ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 91 (juli-augustus 2010)

1. VAKANTIE! Een eeuwigheid geleden : zomer 1910
door Annelies Focquaert

Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1910 – waarover we in Nieuwsbrief 87 al schreven – was 14 augustus één van de topdagen: een recordaantal van niet minder dan 100.000 bezoekers kwam die dag de paviljoenen bekijken, ondanks de zinderende hitte.

Maar ’s avonds werd het wel erg warm: het postgebouw naast de hoofdingang vatte vuur, de brand breidde zich erg snel uit en legde bij zijn doortocht de volledige Belgische, Britse, Franse en Italiaanse secties in de as. Ook Brussel-Kermis moest eraan geloven, net als alle dieren uit het circus. Men liet de dieren liever omkomen dan dat men ze losliet in de menigte ramptoeristen. De enige die ontsnapte, was een olifant. Naar het schijnt was er geen enkel menselijk slachtoffer te betreuren: een mirakel.

Na de brand ging de tentoonstelling gewoon door en verschenen er talloze postkaarten over de ramp: de vernietiging van de gebouwen werd een onderdeel van de attracties.

2. De SVM-website breidt uit : nieuwe componistenfiches
door Annelies Focquaert

Ook in juli en augustus worden er nieuwe componistenfiches gepubliceerd op de SVM-website.

Het gaat om:
o Franz Uyttenhove (foto) 
o Karel Mestdagh (bibliografie en historische tekst) 
o Alfons Moortgat (bibliografie)

Volgende biografieën werden naar het Engels vertaald:
o Charles-Pierre Hanssens
o Flor Peeters 
o Joseph Tilborghs 
o Ferdinand Van Durme 
o Oscar Van Durme 
o Prudent Van Durme

3. Geknoopte oren : Parafrase op Kol Nidrei van Daniël Sternefeld
door Tom Janssens

"Als componist neem ik mij niet zo erg au sérieux." Daniël Sternefelds antwoord op de vraag of hij zich dirigent dan wel componist voelde, getuigt van een gezonde dosis zelfkennis. Een relativerende attitude die geen façade was. Zo noemde hij zijn balletmuziek liever 'orkestraties' dan 'composities' en gooide hij vrijwel al zijn toneelmuziek meteen na gebruik in de prullenmand. Niet alleen om zijn drukke dirigentenagenda, maar ook omwille van zijn compositorische zelfinschatting bleef het oeuvre van Sternefeld dus bewust erg klein. Een handjevol volksliedbewerkingen, de opera Mater dolorosa, twee symfonieën, het buitenissige 'oratorium' Heer Halewijn en enkele kamer- en orkestmuziekwerken: de muzikale erfenis van deze Joodse dirigent-componist is bepaald niet omvangrijk. Jammer, want Sternefelds beste partituren getuigen van een intelligente, persoonlijke en bijdetijdse kijk op muziek.

Nu en dan wist Sternefeld ook autobiografische elementen in zijn muziek binnen te smokkelen. Zijn claustrofobische Eerste symfonie bijvoorbeeld was de muzikale "uiting van angst en chaos, die we in de benauwende meidagen van 1940 beleefden." In zijn Parafrase op Kol Nidrei gaat Sternefeld zelfs zeer nadrukkelijk om met zijn Joodse roots. Deze lange tijd veronachtzaamde compositie (herontdekt en gereconstrueerd door Sternefelds leerling Wilfried Westerlinck) neemt als uitgangspunt het Joodse gebed dat alle geloften nietig verklaart en hernieuwt. Die pendelbeweging tussen opheffing en herstel nam Sternefeld erg letterlijk, door de gebedsmelodie te parafraseren en gedurig in andere, 'vernieuwde' gedaanten te laten opduiken.

De Elegie, zoals de Parafrase ook wel genoemd wordt, dateert van 1931 en werd geschreven door de toen vijfentwintigjarige Sternefeld. Het bijzondere, in donkere herfstkleuren gedrenkte orkestapparaat wijst reeds vooruit op Sternefelds latere expertise inzake orkestratie. Het pakweg twaalf minuten durende werk opent, na een doemvol (maar hypersensitief) openingsakkoord, met diepe bassen, nu en dan subtiel gestut door de in het orkest opgestelde piano. Een Engelse hoorn zet vervolgens een klaagzang in en meteen valt op hoe vrijelijk Sternefeld zijn muzikale materiaal alle ruimte geeft. Niet alleen wordt de melodie geschaduwd door een tegenmelodie, ook de basfiguur lijkt zich onafhankelijk van het melodisch materiaal voort te bewegen. Het levert een opvallend diffuus klankbeeld op, waarin melancholie in zee gaat met meerlagige introspectie.

Allengs meer stemmen treden naar voren, tot de strijkers zich op het voorplan werken. Samen met het hout creëert Sternefeld een ietwat ijle atmosfeer, die – mede door de nu pulserende bassen – een beweeglijke spanning oproept. De filmische atmosfeer wordt nog versterkt door het feit dat Sternefeld nu volledig inzet op homofone melodievoering, die zorgt voor contrast met de schaduwrijke polyfonie van daarvoor. Wanneer het klankbeeld opnieuw verstilt, voert de componist ons via een Debussyaans bruggetje naar een forsige presentatie van de Kol Nidrei-melodie door de (hoge) strijkers. Sternefeld laat alle strijkers na elkaar invallen, wat een passage oplevert die onmiddellijk doet denken aan gelijkaardige passages uit werk van Amerikaanse modernisten als Hanson of Schuman.

Een onaardse basklarinet plaatst zich vervolgens boven de ostinate basfiguur en voor eventjes lijkt het orkest te opteren voor opperste verstilling. Sternefeld lanceert echter een energieke, opzwepende variant op het hoofdthema. Hij doet dat in ware Mahlerstijl: een melodische versnelling, met een extatische trompet, wiens klimmende figuren opgepikt worden door woeste strijkers. De passage is een duidelijke knipoog naar Mahlers symfonische signatuur, en misstaat niet in Sternefelds partituur die – zo wordt nu duidelijk – eerder een snapshotachtige, hoogst originele vorm nastreeft. Sternefeld is niet geïnteresseerd in de grote spanningsboog, maar zoekt net de breuklijnen van de muzikale vertelling op. De Mahleriaanse passage kiept dan ook genadeloos om in een modernistische variant, die even zo snel filmische cliffhanger-allures aanneemt.

Sternefeld maakt van de daaropvolgende climax een klein stuntwerkje inzake orkestratie: op een zeer korte tijdspanne varieert het orkest om de zoveel maten van klankkleur en expressie. Na een reminiscentie uit Mahlers Zesde symfonie zakt het tempo gestadig, tot de resonantie van de orkestrale eruptie uitbreekt. Uit de assen van dit tumult verrijst een lange, gebruskeerde hoornsolo, die soelaas vindt bij de basklarinet. Terwijl hun melodische brokstukken op de achtergrond verdwijnen, plaatst de hobo zich vooraan. Voor het eerst krijgt de titel 'Elegie' zijn betekenis: deze fraai uitgesponnen hobosolo geeft het woord aan de evenzo elegische strijkers, die zich opmaken voor de slotmaten.

Slechts een enkele keer nog suggereert Sternefeld een doorkijk naar een nieuwe, geënerveerde variant, maar uiteindelijk eindigt deze Parafrase in opperste verstilling. De diepzwaar ronkende bassen die bij aanvang aanwezig waren, worden nu gereduceerd tot pizzicato’s, die een desoriënterende en dus uiterst bedrieglijke versnelling van het tempo voorwenden.

- Daniel Sternefeld - Orchestral Works: Mater Dolorosa, four interludes and finale, Symfonie nr. 1 in C, Elegy. Paraphrase on kol Nidrei, Variations on "Frère Jacques" door Brussels Philharmonic - het Vlaams Radio Orkest o.l.v. Arturo Tamayo (Et'cetera KTC 4029) 

4. Topstukken uit de VMI-catalogus : August De Boeck
door Adeline Boeckaert

De VMI-catalogus ontsluit circa 1120 titels met betrekking tot August De Boeck, geboren te Merchtem op 5 mei 1865 en overleden op 9 oktober 1937.

De Boeck stamde uit een traditioneel muzikale familie en kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, die aanvankelijk in hem zijn opvolger zag als organist te Merchtem. Als jongeman van 15 jaar trok De Boeck naar het Conservatorium van Brussel. Hij studeerde er notenleer, harmonie, contrapunt en fuga, en orgel bij Alphonse Mailly. In 1909 werd De Boeck benoemd tot harmonieleraar aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen, als opvolger van Paul Gilson. In 1920 werd hij op zijn eigen verzoek overgeplaatst naar dezelfde functie naar het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel. Een jaar later werd hij benoemd tot directeur van de Stedelijke Muziekacademie van Mechelen, die bij deze gelegenheid bevorderd werd tot Stedelijk Conservatorium.

Niet alleen deze drie instellingen bewaren manuscripten van hem: er kwamen ook autografen terecht in het AMVC-Letterenhuis, in de VRO-bibliotheek, in de muziekschool in Asse, in zijn geboorteplaats Merchtem, en enkele manuscripten werden bij privépersonen ondergebracht.

Al deze verschillende bewaarplaatsen kunnen dankzij de VMI-catalogus met één zoekopdracht doorzocht worden. August de Boeck heeft een uitgebreid oeuvre van zowat 350 titels nagelaten.

Zijn compositiestijl wordt als volgt omschreven: "Zoals zijn generatiegenoten is De Boeck steeds een romanticus gebleven, met een breed-vloeiende, mild-zangerige schrijftrant en een weelderige en kleurrijke instrumentatie. In zijn beginperiode werd hij sterk beïnvloed door de Russische nationale school met Rimski-Korsakov en Borodin wiens sprankelende muziek sterk inwerkte op zijn compositiestijl. Vrij vlug speelde ook het Franse impressionisme een rol naast een zekere beïnvloeding vanuit de opera’s van Wagner. Maar er is natuurlijk ook het typisch Vlaams aspect waardoor De Boeck een unicum is in onze nationale muziekwereld: tegelijk spontaan, vol humor, kleurrijk en gedragen door een sterk gevoelsleven. In zijn omvangrijk oeuvre treffen we werken aan die beslist de vergelijking kunnen doorstaan met die van beroemde buitenlandse componisten." Deze omschrijving is te lezen in het inlegboekje bij de cd Portrait of August De Boeck (1865-1937) Anthology of Flemish Band Music, Vol. 3, met Brass Band Buizingen o.l.v. Luc Vertommen en The Royal Symphonic Band of the Belgian Guides o.l.v. François De Ridder. Deze cd-opname brengt een bloemlezing van De Boecks oeuvre, met composities als Dahomeyse Rhapsodie, La Phalène, Fantaisie, Fanfare, Jubelmars – Marche jubilaire en La Route d’Emeraude. Ook deze opname werd in de VMI-catalogus beschreven, gedetailleerd tot op track-niveau.

- http://anet.ua.ac.be/desktop/vmi

5. Concert in de kijker : dubbelconcert Flor Peeters 
door Eric Hallein

Flor Peeters (1903-1986) was als organist en componist een van de belangrijkste figuren uit de Vlaamse muziekgeschiedenis van de 20e eeuw. Hij genoot ook een internationale reputatie. Hij concerteerde wereldwijd op de meest gegeerde podia en zijn composities staan nog steeds veelvuldig geprogrammeerd, ook en vooral in het buitenland.

Op zaterdag 18 september 2010 organiseert het Cultureel Centrum van Knokke-Heist een dubbelconcert met exclusief werk van deze vooraanstaande musicus, in de aanloop naar de 25e verjaardag van zijn overlijden.

Het eerste luik van dit dubbelconcert vindt plaats om 15.00 uur in het neoromaanse Zoutekerkje. Er worden eerst enkele orgel- en koorwerken gebracht. Op het Pels & Van Leeuwenorgel horen we enkele solowerken: Ein fest' Burg, Jesus Christ, Veni creator en Mit Freud und Freud, alle uit het opus 100; de Abdijvrede op. 16, alsook Herders hij is geboren en Heer Jezus heeft een hofken. Daarnaast wordt het Concerto voor orgel en piano op. 74 uitgevoerd. Dit werk is opgedragen aan Lieva Peeters, de dochter van de componist. Uitvoerders zijn de Schola Gregoriana Dominicana (Knokke-Heist), de Schola Cantorum Quilisima (Oudenaarde), organist Eric Hallein en pianiste Thuy Ca Le.

Om 20.30 uur volgt het tweede luik in de Heilig-Hartkerk. Organist Eric Hallein bespeelt het monumentale Klaisorgel, dat in 1935 werd ingespeeld door Flor Peeters zelf. Het concert begint met de Variaties en Finale op Laet ons met herten reine op. 20, een ideaal werk om de verschillende klankkleuren en registratiemogelijkheden van het orgel te demonstreren. Met het Adagio uit de Modale Suite op. 43 krijgen we een voorbeeld van Peeters' zangerigheid. De Toccata, Fuga en Hymne op Ave Maris Stella op. 28 is één van zijn vroegste bravourewerken. Uit het opus 68 komt vervolgens het koraal Wie schön leuchtet der Morgenstern. Met de Vlaamse Rapsodie op. 37 wilde Flor Peeters de Vlaamse eigenheid muzikaal weergeven. In de loop van deze briljante compositie horen we variaties op het bekende volkslied Ik zag Cecilia komen. Het In memoriam uit de Four Pieces op. 71 is een nostalgische klaagzang, gecomponeerd in volle Atlantische Oceaan, op het schip waarmee hij van zijn eerste Amerikareis naar huis terugkeerde. Het concert sluit af met Concert Piece op. 52a, een herwerking voor orgelsolo van een deel uit het Orgelconcerto op. 52.

Praktisch
- Zaterdag 18 september – Knokke-Heist
15.00u: Zoutekerkje: Schola Gregoriana Dominicana (Knokke-Heist), de Schola Cantorum Quilisima (Oudenaarde), Eric Hallein (orgel) en Thuy Ca Le (piano).
20.30u: Heilig-Hartkerk: Eric Hallein (orgel)

6. Alfons Moortgat (bis)
door Annelies Focquaert

In de historische tekst van Nieuwsbrief 89 (mei 2010) gaven we enkele brieven weer van Oscar Depuydt aan zijn oud-leerling Alfons Moortgat. Enkele dagen nadat onze Nieuwsbrief werd verstuurd, verwierf Peter François van de vzw Servais uit Halle een reeks orgelpartituren die toebehoorden aan Em. De Haspe, organist in Huizingen. Bij deze partituren zat een briefje van Moortgat aan De Haspe, dat een mooi vervolg is op de vermelde historische tekst. Met zijn eenmansuitgeverij Florescat in Tiegem gaf Moortgat zijn eigen werken en verzamelbundels met orgelmuziek uit (zoals Depuydt hem 30 jaar eerder had voorgesteld). Hij verkocht zijn waar op een manier die wat doet denken aan die van postorderbedrijven als 'La Redoute' vandaag. Klaarblijkelijk kreeg degene die overwoog om een werk aan te kopen, dadelijk nog enkele andere composities ter inzage, samen met enkele 'presenten' ter aanmoediging. In de alvast bijgevoegde rekening wordt een sympathieke korting van 10% verrekend. Werken waarover de bestemmeling niet tevreden was, mochten teruggestuurd worden. De grote verspreidingsgraad van Moortgats orgelbundels laat zien dat zijn assertieve 'commercie' vaak het gewenste resultaat had.
Met dank aan Peter François.

"Tiegem, 17/11/37

Mijnheer De Haspe,
Mag ik U even herinneren aan Uw belofte en U de keuze vergemakkelijken door u "Missa octava" ter inzage te zenden met een paar Kerstliederen enz.? "De Herderkens" is verleden Kerstdag uitgevoerd geweest door het Kinderkoor van St. Rombouts onder leiding van Z.E.H. Kanunnik Van Nuffel. Indien gij alles behoudt, krijgt gij de 4 Kerstliederen, het lied der Kath. Jeugd, H. Hart, St Jozef ten geschenke. Bovendien sta ik gaarne toe dat de 8e mis geruild worde met een twee- of driestemmige. Ik meen dat hetgeen ik u toezend wel vroeg of laat zal te pas komen. Met hartelijke groeten, te uwen dienste.
A. Moortgat.
P.S. Zoo gij niets terugzende, kunt gij ’t bedrag vóór December storten of laat ik een ontvangstkaart zenden."

7. De Ronde van Vlaanderen in 40 etappes
door Veerle Bosmans en Jan Dewilde

Op maandag 5 juli startte op Klara de 'Ronde van Vlaanderen in 40 etappes'. Elke dag wordt in het programma Brede Opklaringen een Vlaams werk uit de periode 1850-1950 voorgesteld, geselecteerd door Jan Dewilde. Voorwaarde voor de selectie was dat het werk op cd beschikbaar is. Dat betekent dat het niet gaat om een 'top 40' van de Vlaamse muziek uit die periode want, niettegenstaande de zeer lovenswaardige inspanningen van een label als Phaedra, blijven heel wat cruciale werken uit de Vlaamse muziekgeschiedenis slechts als partituur bestaan: symfonieën van Charles-Louis Hanssens, Michel Brusselmans of August L. Baeyens, koorwerken van Franz Uyttenhove, opera’s van Paul Gilson en August De Boeck, de grote vocale werken van Peter Benoit… Wat wél op cd bestaat, is niet het resultaat van een doordacht, overkoepelend opnamebeleid, maar eerder het resultaat van geïsoleerde, individuele inspanningen. Deze selectie is dan ook geenszins als een canon van de Vlaamse muziekproductie uit die periode te beschouwen.

Wat staat er dan wél op de lijst? Peter Benoit kan natuurlijk niet ontbreken: van zijn hand horen we het Fluitconcerto, een deel uit zijn Requiem, Naspel: aan zee en zijn overbekende en prachtige Troisième fantaisie. Ook oude bekenden als August de Boeck (Dahomeyse Rapsodie, 7 Mélodies, Andante uit het Concerto voor viool en orkest, Eerste deel uit Symfonie in G), Joseph Ryelandt (Finale uit Symfonie nr. 4, Proloog uit Agnus Dei, Allegro moderato & Andante uit Strijkkwartet nr. 2), Lodewijk Mortelmans (Als de ziele luistert, Elegie I. In memoriam, Morgenstemming) en Marinus De Jong (Ballade 'Ex vita mea' in suitevorm opus 3a, Nocturno en Finale uit Sonate 'Pacis, doloris et amoris') verschijnen op het appel. Daarnaast heeft Jan Dewilde getracht wat minder bekende componisten of muziek aan bod te laten komen, met onder andere de Liebeslieder im Mai opus 26 van Arthur Wilford en Jazz Music van Marcel Poot.

Elk geselecteerd werk wordt gekoppeld aan een muzikale pendant die om thematische of chronologische redenen gekozen wordt uit het Vlaamse en internationale repertoire.

Meer details over de uitzenddata vindt u op www.klara.be of in de kalender van het SVM.
Hieronder vindt u de achtergrond bij de geselecteerde werken voor juli:

WEEK 27: 5 juli 2010 – 9 juli 2010

Peter Benoit, Fluitconcerto

Gaby Van Riet & Radio-Sinfonieorchester Stuttgart des SWR o.l.v. Fabrice Bollon (Hänssler classic)
Concerto’s voor fluit zijn een zeldzaam goed in de negentiende eeuw, solo laat het instrument zich immers moeilijk combineren met een exploderend romantisch orkest. Een van de meest geslaagde bijdragen aan dit genegeerde genre komt van Peter Benoit (1834-1901), in een van zijn zeldzame zuiver orkestrale werken dan nog. Benoit opent meteen, 'in medias res', met het solo-instrument en laat de aandacht niet meer verslappen. Met een economisch gebruik van de middelen, bereikt hij een maximum aan contrast, variatie en effect, wat meesterschap verraadt.
+ Peter Benoit, Légende de l’esprit de la Lys (uit Contes et Ballades)
Naar de geest van de tijd dacht Benoit in grote cycli (denk aan Der Ring). Zo zag hij zijn fluitconcerto, pianoconcerto en de pianocyclus Contes et Ballades als één geheel dat ook als dusdanig op één avond uitgevoerd moest worden.

Michel Brusselmans, Rhapsodie flamande
BRTN Filharmonisch Orkest o.l.v. Alexander Rahbari (Discover)
Michel Brusselmans (1886-1960) is een buitenbeentje onder de Vlaamse componisten, en niet alleen omdat hij in Parijs is geboren. Na zijn studies aan het Brussels Conservatorium studeerde hij verder bij Vincent d’Indy aan de Parijse Schola Cantorum. Als een 'compositeur fantôme' schreef hij voor de Parijse uitgeverij Salabert zowat 700 filmpartituren. Dat werk gaf hem de vrijheid om, teruggetrokken in de Provence, aan zijn eigen oeuvre te werken. Inspiratie vond hij zowel in Vlaanderen (Esquisses flamandes, Kermesse flamande) als in Frankrijk (Scènes provençales), in het verleden (Spinning Wheel) als in het heden (The Railway). Dat hij, zoals zovele Belgische collega’s, bij Paul Gilson orkestratie heeft gevolgd, laat zich horen in deze Rhapsodie flamande (1931). Hij vervalt hier niet in folklore, maar creëert eigen thema’s die idiomatisch volksliederen lijken.
+ Albert Roussel, Rhapsodie flamande
Niet alleen Vlaamse componisten schreven Vlaamse rapsodieën, ook Albert Roussel heeft er een op zijn oeuvrelijst staan. Een Fransman, al is hij in Tourcoing, haast op de Belgische grens geboren.

August De Boeck, Selectie uit 7 Mélodies: Eté, Sonnet, Mystère, Le don
Nina Stemme & Jozef De Beenhouwer (Phaedra)
Ongewoon en buitengewoon, hoe August De Boeck (1865-1937) zich hier inleeft in de toch wel persoonlijke poëzie van de jonge Jeanne Cuisinier, die later een bekende antropologe zou worden. Prachtige zanglijnen die weldadig interfereren met de harmonisch rijke pianopartij, een weldadig huwelijk tussen laatromantiek en impressionisme.
+ Frits Celis, Drei Lieder op. 17
Frits Celis is een van die componisten die zich bekommerd hebben om de nalatenschap van zijn voorgangers. Zo is hij in woord en daad een gedreven promotor van het werk van August De Boeck.

Marinus De Jong, Ballade 'Ex vita mea' in suitevorm opus 3a
Jozef De Beenhouwer (Phaedra)
Dit virtuoze en intense gedicht voor piano is een klinkende weergave van een diepe crisis die Marinus De Jong (1891-1984) aan het begin van de Eerste Wereldoorlog doormaakte. Door het overmatig werken was hij uitgeput en hij worstelde met persoonlijke problemen. Hij zocht rust in een Benedictijnerklooster en in de studie van het gregoriaans. Deze zevendelige ballade, gecomponeerd in 1917, is een hoogtepunt in de Vlaamse pianoliteratuur.
+ Ottorino Respighi, derde deel uit Concerto gregoriano
Net zoals Marinus De Jong bestudeerde Ottorino Respighi grondig het gregoriaans. Bij beiden bleef het niet bij studie, het gregoriaans beïnvloedde hun werk in hoge mate.

Joseph Ryelandt, Finale uit Symfonie nr. 4
Koren & Symfonieorkest van Vlaanderen o.l.v. Francis Bollon (Cypres)
Niet te geloven dat deze symfonie 47 jaar lang op haar creatie heeft moeten wachten: Joseph Ryelandt (1870-1965) trok de laatste maatstreep op 4 juni 1913 en pas op 10 april 1960 kreeg Ryelandt het werk te horen. Hij was toen 90... Al die jaren hoopte hij: "Peut être qu’un jour on ne la trouvera pas mal." Ryelandt, een van onze grote symfonici, hangt deze programmatische symfonie meesterlijk op aan één thema. Diepgelovig als hij was, ontleende hij het thema aan het liturgisch Credo.
+ Daniel Sternefeld, selectie uit Rossiniazata
Het was Daniel Sternefeld die in 1960 – eindelijk – Ryelandts Vierde symfonie boven de doopvont hield.

WEEK 28: 12 juli 2010 – 17 juli 2010

Flor Alpaerts, selectie uit de James Ensor suite

Vlaams Radio Orkest o.l.v. Michel Tabachnik (Klara)
Deze vierdelige suite uit 1929 is het meest originele werkstuk van Flor Alpaerts (1876-1954). Alpaerts heeft zich wonderwel ingeleefd in Ensors wereld, waarvan hij vooral het sarcastische, groteske en macabere accentueert. Als dirigent was hij zeer vertrouwd met de mogelijkheden van het orkest. Hij laat zich hier als een bijzonder origineel en veelkleurig orkestrator horen die, nu eens met de grove borstel, dan weer met een fijn penseel, fraaie kleurschakeringen schildert. Een plastische partituur!
+ Luc Van Hove, Carnaval op het strand
Talrijk zijn de componisten die zich door schilders hebben laten inspireren. Denk maar aan Benoits Rubenscantate of aan de Scènes breugheliennes van Michel Brusselmans. In Carnaval op het strand giet Luc Van Hove, net als Alpaerts, Ensors wondere wereld in klanken.

Flor Peeters, Variationen und finale über ein altflämisches lied op. 20
Eric Hallein (OAWR)
Dit is het meesterlijke antwoord van Flor Peeters (1903-1986) op Marcel Dupré’s Variations sur un Noël (het werk is trouwens aan Dupré opgedragen). Op basis van het kerstlied Laet ons mit herten reyne bouwt Peeters een achtdelig monumentaal werk dat uiteenlopende virtuoze eisen aan de uitvoerder stelt en het hele kleurenpalet van het orgel laat klinken.
+ Charles Tournemire, Les cloches de Moscou: lentement uit Symfonie nr. 3
Flor Peeters had een grote bewondering voor Charles Tournemire, niet alleen een excellent organist maar ook een bijzonder originele componist. Beiden waren Franckisten, ze correspondeerden en werden bevriend.

Arthur Wilford, Liebeslieder im Mai op. 26
Marie-Noëlle de Callataÿ, Lucienne Van Deyck, Johan Vrederveldt, Werner Van Mechelen, Vlaams Radiokoor, Christel Kessels, Alexander Leman o.l.v. Vic Nees (Vox Temporis)
Arthur Wilford (1851-1926) was een enthousiast verdediger van Peter Benoits muziekbeweging. Maar dat engagement gaf hij een originele invulling: geen 'Hoezee' en 'Vlaanderen de leeuw' bij hem, maar integendeel een oproep aan zijn collega’s om meer kamermuziek te schrijven. Als componist vervoegde hij de klassiek-romantische traditie in de lijn Mendelssohn-Schumann-Brahms. En hij had een onmiskenbaar talent voor charme en voor sierlijke melodieën.
+ Richard Wagner/Louis Brassin (arr.), Walkürenritt (Die Walküre)
Arthur Wilford maakte eerst carrière als concertpianist. Aan het Conservatoire Royal de Bruxelles had hij gestudeerd bij de pianovirtuoos en Wagneriaan Louis Brassin.

Marcel Poot, Jazz music
De Gidsen o.l.v. Norbert Nozy (World Wind Music)
Marcel Poot (1901-1988) schreef Jazz music voor de Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen. Het was ook dit befaamde orkest, onder de leiding van zijn dirigent Arthur Prevost, dat het werk tijdens een Amerikaanse concerttournee in 1929 creëerde. Op vraag van Pierre Monteux maakte Poot ook een symfonische versie. In zijn jeugdjaren ging Poot dansen op jazzmuziek, en dat hoor je.
+ George Gershwin, Ouverture tot Girl crazy
Nog meer jazzy muziek, uit dezelfde periode als Poots Jazz music.

Paul Gilson, Mélodies écossaises
Moscow Symphony Orchestra o.l.v. Frédéric Devreese (Naxos)
Zonder Paul Gilson (1865-1942) had de Vlaamse/Belgische muziek helemaal anders geklonken: het is moeilijk om uit die periode een componist te vinden die niet door hem in de orkestratiekunst is ingewijd. Deze Mélodies écossaises schreef hij in de jaren 1891-1892, kort voor zijn meesterwerk La mer. Zijn Schotse melodieën mogen gerust naast de grote romantische strijkersserenades van Dvořák, Tchaikovsky en Elgar staan.
+ Edward Elgar, Serenade for strings
Eveneens in 1892 componeerde Elgar zijn Serenade for strings. Bovendien heeft Elgars strijkersserenade een band met Vlaanderen: merkwaardig genoeg werd het werk in Antwerpen gecreëerd, op 23 juli 1896, door het Dierentuinorkest o.l.v. Edward Keurvels.

WEEK 29 : 19 juli 2010 – 23 juli 2010

August De Boeck, Dahomeyse rapsodie

VRO o.l.v. Marc Soustrot (Klara)
Naar eigen zeggen pikte August De Boeck (1865-1937) het beginthema van zijn populaire Dahomeyse rapsodie (1893) op van rondreizende muzikanten uit Dahomey (nu Benin), die hij in Brussel aan het werk hoorde. Maar van exotisme of folklorisme is hier niets te merken. De Boeck schreef een gebalde partituur, virtuoos georkestreerd en vol melodieuze vindingrijkheid.
+ Gangbé Brass Band, Beautiful Africa
Afrika klinkt wel heel ver weg bij De Boeck, daarom deze aanstekelijke mengeling van volksmuziek uit Benin en jazz.

Daniel Sternefeld, een deel uit Symfonie nr. 1
Brussels Philharmonic o.l.v. Arturo Tamayo (Klara)
Wie deze symfonie beluistert, kan niet anders dan betreuren dat Daniel Sternefeld (1905-1986) het grootste deel van zijn carrière aan het dirigeren heeft gewijd, ten koste van zijn compositorische productie. Sternefeld schreef deze indrukwekkende symfonie in 1943, terwijl hij, omwille van zijn Joodse roots, angstig ondergedoken leefde voor de nazi’s. Een jaar eerder had hij nog zijn leven geriskeerd om de begrafenis van zijn leraar Paul Gilson bij te wonen. Dat hij deze symfonie in prangende omstandigheden schreef laat zich horen: het is een bijzonder intense symfonie, gespannen, geagiteerd, rauw, dreigend, maar tenslotte ook hoopvol. Een meesterwerk!
+ Frank Vanderstucken, O come with me in the summer night
Frank Vanderstucken, een leerling van Peter Benoit, maakte een grote carrière in de Verenigde Staten en was een van de eerste jetsetdirigenten. Op het einde van zijn leven gaf hij dirigeerles aan de jonge Daniel Sternefeld.

Robert Herberigs, Ariane
Daniel Blumenthal (Pavane)
Robert Herberigs (1886-1974) was een uomo universale: hij componeerde, schilderde en schreef romans. Bovendien was hij zeer sportief en bouwde hij in de Ardèche een succesvolle abrikozenplantage uit. Als componist liet hij een bijzonder groot oeuvre na, waarin zowat alle genres vertegenwoordigd zijn. In de jaren 1920 gaf hij een eigen interpretatie aan het impressionisme, zoals in dit schitterende pianowerk uit 1924.
+ Maurice Ravel, Pavane pour une infante défunte
Herberigs koesterde een grote bewondering voor Ravel, aan wie hij ook zijn pianowerk Ariane opdroeg.

Peter Benoit, Dies irae uit Requiem
Koren & deFilharmonie o.l.v. Philippe Herreweghe (deFilharmonie)
Terwijl Peter Benoit (1834-1901) in Parijs zijn droom om het als operacomponist te maken zag verdampen, bouwde hij verder aan wat zijn imposante cyclus Quadrilogie religieuse zou worden: een vierluik gevormd door de Petite cantate de Noël, een Messe solennelle, een Te Deum en een Requiem. In dit Dies irae, dat in vergelijking met veel romantische requiem-zettingen eerder sober is gehouden, toont Benoit zijn uitmuntende en efficiënte koorbehandeling.
+ Jacques Offenbach, Ouverture tot Orphée aux enfers
Enkele maanden nadat Benoit met zijn studiebeurs van de Prix de Rome in Parijs arriveerde, ging Offenbachs Orphée aux enfers in première. Enkele jaren later werd Benoit om den brode dirigent van de Bouffes Parisiens. Het is in die zelfde Parijse jaren dat hij zijn Requiem componeerde.

Godfried Devreese, Allegro uit het Vioolconcerto nr. 1
Guido De Neve & BRT Filharmonisch Orkest o.l.v. Frédéric Devreese (Naxos)
Dat Godfried Devreese (1893-1972) een eerder klein oeuvre naliet, is te verklaren door een combinatie van een gezonde vorm van zelfkritiek én tijdsgebrek: Devreese was aanvoerder van de tweede violen van het Concertgebouworkest in Amsterdam, vanaf 1930 tot 1958 leidde hij als directeur de stedelijke muziekschool van Mechelen (waar hij ook concerten organiseerde) en daarnaast was hij als dirigent actief. Wat hij naliet is zeer de moeite waard, zoals het Vioolconcerto uit 1936. Devreese beschreef het werk zelf als 'half-Appoliniaans en half Dionysisch' en in die zin is het 'een spiegel van de dualiteit in 's komponisten innerlijkheid, gekenmerkt door een gelijkwaardige aanwezigheid van traditionalist en opstandeling.' Dat dualisme, dat overigens de eenheid geenszins schaadt, geeft dit concerto extra pit.
+ Frédéric Devreese, Allegro vivo uit Pianoconcerto nr. 1
Deze keuze was evident wegens de vader-zoonrelatie. Maar daarenboven heeft Devreese junior met zijn opnames van voor Naxos veel Vlaamse muziek eindelijk internationaal laten klinken.

WEEK 30: 26 juli 2010 – 30 juli 2010

Jef Van Hoof, Tempo di Marcia uit Symfonie nr. 3

Pannon Philharmonic Orchestra o.l.v. Zsolt Hamar (Phaedra)
Jef Van Hoof (1886-1959) wordt al te vaak eenzijdig afgeschilderd als een componist van strijdliederen en daarbij wordt vergeten dat hij ook een volbloed symfonicus was: in de laatste 21 jaar van zijn leven componeerde hij zes merkwaardige symfonieën. Zijn Derde symfonie ontstond in moeilijke oorlogsomstandigheden: hij vatte het werk aan in 1944, maar tussen september 1944 en maart 1945 werd hij op verdenking van collaboratie in de gevangenis opgesloten en pas na zijn vrijlating kon hij zijn symfonie voltooien. De symfonie baadt in een postromantische sfeer, vol voluptueuze klankkleuren en warme harmonieën. De ondertoon is nu eens tragisch, dan weer sarcastisch of heroïsch. De treurmars, een indringende klaagzang, is het emotionele hoogtepunt uit de symfonie.
+ Daniel Sternefeld, Variaties voor koperblazers en slagwerk
Van Hoofs Derde symfonie werd op 15 juli 1949 gecreëerd door het N.I.R.-orkest, gedirigeerd door Daniel Sternefeld.

Edgar Tinel, Allegro moderato uit Sonata in g 
Katharine Pardee (Pro Organo)
Edgar Tinel (1854-1912) weet in deze Orgelsonate (1886) verschillende stijlen te verwerken en toch tot een eigen idioom om te smeden. Een romantische geest in een klassieke structuur, het cyclisch principe van César Franck met een overwegend Duitse stijl, mystiek gekoppeld aan dramatiek, Bach en Brahms verenigd: Tinel synthetiseert al die invloeden tot een origineel meesterwerk uit de Vlaamse orgelliteratuur. Tinel droeg de sonate op aan Alphonse Mailly, een leerling van Jacques-Nicolas Lemmens.
+ Jules Van Nuffel, Domine, ne in furore tuo arguas me, Psalm VI
Tinels sonate werd door diens leerling Emiel de Groote op 7 augustus 1886 gecreëerd tijdens het inauguratieconcert van het nieuwe Anneessens-orgel in het Lemmensinstituut. Van 1918 tot 1952 werd dit Hoger Instituut voor Kerkmuziek geleid door Jules Van Nuffel.

Lodewijk Mortelmans, Als de ziele luistert
Werner Van Mechelen & Jozef De Beenhouwer (Phaedra)
Als de ziele luistert stamt uit Mortelmans' wonderjaar 1913: hij schreef toen een schitterende reeks Gezelliederen. Het is uitgepuurde, vergeestelijkte, contemplatieve muziek die diep gaat in zijn zoektocht naar de essentie van het verklankte gedicht. Muziek en woord vallen samen en tillen elkaar op.
+ Vic Nees, Ego flos
Nog een Gezellecompositie van een van onze beste en internationaal meest uitgevoerde componisten. Bovendien iemand die zich dirigent en musicoloog heeft gepionierd voor Vlaamse componisten.

Charles-Auguste de Bériot, Scène de ballet, op. 100
Itzhak Perlman & The Julliard Orchestra o.l.v. Lawrence Foster (EMI)
Leuvenaar Charles-Auguste de Bériot (1802-1870) demonstreert hier dat virtuositeit niet perse hoeft te vloeken met muzikaliteit: hij had een talent voor oorstrelende, charmante melodieën en zelfs in de virtuoze passages blijft hij altijd elegant. Muziek die niet diep gaat, maar wel sprankelt en waar de musiceervreugde vanaf spat.
+ Felix Mendelssohn-Bartholdy, Infelice
Mendelssohn componeerde deze ‘Szene für Gesang, Violine und Orchester’ voor de Bériot en zijn vrouw Maria Malibran.

Arthur Meulemans, Adagio
Czech Virtuosi Chamber Orchestra o.l.v. Edmond Saveniers (Phaedra)
Arthur Meulemans (1884-1966) componeerde dit geladen werk voor strijkorkest in het jaar 1939: er hing onheil in de lucht. Dit Adagio in c balanceert dan ook tussen melancholie en dreiging, al blijft de toon altijd beheerst. De componist bereikt hier een maximaal effect met spaarzame middelen: gebalde ideeën, eenvoudige, maar sprekende melodieën, een symmetrische opbouw. Beklijvend!
+ Richard Strauss, München. Ein Gelegenheitswalzer für Orchester
In datzelfde vooroorlogse jaar 1939 schreef Richard Strauss een wals voor een documentaire over München. Na het bombardement op München werd de 'Gelegenheitswalzer' herdacht tot een 'Gedächtniswalzer'.

8. Vers van de pers : Verklankt verleden 
door Annelies Focquaert

Wie vaak met Vlaamse muziek bezig is, voelt aan dat er in verschillende Vlaamse cantates, muziektheaterwerken en literatuur uit de negentiende eeuw rode draden en gelijklopende stijlen voorkomen, die niet altijd makkelijk te vatten zijn. Je vindt er een mix van muziek, historische (al dan niet geromantiseerde) iconen uit de Vlaamse geschiedenis, strijd voor een Vlaams verleden en vaak een taal die voor velen vandaag nog moeilijk volledig te begrijpen is. Vooral het genre van de muziektheaterwerken bevindt zich op het snijvlak van theater, tekst en muziek en is omwille van die interdisciplinariteit erg interessant, maar moeilijk te onderzoeken. Adelheid Ceulemans hield vorig jaar in een onderzoeksproject van de Antwerpse Artesis Hogeschool haar scherpe oog boven 28 Vlaamse muziektheaterwerken en maakte er een grondige tekstanalyse van, met aandacht voor zowel het inhoudelijke, stilistische als structurele niveau. De teksten van de muziektheaterwerken werden zoveel mogelijk in verband gebracht met hun historische context, in dit geval de Vlaamse, nationaal-didactische poëtica van de negentiende eeuw. Behalve de muziektheaterwerken (zangspelen) werden ook 12 'zuivere' muziekstukken (cantaten, liederen, ouverturen), waarin eveneens historische figuren centraal staan, bij het onderzoek betrokken.

Dit boek hoopt zo een te weinig bestudeerd genre onder de aandacht brengen en een originele en waardevolle bijdrage te leveren aan het onderzoek naar de negentiende-eeuwse literatuur en cultuur, met respect voor de eigen merites van die cultuur. In de bijlage werd het muziektheaterwerk De Belgische natie (1856) van Jacob Kats en Peter Benoit opgenomen in een diplomatische editie (waarbij de tekst is overgenomen zoals deze in het handschrift staat, met dezelfde hoofdletters, interpunctie, afkortingen en regelafbreking).

Ceulemans, A.: VERKLANKT VERLEDEN - Vlaamse muziektheaterwerken uit de negentiende eeuw (1830-1914): tekst en representatie, Brussel, 2010, 230 pagina's.
ISBN 9789054877455
€ 20,00
Te bestellen via http://www.aspeditions.be/article.aspx?article_id=COULIS851D,
Uitgeverij ASP (Academic & Scientific Publishers), Ravensteingalerij 28, 1000 Brussel

9. Historische tekst : De Vlaamse toonkunst
door Jan Dewilde en Paul Collaer

De historische tekst is deze keer van de hand van de musicoloog, pianist en organisator Paul Collaer (1891-1989). De typische modernistische spelling uit de jaren ’20 werd bij de weergave hieronder volledig behouden, interpunctie en schrijffouten zoals 'compronist' incluis.

Het is een opmerkelijk artikel, al is het maar omdat het duidelijk maakt dat Collaers beoordelingsvermogen, in zijn jeugdig enthousiasme en voortvarendheid, zwaar getroebleerd was, zowel retrospectief als wat de eigentijdse muziek betrof. Zo is zijn oordeel dat August Baeyens en Karel Albert 'beter 'n andere stiel [zouden] kiezen', terwijl hij E.L.T. Mesens en Hervé Claus (alias Alck) wel een toekomst als componist voorspelt, door de geschiedenis tegengesproken.

Dat een overwogen panorama van de hedendaagse muziek, voorafgegaan door een historisch overzicht, wel mogelijk is, bewijst het zeer degelijke artikel dat Charles Van den Borren en Frederick H. Martens een jaar eerder onder de titel The general trends in contemporary Belgian music publiceerden in The Musical Quarterly (vol. 7, nr. 3, juli 1921, p. 351-365).

***

De Vlaamse toonkunst

Het is zeer moeilik een degelik artikel te schrijven over de hedendaagse vlaamse muziek ; en dit om een heel eenvoudige reden : de vlaamse muziek bestaat heden niet.
De XIVe eeuw was voor Vlaanderen een glansrijke periode op muzikaal gebied. Met Tinctoris, Dufay, Okeghem, Obrecht, Joskyn, Larue, Willaert, Jannekyn en nog andere bloeiden de komponistenscholen te Gent, Brugge en Doornik. De kontrapuntkunst werd door deze scholen tot een summum gebracht. De geest der schilderijen van Memling, Van Eyck, Van der Goes en Van der Weyden bezielt ook de stukken die van dit tijdstip tot ons gekomen zijn.

De bedaarde bezadigde en werkzame vlamingen waren handig in het hanteeren der fijne draden van het kontrapunt. Met geduld weefde hij lichte en sterk muzikale stoffen. De hoven der hertogen van Bourgondie, der Pausen en der Franse koningen beinvloedden sterk de smaak der komponisten en sindsdien bleef de band met de latijnse geest voortdurend bestaan. Dit feit is geenszins verranderd : de kalme meditatieve geest van de vlaming past zich beter dan elk ander aan bij het klassieke begrip der kunst. Doch sedert de XIVe eeuw heeft Vlaanderen geen grote musici meer voortgebracht. De schilderkunst verwierf de grootste plaatsruimte in de kultuur, en heeft die tot op onze dagen behouden.

Rond 1880 echter herleefde muzikale bedrijvigheid. Om reden die ik hier niet zal nagaan vond Vlaanderen het nodig zich aan alle vreemde invloed te onttrekken. Zoals in Polen en Provence was de partikularistiese beweging bij ons heel sterk en de muziek werd in Vlaanderen gebruikt voor doeleinden die buiten de kunst lagen. Noch Benoit, noch Blockx, noch de ontelbare liedjesmakers die hen volgden verdienen als echte musici beschouwd te worden. Het groot sukses in ons klein Vlaanderen was enkel te wijten aan de politieke waarde der liederen. De europese muzikale wereld nam deze "Minnezangers" nooit ernstig op en hun vermaardheid ging nooit de volkskringen te buiten. Alleen Benoit, die aan het hoofd stond dezer richting dient opgemerkt om zijn "Moederspraak" dat een prachtige melodie is.

Dit steriel partikularism heeft uitgediend, Vlaanderen is er nu van bewust dat de gedachtenwisseling vruchtbaar is ; het internationalism nam de plaats in van het partikularism.

Vlaanderen komt terug tot de traditie. Die gedachte moet niet in een tijdschrift als dit ontwikkeld worden, anderen hebben het voor mij gedaan. Een hernieuwd belang voor de gedachten van andere rassen heeft nieuwe energie geschonken. Nooit werd er zoveel geschilderd, geschreven, gezongen in Vlaanderen als op onze dagen. Wij hebben enige jonge musici als Mesens, Baeyens, Monier, Albert, Vets, Ouwerckx, Alk, die ideeën hebben, ze trachten uit te drukken en er een vorm aan willen geven.

Vooreerst welk is hun uitgangspunt ? Ons land kon slechts door twee landen beinvloed worden : Duitsland, uit oorzaak van onze Germaanse geesteswending, Frankrijk om rede van onze overgeërfde latiniteit, Italje voor 't ogenblik zeer arm op muzikaal gebied laat ik onbesproken, alsook Spanje en Rusland, waar talentvolle musici en schilders zijn, - het oosters element dier landen is ons te vreemd. In Duitsland hebben we Schöenberg hyper-verfijnde hyperomantiese musicus, geniaal kunstenaar. In Frankrijk vinden we Debussy, Roussel, Ravel, Satie en Fauré. De jongeren waaronder Poulenc, Auric, en Milhaud, allen even klassiek.

De jonge Vlaamse musici verlieten met rede de Benoit richting, die een hunner niet lang geleden als "Guldensporen-muziek" betitelde. Deze jongeren willen slechts absolute muziek voortbrengen buiten alle literair gedacht ; ik kan ze enkel aanmoedigen want wij behoeven vooral een zuivere kunst. Zij spreken ook veel over de "vorm" in muziek, ik ga volledig met hen akkoord om te bevestigen dat de vorm van het grootste belang is.

En nu het "werk" der jonge kunstenaars, - hierin ben ik ietwat in verlegenheid. Want zo men bij Mesens, Monier en Alk een zekere oorspronkelikheidsgave kan ontdekken is het nogtans heel zeker dat geen onzer musici kan komponeren. De stiel is een buitengewoon moeilik iets. Men improviseert zich geen kompronist maar wordt het door een lange en moeilike studie. Verre van tot enige konstruktie bekwaam te zijn weten onze jonge musici absoluut niets af van hun stiel. Niet alleen kontrapuut en fuga maar zelfs de harmoniese zin ontbreekt in hunne improvisaties. Zij kunnen zelfs geen melodie bekomen. Deze waarheden zijn wreed, ik weet het.

De invloed van de meest vooruitstaande musici van onze tijd is verderfelik voor slecht voorbereide geesten ; de schuld is aan deze laatsten, niet aan de muziek. Wanneer ze de prachtige muziek van Schoenberg, Stravinsky en Satie horen verbeelden zich die jonge onwetenden dat al deze nieuwigheid de oude traditie wegvaagt. Zij beseffen niet dat die nieuwe muziek juist een uiterst sterke traditie als bron heeft. Op deze sterke rotsvaste stof wordt met verbazende durfkracht een techniek gebouwd die oorspronkeliker en nog strenger is dan de oude.

Neen de atonale Schöenberg laat geen willekeur toe. Als getuigenis : in een melodie uit Pierrot Lunaire, het dubbele canon, op twee themas, berustend op een onberispelike fuga met 3 stemmen, dit alles wordt na de eerste helft van 't stuk retrograderend.

Neen de polytonaliteit van Milhaud betekent geen chaos : zie de fuga in "Prothee" ; die met drie gelijklopende tonen in "L'Enfant Prodigue" ; bewonder dit prachtig kontra-punt met een volmaakte gestrengheid in "Le Printemps". En het tonale plan van "Socrate" ? en de melodiese struktuur van dezelfde "Socrate"?

Leest, jonge lieden, de "Gymnopédies" om de harmoniese waarde van 'n vals besluit te leren kennen, en speelt de sonate voor vier handen van Poulenc om in kennis te komen met de goed begrepen sonate-vorm. Bestudeert in Stravinsky de interferentie der rythmen, het evenwicht der welluidendheden en de harmonie vooral. In "Le Sacre du Printemps" is niet éne willekeurige noot te vinden, geen enkel onestheties akkoord.

Was het maar uitsluitend de stielkennis die ontbrak, dan nog konden we op de werkzaamheid van onze jonge muzikanten hopen. Maar daarbij is ook de geest niet goed bij sommige onder hen. Van al de durfkracht der hedendaagse groote komponisten vatten zij de bestaansreden niet en ontsnapt hun de wijze waarop ze ten berde gebracht worden. De voorbeelden van wat ik vooropstel zijn ontelbaar.

In de stukken van Mr. L. Baeyens, getitteld "Diogenes", vinden wij slechts 'n droeve parodie op de stijl van Satie. Een bas, volgehouden in volmaakte akkoorden van Ut-majeur dient tot draagkracht van 'n onnoemelike banaliteiten aaneenschakeling. De volgehouden bassen van Satie en Poulenc hebben de jonge auteur getroffen, en deze heeft niet gevat dat ze dienen om de waarde der melodie te doen uitkomen. Deze laatste, nu, bestaat eenvoudig niet bij Baeyens. Wat bij Satie noodzakelik is wordt hier redeloos. Het negatieve in de tweede macht geeft niets,... dan dadaïsm.

De bewuste melodie van "Diogenes" is banaal bij uitstek, omdat Cocteau de voordelen der banaliteit geroemd heeft. Een beetje spitsvondigheid zou Mr. Baeyens doen begrijpen dat de banaliteit om 'n bron van kunst te zijn, daarom niet minder om verklaringen vraagt, zoals in de "Cocards" van Poulenc, de tekeningen van Picasso en Braque.

In zekere liederen van Mr. Monier op woorden van Max Jacob, in een stuk als "Golem" van Mr. Vets, stuiten wij op dezelfde onbewerkte en ongestijleerde banaliteit. Onder dergelike voorwaarden was het niet de moeite waard ze neer te schrijven, en vooral niet toegelaten de titel "muziek" voorop te stellen.

In de tweestemmige verdichtsels van Albert en Baeyens of in de Sonate voor Hobo van Monier, gaat het er nog anders toe. Hier vinden we beinvloeding van de terugkeer tot de eenvoud der clavecinisten, die zich vooral hij Poulenc heeft geuit.

De tweestemmige schrijfwijze is biezonder als oefening aan te bevelen, maar kan slechts aan zeer begrensde voorwaarden toepassing vinden ; b.v. duos voor blaasinstrumenten, en uitzonderlik voor klavierstukken met 'n heel speciaal karakter. De Suite van Poelenc is typies in dit opzicht, alsook zijn sonate voor twee klarinetten.

De werken waarvan ik hoger sprak zijn slechts onbehendig kinder-schoolwerk met gebrekkig evenwicht en volstrekt onestheties als klank-resultaat. Mangel aan techniek en niet minder aan oordeel.

Laten wij hier eindigen met dit onderzoek. Onze jonge leerlingen-komponisten hoeven terug het conservatorium te bezoeken, de koorklas te volgen, kontrapunt te leren en in de bibliotheek de motetten en madrigalen van hun voorvaderen te lezen.

Eens zeer beslagen in de oude technieken, zullen zij al de nodige wetenschap bezitten om met sukses nieuwe schikkingen te zoeken. Ik spreek hier voor Mesens, Monier en Alk, die mij voorkomen muzikale gaven te bezitten. De overigen deden beter 'n andere stiel te kiezen dan die van komponist.

Binnen enkele jaren zullen wij de jonge toondichters terug vinden, rijker aan ondervinding en werkzaamheden ; en dan.... zal de Fox-Trott krissis tot het verleden behoren.

Paul Collaer, De Vlaamse toonkunst: in Het overzicht, nr. 13, november 1922, p. 3-4.