Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Thielemans, Pierre

Sint-Pieters-Woluwe, 22/02/1825 > Guingamp (FR), 03/12/1898

Biografie

Thielemans, Pierre

door Annelies Focquaert

Hij kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, die organist was bij de Jezuïeten in Brussel. Later studeerde hij aan het Conservatorium van Brussel, waar hij vanaf 1838 een solide muzikale opvoeding kreeg en eerste prijzen behaalde in notenleer (1842, bij Lados en van Helmont), harmonie (1844 bij Bosselet, waar hij een medestudent was van Lemmens), van compositie (1845 bij Fétis) en orgel (1848 bij Christian Girschner). In 1849 nam hij, samen met Stadtfeld en Lassen deel aan de Prix de Rome (zonder succes), en in 1853 nam hij deel aan dezelfde wedstrijd met de cantate Les Chrétiens Martyrs, opnieuw zonder succes. Zeker in 1857 was hij volgens Gregoir organist van de Katelijnekerk in Brussel, hoewel dit door Vannes wordt tegengesproken. Tijdens zijn vakanties gaf hij les in Parijs en Londen.

Toen Thielemans’ vriend en landgenoot Hippolyte Loret een nieuw orgel bouwde voor de basiliek van Notre-Dame-de-Bon-Secours in Guingamp (Bretagne), vroeg hij Thielemans om het instrument in te spelen op 7 februari 1865. Een en ander had tot gevolg dat Thielemans er benoemd werd tot organist en kapelmeester en zich er voorgoed vestigde. Het lijdt geen twijfel dat Loret een belangrijke rol heeft gespeeld als tussenpersoon bij de komst van Thielemans en zijn benoeming als organist. Al bij de inspeling overtuigde Thielemans door zijn manier van spelen, zijn kennis van de "oude meesters" en zijn voorliefde voor duidelijke melodieën in een formeel strikt kader. Hij zou aan de basiliek van Guingamp verbonden blijven tot aan zijn dood, 33 jaar lang. 

Een van de andere verklaringen voor zijn succesvolle integratie in Guingamp ligt ook in zijn huwelijk in 1866, met een dochter van kleine middenstanders uit dezelfde stad. Daarnaast speelt ook mee dat hij in Bretagne een klimaat vond van eenvoudig en oprecht geloof, dat aanleunde bij zijn ideaal van katholiek organist, én een uitgebreid netwerk van professionele organisten. In Guingamp werd Thielemans een intieme vriend van advocaat Sigismond Ropartz, de vader van organist Guy Ropartz. Sigismond Ropartz was een zeer belezen ‘homme de lettres’ die zich intensief bezighield met de geschiedenis van Bretagne. Op die manier bracht hij Thielemans in contact met regionale bewegingen die ijverden voor het Bretoens en spoorde hij hem ook aan om door zijn muziek een uitdrukking te geven aan de Bretoense identiteit. 

Uit hun samenwerking ontstonden verschillende werken. Hun eerste gemeenschappelijke opus is de cantate Les deux Bretagnes, die uitgevoerd werd in de herfst van 1867 in het kader van het 'Congrès celtique international' in Saint-Brieuc: dit werk kan beschouwd worden als  de intrede van de kunstmuziek in de Bretoense beweging. Daarna volgden nog een opéra-comique (Michel Columb, sculpteur breton, voor het eerst uitgevoerd in het theater van Rennes, 1867), een liedbundel Harmonies champêtres (1868), een oratorium (Au pied de l’autel, 1875), en een tweede cantate, Les Pélerins de Sainte-Anne-d’Auray (1876). 

Een blik op zijn oeuvre leert dat de werken uit de Belgische periode zeldzaam zijn, en ook dat hij maar 3 werken voor orgel publiceerde, wat erop lijkt te wijzen dat Thielemans zich liever uitdrukte door middel van improvisaties dan door composities voor zijn eigen instrument. Daar tegenover staat een behoorlijk aantal composities voor piano, die niet alleen de geest van de tijd weergeven maar ook een weerslag zijn van zijn activiteiten als pianoleraar. 

Maar het grootste deel van zijn werk - ongeveer 120 opusnummers - staat ten dienste van Bretagne, of het nu gaat om profane of religieuze muziek. Niet alleen spreken de titels voor zich: Fleurs de Bretagne, L’Oraison de Mr saint Yves, Echos de la Bretagne, maar ook in de muziek zelf is er een zeer sterke invloed te merken. Thielemans gebruikt onder meer dansthema’s in zijn werken voor piano (Les Dérobées) en profane traditionele liederen uit het Bretoense liedboek Barzaz Breiz, bijvoorbeeld in zijn opéra-comique Michel Columb, over de zogenaamd Bretoense auteur van de grafmonumenten van de Hertogen van Bourgondië in de kathedraal van Nantes.

Nog belangrijker is dat hij samen met Charles Collin, organist van de kathedraal van Saint-Brieuc, religieuze volksliederen harmoniseerde en verwerkte in religieuze composities zoals de Messe de Notre-Dame-de-Bon-Secours, en de Cantate bretonne en l’honneur de saint Yves (beiden uit 1890). Hij verzamelde zelf ook volksliederen in de streek rond Guingamp en publiceerde ze onder meer in het supplement bij Telen Rumengol (1867) en Telen Gwengamp (1869) van de dichter J. P. Lescour. Het is daarom dat hij de Bretoense bijnaam "Telenn d’Arvor" (de harp of bard van Bretagne) heeft gekregen, zoals het ook op zijn grafsteen in Guingamp vermeld staat. 

Door zijn talent ten dienste te stellen van de culturele identiteit van Bretagne en door het gebruik van modale tonaliteiten, maakte Thielemans een relatie tussen ‘geleerde’ muziek en volksmuziek, een verbintenis die hij op het voorplan plaatste van zijn muzikale activiteiten. Zijn werkwijze is geen geïsoleerd geval maar past in het kader van zowel het algemene ontwaken van het nationaliteitsbesef in de 2e helft van de 19e eeuw, als in het zoeken naar een nieuwe invalshoek voor de tonaliteit. 

Hoewel Thielemans het belangrijkste deel van zijn professionele leven in Bretagne doorbracht, behield hij toch steeds de Belgische nationaliteit. Een groot deel van Thielemans’ composities bevindt zich in het fonds Louis Lebreton in de Bretoense bibliotheek van de Abdij van Landévennec. 

Thielemans was ridder van de orde van 'Saint-Grégoire le grand'. Zijn vriend Charles Collin componeerde in 1906 een Marche élégiaque à la mémoire de Pierre Thielemans, organiste de la Basilique de N.-D. de Bon Secours à Guingamp.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert