Uyttenhove, Franz

Gent, 07/09/1874 > Gent, 22/12/1923

Biografie

Uyttenhove, Franz

door Jan Dewilde

Als kind zong Franz Uyttenhove solo's in de Sint-Baafskathedraal in Gent en al vroeg noteerde hij zijn eerste muziekstukjes. Aan het Conservatorium van zijn geboortestad studeerde hij viool bij Gustave Beyer, harmonie bij de componist Leo Moeremans, contrapunt bij de briljante contrapuntist Adolf D'Hulst en compositie en orkestratie bij directeur Adolphe Samuel. 

Ondertussen componeerde hij religieuze muziek, zoals een tweestemmige mis, die hij al op zijn vijftiende was begonnen, en een Ave Maris Stella voor mannenkoor a capella. In 1896 schreef hij Het lyden van Kristus en een vijfstemmig Kyrie. Beide partituren zijn zoek. Uyttenhove sprong overigens nogal nonchalant met zijn manuscripten om. Nog vóór de eeuwwisseling voltooide hij Kerstnacht (tekst van Julien Cardon), een werk bedoeld voor de Gentse koormaatschappij Liederkrans. Het is een achtstemmig, haast symfonisch gedacht koorwerk met een hoge moeilijkheidsgraad.

Even veeleisend is het Stabat Mater, dat hij schreef voor een koorwedstrijd van de Melomanen in 1908. Dit Stabat Mater, op een Nederlandse berijming van de traditionele Latijnse verzen, voldoet aan de eisen van een plichtwerk: vrij inzettende dissonanten, moeilijke intonaties, stoutmoedige modulaties, een bestendig zwevende tonaliteit en grote dynamische contrasten. Daarenboven heeft de componist deze muzikale middelen met grote vakbekwaamheid ten behoeve van de tekst weten aan te wenden. Vic Nees schreef over dit zeer expressieve werk: "De Germaanse chromatiek blijkt hem niet onbekend, maar ze bereikt eerder een lyrisch dan een dramatisch effect. Ze wordt getemperd door een Latijnse zangerigheid. Ik ken in ons taalgebied geen gelijkaardig koorwerk uit deze tijd. Het hoort niet thuis in de sfeer van Benoit, noch in die van Tinel. Ik noem daarom Uyttenhove een typisch Gents componist."

Uyttenhoves belangstelling voor religieuze muziek vloeide ook voort uit zijn functies als organist. Niettegenstaande hij violist van opleiding was, was hij sinds zijn twintigste organist van de Sint-Jacobskerk; in de Jezuïetenkerk, waar Oscar Roels dirigeerde, bespeelde hij het Cavaillé-Coll-orgel (later naar Heverlee overgebracht) en hij was ook "organist van het stadhuis". Hij werd vooral geprezen als improvisator. Emiel Hullebroeck: "Als improvisator vond Frans zijns gelijke niet. Hij schiep als een stroom van goddelijke muziek, die hij door de gewelven van het kleine kerkje liet galmen. In die uren heb ik de goede Frans het meest bewonderd: hij zat voor het orgel en mocht de vrije teugel aan zijn grenzenloze en steeds verfijnde inspiratie geven."

Naast religieuze muziek componeerde hij ook enkele orkestwerken, zoals Contemplation (viool en orkest); Aan de Leie (viool en orkest), opgedragen aan de vioolvirtuoos César Thompson; Marche triomphale, geschreven voor de 75e verjaardag van België; en de ouverture L'Énéide. Deze in een laatromantisch idioom geschreven programma-ouverture werd in 1903 en 1909 uitgevoerd met Léon Rinskopf als dirigent en Uyttenhove dirigeerde zelf zijn werk in 1915 (op de Winterconcerten) en 1920 (tijdens de Floraliën). Het omroeporkest nam het werk op in 1969 (o.l.v. Daniël Sternefeld) en 1991 (o.l.v. Fernand Terby; televisieproductie).

Uyttenhove is ook de auteur van enkele pianowerken waaronder Diamond-foxtrot, geschreven in de ragtime-traditie van Scott Joplin, en een verloren Trio in c. Maar hij zag zichzelf echter vooral als een operacomponist. Op libretto's van Johan Lefèvre componeerde hij de eenakter Gerda en Walda, een onvoltooid lyrisch drama in drie bedrijven. Gerda werd door een staatscommissie onder voorzitterschap van François-Auguste Gevaert beloond met een subsidie van 1.500fr., een bedrag dat alleen zou uitgekeerd worden indien de opera ook wordt uitgevoerd. Wat niet gebeurde.

Voor zijn derde opera, Marieke van Nymegen, deed Uyttenhove een beroep op de succesvolste Vlaamse librettist van die tijd, met name Rafaël Verhulst. Verhulst tekende ook voor de libretto's van o.a. Quinten Matsijs (Emile Wambach), Heibieke (Edward Verheyden), Reinaert de Vos (August De Boeck) en De kinderen der zee (Lodewijk Mortelmans). Na zeven jaar compositorische arbeid, voltooide Uyttenhove de opera in 1914. De oorlog verhinderde de geplande creatie tijdens het seizoen 1914-1915 en ook pogingen in 1920-1921 mislukten. Na de dood van de componist werd een comité opgericht met de Gentse conservatoriumdirecteur Martin Lunssens als voorzitter. Dankzij een subsidie van 3.000 fr. kon het werk in oktober 1925 eindelijk in de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen in première gaan. Paul Gilson, die het werk bijzonder apprecieerde, voltooide enkele onafgewerkte orkestraties. Volgens criticus Paul Tinel had het werk "une valeur théâtrale de premier ordre; l'action n'y languit point, elle est d'une continuité où l'intérêt se soutient sans cesse."  

Ook Uyttenhoves melodieën, die geplaatst werden in de Franse traditie van Gounod en Massenet, werden geloofd. Na de Antwerpse première werd het werk binnen het jaar in Gent tijdens het Vlaamsch Wetenschappelijk Kongres uitgevoerd. In 1941 volgde een eigen Gentse productie en er volgden hernemingen in 1949, 1964 en 1976. Tussendoor dirigeerde Walter Crabeels de opera nog eens in Antwerpen.

Als vader van elf kinderen was Uyttenhove zijn hele carrière lang steeds genoodzaakt om een resem gelegenheidsopdrachten aan te nemen: hij gaf muziekles ineen school van de Broeders van Liefde; was repetitor in de opera; trad vaak op als gewaardeerd pianobegeleider en begeleidde stomme films in zaal Majestic. Hij leidde ook het koor van de Rederijkerskamer Marien-Theeren, waarmee hij zelfs opera's van Méhul en Rossini uitvoerde, en hij dirigeerde de Winterconcerten en de concerten van Van Houttes kring. Componeren deed hij dan 's nachts. 

Een van zijn laatste werken is de cantate Het Vlaamsche Lourdes (tekst van Leonce Reypens), ook al een werk dat als verloren moet worden beschouwd. Franz Uyttenhove stierf op zijn 49ste aan een hartaandoening. Hij werd begraven op het ereperk van Campo Santo. Paul Bergmans schreef toen over de al te bescheiden componist: "S'il avait voulu, Franz Uyttenhove aurait occupé une place en vue dans le monde musical belge. Mais son coeur simple et bon répugnait à tout tapage, et il vivait son rêve à son foyer qu'il chérissait par-dessus tout." 

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde