Van den Abeele, Cyriel

Ursel, 14/01/1875 > Gent, 02/11/1946

Biografie

Van den Abeele, Cyriel

door Annelies Focquaert

Cyriel Van den Abeele werd geboren in het Oostvlaamse dorpje Ursel, uit een geslacht van minstens drie generaties koster-organisten. In die traditie kreeg hij zijn eerste orgellessen van zijn vader Hyppoliet, die sinds 1872 koster-organist was in Ursel. In 1893 schreef Cyriel Van den Abeele zich in aan het Conservatorium van Gent, waar hij in 1895 eerste prijzen behaalde in orgel (Jozef Tilborghs en diens assistent Adolphe D'Hulst), theoretische harmonie (Paul Lebrun), praktische harmonie en becijferde bas (Frans Van Avermaete) en compositie (Adolphe Samuel). Een jaar later volgde de eerste prijs voor fuga (Samuel). In 1897 studeerde hij af met het einddiploma orgel ('diplôme de capacité'), een prijs die maar zelden werd toegekend. Zijn medestudenten in deze periode waren onder meer Emiel Hullebroeck, Jaak Opsomer (die op zijn eigen eindproef orgel een werk van Van den Abeele speelde) en Ernest Brengier. In 1899 nam hij - samen met zijn studiegenoot Brengier - deel aan de Prix de Rome-wedstrijd met de cantate Bruiloftsklokken, maar zonder een prijs te behalen. Hij zou, in tegenstelling tot vele andere kandidaten, nooit een tweede poging wagen. In hetzelfde jaar verschenen zijn eerste liederen in het Studentenliederboek van Heyndrickx.

In 1901 werd Cyriel Van den Abeele organist van de Gentse Sint-Niklaaskerk, als opvolger van Désiré Van Reysschoot. Tot aan zijn dood, bijna een halve eeuw later, zou Van den Abeele er het beroemde Cavaillé-Coll-orgel blijven bespelen. Van den Abeele was daarbij gekend en geliefd voor zijn improvisatietalent in de niet-theatrale, contrapuntische stijl van de oude meesters, zodat de zondagse 11-urenmis een grote aantrekkingskracht uitoefende op muziekliefhebbers uit Gent en omstreken. Floris Van der Mueren omschrijft die momenten als volgt: "Wie Gent gekend heeft gedurende de laatste 50 jaren, is oorgetuige geweest van de toeloop die de orgelmis van zondag te 11 uur in de St.-Niklaaskerk kende. Gedurende drie kwartier kon men er de nederige doch grondig geschoolde Cyriel Van den Abeele, leerling van de oude Tilborgs, horen improviseren op thema's van de dagliturgie in een ononderbroken contrapuntische meerstemmigheid, die gevat en belangwekkend was en een kracht vertoonde die herinneren kon aan voorliefden van de oude Bach. Duizende lieden hebben hem gehoord en hooggeacht en in het Gentse was een kern van getrouwen elke zondag aanwezig om de vertoonloze en pompeusvrije doch zeer verscheiden, gebonden en als een brok natuur uit het hart voortvloeiende contrapuntiek te genieten van deze fijne musicus, die een organist was uit de goede traditie waaruit af en toe nog een kind der fugakunst geboren werd."

Toen Jozef Tilborghs in 1902 op pensioen ging als orgelleraar aan het Conservatorium, kreeg Van den Abeele een teleurstelling te verwerken: niet hij, maar de jonge Léandre Vilain werd als opvolger benoemd. In Gent werd er schande over gesproken dat de Franstalige Emile Mathieu, directeur van het Conservatorium sinds 1898, de Franstalige Vilain zonder examen had benoemd en daarbij Van den Abeele had overgeslagen; enkele bronnen suggereren dat in de zaak, die in de kranten opschudding veroorzaakte, ook Van den Abeele's katholiek flamingantisme had meegespeeld. In elk geval plooide Van den Abeele zich nadien vooral terug op zijn organistenbaan in de Sint-Niklaaskerk en componeerde hij bijna niet meer. In 1931 zou Van den Abeele zich opnieuw kandidaat stellen als orgelleraar aan het Gentse Conservatorium, deze keer als opvolger van Léandre Vilain: het was echter Flor Peeters die de job kreeg.

Door in 1902 naast zijn aanstelling tot orgelleraar te grijpen, zag Van den Abeele zich genoodzaakt om samen met zijn vrouw een kruidenierszaak open te houden in Gent en als handelsreiziger rond te trekken. Daarnaast gaf Van den Abeele muziekles aan privé-leerlingen en in het Jozefietencollege van Melle.

In de lyrische biografie die Lambrecht Lambrechts publiceerde in Muziek-Warande in 1926, moedigde hij aan Van den Abeele aan om toch opnieuw te gaan componeren, en wierp hij ook op dat Van den Abeeles uitzonderlijke improvisatietalent toch beter benut zou kunnen worden in een hogere opleiding improvisatie. Van den Abeele lijkt inderdaad vanaf de jaren 1920 opnieuw gecomponeerd te hebben, maar van een hogere cursus improvisatie kwam spijtig genoeg niets in huis. Van den Abeele kende nog één bescheiden moment van glorie toen hij in 1946, niet lang voor zijn overlijden, een improvisatie-recital gaf voor officieren van het bevrijdingsleger.

Als componist was Van den Abeele vooral actief in de relatief korte periode tussen zijn laatste studiejaren (rond 1895) en zijn huwelijk in 1904, en opnieuw vanaf de jaren 1920. Zowel liederen, piano- en kamermuziekwerken als enkele werken voor orkest staan op zijn palmares, naast de evidente religieuze muziek (cantates, motetten, missen, deels uitgegeven als muziekbijlagen bij het tijdschrift Musica Sacra). Van den Abeele componeerde maar twee werken voor orgel: een Andante con espressione dat uitgegeven werd in de reeks Les Maîtres contemporains de l'orgue van abbé Joubert (3e deel, 1912), en een Scherzando (fantasia). Zijn compositiestijl voor religieuze werken is klassiek en staat ten dienste van de liturgie, terwijl in zijn orkest- en kamermuziekwerken een voorliefde van Wagner opvalt.

Een groot deel van zijn composities werd in 2010 door de familie aan de bibliotheek van het Antwerpse Conservatorium geschonken.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert