ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 99 (april 2011)

1. De SVM-website breidt uit : nieuwe componistenfiches
door Annelies Focquaert

Ook in april 2011 werden er nieuwe componistenfiches gepubliceerd op de SVM-website.
Het gaat om:
- Charles de Bériot (biografie, bibliografie, historische tekst & foto)
- Charles-Wilfrid de Bériot (biografie, bibliografie & foto)
- Robert Herberigs (bibliografie & foto)
- Alphonse Goovaerts (bibliografie)

Volgende fiches werden naar het Engels vertaald:
- Eugène (I) Goossens
- Eugène (III) Goossens
- César Hinderdael
- Raymond Keldermans 

2. Geknoopte oren : Tweede symfonie van Jef Van Hoof (1886-1959)
door Tom Janssens

Met nummer 67 uit de reeks In Flanders' Fields is een einde gekomen aan het lovenswaardige initiatief van het label Phaedra om alle symfonieën van Jef Van Hoof op cd te zetten. Sluitstuk van de cyclus is Van Hoofs Tweede symfonie, een werk dat dateert uit 1941. Even recapituleren: Van Hoof, die zich tot 1935 eerder zijdelings met abstracte orkestmuziek bezig hield, zou zich vanaf het einde van de jaren 1930 ontpoppen tot een fervent verdediger van het symfonische genre. Zijn zes vierdelige symfonieën vormen als dusdanig een opvallend corpus binnen de Vlaamse muziekgeschiedenis. Met hun rigide vormentaal en ietwat strenge schriftuur bekleden ze een aparte plaats binnen de Vlaamse orkestmuziek.

Hoe strak en nauwgezet Van Hoofs symfonische schriftuur wel is, wordt meteen duidelijk in het openingsdeel van zijn Tweede symfonie. Dit Moderato begint in een wiegende 6/8-maat in harp en hout, waarboven een bedeesde strijkersmelodie geplaatst wordt. Hout en strijkers wisselen melodisch materiaal uit en tillen elkaar na een minuut tot de eigenlijke hoofdmelodie: een op het schommelende ritme gefundeerde cantilene, waarvan violen de contouren spelen en cello’s voor contrapuntische begeleidingsfiguren zorgen. Relatief snel laat Van Hoof de zangerige sfeer in rumoeriger vaarwater belanden: hout zorgt dan voor Brahmsiaans aandoende roepsignalen, die beantwoord worden door onstuimige strijkers. Van Hoof flirt wat met mineur, maar wanneer koper het orkest vervoegt, wordt toch geopteerd voor een hymnische nevenmelodie in majeur. De sfeer doet denken aan Edward Elgar, temeer omdat Van Hoof handig gebruik maakt van het laten uitzingen van strijkersmelodieën, terwijl daarboven andere instrumentengroepen nieuw materiaal aandragen. Wanneer de passie terug luwt, wordt het berceuse-ritme van de aanvang hernomen en betreedt Van Hoof opnieuw een harmonisch niemandsland. Lage strijkers, onderstut door slagwerk, ontvouwen dan een derde melodie, de meest elegische uit het openingsdeel. Van Hoof plaatst daarna hout naar voren, waarmee de doorvoering is ingezet. Opmerkelijk is dat niet geopteerd wordt voor een dramatische of contrapuntische verwerking van het materiaal, maar dat fragmenten van het voorgaande in nieuwe constellaties geplaatst worden. Bindende factor van het geheel is het almaar wiegende ritme, waarmee Van Hoof niet echt iets spannends weet te doen. Het gestadig schommelen gaat na enkele variaties zelfs aan het schuren tegen de melodieën. De enigszins tamme, doezelige sfeer die zo ontstaat, kan misschien gerelateerd worden aan de tekst die Van Hoof aan het hoofd van deze 'oorlogssymfonie' noteerde: "de gantsche weirelt is weg – effacé de ce monde". Er is niet veel fantasie voor nodig om in de nostalgisch repetitieve berceuse een adieu te zien aan een verloren tijd. Vooral de twee laatste minuten van deze eerste beweging (waarin het wiegenlied met Straussiaanse zin voor ingetogenheid de dieperik in zinkt) maken veel goed.

Als tweede beweging voorziet Van Hoof in een flamboyant uithalend Scherzo, dat de herinnering aan het deinende openingsdeel wegveegt. De componist weet de springerige, harmonisch ambigue hoofdmelodie fraai af te zetten tegenover de ritmische puls in slagwerk. Verrassende harmonieën en een effectvolle orkestratie maken deze beweging tot de meest kundige uit de hele symfonie. Van Hoof schrijft enkele zeer geslaagde overgangsmaten en weet voortdurend de spanning vast te houden.

Met het monothematische Grave wordt het emotionele zwaartepunt van deze symfonie bereikt. Van Hoof zet met veel overmoed in: een pathetische paukenfiguur geeft zwaar zuchtende strijkers het ideale excuus om diep in de snaren te strijken. Toch is het melodisch materiaal (in 5/4) niet sterk genoeg om de indruk van ongelogen pathos op te houden. Het houten interval waarmee het einde van elke frase wordt afgesloten, werkt eerder kolderiek dan dat het de bedoelde zwaarmoedigheid extra gewicht geeft. Dat is jammer, want verderop zorgt Van Hoof voor een zeer fraaie variant op de hoofdmelodie: boven spanningsvol tikkende en harmonisch verknipte houten ("op te zeggen zonder schakering") stelt de componist splinters van het materiaal voor. De versnelling die hij suggereert (onder meer door enkele fijne wendingen) dient het belang van wat volgt: een meer ontspannen, pastoraal aandoende versie van de hoofdmelodie in houten. In het A’-deel verenigt Van Hoof de pathetisch snoevende strijkers met de tikkende variant. Dat lukt niet al te best, maar de afsluiter in duister koper is een zeer mooie vondst.

Het laatste deel van deze symfonie (Allegretto) staat haaks op de ernst van het voorgaande deel. Het is een soort ingetogen mars, waarin Van Hoof andermaal zijn orkestrale kwaliteiten kan tonen. Opnieuw kiest Van Hoof niet voor het tegen elkaar uitspelen van contrastrijke melodieën, maar voor één ritmisch geprononceerd motief. Nu en dan helt het geheel over in (erg foute) bombarie, maar over het algemeen houdt de componist de aandacht vast door te voorzien in geschakeerde modulaties en muzikale bruggetjes. Naar het einde toe neemt Van Hoof wat energie terug, om te kunnen besluiten met een geschakeerde coda. Dat hij even voor de fraai uitgeschreven slotmaten zelfs de tijd vindt om een pastorale variant voor te stellen, zegt veel over Van Hoofs gevoel voor variërende spanning.

Deze Tweede symfonie haalt dan wel niet het niveau van zijn laatste symfonieën, dat ze nu dankzij Phaedra beschikbaar gemaakt is, laat toe het compositorisch parcours van Van Hoof te ontleden.

In Flanders' Fields vol 67 - Jef Van Hoof met Herinneringsouverture, Perzeus & Symfonie nr. 2, door Janacek Philharmonic Orchestra onder leiding van Ivo Venkov - Phaedra 92067 

3. Topstukken uit de VMI-catalogus : Fantaisie sur l'opéra Le Trouvère van Constantin Bender (1826-1902)
door Adeline Boeckaert

Constantin Bender werd in Sint-Niklaas op 12 november 1826 geboren uit een muzikale familie. Hij was de zoon van de kapelmeester, klarinettist en componist Jacob (Jacques) Bender en de broer van de klarinettist en kapelmeester Adam Joseph Bender. Jean Valentin Bender, de eerste kapelmeester van het Muziekkorps van de Gidsen, was zijn oom.

Constantin Bender trad in de voetsporen van zijn vader door op 16 november 1841 als leerling-tamboer in dienst te gaan bij het 10de linieregiment. Daar werd hij op 16 december 1848 bevorderd tot stafmuzikant. Op 26 januari 1849 werd hij als soloklarinettist gemuteerd naar het 1ste linieregiment, waar zijn oom Valentin al sinds 1830 kapelmeester was. In 1864 kreeg hij de opdracht om het muziekkorps samen te stellen dat met de expeditie van de Belgische vrijwilligers meetrok naar Mexico. Constantin Bender werd later bevorderd tot onderluitenant (1870) en luitenant (1880). In 1892 werd hij benoemd tot inspecteur van de militaire muziekkorpsen.

Bender componeerde vooral muziek voor harmonie, zoals Hommage à Saint-Nicolas (Allegro militaire), de marsen Le vainqueur, Hommage à l’armée en Le bienfaiteur, en het plichtwerk voor een concours in Rijsel (1882).

In het kader van een historisch/musicologisch onderzoek naar harmoniemuziek uit de negentiende eeuw, gevoerd door Jeroen Corneillie, Joris Renders en Hannes Verstraete aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen, werd op donderdag 21 april laatstleden een concert georganiseerd. Op het programma van het gelegenheidsblaasorkest 'Nouvelle Société d'Harmonie' o.l.v. Hendrik Stinders stonden enkele historische werken voor blaasorkest uit het archief van de 'Société Royale d'Harmonie d'Anvers'. De muziekbibliotheek van deze 'société' is ondergebracht in de bibliotheek van het Antwerpse Conservatorium en werd volledig via de VMI-catalogus ontsloten, goed voor circa 1200 beschrijvingen. Eén van de uitgevoerde werken was de Fantaisie sur l'opéra Le Trouvère van Constantin Bender, dat langs onderstaande link in de VMI-cataloog beschreven is. 

http://anet.ua.ac.be/record/vmiopac/c:lvd:6753904/N

4. Concert in de kijker : een nieuwe lente, een nieuw geluid
door Veerle Bosmans

Wie de inhoud van onze concertkalender van de maand mei goed heeft bekeken, is zeker opgevallen dat deze maand een fijne maand wordt voor een heel aantal jonge onbekende en minder jonge, bekende Vlaamse componisten. Onder meer Wim Henderickx, Jeroen D'hoe, Filip Rathé en Bram Van Camp zien nieuwe werken in première gaan. Hieronder vindt u een overzicht:

Jeroen D'hoe - Shadows
- donderdag 5 mei 2011
- Mechelen - Cultuurcentrum Minderbroederscomplex - 20:15
- meer info: www.mechelenhoortstemmen.be

Diederik Glorieux - Ray
- zaterdag 7 mei 2011
- Harelbeke - Sint-Salvatorkerk - 19:30
- meer info: www.diederikglorieux.be

Bram Van Camp - Creatie / Daan Janssens - Creatie / Mattijs Van Damme - Creatie
- zaterdag 7 mei 2011
- Brugge - Concertgebouw - 20:00
- meer info: www.concertgebouw.be/agenda.php?type=dag&date=2011-05-07

Dirk Brossé - Gitaarconcerto
- zondag 8 mei 2011
- Gent - Conservatorium (Zaal Miry) - 18:00
- meer info: http://www.hogent.be/cons

Wim Henderickx - Medea
- woensdag 18 mei 2011
- Antwerpen - deSingel - 20:00
- meer info: www.desingel.be/productionDetailView.orb?pr_id=9140 

Filip Rathé - No marmore de tua bunda
- zaterdag 21 mei 2011
- Gent - de Bijloke - 20:00
- meer info: http://www.debijloke.be/concert/tuin-der-lusten 

5. Het tijdschrift Muziekwarande geëxcerpeerd en gedigitaliseerd
door Jan Dewilde

In de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen werd het tijdschrift Muziekwarande volledig op artikelniveau beschreven en meteen ook helemaal ingescand. Dat maakt dat er via de bibliotheek- en de VMI-catalogi op naam en onderwerp in het tijdschrift gezocht kan worden en dat ook alle nummers rechtstreeks vanuit die catalogi te raadplegen zijn.

Muziekwarande, 'tijdschrift voor muziekminnende Vlamingen', was een initiatief van Emiel Hullebroeck en Lambrecht Lambrechts en verscheen maandelijks tussen 1922 en 1931. Het is een belangrijke bron voor de muziekgeschiedenis van het interbellum en is dus vanaf nu online consulteerbaar. In de volgende maanden zullen we als historische tekst putten uit Muziekwarande, waardoor zowel de variatie aan onderwerpen als het belang voor de muziekgeschiedschrijving geïllustreerd zullen worden. Al is het misschien even wennen aan de progressieve spelling van toen. Het eerste geselecteerde artikel komt uit nummer 10 van de eerste jaargang en is van de hand van de altijd interessante en goed gedocumenteerde musicograaf André M. Pols.

Flor Alpaerts
Er is geen tijd, of een mens kan er zichzelf aan uitputten. Er is geen werkelik artiest, of iemand kan zich aan zijn werk in blijheid vernieuwen. Wij zoeken in een kunstenaarsbiografie niet zozeer een nauwkeurig relaas van alle levensfeiten, daden en opinies, als wel een mogelikheid voor ons zelf tot dieper levensbesef, tot opwekking van eigen kracht, tot vernieuwing van het innerlik leven. Daarom zijn de levensbeschrijvingen uit de Middeleeuwen zo waardevol, en elk ernstig biograaf van onze tijd spant zich wel het meest in om die "moraal" uit het leven van een toondichter los te maken.

Gaat het om een levend toondichter, een stam- en stadsgenoot zelfs, dan wordt de taak nu juist zeer bemoeilikt door het feit, dat de nodige afstand tot de persoon en zijn werk ontbreekt om beide voldoende objectief te beoordelen. We zullen nochtans trachten in de beperkte ruimte, waarover we hier beschikken, een beeld te schetsen van een onzer voornaamste en tevens meest productieve componisten, die tot de jongere generatie behoren : Flor Alpaerts.

Deze nauweliks zes en veertigjarige toondichter is een volbloed Antwerpenaar (geboren op 12 September 1876). Reeds jong begon hij zijn instrumentele en theoretiese studies en hij voleindde ze aan ons Conservatorium, gedeeltelik onder het bestuur van Peter Benoit, van wien hij nog een drietal lessen mocht genieten, deels onder bestuurschap van Blockx, met wien Alpaerts harmonie en compositie studeerde. Aan de contrapunt- en fuga-professor Tilborghs echter behoudt hij de herinnering als aan een hoogstaand, gloedvol leeraar, die door zijn zeker geestdrift bij machte was het temperament van zijn leerling te doen ontluiken. Toen hij nauweliks 23 was, waagde deze laatste zich aan een symfonies gedicht Psyche, maar het gelijknamige proza-gedicht van L. Couperus, en waarmee hij, bij een eerste uitvoering onder de leiding van wijlen Ed. Keurvels, een zulkdanige bijval verwierf, dat de aandacht van de muziekale middens op hem gevestigd bleef.

Alpaerts wist voortaan dat hij zijn reëelste krachten aan het orkestrale werk moest schenken. Met het Symfonisch Gedicht voor fluit en orkest, waarvan het laatste allegro ingegeven werd door de ballade van Bürger : De Wilde Jager, wordt de rij van orkestwerken geopend, die zijn reputatie ook buiten Antwerpen zou voeren en hem overal waardering deed vinden. Gans meester nu van zijn techniek en met elk instrumentatiegeheim ingewijd, componeerde hij achtereenvolgens de symfoniese schetsen : Herleving en Boschspeling en verwierf in 1905 met een Cyrus-symfonie, waarvan de idee insgeliks bij L. Couperus gehaald werd, de prijs door de Maatschappij der Nieuwe Concerten toegekend aan het beste symfonies werk. Dichter bij ons staan de vier-delige Lente-symphonie en de Vlaamsche Idylle, die allebei reusachtig succes oogstten in de Dierentuin-Concerten gedurende de seizoenen 1920-1921 en 1921-1922. Op dit ogenblik legt Alpaerts een laatste hand aan de instrumentatie van een Pallieter (gans geschetst in Aug. 1921) ; het eerste deel is helemaal af en wordt dit jaar nog ten gehore gebracht.

Pallieter is gedacht als een moderne symfonie uit drie delen, afzonderlik betiteld als : Meimorgen, Zomeravond en Bruiloftsfeest. In het tweede deel zijn adagio en scherzo samengesmolten : dit laatste schildert Pallieter’s Walkürenritt (fuga op het motief van P.). In gans het werk maakte de componist een overvloedig gebruik van ons oud-Vlaams volkslied, enkel als muziekaal citaat, zonder dat het echter stof werd tot motieviese ontwikkeling. Alleen een door-en-door Vlaams toondichter, die een Breugheliaanse uitbundigheid en levenslustigheid bezit, mocht zich de muziekale schildering van deze tonelen uit een echt-Vlaams roman onderwinden en het lijdt geen twijfel : Alpaerts heeft hier niet in middelmaat verspild.

Maar ook het toneel heeft de componist van Psyche aangetrokken. Zijn Shylock (tekst van H. Melis, naar Shakespeare), in 1913 meesterlik vertolkt door A. Steurbaut op ons Nederlands Lyries Toneel, komt wellicht nog eens weer voor het voetlicht, want een definitief oordeel over dit te weinig opgevoerde muziekdrama kon ons publiek zich destijds niet vormen. Met verschillende voorname liederen voor zang en klavier heeft Alpaerts onze Vlaamse lyriek verrijkt en wel bepaaldelik met een reeks liederen op teksten van G. H. Priem, die ons weldra door de uitgave De Ring zullen bezorgd worden. Zo pas verschenen vier bundeltjes van de tijdens den oorlog geschreven Kinderliederen, welke niet enkel door hun eenvoud en degelikheid, maar vooral om hun artistieke waarde een algemene verspreiding in school en huis verdienen.

Deze korte inleiding wil geen aanspraak maken op bibliografiese volledigheid. Ook als reproductief kunstenaar is Alpaerts opgetreden en als dusdanig niet minder werkzaam geweest, zo dat hij reeds meer dan verdienstelijk werk op dit gebied leverde. Na de dood van Edward Keurvels nam hij de dirigeerstok in de hand voor de leiding van de wekelikse winterconcerten van de Dierentuin en hier wist hij prachtige uitslagen te bekomen, daar waar zijn voorganger – die alles behalve een dirigent was – nooit het minste bereikt had. Bovendien wenste onze componist in het theorieonderwijs een nieuwe geest te zien heersen en voor goed af te breken met de pedante en saaie solfègeleerboeken van Lemoine. Zijn methode, die hij uitgaf onder de titel Muziek lezen en zingen, schenkt dan ook een ruimere plaats aan de studie van onze moderne muziekale uitdrukkingsvormen.

Tans neemt Flor Alpaerts, in samenwerking met de gunstig aangeschreven baszanger A. Steurbaut, het bestuur van onze Vlaamse Opera in handen. Het zou voorbarig zijn – zoals zekere dagbladen het waagden – nu reeds kritiek op dit bestuur te willen oefenen. Wel zijn we overtuigd dat de bedoelingen van beide kunstleiders de beste zijn en dat ze verbetering, zoniet totale vernieuwing nastreven, zoowel in het repertorium als in de regie. Laten we hopen dat ons nationaal Vlaams toneel onder hun leiding een periode van artistieke en materiële bloeit te gemoet gaat.

Alpaerts is een buitengewoon begaafd toondichter, behept met een ongemene zelf-critiek en een wondere werkkracht. En zijn aanzienlik, zeer persoonlik werk vertoont wel al de specifieke karaktertrekken, die de uiting zijn van onze Vlaamse eigen-aard. De dualiteit van onze volksziel – haar dromerig-sentimentele dichterlikheid naast haar hevig-latent sensualisme – ligt in elk van zijn scheppingen opgesloten. Deze artiest staat midden in zijn volk, zijn ganse werk is uit de volkspsyche gegroeid en heeft al de kwistige hoedanigheden van ons ras overgeërfd. Er is in Alpaerts een overvloedige levenskracht, een impulsieve bewondering voor het grote, blijde leven en een vruchtbare mannelike fantazie. Zijn laatste woord heeft hij zeker nog niet uitgesproken, maar van nu af reeds verzekeren ons de rijpheid van zijn talent en zijn schitterende productiviteit een heerlik en verheven werk, dat zijn artistiek scheppen in schoonheid voleinden zal.

André M. POLS. 

6. Vers van de pers : Vuurwerk. Symfonisch gedicht voor groot orkest (1924) van Maurits Schoemaker (1890-1964)
door Jan Dewilde

Zopas publiceerde het Studiecentrum bij Musikproduktion Hoeflich in München een facsimile van Vuurwerk, het ooit zo populaire werk van Maurits Schoemaker (Anderlecht, 27 december 1890-Brussel, 24 augustus 1964).

Schoemaker is de muziekgeschiedenis ingegaan als een van de initiatiefnemers en bezielers van Les Synthétistes, een componistenvereniging van oud-leerlingen van Paul Gilson, in 1925 opgericht bij diens zestigste verjaardag. De stichtingsvergadering van deze informele groep vond plaats in het Brusselse kunstenaarscafé Le diable au corps. Andere leden waren René Bernier, Gaston Brenta, Theo De Joncker, Robert Otlet, Marcel Poot en Jules Strens. Na korte tijd al hield Otlet het componeren voor bekeken en werd hij in de groep vervangen door Francis de Bourguignon. Hun naam ontleenden de Synthetisten aan hun intentie om de verworvenheden van de eigentijdse muziek te 'synthetiseren'. Veel verder reikte hun artistieke doctrine niet en hun gezamenlijke activiteiten beperkten zich tot enkele collectieve concerten en de publicatie van een pianobundel. Gemeenschappelijk hadden ze wél dat zij, in de voetsporen van hun mentor Gilson, graag voor fanfare en harmonie componeerden. Ze werden daartoe ook gestimuleerd door Arthur Prevost, de dirigent van het vermaarde Groot Harmonieorkest der Gidsen. Waar het bij gebrek aan een professionele orkestinfrastructuur in België moeilijk was om symfonisch werk uitgevoerd te krijgen, konden ze hun werken laten uitvoeren door dit excellente harmonieorkest. Zo ook Schoemaker die, naast gangmaker van de Synthetisten, vooral een verdienstelijk en origineel componist was. Zijn œuvre verdient dan ook geëxploreerd en geherwaardeerd te worden.

Gedwongen door de vroege dood van zijn vader begon Maurits Schoemaker zijn muziekstudie als autodidact, maar later vond hij toch de middelen om te gaan studeren bij vermaarde componisten als Theo Ysaye (harmonie), Michel Brusselmans (contrapunt), Martin Lunssens (fuga) en Paul Gilson (orkestratie en compositie). Schoemaker was een bedreven technicus die alle genres aanpakte. Hij schreef een hele reeks orkestwerken, zoals Breughelsuite (1928), het symfonisch gedicht De legende van Heer Halewijn (1930), Vlaamse Rapsodie (1931), Vlaamse tonelen (1934), Twee Vlaamse dansen (1944) en Symfonie in a (1946). Daarnaast is hij ook de auteur van enkele concertante werken en van werken voor kamerorkest. In het begin van de jaren 1930 componeerde hij de opera De Swane, op een libretto van Emmanuel De Bom, naar een verhaal van Stijn Streuvels. Niettegenstaande de opvallende symfonische inslag, is het een dramatisch sterk werk. De Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen creëerde het werk met veel succes op 21 januari 1933. Na de Tweede Wereldoorlog beleefde de opera nog succesrijke heropvoeringen. Schoemaker voelde zich goed op het toneel en hij schreef later nog twee opera’s, balletten en toneelmuziek.

Schoemaker componeerde ook op Franse teksten. Enkele van zijn beste liederen zijn geschreven op verzen van Maurice Carème (de cyclus Mère), Emile Verhaeren (Le ciel en nuit), Michel de Ghelderode (Psaume), Adrienne Revelard (Trois poèmes) en Armand Bernier (Sylvestre, een cyclus met begeleiding van piano of strijkorkest). Verder componeerde hij liederen op goedgekozen teksten van J.M. Dautzenberg, Pol de Mont en Karel Jonckheere. Daarnaast schreef hij ook uitstekende pianomuziek (een sonate en Tombeau de Chopin voor twee piano’s), kamermuziek, religieuze werken, koren en radiospelen.

Schoemakers populairste werk was ongetwijfeld het symfonisch gedicht Vuurwerk (Feu d’artifice). Hij componeerde het werk in 1922 aanvankelijk voor fanfare, maar bewerkte het in 1924 voor symfonisch orkest en in 1927 voor harmonieorkest. De drie versies werden verschillende keren uitgevoerd, in verschillende Europese steden en tot in de Verenigde Staten toe, maar de orkestrale brille van het werk komt in de versie voor symfonisch orkest het best tot zijn recht. Het is dan ook deze symfonische versie die door de Stichting Koningin Elisabeth geselecteerd werd om in 1932 bij Schott Frères in Brussel te worden gepubliceerd. Schoemaker liet zijn symfonisch gedicht voorafgaan door een argument waarin hij een vuurwerk beschrijft, terwijl ondertussen twee poesjenellen een koers op leven en dood lopen. Gilson zou over deze compositie, vol beweging en kleur, gezegd hebben: "A côté du Feu d’artifice de Schoemaker, celui de Strawinsky paraît assez pâle." Gilson zag in Schoemakers werk "une sorte de feu d’artifice sentimental, dans lequel fusées, moulins, gerbes, bouquet final, décrivent des états d’âme plutôt que des étincelles pyrotechniques." (Citaten van Paul Gilson in: Franz De Wever, Paul Gilson et les Synthétistes, Brussel, 1949, p. 52).

Dit werk werd op LP (33 toeren) opgenomen door het Orchestre de Liège o.l.v. Fernand Quinet (Musique belge contemporaine – Decca 173.429) en door het Praags Symfonisch Orkest o.l.v. Jindrick Rohan (Les Synthétistes à Prague: l’école du maître Paul Gilson – Supraphon/World Music).