ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 93 (oktober 2010)

1. De SVM-website breidt uit : nieuwe componistenfiches
door Annelies Focquaert

Ook in oktober worden er nieuwe componistenfiches gepubliceerd op de SVM-website.
Het gaat om:
- Martin Lunssens (biografie, bibliografie, foto)
- Flor Peeters (uitgebreide bibliografie)
- Jozef Vandermeulen (historische tekst)

Volgende fiches werden naar het Engels vertaald:
- Flor Sax
- Guilhelmine Sabatier
- Adrien-François Servais 
- Jozef Vandermeulen
- Jan Van der Spurt
- Edmond van der Straeten

Verder wordt de site uitgebreid met historische teksten die voordien al in de Nieuwsbrieven werden gepubliceerd. Deze maand zijn Martin Lunssens, César Hinderdael en Adrien-François Servais aan de beurt. 

2. Geknoopte oren : Pianowerken van August De Boeck
door Guido Defever

Onder het label Phaedra slaagt Luc Famaey er steeds weer in topmuziek en -musici van eigen bodem op cd uit te brengen. Herfst 2010 levert dan ook een rijke oogst op met nieuw werk van Johan Duijck en Hanne Deneire en klassiekers als Martin-Joseph Mengal, Joseph Ryelandt en August De Boeck. Guido Defever beluisterde voor ons nummer 64 van de reeks In Flanders' Fields

August De Boeck (1865-1937) is geen pianocomponist par excellence; hij cultiveerde geen piano-oeuvre of specifieke pianostijl. Maar dat maakt hem in zekere zin ook veelzijdiger of rijker dan bijvoorbeeld Lodewijk Mortelmans. De Boeck kon elegant en salonfähig zijn in zijn walsen, waarvan er twee heel mooie voorbeelden op deze cd staan: Valse Arabesque en Valse Dolente. Dit tweeluik uit 1923 is ietwat conventioneel en een tikkeltje langoureus; het zal zeker in de smaak gevallen zijn. En waarschijnlijk was dat ook het geval voor de Prelude in Des (1909), waarmee de cd opent. Die prelude wortelt, net zoals August De Boeck zelf, in de rijke romantiek, gekleurd met een impressionistisch klankenpalet. Aanvankelijk lijkt ze weinig preluderend, en ja, op de eerste bladzijde in het handschrift van De Boeck staat oorspronkelijk Nocturne II. Die eerste bladzijde is trouwens afgedrukt in het zeer verzorgde cd-boekje, dat ook nog enkele andere handschriften en de werkkamer van August De Boeck toont.

Een aantal stukken van August De Boeck is zeker bedoeld voor het gecultiveerde salonpubliek. Daar is niets mis mee; het getuigt van smaak, voornaamheid, elegantie en poëzie, zoals in de wiegende Soir sur l’eau (1908) voor de jongedame Jeanne Cuisinier. Vrijgezel August De Boeck zou levenslang met haar in contact blijven en hij heeft ook een aantal van haar gedichten op muziek gezet.

Maar de pianomuziek van De Boeck nestelt zich niet altijd in het knusse salon. In de twee toccata’s en de beide scherzo’s komt een totaal ander, demonisch, facet naar boven. Het is muziek voor de grote concertzaal. De benamingen toccata en scherzo lijken traditioneel. En inderdaad, Liszt blijft nog nazinderen, maar het is onmiskenbaar muziek die de negentiende eeuw ontgroeid is. Alhoewel, het eerste scherzo lijkt een beetje hybride met het wilde cascademotief in de hoekdelen en een middendeel dat hier niet zo goed aansluiting bij vindt. Het tweede scherzo (1916) boeit eigenlijk veel meer. Ook hier beheerst het jachtige karakter de hoekdelen, maar de motieven worden diverser belicht en impressionistisch gekleurd, wat nadien een veel natuurlijker overgang biedt naar het middendeel en vice versa. Als benaming grijpt Toccata terug naar de barok, maar er zijn ook eigentijdse voorbeelden. De Boeck was niet alleen. Debussy besloot zijn Suite pour le piano uit 1899 met een Toccata; Prokofjev’s Toccata is van 1912 en Ravel zou zijn Tombeau de Couperin (1917) eveneens met een Toccata besluiten. En tenslotte zijn er natuurlijk de voorbeelden in de Franse orgelliteratuur met de beroemde Toccata uit de 5de orgelsymfonie van Widor. Vergeten we niet dat August De Boeck van vorming vooral organist was!

Ook het forse Menuet herinnert enkel in het bedaarder middendeel nog aan het oudere menuet-karakter. En met de term Impromptu voor één van de vroegste pianowerken van De Boeck zijn we helemaal op het verkeerde been gezet. Een stuwend motief, ritmisch gescandeerd, wordt misschien net iets té veel door toonladderpassages in de verf gezet. Het zal de jeugdige overmoed van de jonge De Boeck geweest zijn die een impromptu liet aanzwellen tot een demonische achtervolging. Het is in elk geval een impromptu dat de capaciteiten van salon-amateurs ver te boven ging.

Een schitterende afwisseling met het voorgaande is de Eekhoorndans, één van de laatste pianowerken van De Boeck: uiteraard huppelend descriptief rondom een staccato motiefje met een pentatonische knipoog. Het is een rake tekening in een verbluffende pianominiatuur. Jozef De Beenhouwer gebruikte deze miniatuur als een overgang naar het laatste luik op de cd: een reeks pianostukjes voor kinderen. De Boeck schreef wel zes of zeven bundels in dit genre met titels als Kinderdeuntjes, Hors d’oeuvre variés of Dix Instantanés. Samen met enkele onuitgegeven composities komt August De Boeck aan bijna zeventig kinderstukjes. Sommige zijn niet altijd even gemakkelijk voor een kinderhand, maar ze zijn steeds heel verfijnd en elegant. Het is zeker niet uit gebrek aan andere pianoliteratuur bij De Boeck, dat Jozef De Beenhouwer een keuze maakte uit de kinderstukken; het is veeleer een facet dat men bij De Boeck niet links kan laten liggen; het is gewoon té goed. En toch heeft De Boeck er enkele niet laten publiceren, wellicht omdat ze te moeilijk waren als 'kinderstuk'. Jozef De Beenhouwer koos twaalf kinderstukken uit het volledige aanbod en sluit daarbij de cd af met twee niet gepubliceerde werkjes: de virtuoze Waterbelletjes (nogal lastig voor kinderhandjes!) en een zeer mooi Wiegelied, heel voornaam geharmoniseerd. Het Wiegelied is een prachtig afscheid van de cd na een rijk en verscheiden overzicht van het piano-oeuvre van August De Boeck.

Een bijzondere waardering voor de keuze (onderschat het voorbereidend werk niet!), de schikking van het programma, de opnamekwaliteit, de presentatie, en bovenal de uitvoering door Jozef De Beenhouwer: gedreven en groots in de scherzo’s en de toccata’s, geraffineerd in de walsen, prelude en Soir sur l’eau, teder en vol aandacht in de kinderstukken. Overigens is de tekst over de pianostukken in het cd-boekje van Jozef De Beenhouwer zelf; het is een tekst die zo compact en ‘to the point’ is, dat ik me hier slechts met schroom heb gewaagd om er nog wat commentaar aan toe te voegen. 

August De Boeck: Selected Piano Works door Jozef De Beenhouwer, piano - In Flanders' Fields vol. 64 - Phaedra cd DDD 92064

3. Ik zal het hooren : Max Havelaar herdacht
door Mirek Cerny

Precies 150 jaar geleden schreef Multatuli zijn meesterwerk, dat niet alleen het taalgebruik beïnvloedde, maar zelfs verschillende componisten inspireerde voor hun werken. De HUB (Hogeschool-Universiteit Brussel) nam het initiatief en organiseerde in de hoofdstad een aantal activiteiten om 150 jaar Max Havelaar te herdenken. Naast een leesmarathon en een symposium was er tevens een concert in het Koninklijk Conservatorium van Brussel, waar een compositieopdracht van vijf toondichters werd gecreëerd en een viertal zelden geprogrammeerde werken van Vlaamse en Nederlandse componisten werden uitgevoerd.

Het was in de concertzaal van het Conservatorium aan de Regentschapsstraat zoals in de tijd van Multatuli. De zaal zat zo goed als vol, tussen de luisteraars bespeurde men belangrijke vertegenwoordigers van het Vlaamse muziekleven en er heerste een enthousiaste sfeer in één van de beste akoestische zalen van Brussel. De avond opende met een werk van de Nederlandse Amerikaan Julius Hijman (1901-1969). Hij studeerde in Wenen en emigreerde in 1939 naar Amerika, waar hij in 1961 zijn Japanse steenhouwer (op een tekst uit Max Havelaar) schreef voor tenor en blazers. Het is een weinig opvallend werk van middelmatige kwaliteit, dat - mede door de bezetting én ondanks het gebruik van de micro - soms moeilijk verstaanbaar was.

Multatuli’s verhaal van Saïdjah en Adinda (met het gedicht Ik weet niet waar ik sterven zal) was een inspiratiebron voor wel meer toondichters, in de eerste plaats voor Lodewijk Mortelmans (1868-1952) die in 1929 zijn Drie lyrische stukken voor piano componeerde met als slotstuk Saïdjah’s lied. Dit korte werk doet zijn naam alle eer aan door de sterke romantische inslag en melodieuze rijkdom. Ook Richard Hol (1825-1904), componist, pianist, organist aan de Utrechtse Dom, leraar en recensent, was in de ban van dezelfde tekst. Zijn Saïdjah, een elegie voor cello en piano, was het enige werk van de avond dat nog tijdens het leven van Multatuli ontstond (1861, één jaar na Max Havelaar).

Een afzonderlijke vermelding verdient de compositieopdracht Ik zal het hooren voor tenor, cello en piano. Vorig jaar vroeg men vijf Vlaamse componisten om telkens één strofe van het gedicht Ik weet niet waar ik sterven zal te verklanken. Gilbert Huybens, Maarten Van Ingelgem, Petra Vermote, Johan Sluys en Erika Budai verdeelden de strofen in deze volgorde onder elkaar. De componisten waren helemaal vrij, op de bezetting en de duur na. Zo ontstond een heterogene 'cyclus', gaande van een eerder experimentele schrijfstijl van de jonge Maarten Van Ingelgem, tot het melodieuze spel van Erika Budai. Een voordeel is echter dat het werk niet als een geheel moet uitgevoerd worden, maar dat elke strofe een compositie op zich is. De partituren van Ik zal het hooren werden mooi uitgegeven (en na het concert gesigneerd) en alle composities van de avond verschenen op een cd, die deel uitmaakte van de ticketprijs.

Het concert werd met een buitenbeentje afgerond. De Antwerpenaar en uitgesproken radioman Karel Albert (1901-1987) componeerde in 1937 muziek voor het hoorspel Multatuli herdacht van de Nederlandse schrijver Martien Beversluis. Het stuk van een kwartier voor twee spreekstemmen, spreekkoor en klein orkest werd naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van het overlijden van Multatuli via de toenmalige N.I.R. uitgezonden. Karel Albert werd als een intellectuele kunstenaar beschouwd, niettemin komt zijn toegankelijke muziektaal hartelijk over.

Voor de uitvoering zorgden de tenor Ivan Goossens, pianist Stéphane De May, cellist Luc Tooten, acteurs Els Dottermans en Hubert Damen, een tienkoppig spreekkoor en het Marsyasensemble onder leiding van Edmond Saveniers. Het was geen gemakkelijke klus om de juiste balans aan te houden, maar op een paar kleinigheden na viel het geheel goed mee. De 190-jarige Multatuli zou met deze viering zeker tevreden zijn.

Gehoord op 15 oktober 2010 in de concertzaal van het Brusselse Conservatorium.

Ook Guido Defever schreef een recensie van dit concert.
Deze bespreking kan u lezen op de website Klassiek Centraal: http://users.telenet.be/klassiekcentraal/rubriek/recensie.htm

4. Topstukken uit de VMI-catalogus : Emile Wambach en zijn verblijf in Engeland (1915-1919)
door Adeline Boeckaert

Tijdens de Eerste Wereldoorlog trad Wambach in Engeland verscheidene malen op als violist, pianist en organist, en werkte hij als componist mee aan tal van vaderlandslievende organisaties en manifestaties. Hij was in Engeland terechtgekomen op 1 of 2 november 1915 door toedoen van de consul van Argentinië en vestigde zich te Londen op Holland Road nr. 5 in West-Kensington. Pas in februari 1919 zou Wambach definitief uit Engeland naar België terugkeren.

Eén van de eerste manifestaties ten voordele van gewonde en zieke soldaten waar Wambach zijn medewerking aan verleende, was een muziekvoordracht in het King Albert’s Hospital n°1, in april 1916 ingericht door Miss Averil Trans Thomas. Wambach componeerde hiervoor het lied L’aveugle et son fils op tekst van Emile Cammaerts om zijn erkentelijkheid uit te drukken tegenover het gastvrije Engeland. De uitvoering werd verzorgd door Bucken de Courcy, leider van het soldatenkoor van het King Albert’s Hospital n°3. Dit 36-koppige koor debuteerde met de ode Le drapeau belge op tekst van Cammaerts en muziek van Wambach. Deze compositie werd in een krantenrecensie beschreven als "écrite dans une note tres moderne et d’un beau coloris".

Een jaar later, in mei 1917, werd zijn suite Belgiana gecreëerd door het orkest van The Winter Gardens te Bournemouth onder leiding van Dan Godfrey. Deze suite bestaat uit 6 delen: Prière – Promenade matinale – Aubade à Bouly – Pique-nique – Ducace – Bonsoir Jopée. Oorspronkelijk was deze eenvoudige suite bedoeld voor viool en piano, maar Wambach bewerkte en orkestreerde dit ontwerp voor symfonisch orkest in Engeland.

Ook uit deze periode stammen zijn vijfentwintig oorlogsliederen, die in Frankrijk werden gecomponeerd. In het voorjaar van 1918 kreeg Wambach immers een verblijfsvergunning van zes maanden in Frankrijk. Zijn verblijf op het kasteel te Mérignac bij Bordeaux bij Henri de Puymaly lag aan de basis van de compositie van deze oorlogsliederen. Zijn gastheer verzorgde de tekst en Wambach componeerde er de muziek bij "avec une belle envolée et un grand lyrisme". Deze liederen zijn te beschouwen als huldeblijken, onder meer voor Generaal Leman (Stances), de koning en koningin van België (Hymne au Roi des Belges, Hymne à la Reine des Belges), het Belgische leger (La bataille de l’Yser) en de weerstand (Edith Cavell); enkele ervan werden tevens door Wambach georkestreerd.

Bovenstaande composities zijn recentelijk ingevoerd in de catalogus van het VMI.

http://anet.ua.ac.be/desktop/vmi 

5. Concert in de kijker : Hommage aan componist Peter Cabus (1923-2000)
door Anne-Marie Cabus-Steens

November brengt, net als oktober, zeer veel Vlaamse muziek. Zo treedt het Universitair Symfonisch Orkest van Leuven op in Gori en Tbilisi in Georgië met onder andere de Dahomeese Rapsodie van August De Boeck op het programma. Deze concerten worden ook herhaald in de Aula Pieter De Somer in Leuven op 10 en 12 november. Meer info vindt u op onze kalender (http://www.svm.be).

Aan het einde van de maand wordt Peter Cabus herdacht in Mechelen. Op 11 november 2010 zal het tien jaar geleden zijn dat deze Mechelse componist overleed. Naar aanleiding daarvan organiseren de Stad Mechelen, het Cultuurcentrum Mechelen, het Festival van Vlaanderen Mechelen en de Vrienden van het Conservatorium Mechelen een herdenkingsconcert waarop uitsluitend werk van Peter Cabus wordt gespeeld.

Peter Cabus was een monument in de Belgische muziekwereld. Hij begon te componeren onder impuls van Godfried Devreese, de toenmalige directeur van het Stedelijke Conservatorium van Mechelen. Hij startte zijn hogere muziekstudies in 1940 aan het Lemmensinstituut maar met het oog op een carrière als concertpianist ging hij zich verder bekwamen aan het koninklijk Conservatorium van Brussel. Geleidelijk aan zou hij zich minder als uitvoerend muzikant manifesteren maar meer als componist en pedagoog. In 1959 volgde hij Devreese op als directeur van het Stedelijk Conservatorium in Mechelen. Daarnaast was hij als docent verbonden aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel en aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth. Hij was erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. De Koninklijke Academie verleent haar steun aan deze herdenking.

In 1972 lag Peter Cabus mee aan de basis van de oprichting van het Festival van Vlaanderen - afdeling Mechelen. Hij componeerde een rijk oeuvre voor symfonisch orkest, kamermuziek, liederen, koormuziek, klaviermuziek en heel wat werk voor koperblazers. Diverse gerenommeerde musici brengen op 28 november een hommage aan Peter Cabus, waaronder Gaby Van Riet, Luc Tooten, Rudy Haemers, Henk Lauwers, Rita Degraeuwe, Annelies Broekhoven en het Kryptos Quartet. Het orkestrale deel wordt verzorgd door het Mechels Kamerorkest onder leiding van Tom Van den Eynde.

Praktisch
Zondag 28 november 2010 om 20:00 uur – Cultuurcentrum Mechelen, Minderbroedersgang, 2800 Mechelen

Uitvoerders
Mechels Kamerorkest onder leiding van Tom Van den Eynde
Kryptos Kwartet
Gaby Van Riet, fluit - Luc Tooten, cello - Rudy Haemers, saxofoon - Henk Lauwers, bariton - Rita Degraeuwe, piano - Annelies Broekhoven, viool

6. Een eeuw geleden : de eerste opvoering van het Mariaspel in Halle
door Peter François

Toen we in nieuwsbrieven 89 en 91 briefwisseling van Alfons Moortgat publiceerden, werd achter de schermen ook de honderdste verjaardag van het eerste Mariaspel in Halle vernoemd, waarvoor Moortgat de muziek schreef. Het SVM vroeg aan Peter François meer informatie over de achtergrond van dit Mariaspel.

Al vele eeuwen is Halle bekend als bedevaartsoord; bedevaarders stromen toe om te knielen voor het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Halle, dat in 1267 aan de stad werd geschonken. In februari 1910 was het vijfhonderd jaar geleden dat de Sint-Martinuskerk – de huidige basiliek – gewijd werd. Om die verjaardag te vieren vatte de toenmalige pastoor-deken Andreas Michiels (1871-1931) het idee op om scènes uit het leven van Maria te laten uitvoeren. Hij wou op die manier de gewone gelovigen laten kennismaken met de Mariatheologie. Deken Michiels sprak zijn collega-priester Aloïs Walgrave (1876-1930) aan voor de teksten. Alfons Moortgat (1881-1962), sinds 1905 kapelmeester in Halle, nam de muziek voor zijn rekening. Op 18 augustus 1910 werd het Mariaspel voor het eerst opgevoerd en pas in 1954 kwam er een einde aan de opvoeringen, die vele tienduizenden toeschouwers hebben gelokt uit het hele land.

Het Mariaspel had veel weg van een middeleeuws mysteriespel, met een verwevenheid van tekst, toneel en muziek. Er waren twee grote delen: het eerste deel handelde over het privéleven van Jezus en het tweede deel over zijn publieke leven. Beide delen bevatten een gezongen proloog, een aantal taferelen en levende beelden. Het eerste deel had ook een instrumentale ouverture. Aan een uitvoering werkten telkens meer dan driehonderd mensen mee: een honderdtal acteurs op het toneel spraken teksten uit Maria’s leven, een vijftigtal vrouwen en kinderen op het voortoneel vertolkten al zingend en sprekend Gods openbaringen, een koor van zestig mannen en zestig vrouwen uitte de gevoelens van het volk en een groot orkest zorgde voor de begeleiding. Er was bepaald dat enkel inwoners van Halle mochten meedoen, met uitzondering van het orkest en enkele solisten.

De voorstellingen van 1910 vonden plaats in de Concordiazaal op de Bergensesteenweg in Halle. Die zaal bood plaats aan 700 toeschouwers en werd al snel te klein. Het jaar nadien bouwde men daarom de 'Mariazaal' op de Ninoofsesteenweg, nauwelijks tweehonderd meter van de Grote markt en de Sint-Martinusbasiliek. De nieuwe zaal werd opgetrokken met het ijzeren geraamte van een grote machinezaal van de Wereldtentoonstelling in Brussel en bood plaats voor 2000 toeschouwers. Het Mariaspel werd dertien keer opgevoerd; in 1910, 1911, 1912, 1920, 1924, 1925, 1930, 1931, 1935, 1946, 1947, 1950 en 1954. Elke keer waren er een tiental opvoeringen verspreid over enkele maanden. Voor het Mariaspel werd telkens sterke promotie gevoerd over het hele land, met affiches, strooibriefjes, artikels in kranten en tijdschriften, postkaarten, programmaboekjes,…

Over de editie van 1920 bijvoorbeeld werd bericht tot in Aarschot, Antwerpen, Charleroi, Gent, Hasselt, Poperinge, Roeselare, Rotterdam, Soignies en Tongeren. De publieksopkomst was dan ook navenant, met makkelijk twintigduizend toeschouwers per reeks van voorstellingen. Van 1910 tot 1954 vonden er 146 opvoeringen plaats, met een totale opkomst van naar schatting zo’n 250.000 mensen. Ook talrijke hoogwaardigheidsbekleders woonden de opvoeringen bij – bijvoorbeeld Kardinaal Mercier die aanwezig was in 1910, 1911, 1912 en 1920.

Over de muziek van het Mariaspel schrijft een muziekrecensent in 1920 het volgende: "La musique, elle, est due à la main délicate et consciencieuse de Moortgat. C’est de la bonne musique, bien écrite, épousant tout à la fois le style de Mendelssohn, Tinel, des Céciliens allemands et en finale de Haendel. Elle ne fait que souligner l’action sans l’absorber, ni la dominer. (…). Je cite comme excellente impression musicale et très bon travail, les divers chorals et le "Regina Cœli" original et d’un bon modernisme religieux" [1]. De muzikale leiding was tot in 1947 in handen van Alfons Moortgat zelf, hoewel hij al in 1915 uit Halle vertrokken was. Vanaf de jaren 1930 kreeg hij assistentie van Flor de Boes, zijn opvolger als kapelmeester en dirigent van het Mariakoor. In 1950 had De Boes als enige de leiding en voor de laatste editie in 1954 werd hij bijgestaan door Leopold Sluys.

Met zoveel uitvoerders en toeschouwers over zo’n lange tijd spreekt het voor zich dat het Mariaspel een katalysator was van het culturele en religieuze leven in het kleine bedevaartsoord Halle. Er waren nauwe banden met de parochie, met de Halse muziekschool en met de plaatselijke muziekverenigingen. Het Mariaspel bezorgde Halle bekendheid tot ver buiten de stadsgrenzen. Dat Walgrave en Moortgat hadden bepaald dat hun werk enkel in Halle te horen mocht zijn, heeft hier ongetwijfeld toe bijgedragen; andere steden konden het immers niet uitvoeren.

In 1972-1973 kwam er nog een klein naspel: op kerstdag 1972 werd het eerste deel van het Mariaspel uitgevoerd en op paaszaterdag 1973 het tweede deel, telkens in de Sint-Martinusbasiliek. De oorspronkelijke tekst van Walgrave werd 'bij de tijd gebracht' door priester Remi Janssens.

Wie mysteriespel zegt, denkt vrij snel aan Oberammergau, het Duitse dorpje dat sinds 1634 (en tot vandaag) elke tien jaar de lijdensweg van Christus tot aan zijn kruisiging uitbeeldt. Deken Michiels heeft zijn idee voor het Mariaspel ook gekregen na het bijwonen van een uitvoering in Oberammergau. Walgrave heeft zich op het Passionsspiel van Oberammergau geïnspireerd. Net als in Halle worden de spelen in het Duitse dorp gedragen door een groot deel van de bevolking – ook daar zijn de spelers uitsluitend gerekruteerd uit de plaatselijke bevolking – en komen mensen van heinde en verre om een uitvoering bij te wonen. Van bij de aanvang in 1910 werd het Mariaspel dan ook voortdurend vergeleken met het Passionsspiel. Volgens sommige commentatoren was het Mariaspel doorleefder dan het 'te indrukwekkende' Passionsspiel. Halle werd herhaaldelijk 'het Belgische Oberammergau' genoemd, al was het aantal deelnemers en toeschouwers in Halle vele malen kleiner.

Het Mariaspel is nog aanwezig in het collectieve geheugen van de Hallenaren. Maar nu de laatste uitvoering al bijna veertig jaar achter de rug is, begint die bekendheid stilaan te verminderen. Het is daarom des te interessanter dat het Zuidwestbrabants Museum in Halle heel wat materiële getuigenissen bewaart: zo zijn er programmaboekjes, affiches, honderden artikels, tientallen foto’s en postkaarten, fotoboeken en zelfs een aantal klankopnames en kostuums aanwezig. Van de opvoering van 1972-1973 zijn er tekstboeken en magneetbanden met een gedeeltelijke opname. Wat de partituren betreft, bezit het Museum enkel de gedrukte partijen voor het koor van alten en sopranen en enkele losse fragmenten. In het parochiearchief bevindt zich een volledige directiepartituur met zang- en orkeststemmen in het handschrift van Leopold Sluys. Vermoedelijk heeft hij die in 1954 samengesteld uit het oorspronkelijke materiaal, dat al zeer intens was gebruikt.

Zuidwestbrabants Museum Halle
Kardinaal Cardijnstraat 7, 1500 Halle
Contactpersoon: Peter François, waarnemend conservator
museum@halle.be
___________

[1] Caecilius [= Eugène Everbecq]: Chronique Musicale. Le "Mariaspel" à Hal, in: Le Pays Wallon, jrg. 31, nr. 256, 12-9-1920, p. 4.

7. Historische tekst : Vier zomersche uren te Halle
door Jan Boon

In De Standaard van 30 juli 1931 verscheen over het Mariaspel te Halle een lang artikel van de hand van toenmalig hoofdredacteur Jan Boon, die later directeur van het N.I.R. zou worden. Deze tekst werd in een lichtjes gewijzigde versie overgenomen als bijlage van het Parochieblad van O.L.V. Halle van 2 augustus 1931. Het is een enthousiast ooggetuigenverslag van een geboren Hallenaar, waaruit zowel passende trots als milde nuance weerklinken.

Vier zomersche uren te Halle: De zooveelste opvoering van het Mariaspel

De hoeveelste opvoering was dat? Ik weet het niet meer; er komt geen einde aan de rush naar Halle. Elken zomerdag van dit jaar jubelen de klokken over de stad om aan stedeling en vreemdeling te zeggen dat het spel tot Maria's eere nog eens begint. Ge zit tusschen een interprovinciaal publiek, er zijn toeschouwers van de vier windstreken, en ge merkt dadelijk op: er zit geen slenter in, integendeel: de binnenzaal is verbouwd en is er stijlvoller en praktischer en zelfs stiller door geworden, er is ook wat meer eenheid gekomen in de versiering van de zaal, want gij hebt het recht veeleischend te zijn: hier moet de formuul worden ontdekt van de feestzaal die 50 procent kerk en 50 procent schouwburg is. Het orgel en de opengevouwen menigte van koor en orkest, stemmen U onmiddellijk tot feestelijke ingetogenheid, en als de leden van het groot orkest zich nog wat tuchtvoller en vromer hielden, zou onze achting voor dit zeer schoon, zeer verheffend en kunstrijk vertoon, er nog grooter op worden.

Maar met dit alles: Wie met het vacantietreintje door het zomersch Brabantsch hoekje naar Halle rijdt, keert niet terug zonder een van feestelijke blijheid gezwollen hart. Alle defaitisme in onze katholieke tooneelwereld ter zij, nergers is er met zoo argelooze en zuivere bedoeling aan mysteriespelerij gedaan als te Halle, en nergens is het resultaat zoo glorieus en zoo duurzaam als te Halle. Ik heb de jongste maanden treurigheden beleefd in de wereld van ons tooneel, maar wat te Halle blijft recht staan in bloei onder zichtbaren zegen van den Hemel, maar zoo'n kleine tocht naar het bevallige Halle - een nanoen van gebed, van hymne, in tooneelvorm, gezang en luister, het geeft moed.

Ik geef altijd graag dit Mariaspel aan als de proloog voor de katholieke tooneelontwaking in het Vlaamsche land en ik ben vast overtuigd dat het dit voluit is geweest. De man wien we dit te danken hebben is nu in den hemel, Z. E. H. deken Michiels en hij heeft ons het eerste groot bewijs gebracht van de roeping van dienend tooneel. Dienend tooneel, dit is het uitgangspunt geweest voor het katholiek tooneelrenouveau, en voor zijn bekroning: het Vlaamsche Volkstooneel. Dit Mariaspel behoort tot één stad, het maakt deel uit van het leven der stad; het is tenslotte niets dan een nieuw bewijs van de eeuwenoude liefde welke in deze vermaarde en aloude Brabantsche stad naar de Lieve-Vrouwe opgaat, en steeds andere vormen zoekt om Maria te prijzen en te eeren. Naar het voorbeeld der Brusselsche rederijkers die de Blijdschappen van Onze-Lieve-Vrouw voor het geloovig volk van Brabant vertoonden op de Groote Markt van Brussel, heeft op initiatief van den Deken van Halle: Kanunnik Michiels, de vrome bevolking besloten om de vijf jaren Maria's lof te verkondigen in een feestelijk mysteriespel dat de Moeder Gods verheerlijkt in haar leven. De dichter Aloïs Walgrave, zaliger gedachtenis, die zich zoo gaarne de leerling en de minnaar noemde van Guido Gezelle en reeds geestelijke spelen had gedicht; "Vrede op Aarde", en de "Blindgeborene" nl., heeft tekst en speelvorm geleverd voor het Mariaspel. En de hartstochtelijke ijveraar voor nieuwen bloei van den geestelijken zang, Alfons Moortgat, dichtte de meeslepende muziek van dit mysteriespel.

In 1910 werd het spel voor het eerst vertoond en van den beginne af is dit werk geweest van gansch de stad: geen huis is er te Halle, waar de kristelijke geest nog woont, of het helpt, het werkt, het steunt, het speelt of zingt mêe. Het is telkens een werk vol wijding dat Halle met dit Mariaspel verricht, en het is wel ontroerend om bedenken dat de eerste opvoering heeft plaats gehad den dag waarop de eerste maal 20 jonge knapen en meisjes van Halle het dekreet van den Paus op de Communie der kinderen hebben vervuld. Van de communietafel naar het mysteriespel: daar waren zij herdersknapen en kinderstemmen in het volkskoor. Reeds het jaar der eerste opvoeringen werd voor het vertoonen van het gewijde spel een eigen zaal gebouwd welke Mariazaal wordt geheeten. Daar gaat ook dit jaar wêer de aangekondigde reeks opvoeringen door, al worden nu de wanden der zaal te eng voor den toeloop van de menigten.
Na den oorlog werd het spel hervat bij het jubileum der kroningsfeesten van het wonderdadig beeld. Dit jaar voor het zilveren jubileum van Kanunnik Michiels als deken, maar eer het voetlicht brandde voor de eerste vertooning, ontsliep hij.

En uit het mysteriespel is de Mariastoet gegroeid welke thans tweemaal per jaar op den Zondag van Sinksen en op den eersten Zondag van September, het leven der H. Maagd ontrolt in de straten zelf, voor het oog en tot stichting der toegestroomde menigte van pelgrims en kermisvierders. Niet slechts door het Vlaamsch koloriet, door groep en kleedij en zinrijk opschrift, verheerlijkt deze Mariastoet de goddelijke Moeder van ons volk, maar de geestelijke zang in dezen stoet heeft zijn weerga niet in de nochtans zoo talrijke processiën en gewijde stoeten die elken zomer, door tal van Vlaamsche steden slingeren.

Dus werd hier, op volledige wijze een erfdeel onzer vaderen heropgewekt: drama met katholieken zin, en daaruit ontsproten: een beeldigen stoet, en dit drama zoowel als dezen stoet: rechtstreeksche aanvulling van kerkelijke plechtigheden. Hier is een mysteriespel te zien dat wordt op touw gezet door het volk en zijn priesters en kunstenaars. Zoo heeft het Mariaspel te Halle ongetwijfeld op grootsche wijze geholpen om in ons land de heerlijke traditie van de mysteriespelen en andere geestelijke dramatische vertooning weder te doen ingang vinden en in de volksgunst te prenten. Men mag aldus dit Mariaspel en de pogingen van Pastoor-Deken Michiels aanvaarden als van onschatbare waarde voor de weergeboorte van ons kristelijk tooneel.

Waarheen lokt U de Augustusmaand? "Beatrijs" in een wonderen kasteeltuin bij Gent, "Antigone", als vredesspel in Den Brandt bij Antwerpen; de "Slag bij de Hertshaag" te Aalst; een verre reis naar Salsbürg, de Caesar of de Revisor of de Antigone op plein en markt of in het park waar het Vlaamsche Volkstooneel dapper zijn tent en vlag ontplooit onder kermiszon en -regen? Vergeet niet de rit naar Halle, en vrees geen ontgoocheling meer voor uw artistieke overtuiging. Waar vroeger enorm veel geloof, goeden wil, liefde en enthousiasme, bezielende muziek en ook eenig talent, maar toch heel wat kunstmiddelmatigheid aanwezig was, treft u nu een bewonderenswaardige vermeerdering van het tooneelgehalte, er zit bewustzijn en eenheid van stijl in het vertoonde. Misschien is u niet akkoord met de ingevoerde hervorming van het tooneelbeeld, vindt u het te modern of meent u dat de modernist die als regisseur optrad, halfweg is blijven staan? Het mag u niet hinderen, aanvaard deze hervorming van het tooneelbeeld als een eerlijke, grootendeels geslaagde poging om eenheid en zuiverheid van beelding, en van toon, te brengen in dit schoone spel, zonder het aanvankelijk opzet te schaden. Aan de St-Sulpice-stijl is adieu gezegd, maar tot aan Servaes kon men te Halle niet gaan.
Wij prijzen deze gematigde moderniseering, en de gelukkige disciplien die eenheid bracht: dit geheel van muziek, dichting, spel, beeld en kleur, en zeggen U met alle overtuiging:

Gaat naar Halle, volgt den weg die volk en vorsten en veelvuldige adellijke geslachten van Europa sedert eeuwen gaan: naar Halle toe. Nu wij strijden om uit de zuiverste en nobelste traditiën ons dierbaar volk weer zijn eigen gedaante, te herschenken, laten we dan ook deze traditie hervatten: allen naar Halle, heiligdom van Maria, zoete bron temidden het huppelende Brabant, - eens per jaar! Voor Halle getuigen onze kunst en onze wetenschap, voor Halle getuigen tallooze grooten uit onze geschiedenis, en Justus Lipsus heeft met recht over het kleine wondere Halle gezegd: noch hare vestingen, noch hare gebouwen trekken de aandacht, de heiligheid der plaats is voldoende voor hare veiligheid en haren luister. Onder de schaduw en de hoede van een kerk die gelden mag als een meesterstuk der Vlaamsche kerkenbouwers, een prachtvoorbeeld van rijke gotische kunst, opgetrokken door de vrijgevigheid der pelgrims, de edelmoedige schenkingen van Willem van Beieren, graaf van Henegouwen, en van Jan den derde, hertog van Brabant, versiert [sic] met kostbaarheden gebracht of gezonden door koningen en koninginnen, keizers en pausen, troont daar het wonderdadig zwarte Lieve-Vrouwenbeeld, afkomstig van een der dochters van de Heilige Elisabeth van Hongarije. Daar is roem te Halle, adel, geestelijk vuur, en pittig volksleven. Daar leeft een kruimige bevolking, geplet tusschen taalgrens en Brussel, maar eeuwen en overheerschingen zijn over haar heengegaan: zij is zichzelve gebelven: Vlaamsch met ronden Brabantschen zwier: onder den sluimer der tijden heeft zij hare ziel bewaard en met dit Mariaspel heeft zij zich weêr opgedrongen aan de aandacht der buitenwereld: want niet allen Vlamingen en vele Walen, ook talrijke scharen uit Nederland, Frankrijk, Duitschland, en nog van veel verder, stroomen naar Halle toe; om er met liefde, geloof en hoop het goede volk te zien spelen het spel van Maria's leven. Guido Gezelle ook behoorde tot de vereerders van Onze Lieve Vrouw van Halle en voorzeker heeft haar aanminnig beeld in zijn oog gespiegeld wanneer hij bezield dichtte:

"Gij zijt gezeteld op ons allen;
Uw edel beeld kon eenmaal vallen.
Doch onze herten duizendtallen
Ontvielt gij nooit een enklen keer.
Gij zijt, Maria, nog op heden
Hetgeen gij waart in 't groot verleden
Spijts alle mede- en tegenheden:
Des Vlamings Moeder immer meer".

Hugo Verriest wedijverde met Gezelle in deze vereering tot de goedertieren Lieve-Vrouw van Halle en eens had hij zelf een grootsch ontwerp opgevat: dat van een ommegang van O.-L.-Vr. van Halle, door gansch West-Vlaanderen naar hun heiligdom. En deze Zomerzondagen gaat nu weer het spel en luidt de zooveelste maal weer Walgrave's aanhef, die een Hallenaar nooit onbewogen beluistert of mêezingt en mêebidt:

"Allerzoetste Vrouw, O Moeder, ongeschonden,
Maagd, die zuiver zijt van af uw’ eersten stond,
Hemelkoningin, laat onze lippen konden
uwe heerlijkheid, die nooit haar weerga vond.
Laat ons vrome spel aan 't christen volk vertoonen
uw geheimnisvol en deugdenvol bestaan.
Dat hun herten U met lof en eere kronen,
en getrouw met U en uwen Zone gaan".

Dan rijst weer het doek, spelers en volk zijn door kunstoefening en gebed lange weken voorbereid op een schoon vervullen van hun werk, vol overgave. E. H. Van Genechten houdt de regie in handen met de medehulp van Eerw. Heer Jan Petre, terwijl Eerwaarde Heer Wuyts koren en muzikanten heeft voorbereid op hunne kunstvolle taak. Bij afwisseling ziet men de toondichter en E. H. Wuyts den dirigeerstok in handen houden.

Veel is er geschreven over den kostbaren schat van Halle. Hoe wonder en glorieus ook parels en kronen en edelgesneden beeldhouwwerk en gouden rozen voor het beeld en de verering der Allerheiligste Maagd mogen zijn, hoeveel glorie uit Halle de musea der wereld ook bevatten, schooner en onvergankelijker is de schat van liefde die woont in het hart van elk Hallenaar en die zich ongemeten uitstort in dit spel: tooneel en lofzang. Daar worden dan allen verwacht die mede Maria dienen, en die gaarne op nieuwe wijs de Testamentische voorspelling herhalen en helpen verwezenlijken: Magnificat! Alle geslachten zullen mij zalig prijzen.
En wat moet ik daar nog aan toevoegen?

Ik word geïnterpelleerd, men vraagt mij: "Wat zegt u van het uitzicht dat de vertooning nu heeft, wat zegt u van spelers en muzikanten en zangers, wat van de engelen en wat van de soldeniers? Eilaas! ik kan niet schrijven dan wel met mijn hart en men zegt dat dit steeds misleidt, ik ben Hallenaar en als er twee duizend menschen met de krop in de keel dit schallend eind-Magnificat meezingen dan ben ik er altijd een beetje trots op dat Halle dit volbrengt. Maar nu kan ik ook mijn overtuiging laten mêespreken: het hoogstverdienstelijk dillettantisme van vroeger is in koor, orkest, orgel en zang, streng geoefend, voornaam beroep geworden, de toondichter heeft veel van zijn accenten en zangen verhevigd, de kleuren der engelengewaden zijn voornamer van kleur en glans geworden en ik herinner me den glinsterenden engelenval over het besneeuwde Kerstmisveld waarin één Timmermanstoon tusschen fijnen eenvoud te vinden was, als een blijvend schoon tooneelmoment; ik heb oprechte achting voor de volgehouden styleering, het bewustzijn van den regisseur, elk oogenblik van het spel; oprechte achting voor het doeltreffend lichtgebruik, voor het monteeren van elk tafereel.

Het spel van enkele acteurs kan vatbaar zijn voor enkele opmerkingen; het zijn ondergeschiktheden [1]; ik vergeef het gauw voor de elegante rythmen op de lippen der aanleidsters van de engelen, Mejuffrouwen De Koster en Ghesquiere, voor de bevallige argeloosheid der aandoenlijke Maria; ik zal verder geen namen noemen dan de voortreffelijke solisten E. Walravens en M. Mertens, Mejuffrouw Kort en Mevr. Collon. Wat dient het namen te noemen uit dit collectief bereiken; laten we Halle loven, zijn geestelijkheid, zijn volk en zijn kinderen, zij ontwapenen mij als criticus, als recensent, zij dwingen mij om eenvoudig te zijn: de man in de zaal die, als het doek is gevallen, aan niets meer denkt dan met een klein bewogen gebed de Halsche spelers en zangers te danken en den dichter mede, (mijn eerbied voor zijn volkschen zuiveren tekst is niet verminderd). Want terwijl ge buiten schuift naar de straat met den gillenden tram onder den zomerhemel, zeggen twee duizend menschen met velerlei woorden: het was een weldadige Zondag en vier uren is zoo kort.

___________

[1] In het artikel van De Standaard staat op deze plaats een minder omfloerste beschrijving van de acteurs: “Dat de Christus mij te gepommadeerd spreekt en handelt in het tweede deel terwijl de kleine Christus in den tempel voortdurend tiert; het zijn ondergeschiktheden”.
Zie ook http://www.corpustoneelkritiek.org/cti/html/1931-07-30_J.B_Mariaspel.html.

Bron
Jan Boon, Vier zomersche uren te Halle: De zooveelste opvoering van het Mariaspel in De Standaard, 30 juli 1931. 

8. Koorwerken van Vic Nees, Rudi Tas, Roland Coryn en Johan Duijck
door Mirek Cerny

In de koorcyclus A Capella in het Antwerpse Elzenveld waren traditiegetrouw het Vlaams Radio Koor en Johan Duijck op bezoek. Het programma was echter minder traditioneel: onder de titel There is another sky, ontleend aan het werk van Roland Coryn op tekst van Emily Dickinson, zong het koor werken van de hedendaagse Vlaamse componisten Rudi Tas, Vic Nees, Roland Coryn en Johan Duijck. Zoals Kamiel Cooremans opmerkte: "Zo’n programma was pakweg vijftien jaar geleden in onze reeks onmogelijk om te presenteren." Tijden veranderen, of misschien werpt de intussen al tweeëntwintigste jaargang van de populaire middagconcerten zijn vruchten af - feit is dat de kapel vol zat en de werken enthousiast werden ontvangen. Dat was meteen het eerste positieve punt van het concert dat een week later ook in Izegem werd herhaald. Naar aanleiding van de herdenking van de vijfentwintigste verjaardag van het overlijden van Herman Roelstraete werd daar ook zijn Lichtbericht voor mensen, op. 47 op tekst van Jacques Coryn, uitgevoerd.

De Aalstenaar Rudi Tas mocht het concert openen met Vier Motetten. Ze zijn als cyclus bedoeld, maar kunnen evengoed afzonderlijk ingeschakeld worden in elke liturgische periode. Tas wisselt meer lyrische passages af met uitgesproken levendige momenten en dat laat de luisteraar niet onverschillig. Het werk werd uitgegeven in een pakket koorwerken van diverse componisten naar aanleiding van de 60ste verjaardag van Vic Nees. Vic Nees zelf zette het concert voort met Trois Complaintes. Deze Drie Klaagzangen componeerde hij in 2007 op gedichten van de Belgische dichteres Liliane Wouters. Hiermee zette hij de trend van het hele concert: een nadrukkelijke tekstgebondenheid bij componisten die meestal teruggrijpen naar hun geliefde tekstleveranciers. De religieuze inslag was duidelijk aanwezig, in het tweede lied werd een Christuspartij gebracht die door een baritonsolo (Philippe Souvagie) werd vertolkt. Trois Complaintes zijn in de typische schrijfwijze van Vic Nees neergezet met een rijke melodie en gevarieerd ritme. Misschien in iets mindere mate bij Roland Coryn, maar zeker bij Rudi Tas en Johan Duijck is de invloed van Vic Nees opvallend, al moet direct gezegd worden dat beide toondichters hun eigen taal ontwikkeld hebben.

Voor zijn vijf koorliederen There is another sky, op. 71, koos de West-Vlaming Roland Coryn opnieuw gedichten van de negentiende-eeuwse Amerikaanse dichteres Emily Dickinson. "Opvallend bij haar is de wijze waarop zij in haar gedichten, soms met heel weinig maar perfect gekozen bewoordingen en precieze begrijpelijke beelden, een sfeer oproept, een klimaat schept, en de lezer een toekomst voor ogen houdt" zegt Roland Coryn over Dickinson en zo tracht hij het ook in zijn muziektaal weer te geven. Het nieuwste werk op de affiche was het Concierto del Alma, op. 30, dit jaar gecomponeerd door Johan Duijck en intussen al op cd gezet door Phaedra. Ook hij greep terug naar zijn geliefde tekstschrijver, de zestiende-eeuwse Spaanse mysticus San Juan de la Cruz. Dit 'koorconcerto' was een opdracht ter gelegenheid van de 175ste verjaardag van het Lodewijkcollege te Brugge. Duijck zegt over zijn nieuwe compositie onder meer: "Op het eerste gezicht leent de tekst zich meer tot rustige introspectie dan tot de virtuositeit van een pianoconcerto." Zijn werk is echter allesbehalve een rustig stuk. Het is geladen met expressiviteit die het publiek vol spanning doet luisteren. Met een beetje verbeelding gaat het om een pianoconcerto, zelfs met een 'cadenza' voor piano, 'tussenspelen' door het koor en een concertovorm, maar wel in spiegelstructuur.

Het Vlaams Radio Koor en hun voormalige chef-dirigent bevestigen alleen maar hun uitzonderlijke kwaliteit. Niettemin waren er ook enkele foutjes eigen aan een live-uitvoering (de onzekere inzetten van de sopraansolo in Nees of de verstoorde homogeniteit in het laatste lied van Coryn). Net teruggekeerd van de befaamde koorwedstrijd in het Italiaanse Arezzo, kan ik slechts constateren dat deze vier Vlaamse componisten het doorsnee niveau van het 'hedendaagse buitenland' ruim overschrijden.

Gehoord op 10 oktober 2010 in Kapel Elzenveld te Antwerpen