuppens geplant, met de wondere volkse muziek van de toen 22-jarige Lodewijk De Vocht, het bekende Liefde gaf u duizend namen." De verschuiving in de populariteit van De Vochts lied is daarmee geboekstaafd.

    In het archief van de jezuïeten is geen autograaf te vinden van Uyttenhove. Maar er is wel degelijk een ingebonden manuscripte kopie van de vijf liederen (in de volgorde van 1910), mét de begeleiding erbij. Daarmee zijn de vijf liederen en hun begeleidingen dus compleet. Op de kaft en aan het einde van de bundel staat de naam V. Philippo in potlood bijgeschreven: misschien was dit de kopiist van dienst? Achteraan in de bundel staan nog enkele schetsen, waaronder één van een Tantum ergo. Uyttenhove, die een mooi Cavaillé-Coll-orgel onder zijn hoede had, koos net als Mestdagh voor een uitgewerkte begeleiding voor orgel, met pedaalpartij. De versie van De Vochts lied is nóg anders dan de twee versies in het Letterenhuis, zeker op gebied van begeleiding (er is een volwassen inleiding van vier maten, het contrapunt is versierd); de maat is 4/2 en het metronoomcijfer is 63 voor een halve. Het lied kent dus verschillende gedaanten, waarbij deze versie allicht de meest uitgewerkte is.

    Bij deze partituur zit een klein papiertje waarop, in het lettertype van een elektrische schrijfmachine uit de jaren 1980-1990, getypt staat dat deze liederen in 1910 gecomponeerd werden voor een wedstrijd, maar dit papiertje zonder auteur is de enige bron in het hele archief die spreekt van een wedstrijd. Waarschijnlijk gaat het om een veel latere herinterpretatie. In geen van de andere bronnen (ook niet de administratieve) in Heverlee is iets te vinden over een wedstrijd, en een prijskamp zou eigenlijk in de tijdsgeest en religieuze context van het feest, misplaatst zijn geweest.

    Maar er is nog meer, want zoeken in archieven levert steeds verdere vragen op. In een ander, aan de feesten van 1910 gerelateerd dossier, zit een Gregoriaanse mis, ondertekend door "+ fr. Josephus Pothier, abbas de S. Wandregisili". Het bijhorende briefje is bewaard gebleven en toont dat niemand minder dan dom Joseph Pothier, één van de belangrijkste onderzoekers van het Benedictijnerklooster van Solesmes (Frankrijk) en groot voorvechter van de restauratie van het Gregoriaans, op vraag van pater Langendries een nieuwe Gregoriaanse mis componeerde, speciaal voor de jubileumfeesten van 1910. Pothier schrijft:

    "Pax. Dongelberg, ce 12 8bre 1909
    Mon Révérend Père,
    Je suis heureux de pouvoir vous envoyer le chant que vous m’avez demandé de Votre Messe du Couronnement de N.D. de Flandre. Je suppose que vous avez l’intention de la faire imprimer ou autographier. Je vous en demanderai alors six exemplaires, dont j’aurai besoin pour l’approbation à solliciter de Rome, et le dépôt à faire aux Archives soit de la S. Congrégation des Rites, soit de la commission du chant. Les indications en rouge sont pour les espaces à observer dans l’impression et ne regardent que le typographe.
    Veuillez agréer, mon Révérend Père, l’assurance de mes sentiments respectueux et tout dévoués
    + fr. Joseph Pothier, Abbé de S. Wandrille"

    Dat Langendries de bestemmeling is, blijkt uit de originele envelop, afgestempeld in Incourt. Waar twijfel zou kunnen bestaan over de auteur (misschien was er in het Waals-Brabantse Dongelberg wel een naamgenoot van de beroemde Benedictijn?) wijst de biografie van Pothier uit dat hij in deze periode wel degelijk in Dongelberg verbleef. De Benedictijner Abdij van St. Wandrille in Normandië was in 1898 op vraag van de moederabdij Solesmes, opnieuw opgericht onder leiding van Pothier. Toen in 1901 de Franse wet-Waldeck van kracht was geworden, moesten de monniken in ballingschap vertrekken. Na enige omzwervingen kwam de groep van St. Wandrille in 1904 aan in Dongelberg, waar ze dankzij de steun van de Belgische clerus mochten verblijven, tot ze in 1913 naar Conques moesten verhuizen. Pothier verbleef dus in november 1909 inderdaad in België. De partituur is zeer gedetailleerd opgeschreven - men vermoedt een uiterst geoefende hand in het kopiëren van neumen – en draagt de ondubbelzinnige titel Die IX Maii - In Anniversario coronationis imaginis B.M.V. almae Flandriae Dominae. De aanhef van het Introïtus doet sterk denken aan het Rorate Caeli.

    Of deze partituur ook uitgevoerd werd, moet voorlopig een raadsel blijven. Even goed verdient ze verder onderzoek en roept ze vele vragen op.

    Na deze uitweiding is het tijd om terug te komen op de originele vragen omtrent het ontstaan van het lied Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen, en hun waarschijnlijke antwoorden.

    Er was allicht geen wedstrijd die in 1910 door De Vocht gewonnen werd. Geen enkele betrouwbare bron, ook geen administratieve, vermeldt een wedstrijdelement. Maar er was wel een rondvraag, een vriendelijk en eervol verzoek vanwege de jezuïeten om nieuwe liederen te componeren ter ere van de 50-jarige kroning van O.L.V. van Vlaanderen. Ik vermoed dat de vraag gericht werd aan vier koppels van dichters en componisten 'buitenshuis' en dat de erepost was voorzien voor Uyttenhove, die 'van het huis' was en dus in rangorde voorging. Door de verschijningsvorm van deze vijf liederen, zowel wat betreft hun uitgave als uitvoering, kan gesteld worden dat er zeker een hiërarchie was in de voorkeur van de paters, die trouwens gelijk loopt in alle bronnen. In 1910 stond Uyttenhove op de eerste plaats, gevolgd door De Vocht, Herberigs, Mestdagh en Ryelandt: dat blijkt uit de drie gedrukte misblaadjes, de krantenknipsels en de eigentijdse brochure rond de herdenkingsfeesten. De andere liederen werden gezongen, maar niet vaak. 50 jaar later bleek het lied van De Vocht veel populairder te zijn geworden dan het officiële Feestgezang: de tweede favoriet was aan een blijvende carrière begonnen.

    Dat De Vocht met zijn lied een wedstrijd gewonnen heeft, lijkt dus een te gemakkelijke verklaring te zijn voor iets wat subtieler in elkaar zat - zo ontstaan legendes of mooie verhalen. Spijtig dat de partituren pas na de feestelijkheden van 2010 boven water kwamen. Eigenlijk werd het beeld gemaakt in 1910, en pas bekroond in 1911: misschien is er in 2011 een gelegenheid om de vijf liederen en het Gregoriaans (opnieuw) uit te voeren?

    Literatuur:
    [1] overdruk uit De Biekorf, 61e jrg., 1960, p. 446-452.
    [2] Bergmans, J.M.: Vijftigjarig jubelfeest der Plechtige Kroning van het beeld van Onze Lieve Vrouw, vereerd in de kerk der Paters Jezuïeten, Bestormstraat te Gent, onder den titel van Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen - 9 mei 1860 - 9 mei 1910
    [3] Litterae Annuae Provinciae Belgicae Societas Jesu ab anno 1908-1909 ad 1909-1910, Wetteren, 1922, p. 74-75.
    [4] 1860 - 9 mei - 1960 - Eeuwfeest van de plechtige kroning van haar beeld - Jezuïetenkerk, Savaanstraat, Gent. 

    4. Historische tekst : Lambrecht Lambrechts over het Groeningelied van Jef Van Hoof
    door Veerle Bosmans en Lambrecht Lambrechts

    Naar aanleiding van de Vlaamse Feestdag op 11 juli zetten we in deze nieuwsbrief het strijdlied Groeninge van Jef Van Hoof op verzen van Guido Gezelle in de kijker. Het lied werd in maart 1909 gecomponeerd en werd bekroond door het Nederlands Zangverbond in datzelfde jaar. Het kende onnoemlijk veel verschillende uitgaven - het werd ook regelmatig gepubliceerd in verzamelbundels van Vlaamse Liederen - en het werd gearrangeerd voor verschillende bezettingen. Van Hoof bewerkte het lied zelf voor zangstem en symfonisch orkest, zangstem en klein symfonisch orkest, zangstem en harmonie-orkest en zangstem, kopers en slagwerk. Op die manier kreeg de melodie een erg ruime weerklank. Andere componisten droegen hun steentje bij tot de Groeninge-arrangementen, waaronder Piet Van den Broek die een bewerking voor beiaard maakte, Theo Mertens die het lied bewerkte voor koperensemble, en Peter Aerts die er een versie voor vierhandig klavier van maakte. [1]

    Gezelles tekst ontstond in het jaar 1894 en diende allicht om de kassa van het Kortrijkse Groeningecomité te spijzen [2]. Deze vereniging - die gesticht werd in 1891 - had zich tot doel gesteld om een groot monument ter ere van de Guldensporenslag te bouwen in Kortrijk, dat in 1902 moest afgewerkt zijn. Een monument bouwen kost geld, om dat in te zamelen werden toneelstukken gespeeld, tombola’s gehouden en brochures en boeken verkocht. Waarschijnlijk wilde Gezelle zo zijn steentje bijdragen tot de bouw van dit monument. [3]

    Het lied werd voor het eerst uitgevoerd in de Antwerpse Handelsbeurs vlakbij de Meir door bas-bariton Arthur Steurbaut en de componist zelf aan de piano. De zangers en zangeressen van Liederavonden voor het volk zongen onder leiding van componist-dirigent Julius Schrey. De succesvolle uitvoering van dit werk gaf op 11 juli 1909 aanleiding tot het stichten van de Antwerpse vereniging Groeningerwacht. Jef Van Hoof was als leider van het mannenkoor 'bijzondere ambtsdrager' van deze vereniging, die zich als voornaamste doel de 'zedelijke, verstandelijke en stoffelijke verbetering van het  Vlaamsche volk' stelde. [4]

    Van Hoof blijft als componist en dirigent zeer sterk verbonden met de Vlaamse Beweging: hij was medestichter van de Vlaamse Zangfeesten en dirigeerde de manifestatie ook meerdere malen. Ook schreef hij vele Vlaamse strijdliederen. Op zijn conto staan onder andere een bewerking van De Vlaemsche Leeuw van Karel Miry en een harmonisatie van Lied van mijn land van Ignace De Sutter. Daarnaast schreef Van Hoof nog Drie strijdliederen op teksten van Gezelle, met name Gij zegt dat ’t Vlaamsch, Hangt’ nen truisch en O band. De Guldensporenslag zorgde voor nog meer inspiratie, die terug te vinden is in het lied Groeningerwacht (op tekst van Pol De Mont), Groeningergroet (op tekst van Edg. Dehaene) en Groeningerkreet (op tekst van Anton van Wilderode).

    In de onderstaande Historische Tekst van Lambrecht Lambrechts uit het tijdschrift Muziekwarande van april 1922, zwaait Lambrechts de loftrompet over Van Hoofs strijdlied. Superlatieven vallen bij bosjes uit zijn pen: "En daar begint, ingeleid door eenige forsche akkoorden, de prachtmelodie der dansende leeuwen", "daar barst het refrein los, driemaal herhaald, op een wonderschoon motief, breed grootsch, een machtig openbloeien der muziek", "misschien wel de schoonste sedert de Marseillaise".

    Maar toch uit hij ook bedenkingen bij dit geenszins eenvoudige lied van Van Hoof. "[Kunnen] zulke moeilijke woorden […] en zulke moeilijke zangwijze, samen met zulke moeilijke begeleiding, wel uit het hart van het eigenlijke volk […] opklinken?" En inderdaad, de melodie is niet eenvoudig, met haar vele sprongen (dikwijls kwinten) en weinig aangesloten bewegingen. Ook de harmonie is bijwijlen gedurfd: vanaf maat 19 tot 21 bijvoorbeeld gebruikt Van Hoof een chromatische baslijn, die zorgt voor onverwachte klankcombinaties. Tenslotte is er het contrapunt tussen melodie en baslijn vanaf maat 25, dat het lied een stuwende dynamiek geeft. Dat het lied zich bovendien uitstekend leent tot bewerkingen voor groter orkest is in één oogopslag merkbaar. Ondanks het feit dat Lambrechts ervan overtuigd was dat het "lang zou duren, vooreer die woorden en die muziek in de hersenen vastgespijkerd zullen zitten", heeft het lied nooit aan populariteit ingeboet. Ook nu weerklinkt het steevast op de Vlaams Nationale Zangfeesten.

    Literatuur:
    [1] Leytens, Luc, Thematische catalogus van de werken van Jef Van Hoof, Brussel: 1994, p. 79-81.
    [2] Gezelle, Guido, Verzameld Dichtwerk, deel 7: Nagelaten Dichtwerk, Kapellen, p. 105.
    [3] Verstraete, Pieter-Jan, De Guldensporenherdenkingen tussen 1889 en 1914, in: De Guldensporenherdenkingen en de stadsontwikkeling onder burgemeester Auguste Reynaert te Kortrijk (1884-1915): tentoonstellingscatalogus, Kortrijk: 1984, p. 59 ev.
    [4] Standregelen van de Groeningerwacht, Drukkerij J.V. Schoepen, Antwerpen - AMVC G 838.

    Historische Tekst: Groeninge of De Leeuwen dansen (door Jef Van Hoof)
    In ontelbare gelegenheden werd het machtige strijdlied van Jef Van Hoof door de feestminnende Vlamingen aangeheven en telkenmale wist het warmte in de harten te ontsteken en kracht aan de juichende stembanden te geven. In de herinnering van menig fieren landgenoot blijft het onafscheidelijk verbonden aan heerlijke blijdagen vol zonneschijn en triomfgeschetter, fladderende wimpels en beierende klokken.

    Enkele maanden na zijn verschijning had het reeds den naam van den jeugdigen toondichter, een organist uit de Scheldestad, de Vlaamschsprekende gouwen rondgedragen, en tot in de verste uithoeken van Vlaanderen, Brabant en Limburg gingen... de leeuwen aan 't dansen! Wel kenden we reeds verscheidene compositiën van hem, die onze aandacht hadden gescherpt, en ons de hoop hadden laten voeden: "Wacht maar, daar kan nog wel wat anders uit groeien! Dat lijkt een begaafde, een uitverkorene!" En zijn jeugd indachtig troostte ik mij met het schoone woord van M. des Ombiaux: "En art, seule une grande foi peut remplacer une forte discipline." Trouwens, wij weten dat Mendelsohn, - die niet in een tijd van stoom en electriciteit leefde, gelijk de onze, - maar zeventien jaar oud was, toen hij het puike openingstuk voor Zomernachtsdroom schreef, en talrijke andere voorbeelden uit de muziekgeschiedenis, - Bach, Haendel, Mozart, - zijn daar om te bewijzen, dat de inspiratie geen bepaalden ouderdom kent.

    De bundel diepgevoelde Giza-Ritschl-Liederen, die Van Hoof weldra liet volgen, was, ofschoon miskend door een groot deel van de Vlaamsche pers, vrij wat meer dan een belofte. "Wie dàt kan, oordeelde ik bij me zelf, die kan misschien wel meer!"

    En toen kwamen plotseling, nagenoeg te gelijk, die drie puike bladzijden: 't Zal, Standaardlied en Groeninge, alle drie op kruimige teksten van Guido Gezelle, en nauwelijks was het laatstgenoemde, de gloeiende Gulden-Sporenhymne, het publiek der Antwerpsche liederavonden voorgezongen geworden, of... "Slaat op den trommel van dirredomdeine!", het moest onmiddellijk weerklinken in Mechelen en Brugge, in Leuven, Turnhout en Gent. En het weerklonk niet alleen op de woelige pleinen onzer fiere Vlaamsche steden, maar ook op twintig, op tachtig andere plaatsen, dorpen en dorpjes, heinde en ver, sterk in zijn overmoedige kamp- en jubelvreugde, almachtig, triomfantelijk!

    Een nieuw strijdlied was geboren, één der schoonste sedert Benoit, één der rijkste en geweldigste uit het kleine land, dat gansche schatten van machtige strijdliederen bezit. Geen volk ter wereld heeft zijn vaderland zoo geestdriftig bezongen als het onze!... Wij, Vlamingen, oog- en oorgetuigen van de onweerstaanbare zege, hebben iets gekend gelijk de dronkenmakende volksvreugde, die de Franschen uit den bloedigen revolutietijd moet overweldigd hebben, toen de pasgecomponeerde Marseillaise van Straatsburg naar Lyon, van Marseille naar Parijs wiekte, de hoofden der wraakgierige mannen gloeiend maakte, en zegepraal op zegepraal hielp behalen. Wij hebben dadelijk begrepen, dat die brullende Leeuwen-hymne eveneens overwinningen zou helpen behalen, maar van een anderen aard en op een ander gebied, op het gebied namelijk van onzen grooten en heilig- rechtvaardigen strijd.

    Evenals het Londensche volk uit de XVIII° eeuw, dat het breede God save the King van Carey en het even machtige Rule Britannia van Arne bij hun ontstaan mocht begroeten, hebben wij geestdriftig meegejoeld en meegehuild, wij hebben de hoeden in de ruimte gezwaaid, onze hakken stuk gestampt op den harden grond, wij hebben met de woeste leeuwen meegedanst, - en daarna, zie, daarna hebben wij een tijd onthutst en vertwijfelend stilgestaan, elkaar woordeloos bekijkend, niet wetend of het waarheid was... Jawel, het wàs waarheid, het is waar: naast Den Vlaamschen Leeuw, die eveneens door een jongen man in 't leven werd geroepen, - hij was nauwelijks één en twintig jaar oud, - hebben we een nieuwe strijdhymne gekregen, één der schoonste van Europa, gloeiend, fier, grootsch, en wij zullen wel zorgen, wij kloeke, stoere Vlamingen van heden, dat zij een stem zal geven aan al ons lief en leed, dat zij op de lippen der komende geslachten niet verzwakken, niet verstommen zal.

    Het Vlaamsche heir staat immer pal, 
    Daar 't winnen of daar 't sterven zal; 
    Alhier, aldaar, aan lange lansen
    De Leeuwen dansen.

    De winden schudden met geweld 
    De zwarte blomme in 't geluw veld: 
    De kwaden zien, beneên de transen,
    De Leeuwen dansen!

    Met bezemen, zoo komen ze af,
    Om 't Vlaamsche volk af te ransen,
    Als ijdel kaf, dat 't zweerd onweerd is.
    De Leeuwen dansen!...

    Harop ! Harop ! De trompe steekt! 
    De boeien los, de banden breekt! 
    Ten vijand in ! Dat op zijn schansen
    De Leeuwen dansen!

    Sta vuist en voet de vane omtrent! 
    En gij, die recht noch eer en kent,
    Ruimt bane, eer op uw veege bansen
    De Leeuwen dansen!...

    Door een vinnig geschal van trompetten, die een groote rol in het feestelijk marschlied spelen, - Van Hoof denkt geregeld voor ruimte, volk en orkest, - wordt de kranige compositie voorbereid.

    De eerste twee verzen klinken mannelijk en forsch, naar een zelfde klimmende voois, en klimmend is ook nog de muziek der volgende twee verzen: men voelt, dat er wat bonzen moet in het binnenste van dien geweldigen zanger-kampioen, - die, tusschen twee streepjes gezeid, maar een zwak lichaamsgestel en hoegenaamd geen stem van den Schepper ontvangen heeft, - en dat het, kost wat kost, vulkanisch, naar buiten breken wil. Zware bassen schijnen den stap van logge, ruwe mannen te rythmeeren, die wil in den kop en daden in de vuisten hebben, die voor niets en niemand vervaard zijn, en almachtig wild vooruitrukken,' den toehoorder weldra zullen meerukken, onweerstaanbaar.

    En daar begint, ingeleid door eenige forsche akkoorden, de prachtmelodie der dansende leeuwen, een blijde, niet twijfelachtige voorspelling van de nakende zegepraal. Ze schijnt geleidelijk uit het voorgaande op te groeien; zij klimt en daalt, op een sierlijk golvende lijn. "Wonderschoon!" getuigen leek en musicus. "Indien het lied zoo voortgaat..."

    Wacht maar: het zal nog schooner worden! Een goede compositie moet immers een logische ontwikkeling zijn, - een groei.

    Een nieuw lid der melodie begint bij de woorden: "Met bezemen zoo komen ze af!" En het is even gemakkelijk gevonden en het heet den toehoorder even hartelijk welkom als hetgeen voorafgaat: sarcastisch, huilend, woest. Dat is echte strijdmuziek.

    Wat die herhaalde akkoorden in de begeleiding eigenlijk beduiden moeten? Wij vatten niet... Om 't even; zij brengen afwisseling, zij geven stevigheid, volte aan de muziek, naarmate deze heerlijk verder schrijdt. En daar, daar barst het refrein los, driemaal herhaald, op een wonderschoon motief, breed grootsch, een machtig openbloeien der muziek.

    Het weergekeerde trompetgeschetter speelt voort, geeft lucht aan de wilde, de overweldigend blijde stemming, die zich van de kampioenen meester maakt, en het gunt de kelen der zingende massa, van wie tamelijk veel geëischt werd, een oogenblik respijt.

    Voor dengene, die deze krachtige volkshymne gezongen heeft, - misschien wel de schoonste sedert de Marseillaise, en gelijk heel Duitschland er geen weet aan te wijzen, - mogen de bekende woorden van Kloos aangehaald worden: "Hij draagt den gloed in zijn ziel, den wil in zijn hand en den kus op zijn voorhoofd!"

    Daarenboven bezit hij nog een andere kostbare gave, waarop zoo weinigen kunnen bogen: als van zelf schijnt hij voor open-lucht-uitvoeringen te componeeren. Gelijk sommigen denken voor 't huisgezin, anderen voor orkest of harmonie, nog anderen voor orgel of klavier, zoo voelt, zoo droomt en zoo dicht deze kranige volksjongen voor het open plein en den luid feestvierenden menschenstroom. Hij is één met die menschen, fier en overgelukkig met dat juichende en dansende volk. Zijn ziel is hun aller ziel, en zijn eigen ziel is in de ziel van allen; zij vergroeit, zij versmelt er mee tot een enkel machtig-grootsch geheel...

    Van critiek wil ik mij ditmaal stelselmatig onthouden. Wel zou ik kunnen wijzen op een noot, die misschien wat lang aangehouden wordt voor een volkslied; op een ademhaling, die wat beter kon verzorgd zijn; op een paar stiften, die het volk ongaarne in acht neemt; maar dat heeten kleinigheden, die hier weinig van tel zijn, en die ik eigenlijk op veel compositiën zou kunnen aanwijzen, zelfs in het werk van de allerbesten onder onze meesters.

    Liever zou ik den lezer en den toonkunstenaar een argument van een gansch anderen aard in bedenking willen geven.

    Is een volkslied in wezenlijkheid een lied, dat uit het volkshart dient op te wellen, en dat als van zelf in volksbijeenkomsten aan 't schallen en aan 't schateren gaat, dan vraag ik mij af, of zulke moeilijke woorden, - wat beteekent bansen? - en zulke moeilijke zangwijze, samen met zulke moeilijke begeleiding, wel uit het hart van het eigenlijke volk kunnen opklinken, vooral van ons volk, dat nog zoo arm aan cultuur is, dat nog zoo bitter weinig geoefend is in lezing, voordracht en muziek. Wel weet ik, dat met het woord 'volk' niet de roepers en schreeuwers van het janhagel mogen bedoeld worden, die buiten alle kunst begeeren te leven, en trouwens ook buiten alle zeden en alle wet leven. Zulke lieden late men zingen wat zij willen: Mie Katoen of Jefken is getrouwd of Bokkie Bokkie Bè! Straatzang is geen volkszang. Die versmaden stelselmatig alle esthetische ontwikkeling door de muziek, zoo wel als alle andere mogelijke veredeling door schilderkunst, lectuur, voordracht, tooneel of wat het ook zij. Elke poging in dien zin zou boter aan de galg zijn. De muziek verzacht de zeden; ja wel, maar dààr niet; in de voorgebergten der helle voorzeker niet.

    Heeft iemand in zich zelven geen muziek,
    Roert hem de mengling niet van zoete tonen, 
    Die mensch deugt tot verraad, tot list en roof; 
    't Is duister in zijn geest als middernacht,
    In zijn gemoed, zoo zwart als 't rijk der schimmen; Vertrouw hem nooit!

    De fractie, die ons meest aanbelangt, moet bestaan uit het deftig gedeelte der werkende klasse, versterkt door de kleine burgerij, door de helft der buitenlieden en het grootste deel der Vlaamsche ambtenaars. Welnu, ook deze groep zal het onderhavige lied vrij moeilijk vinden. Lang zal het duren, vooreer die woorden en die muziek in de hersenen vastgespijkerd zullen zitten, en bitter weinig moeite zal het kosten, eer ze er weer uit verdwenen zullen zijn.

    Korten tijd na de verschijning van het lied, hoorde ik het toevallig te Leiden uitvoeren door een groepje Belgisch-Vlaamsche hoogstudenten,... en zij vielen door de mand, als 't u belieft!

    Dat lijkt mij zoo een volkslied, niet voor het ware volk, maar zie, bijna gelijk men in Holland zeggen zou, "voor de bocht van de Heerengracht." En de ervaren Berckenhof, in Kunstwerken en Kunstenaars, haalt het gepaste woord van Multatuli aan: "Op zeer weinig uitzonderingen na, laat het volk zich geen zangen voorschrijven door deftige heeren."

    Hebben de toondichters zich in den laatsten tijd op de verheven, maar moeilijke en grillig ineengestoken Gezelle-teksten geworpen gelijk de bieën op een honigveld, dat schrijf ik toe aan vooroordeel, snobisme en vaak aan onmacht. Zij schijnen sterke woorden noodig te hebben, om hun dorre muziek te bevruchten; zij willen iemand vinden, die hun vleugels aan den schouder binden kan. Een uitgangspunt dat mij heel bedenkelijk voorkomt. "Ja, maar die gedichten zijn toch zoo oorspronkelijk, zoo persoonlijk!" hoor ik iemand opwerpen. Precies dààrom deugen ze niet voor volksmuziek, die absoluut geen persoonlijke, maar bepaald ónpersoonlijke, àlgemeene eigenschappen hebben moet; dergelijke liederen moeten immers niet door één, maar door duizenden menschen gezongen worden, zoodat het karakter van den enkeling hier niet in aanmerking komen kan. Naar mijn bescheiden meening waren de eenvoudlievende Theodoor Sevens, de rythmisch-klare De Geyter en de gemakkelijk-gemoedelijke Emmanuël Hiel op den goeden weg. Die gaven werkelijk teksten voor volksmuziek. "De volksdichter is de volksstem, die zich in schoonheid te uiten weet", zegt Adema van Scheltema. Ook meen ik, dat de onvolprezen Strijdkreet van Ledeganck-De Geyter-Benoit meer kans heeft op een durende populariteit dan het zware, veeleischende Groeningelied van Gezelle-Van Hoof.

    Voorzeker moet het volkslied, wil het werkelijk op de ziel van het volk inwerken, en wenscht het die ziel beslist te verheffen, te veredelen, meer in nobelen dan in laag-populairen zin opgevat worden. Jawel. Honderdmaal heb ik hetzelfde beweerd. "La musique, pas plus qu'aucune autre expression de la pensée, ne veut des illettrés", zegt Romain Rolland. En hier hebben wij inderdaad muziek gelijk zijn Christophe er zou gewild hebben, kunst met merg en bloed ! Maar men kan ook een àl te hoogen, een àl te strengen toon aanslaan.

    Het geneesmiddel?
    Een volgende maal de lier met wat minder strakheid stemmen.

    Deze overwegingen nemen hoegenaamd niets weg van de artistieke waarde der brieschende Groeninge-hymne, die de trots van onzen Van Hoof en van heel het herwordende Vlaanderen dient te heeten. Heeft men ze b.v. gedurende een tijdje niet meer meegezongen en krijgt men ze dan weer toevallig te hooren, dan kan het wel gebeuren dat men koude rillingen in den rug gevoelt, en dat men de heerlijke overtuiging opdoet:

    - Hier sta ik vóór het werk van een quasi-genialen man !
    Of hij nog hooger stijgen zal ?

    Voorzeker dient Daar is maar één Vlaandren een machtig breede melopee te heeten, ietwat naar het Wagner-ideaal; te begrijpen is het, dat sommige van zijn bewonderaars dwepen met zijn warm-melodische Miskenning; doch, naar mijn meening, heeft Van Hoof in zijn Leeuwenlied alles gegeven wat hij geven kàn! Zulke dingen schrijft een componist maar ééns in zijn leven!

    Lambrechts, L., Groeninge of De Leeuwen dansen (door Jef Van Hoof) in: Muziekwarande, Tijdschrift voor Muziekminnende Vlamingen, jg.1, nr.4, 1 april 1922, p. 76-80.