Peeters, Flor

Tielen, 04/07/1903 > Antwerpen, 04/07/1986

Biografie

Peeters, Flor

door Annelies Focquaert

Flor Peeters werd in 1903 geboren in het Kempense Tielen als jongste kind uit een gezin van 11. Zijn vader, die postmeester en koster-organist was, stierf toen Flor zeven jaar oud was. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van zijn broers; op zijn achtste speelde hij voor het eerst de mis op het orgel van zijn parochie. Zijn eerste composities dateren vanuit zijn schooltijd, hij studeerde tijdens deze periode ook viool en orgel. In 1919, op zijn zestiende, startte hij zijn studies aan het Lemmensinstituut, waar hij les kreeg van Oscar Depuydt (orgel), Jules Van Nuffel (Gregoriaans en analyse) en Lodewijk Mortelmans (contrapunt en fuga). Hij behaalde in recordtempo zijn diploma: op vier jaar in plaats van acht.

In 1923 werd hij organist van de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen, een functie die hij zou uitoefenen tot aan het einde van zijn leven. Vanuit deze betrekking richtte hij samen met Jules Van Nuffel het beroemde Sint-Romboutskoor op. Bij het overlijden van Oscar Depuydt in 1925 werd Peeters, die met zijn 22 jaren jonger was dan de meeste van zijn leerlingen, aangesteld als orgelleraar aan het Lemmensinstituut.  Hij had contacten met Widor en Dupré en onderhield een briefwisseling met Charles Tournemire. Vanaf het begin van de jaren '30 begon een internationale carrière zich af te tekenen: hij maakte tournees in Denemarken, Nederland en Duitsland.

In 1931 werd hij aangesteld als orgelleraar aan het Conservatorium van Gent, tegen de wil van toenmalig directeur Martin Lunssens, die er liever zijn oud-leerling Charles Hens had gezien, maar daarin werd tegengehouden door een tussenkomst van Koningin Elisabeth, ten voordele van Peeters. In 1939 kwam hier nog een post als orgelleraar in Tilburg bij. Wereldoorlog II zette een rem op Peeters' les- als concertpraktijk, maar betekende geen oponthoud voor zijn componeren: vlak na de bevrijding werden zowel zijn Concerto voor orgel en orkest als zijn Te Deum gecreëerd.

In 1946 trok hij op concertreis naar Amerika en Canada, de eerste van een lange reeks tournees over de hele wereld die hem een grote, niet aflatende naam en faam opleverden. Twee jaar later nam hij afscheid van Gent om orgelleraar te worden aan het Antwerpse Conservatorium, waar hij in 1952 directeur werd. Onder zijn leiding groeide de orgelklas exponentieel aan en kreeg ze een groot internationaal aanzien; als directeur verwezenlijkte hij de bouw van het nieuwe Conservatorium. In dat jaar verscheen ook zijn bekende en invloedrijke Ars Organi, een orgelmethode die de neo-barokke inzichten goed vertegenwoordigt.

Tussen 1952 en 1960 ging een aanzienlijk deel van Peeters' tijd op aan uitputtende concerttournees, die hij combineerde met zijn post in Sint-Rombouts en als directeur in het Antwerpse Conservatorium. In 1968, hij was dan 65, ging hij op pensioen. De Belgische regering (minister van Elslande) vond echter dat Peeters niet zomaar mocht ophouden en stelde voor om een jaarlijkse Internationale Orgel-meesterklas in Mechelen te organiseren, die hij zou leiden. Peeters nam dit graag aan en zou op die jaarlijkse masterclasses vele internationale jonge talenten onderwijzen. In 1971 ontving hij een eredoctoraat van de Leuvense Universiteit en werd hij in de adelstand verheven tot 'baron Flor Peeters'. Door aanhoudende rugproblemen moest hij in 1978 stoppen met orgelspelen. Hij overleed op zijn verjaardag, op 4 juli 1986.

Zijn oeuvrelijst omvat 140 opusnummers, waarvan het merendeel werken voor orgel (Sinfonia per organo, Vlaamse Rapsodie, Modale Suite, Lied-Symphonie, Concerto voor orgel en orkest), maar ook werken voor piano, beiaard, kamermuziek, vocale muziek (10 missen, liederen, Te Deum), een concerto voor orgel en piano en verschillende pedagogische werken (Ars Organi). Hij gaf ook verscheidene anthologieën uit van orgelmuziek (Anthologia per Organo, Old Netherlands masters for the Organ).

Het orgelwerk van Flor Peeters groeide vanuit twee tegengestelde tradities. Aan de ene kant is er de symfonische traditie van Tournemire, Dupré en Franck, die hem vooral beïnvloedde in zijn vroege composities zoals de Symphonische fantasie opus 13 en de Vlaamse Rhapsodie opus 37.  Aan de andere kant is er de polyfone traditie van de renaissance en de barok, die vooral zijn latere werken kenmerkt, zoals zijn Hymn preludes for the Church year (in 24 volumes) . Daarnaast valt vooral zijn voorliefde voor het gregoriaans, modaliteit en oude Vlaamse meesters op, waarbij toch ook steeds gebruik wordt gemaakt van meer hedendaagse idiomen als polyritmie en polytonaliteit. Zijn orgelwerken kenden vooral in Amerika een zeer ruime verspreiding en populariteit, die tot op vandaag geldig blijft.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert