Van den Eeden, Jan Baptist

Gent, 28/12/1842 > Bergen, 04/04/1917

Biografie

Van den Eeden, Jan

door Tom Janssens

In zijn Mémoires d’un polémiste doet de omstreden schrijver Edmond Picard niet alleen zijn tumultueuze carrière als socialist, senator, advocaat en antisemiet uit de doeken, eveneens vertelt hij met veel smaak over de artistieke beau monde die hij thuis over de vloer kreeg. Want dat Picard naast politieke ook artistieke aspiraties had, was bekend. Zo onderhield hij contacten met Emile Verhaeren en Georges Rodenbach, richtte hij het kunsttijdschrift L’Art Moderne op, schreef hij een handvol filosofische toneelstukjes en dito verzenbundels bij elkaar en organiseerde hij in 1899 in zijn Brusselse woning Rodins eerste solotentoonstelling. Maar, het ging er bij senator Picard niet steeds even francofoon aan toe: als Vlaamsgezinde ‘belgicien’ zette hij zich herhaaldelijk in voor de gelijkschakeling van beide landstalen. Daarbij droeg hij ook de Vlaamse kunstenaars een warm hart toe. Een van de artiesten die bij Picard geregeld op de thee mocht komen, was de Gentse componist J(e)an Baptist Van den Eeden. Als we de Brusselse senator-schrijver mogen geloven, was deze componist – que nous nommions Eden – een mélodiste à production ente, gardant intacte sa franche nature flamande sous le masque de sa physionomie italienne, lointain reflet de quelque marchand de Venise ou de Gênes venu à Bruges au temps des merveilles du moyen âge.

Wie een portret van Van den Eeden bekijkt, zal opmerken dat deze er niet ‘Italiaanser’ of ‘middeleeuwser’ uitziet dan de doorsnee besnorde man. Evenmin zijn Van den Eedens eerder kosmopolitische en erudiete composities van een ‘robuust Vlaamse’ inslag. Laten we Picards fraaie bespiegeling over deze ‘Italiaanse Vlaming’ dus liefst terzijde. Of toch niet? Want, een kleine eeuw nadat Picard zijn memoires neerpende, is ons huidige, wat eenzijdige beeld van Jan Baptist Van den Eeden – voorstander van Benoits Vlaamse projecten en winnaar van de prestigieuze Romeprijs in 1869 – niet echt anders gekleurd.

 

Enfant prodigue

Van den Eeden – geboren in Gent op 24 december 1842 – was dan wel de zoon van een eenvoudige schoenmaker, het was niet al voetenwerk wat er thuis besproken werd. Vader Louis toonde een grote artistieke belangstelling en stond aan de wieg van het Gentse Kunstgenootschap. Eenzelfde kunstzinnige toewijding stopte hij in de opvoeding van zijn (vele) kinderen. Met succes, want alvast enkelen onder hen kregen de creatieve kriebels. Zo liet Gustave zich aan het Gentse conservatorium opmerken als een begaafd cellist, die we later terug zouden vinden in de orkestbakken van de Gentse opera en van de Brusselse Muntschouwburg. Zijn schilderende broer Nicolas schopte het tot directeur van de Naamse Académie des Beaux Arts, alvorens zich als kunstschilder terug te trekken in Bournemouth aan de Engelse kust. Maar geen van beiden zou het halen bij de latere populariteit van hun oudere broer Jan Baptist.

Naast wat gekras op een aftandse tweedehandsviool, was het vooral zijn vroegrijpe pianospel waarmee de tienjarige Jan Baptist hoge ogen gooide. De stap naar het Gentse conservatorium, waar hij onder Max Heynderickx zijn pianistiek talent ontwikkelde, was dus gauw gezet. De prijzen notenleer, kamermuziek en zang stapelden zich in ijltempo op en in 1860 verkreeg Jan Baptist een prix d’excellence voor zijn eindexamen piano. François)Auguste Gevaert, die om in de jury te zetelen zijn Parijse bezigheden aan de Opéra eventjes onderbrak, laat er in een gedetailleerd verslag over deze eindexamens alvast geen twijfel over bestaan:

Quoique cela puisse paraître fabuleux, à quiconque a la juste idée des difficultés accumulées dans ces quelques lignes, le jeune Van den Eeden, avec une verve et une sûreté prodigieuses, a rempli ce terrible programme sans sourciller. Beaucoup de pianistes qui ont nom de par le monde n’en feraient certes pas autant. Ce jeune homme est doué exceptionnellement par la nature et s’il peut franchir d’un pas ferme et assuré la distance qui sépare l’habileté précoce du talent mûri, il ira certainement très loin… Etre un grand artiste après avoir été un enfant prodigue, voilà le point important. Espérons que ce jeune homme sympathique et intelligent n’ira pas échouer sur cet écueil, célèbre par tant de naufrages, mais qu’il deviendra un de ces noms que la ville de Gand aime à citer comme un témoignage vivant du goût artistique et musical de ses habitants.

De jonge Van den Eeden zette zich in om een plek in het artistieke stadsleven te verwerven. Zonder veel succes, zo vermoeden we. Hij gaf pianolessen aan het Instituut van de Paters Jozefieten in Melle en aan het Doornikse Séminaire de Bonne-Espérance, waar hij de latere minister van Staat Michel Levie op de vingers mocht tikken. Wellicht trad hij ook op als pianist in salons, waar hij – dankzij de artistieke vrienden van zijn vader? – enige naam wist te maken. Daarnaast was hij als triangelspeler en als orkestregisseur actief in het orkest van de Gentse opera, waar zijn oud-leraar harmonie en operacomponist Karel Miry assistent-dirigent was. Wellicht was het ook Miry die Jan Baptist in de opera introduceerde en hem met de tak belastte om het orkestmateriaal te beheren. Geen toeval, want zo’n twintig jaar geleden was het Miry die zijn carrière begon met identiek dezelfde baantjes in dezelfde instelling. En, net zoals dat bij Miry het geval was, verleidde deze job ook de leergierige Jan Baptist tot nachtelijke onderonsjes met orkestpartituren.

 

Un parfum de juvénilité exquise

Voorlopig beperkte Van den Eeden zijn compositorische uitspattingen tot kamermuziekwerken en liederen. Zijn eerste, zesdelige Album de chant – op teksten van enkele Gentse amateurdichters – werd in 1862 door de uitgeverij van Gevaerts broer Victor gepubliceerd. Het werd het begin van Van den Eedens langdurige interesse voor het klavierlied. Liefst zeven liedbundels en een tachtigtal liederen zouden er later uit z’n pen vloeien. Gelukkig zou Van den Eeden in de loop der jaren zijn jeugdige voorliefde voor derderangspoëzie inruilen voor een wat bredere poëtische belangstelling. De contacten die hij met dichters had, waren dan ook talrijk: Emile Verhaeren, Georges Rodenbach en ook de Franse schilder-dichter Jules Breton behoorden tot zijn vriendenkring. De contacten die Van den Eeden had, doen vermoeden dat hij een graag geziene gast was binnen de francofone, culturele kringen van Gent.

Van den Eeden – die toen, voor zover we weten, het brood op de plank verdiende met lesgeven – interesseerde zich steeds meer voor de theoretische kant van de zaak. In 1864 trok hij dan ook naar het Brusselse conservatorium om zijn kennis in compositie, fuga en contrapunt bij François-Joseph Fétis bij te schaven. Een stoutmoedig studiereisje dat vruchten afwierp, want al het volgende jaar deelde hij samen met de Mechelse liedcomponist Gustave Van Hoey de tweede plaats in het prestigieuze Romeprijsconcours. In deze wedstrijd, waarvoor de deelnemers als laatste proef een cantate moesten schrijven op speciaal daartoe geschreven teksten, koos Van den Eeden voor de Nederlandse tekst De wind van de Vlaamse veelschrijver Emanuel Hiel. Een opgemerkte keuze, want pas sinds 1864 mochten componisten een Nederlandstalige tekst toonzetten – een aanpassing in het reglement waaraan veel politieke (en artistieke) wrijving voorafging. De Brusselse componist Gustave Huberti kaapte met de Franse tekst, La fille de Jephté, van Mme Strumann de eerste prijs weg. Met een gedeelde tweede prijs kon de pret voor Van den Eeden alvast niet op, zeker niet wanneer zijn cantate – na uitvoeringen in Brussel, Gent en Antwerpen – op uiterst positieve kritieken onthaald werd, zoals deze van muziekhistoricus Edmond Van der Straeten:

Toute la partition de M. Van den Eeden respire ce parfum de juvénilité exquise qui se dégage de l’œuvre de tout vrai artiste à l’âge de vingt ans, et que l’artiste ne retrouve plus grand quand les déboires de la vie ont fait retentir en lui une autre corde de sensations. Tout y vibre en notes ardentes, tout y palpite en accords trémoussants. En vain vous y chercheriez une phrase qui ne soit illuminée d’un chaud rayon d’inspiration printanière. Le cœur y a plus de part encore que l’imagination et c’est le cœur qui a dicté au jeune maître ses accents les plus émouvants et les plus caractéristiques.

(…) En somme, l’œuvre de M ? Van den Eeden renferme le gage d’un superbe premier prix et promet une illustration de plus à l’art musical belge.

De jubelende kritiek van Van der Straeten was typerend voor alle andere reacties die Van den Eedens muziek kreeg en waarin zijn subtiele, originele muziektaal geprezen werd. Ook wanneer in 1866 zijn nieuwste liederenbundel Douze mélodies bij de prestigieuze uitgeverij Schott uitgebracht werd, waren de reacties meer dan positief: de jonge Van den Eeden werd zelfs vergeleken met Charles Gounod. Hoewel bij zoveel lovende patios enige voorzichtigheid geboden is, was het duidelijk dat Van den Eeden onthaald werd als een jonge belofte binnen het Belgische muziekleven. Toch kende de 25-jarige componist ook z’n dipjes. In 1867 nam hij opnieuw deel aan de Romeprijs, alleen kon de tekst hem ditmaal nauwelijks inspireren. Zijn cantate Het woud, op tekst van de Gentse dichter Karel Versnayen, leverde hem zelfs geen vermelding op. Het zou Hendrik Waelput – een andere Gentenaar zijn die met dezelfde tekst de eerste prijs binnenhaalde. Van den Eeden herpakte zich, en schreef ter gelegenheid van een katholiek congres in Mechelen, een bizar oratorium, Le jugement dernier, op tekst van de vertaler-schrijver Gustave Lagye, broer van de zangeres Marie Lagye. Niet alleen omwille van het markante onderwerp werd dit oratorium – écrite dans le genre mystique, aldus Marcel Delsaux – opgemerkt. Le Guide Musicale maakt er voorpaginanieuws van, met een kritiek van Edmond Van der Straeten die vol lof was over de elegante schrijfstijl, de dramatische kracht en de gedurfde opzet. Hij vatte het merkwaardige oratorium als volgt samen:

L’ouvrage ne forme qu’une seule partie. Un personnage mystérieux, faisant l’office du chœur antique et appelé l’Ange de la Terre, explique l’action et la complète successivement. L’iniquité règne partout. Le monde se dissout, aux lamentations des humains et aux clameurs ironiques des démons. Trois archanges planant sur le chaos, qui a remplacé la nature, chantent les louanges de Dieu. Dieu parait enfin, annoncé par l’hymne des anges et chérubins. Voici le jugement. Quatre trombones jettent partout leurs stridentes sonorities. Jéhovah réveille les morts. Toutes les âmes sortent  de leur lugubre linceul. Jéhovah rappelle sa longue patience, les avertissements des prophètes, les souffrances et la mort du Christ, expiant sur la croix les péchés du monde. Toute la tribu céleste, à laquelle se joignent les justes, appuie la voix de Jéhovah. Les anges séparent l’épi vert de l’ivraie, au milieu des sanglots des damnés, des cantiques des justes, des hymnes angéliques et de la grande voix de Dieu. Les damnés seront engloutis, et un immense hosannah d’élus et d’anges montant au ciel éclate en guise de péroraison.

 

L’oreille enchantée

Aangemoedigd door zoveel lof, nam Van den Eeden in 1869 opnieuw deel aan de Romeprijs. Derde keer, goeie keer, want met de cantate Fausts laatste nacht, Hiels Nederlandse vertaling van Lagyes’ gedicht, stak hij deze keer de belangrijkste Belgische muziekprijs in z’n binnenzak. Al kostte dat aardig wat zweet en tranen: toen de Gentse koorvereniging De Melomanen niet op tijd in Brussel raakte om zijn partituur uit te voeren – elke deelnemer moest immers zelf voor uitvoerder zorgen – werd het hem teveel. Van den Eeden zag een uitsluiting naderen, maar zijn jongere concurrent, de Brusselse componist Willem De Mol, toonde zich de redder in nood. In de biografische levensschets die Hendrik Conscience later over De Mol schreef, lezen we het verloop van de zenuwslopende dag:

Hier was het dan, dat Willem Demol een bewijs van edelmoed gaf, dat de aanschouwers diep ontroerde en hem aller geneghenheid verwierf. Hij gaf den hopeloozen Van den Eeden moed, en zeide hem, dat het niet volstrekt onmogelijk was, zijne cantate op het eerste zicht uit te voeren; men moest het beproeven. Dit zou iets wreeds zijn, dat zijn cantate, – de schoonste voorzeker – buiten den prijskamp zou gesloten worden. Het mocht niet zijn. Hierop riep Demol zijne broeders ter hulp, (…) liep en draagde van den eenen tot den andere, en bracht het zoo verre dat men zich bereid verklaarde, de uitvoering à vue van Van den Eeden’s cantate te beproeven. Demol sprong aan de piano en bestuurde en leidde de uitvoering met zooveel vuur en begeestering, dat het was als hadde hij de edele vlijt van zijn hart in elks hart doen overgaan.

De rest zijn feiten: Van den Eedens cantate werd met een eerste prijs bekroond, De Mol kreeg ondanks alle inspanningen geen enkele vermelding en zou pas in 1874, zijn sterfjaar, de Romeprijs winnen.

De kritieken stonden opnieuw bol van de superlatieven:

Dans l’œuvre de M. Vanden Eede, la pensée y est toute de distinction; elle s’étend non-seulement aux division générales de l’ouvrage, mais elle préside aux moindres détails. Avec la pensée se développe l’accent, un accent tout de poésie et de sentiment. (…) tout se lie, tout s’harmonise dans la composition de M. Vanden Eede, et l’oreille est aussi enchantée de la grâce mélodique qui d’en dégage, que de la science harmonique qui s’y révèle.

En, dat niet alleen jury of pers overtuigd waren van Van den Eedens ‘meesterlijke’ partituur, maar ook zijn concurrerende collega’s hem de prijs gunden, illustreerde het optreden van componist Emile Matthieu, die vanuit het hertogelijk paleis – waar de kandidaten verbleven – een spandoek neerliet met het volgende acrostichon: Jamais, ce disait-on, dans leur séjour en loge, / Entre eux les concurrents ne se sont entendus. / Ami, qu’à la coutume en ce jour on déroge! / Nous sommes tous d’accord: les lauriers te sont dus. Van sportiviteit gesproken…

Van den Eeden kreeg veel méér dan alleen maar een laurierkrans. Bij zijn thuiskomst in Gent op 26 juli 1869 werd de 26-jarige componist op een heus volksfeest onthaald. Samen met vader Louis, Hendrik Conscience en Emanuel Hiel bracht een versierde koets hem – onder klokgelui van het Belfort – naar het stadhuis, waar hij met alle obligate lof werd beladen. Met de reisbeurs die bij de Romeprijs behoorde, trok Van den Eeden al het volgende jaar naar het buitenland. Vier jaar lang zou hij doorheen Frankrijk, Duitsland, Italië en Oostenrijk trekken. In Frankrijk maakte hij kennis met ondermeer Jules Massenet en diens uitgever Georges Hartmann, die samen met de Wetterse Wagnervertaler Victor Wilder Van Den Eeden trachtte te overhalen om in Parijs te blijven. Tevergeefs, want ondanks een gesmaakte uitvoering van zijn lied Le Rhin français, gezongen door de Gentse topsopraan Marie Sasse, keerde hij al in 1871 – via Berlijn, waar hij Wagners muziek leerde kennen – terug naar België. Lang zou hij er niet blijven, want in 1873 trok hij naar Italië; waar hij in Rome optrad als pianist en waar enkele van zijn werken uitgevoerd werden. Een van de composities die Van den Eeden in Rome schreef, was een mis ter ere van Sint Franciscus – waarvan één deel uitgevoerd werd in de basiliek van Assisi. Hij begon er ook te schrijven aan zijn tot dan toe meest ambitieuze project: het oratorium Brutus – op tekst van Herder, in een Nederlandse vertaling van Hiel. Wanneer hij in 1873 in Wenen vertoefde, speelde Van den Eeden stukken uit dit oratorium aan de piano voor een select publiek, waaronder – zo wil de legende – ook Anton Rubinstein, die de jonge componist veel succes toewenste. Wenen zou Van den Eeden goed bevallen: niet alleen maakte hij er tal van vrienden, zijn werk werd er met succes uitgegeven door de uitgeverijen Bösendorffer en Kratochwill. Het Weense Illustrirtes Musik und Theaterjournal besteedde op 28 juni 1876 zelfs een heel nummer aan de Gentse componist, zoals ook in 1917 bij zijn overlijden. Bij zijn terugkeer in België gaf Van den Eeden in maart 1874 een concert met alleen maar eigen werken, waaronder Brutus. Op algemeen verzoek van het publiek werd het oratorium nogmaals uitgevoerd op 12 april. Ook andere steden haastten zich het nieuwste werk van de Romeprijswinnaar op de concertplanken te brengen: Brutus werd vervolgens uitgevoerd in Brussel op 28 juni 1874 in het hertogelijk paleis (met het orkest van de Muntschouwburg) en in augustus 1874, ter gelegenheid van de opening van de Nederlandse Schouwburg, vermoedelijk onder leiding van Peter Benoit.

 

Van Vlaanderen naar Wallonië

Terug in België aangekomen wist Van den Eeden zijn artistieke populariteit te verstevigen door tal van Nederlandstalige koorwerken te schrijven (ondermeer voor de succesvolle koorvereniging De Melomanen). Een bewuste en tendentieuze stap, want Van den Eeden, die zich in het verleden reeds deed opmerken door zijn radicale keuze voor Nederlandstalige teksten, haakte zo z’n karretje vast aan de artistieke kring van Peter Benoit. Wanneer deze in 1876 de Bond tot Bevordering der Nationale Toonkunde oprichtte – opgesplitst in drie provinciale comités – kreeg Van den Eeden de opdracht het Gentse muziekleven te bezielen. Geen eenvoudige klus, als we Paul Bergmans mogen geloven:

Le programme de la ligue, dont l’existence fut éphémère, comprenait les points suivants: enseignement néerlandais dans les conservatoires et écoles de musique de la région flamande; dans les sociétés chorales, exécution en langue maternelle et emploi du néerlandais comme langue administrative; préférence accordée aux artistes néerlandais du Nord et du Sud dans les grands concerts et festivals; réforme du grand concours de composition musicale et division en deux sections, flamande et Française, dotée chacune d’un jury spécial; organisation de festivals exclusivement consacrés à des œuvres musicales écrites sur texte néerlandais, et donnés alternativement à Anvers, à Gand et à Bruges; développement de la musique dramatique néerlandaise; octroi de bourses de l’État aux élèves faisant leurs études dans les conservatoires flamands ; développement dans le peuple, par des écrits, des conférences et tous autres moyens de propagande, du dogme de la musique néerlandaise, glorification, par la publication de leurs œuvres, des compositeurs décédés ; fondation d’une caisse de secours pour les jeunes compositeurs flamands ; entente avec les Pays-Bas pour des exécutions d’œuvres de compositeurs flamands et hollandais, et spécialement entente du comité anversois avec le Nederlandsche Bond voor Toonkunde d’Amsterdam.

Hoe sterk de band tussen Benoit en Van den Eeden was en welke rol er voor hem weggelegd was binnen het project dat Benoit voor ogen had, moet verder onderzoek uitwijzen. De Gentenaar zou alvast nooit een vast betrekking in Antwerpen vinden. Niettemin deed Van den Eeden aardig wat moeite om zijn werken inhoudelijk en tekstueel af te stemmen op de noden van de door Benoit bezielde Vlaamse muziekbeweging. Zo organiseerde Van den Eeden in april 1875 een liedrecital voor het Nederlandsch Kunstgenootschap van Brussel, waarop verschillende van zijn Nederlandse liederen (vrijwel allemaal op tekst van Hiel) uitgevoerd werden. Enkele jaren alter, in 1877, schreef Van den Eeden het koorwerk De oogst, ter gelegenheid van de Antwerpse Rubensfeesten.

Toen zijn geboortestad de driehonderdste verjaardag van de Gentse pacificatie vierde, werd ook Van den Eeden aangezocht een muzikale bijdrage te leveren. Zijn symfonisch gedicht De Geuzenstrijd der XVIe eeuw (aanvankelijk De strijd genoemd) werd in september 1876 uitgevoerd, samen met Hendrik Waelputs gelegenheidscantate De pacificatie van Gent. Maar, het belangrijkste werk uit die tijd was zonder twijfel Van den Eedens oratorium Jacoba van Beieren. Als we Van den Eedens biograaf Marcel Delsaux mogen geloven, was het werk niet bepaald een schot in de roos: l’exécution en eut lieu dans des conditions défavorables et les critiques ne furent pas d’accord sur la valeur de cet ouvrage. Meer succes oogstte Jacoba van Beieren in juli 1879, toen het werk uitgevoerd werd in Bergen. Ter gelegenheid daarvan plaatste de Franse krant Le Monde Illustré prompt een portret van Van den Eeden. De recensent van Les Célébrités Musicales toonde zich alvast enthousiast:

Cet artiste brille par la richesse, le coloris et la puissance de son orchestration, de sa mélodie et de ses harmonies. Il s’est encore distingué aux sixième grand festival de musique classique belge, qui eut lieu à Mons en 1879 et où il dirigea sept cent cinquante exécutants, chanteurs et musiciens et où il fit entendre son bel oratorio Jacqueline de Bavière, avec soli, chœurs et orchestre, qui mit le sceau ) sa réputation.

Delsaux voegde daaraan toe :

Le public, enthousiasmé, était debout et, aux applaudissements unanimes et frénétiques, l’orchestre remit à Van den Eeden une splendide couronne sur chaque feuille de laquelle se trouvaient inscrits les noms des exécutants.

Ook Lucien Solvay zou zich in Le Guide Musical van juli 1879 positief uitlaten over Van den Eedens nieuwste werk:

Il y a là-dedans un parfum de poésie et de jeunesse, une vivacité et une sincérité d’expression qui séduisent tout d’abord. Les qualités qu’auraient pu ajouter l’expérience et l’autorité d’un esprit mûr viendront plus tard. Celles dont cette Jacqueline [Solvay heeft het over de Franse versie van het oratorium, vertaald door G. Antheunis] est riches ont, par elles-mêmes, assez précieuses pour qu’on puisse s’en réjouir sans peut-être trop désirer autre chose, pour le moment.

Intussen dacht Van den Eeden eraan om ergens een vaste betrekking te vinden. Toen Gustave Huberti – Romeprijswinnaar in 1864 – in 1878 zijn job als directeur van de muziekschool in Bergen opzegde, haalde Van den Eedens kandidatuur het op die Franz Servais, Emile Mathieu en Edgar Tinel. On peut dire que, dès ce moment, notre Conservatoire parut auréolé du génie de son nouveau maître et que toujours aujourd’hui c’est son souvenir qui plane sur lui, un gardien fidèle et vigilant, zo vatte Delsaux Van den Eedens verdiensten in 1925 samen. De Gentenaar had meteen grote plannen voor het muziekleven in Bergen: zo breidde hij het lerarenkorps van de muziekschool – dat enkele jaren latere en conservatorium werd – aanzienlijk uit en wist hij als dirigent het Festival National de Musique op de kaart te zetten. Naast een uitgebreid internationaal repertoire (Rimski-Korsakov, Borodin, Goldmarck, Wagner, Franck,…) voerde hij ook er Belgische muziek (Benoit, Gevaert, Gilson, Fétis, Huberti, Hanssens, ) uit. De inspanningen van Van den Eeden voor het plaatselijke muziekleven mogen niet onderschat worden. Pour apprécier de façon équitable le rôle joué par Van den Eeden, il faut tenir compte des circonstances dans lesquelles il prit possession de ces fonctions, aldus Bergmans. Net zoals Hendrik Waelput – wiens artistieke ijver frontaal botste met zijn administratieve verplichtingen als directeur van de Brugse muziekschool – zou Van den Eeden aan den lijve ondervinden dat het bestuur van een muziekpedagogische instelling niet eenvoudig was:

Il arrivait, en effet, dans le chef-lieu du Hainaut à la suite de la démission de Gustave Huberti. Il fut, tout naturellement, accueilli avec froideur par ceux qui avaient donné raison à Huberti dans ses démêles avec une administration communale plus soucieuse d’économie que d’art. Il dut diminuer l’importance des concerts publics de l’école, et il s’attacha plutôt à étendre progressivement l’enseignement de ses classes.

Voor al die moeite (Van den Eeden stond ook in voor de lessen notenleer en harmonie) werd hij in 1879 zelfs geridderd, een erkenning die aangeeft dat de Belgische overheid steeds meer aandacht besteedde aan de hervorming van het muziekonderwijs.

Hoewel hij als conservatoriumdirecteur veel energie stak in het bestrijden van de bureaucratische mallemolen, vond Van den Eeden ook de tijd om muziek te schrijven. Het meest opmerkelijke werk uit die tijd was ongetwijfeld zijn En mer, een poème symphonique descriptif voor solisten, koor en orkest. Over dit werk schreef Maurice Kufferath, de latere directeur van de Muntschouwburg, in Le Guide Musical dat het een werk was

haut en couleur, de l’élan dans la grande phrase mélodique qui est le thème fondamental de l’œuvre et qui reparaît à la fin dans un crescendo puissant et d’un effet certain. M. Van den Eeden ne divise pas ses œuvres en morceaux séparés ; les différents episodes du poème s’enchaînent, les thèmes exposés par l’orchestre, repris par les chœurs ou chantés par les solistes, se développent naturellement et se combinent très heureusement. L’ensemble de la composition est bien d’aplomb, le plan est clair, et les idées qui se greffent sur le thème essentiel sont rehaussées par de très jolis détails d’orchestration et d’intéressantes harmonies.

Intussen timmerde Van den Eeden verder aan zijn muzikale carrière. Met succes blijkbaar: zijn werken stonden regelmatig op binnenlandse affiches en hij werd gevraagd in tal van comités en jury’s, waaronder ook die van de Romeprijs. Een Naamse sigarenhandelaar lanceerde zelfs een cigare Van den Eeden. Ook op persoonlijk vlak ging het hem voor de wind: in 1884 trouwde Van den Eeden met Pauline Bastin, de dochter van een Naams industrieel. Samen kregen ze twee dochters, Jeanne en Lily, die later een carrière als mezzosopraan startte.

 

Entre l’orientalisme mauresque et le slavisme chopinien

Eén genre ontbrak er nog op Van den Eedens werklijst: opera. Met zijn uiterst levendige oratoria waagde hij zich weliswaar reeds aan een flinke dosis dramatiek, toch wilde de veertigjarige componist zijn muzikale horizon verruimen binnen het muziektheatergenre. Op aandringen van de advocaat-schrijvers Eugène Robert en de al eerder genoemde Edmond Picard liet hij zich in 1883 een bewerking van Alfred de Mussets jeugdwerk Barberine aansmeren. Maar, Van den Eeden raakte al gauw uitgekeken op het weinig verheffende stuk en gaf de brui aan het project, ook al werden enkele fragmenten uit de partituur positief onthaald en maakte de muziekpers het publiek al warm voor de première van het volledige werk.

Of Van den Eeden uitgeschreven was, of dat het Bergense conservatorium al zijn energie opslokte, weten we niet. Feit is dat het in de jaren 1880 opvallend stil werd rondom Van den Eeden. Weliswaar wist hij in juni 1882 zijn conservatorium het etiket ‘koninklijk’ te verlenen, voor de rest weten we bitter weinig over zijn activiteiten. Vermoedelijk flaneerde de conservatoriumdirecteur rond in allerlei culturele kringen. Zeer waarschijnlijk pikte hij ook zijn verwaarloosde pianospel op en gaf hij heir en daar een recital in (Brusselse) salons. Daarvan getuigt in elk geval Georges Rodenbach, die in 1883 de woest pianospelende Van den Eeden in een sonnet vereeuwigde. Rodenbachs gedicht dat, heel toepasselijk, Le dompteur werd genoemd laat geen twijfel bestaan over de pianistieke gedrevenheid waarmee zijn muzikale vriend tekeer ging: Comme d’un dopteur qui s’échauffe et s’entête / Tes longs doigts font grincer à leur contact puissant / Les touches qu’on prendrait pour les dents de la bête.

Maakten het pianospel, salonbezoekjes en het directeurschap zijn dagelijkse leven uit, componeren zat er voor Van den Eeden nauwelijks in. Zijn composities haalden steeds minder de Vlaamse podia en het was wachten tot 1894 vooraleer Van den Eeden weer de muziekpers haalde. Dat jaar werd namelijk Roland de Lassus uitgevoerd, een gelegenheidscantate op tekst van Hippolyte Laroche die hij schreef voor de driehonderdste sterfdag van zijn beroemdere stadsgenoot. Lassus was Van den Eeden overigens niet onbekend, want reeds op een van de eerste concerten die hij dirigeerde in Bergen, plaatste hij een motet van deze componist op het programma. Enkele deuntjes uit de cantate werden meteen opgenomen in het automatisch uurwerk van de beiaard van Bergen.

Roland de Lassus was Van den Eedens laatste cantate, want enige tijd later herontdekte hij het muziektheater. Ditmaal zette hij zich aan Numance, een lyrisch drama naar de gelijknamige tragedie van Cervantes. Ditmaal raakte Van den Eeden wél geboeid door het historische onderwerp en het libretto van Charles Narrey en Michel Carré, de librettist van Charles Gounods Faust en Roméo et Juliette en Ambroise Thomas’ Hamlet. Het werd in februari 1898 opgevoerd in het Antwerpse Théâtre Royal Français (de huidige Bourlaschouwburg). Le Petit Bleu sprak over une œuvre musicale d’un remarquable intérêt en loofde de couleur locale, d’une archéologie invraisemblable. De recensent vroeg zich vervolgens af :

Qu’il reste si peu de chose de la musique des anciens Grecs, comment reconstituer celle des Numantins? M. Van den Eeden a résolu le problème par un compromis entre l’orientalisme mauresque et le slavisme chopinien. Compromis contestable, mais ingénieux et séduisant.

Een van de meest heldere commentaren kwam van de recensent van Le Petit Belge:

M. Van den Eeden a écrit un ouvrage où se retrouvent sa manière variée et sa puissance d’orchestration. D’un bout à l’autre, ‘Numance’ est un vrai drame lyrique de par la musique. Celle-ci est écrite largement : à côté de farouches chants guerriers, on rencontre des airs langoureux d’amour, de joyeuses chansons à boire ; peut-être tout cela est-il un peu trop lent, uniforme comme mouvement ; peut-être distinguera-t-on par ‘Numance’ que son auteur s’est surtout occupé de cantatas et d’oratorios. Cependant l’œuvre est puissante. Il y a des chœurs de toute beauté ; les foules y jouent un rôle considérable, se mêlant à chaque instant à l’action, y coopérant et la suivant continuellement. Peut-être dira-t-on encore que la valeur de l’ouvrage réside dans sa savante orchestration, que la partie mélodique est quelque peu négligée. Mais ce que l’on peut affirmer, c’est que ‘Numance’ de M. Van den Eeden lui fait honneur et est la consécration d’un talent déjà connu par une carrière artistique en vue.

Minder positief waren de berichten die het jaar daarop in de pers verschenen. Van den Eeden werd een laks bestuur als conservatoriumdirecteur verweten, wat hem verleidde tot een niet bijster slimme zet. Hij schreef een verontwaardigde lezersbrief aan Le Guide musicale, die bij publicatie voorzien werd van een bijtende commentaar van redacteur Kufferath: [M. Van den Eeden] oublie qu’investi d’une fonction publique, il est soumis à la critique. (…) Que l’excellent artiste me permette de lui dire qu’il n’a pas de pire ennemi que lui-même. Overigens was Kufferath geen grote fan van Van den Eeden, wiens Numance hij in hetzelfde tijdschrift neersabelde. Cette histoire manque vraiment de nouveauté et d’intérêt dramatique, zo luidde zijn oordeel. Alleen het ballet kon op zijn goedkeuring rekenen.

Het incident en de slechte kritieken gingen niet in Van den Eedens koude kleren zitten, want toen zijn Numance nog hetzelfde jaar uitgevoerd werd in Nice, leverde hem dat alvast de felicitaties van Massenet op.

 

Cher et éminent confrère et ami,

Votre triomphe me touche beaucoup, car je n’ai pas oublié notre excellente rencontre à Bruxelles, il n’y a déjà trop d’années !...

Ce que je sais, ce que l’on me dit de Numance me rend tout heureux et je m’associe à ce grand succès qui honore le théâtre et les maîtres belges, que j’admire et que j’aime.

A vous de tout Cœur

Massenet


Ni Debussyste, ni Franckiste, ni Straussiste…

Never change a winning team: librettist Michel Carré, die speciaal naar Antwerpen kwam om Numance te regisseren, en Van den Eeden sloegen opnieuw de handen in elkaar om een nieuwe opera te schrijven. De keuze viel op het verhaal van Rhéna, een bewerking van de gelijknamige roman van Ouida, het pseudoniem van de Engels-Franse schrijfster Marie Louise de la Ramée. In 1905 speelde Van den Eeden de pianoversie van het werk voor in bijzijn van Kufferath, inmiddels directeur van de Muntschouwburg. Deze besloot het werk al het volgende seizoen op de planken te brengen. In werkelijkheid zou de première van Rhéna pas op 15 februari 1912 plaatsvinden. Om die verlate première mocht Van den Eeden niet klagen: hij schaafde de orkestratie van zijn opera bij en toen het werk eenmaal vertoond werd, werd zijn muziek alom bejubeld. Paul Gilson, die toen al zijn strepen als operacomponist verdiend had, schreef:

Il y a dans cette musique, à la contexture pourtant peu compliquée, un sens parfait de la scène, du mouvement, de la couleur locale, et la psychologie des personnages y est traduite en traits simple mais frappants. Il est à remarquer que l’auteur de ‘Rhéna’ use d’une déclamation serrée et précise, à l’encontre de la plupart d’entre nous, compositeurs belges (les Wallons non exceptés), qui empâtent le discours musical par un débit trop lent, arrêté encore, à tout bout de champ, par l’étirement de mots ou de syllabes qui n’ont aucune valeur d’accentuation. Sous ce rapport, ‘Rhéna’ est d’une excellente tenue.

Ook andere commentatoren waren vol lof over deze nieuwste opera. Franz Haeks gaf in Le Guide musical wellicht de meest accurate beschrijving van Van den Eedens meesterwerk:

Parlons du musicien. On ne peut le rattacher à aucune des petites chapelles qui se donnent le nom d’écoles: M. Jean Van den Eeden n’est ni Debussyste, ni Franckiste, ni Straussiste…, et s’il n’a pas une langue musicale absolument originale et neuve, son éclectisme est vivant, toujours clair et saissable. L’harmoniste est recherché avec discrétion. Le contrepointiste est élégant, sachant habilement retourner un thème, l’entourer de contrechants qui n’ont rien de scholastique. L’orchestrateur a des trouvailles. Enfin, et surtout l’œuvre est admirablement écrite pour les voix. N’ayant pas un système harmonique aussi ‘casse-cou’ que Richard Strauss. M. Van den Eeden ne fait pas usage de ces intervalles acrobatiques qui ont passé de la musique instrumentale dans la musique vocale. Un peu partout, il y a des phrases fort réussies, caressantes ou emportées, chaleureuses dans les cris de passion ou d’amour du premier et du deuxième acte. Les chœurs du premier et troisième acte ont un rhythme allègre, bien accusé, sonnant gaiement. Enfin, M. Van den Eeden n’a pas hésité, à l’occasion, à faire usage du ‘parlé’. Il y a des cas, en effet, où la situation dramatique ne comporte pas une déclamation musicale. Bref, c’est une partition des plus remarquables qui vient de nous être révélée, un œuvre d’art qui supporte la comparaison avec maintes créations acclamées de l’école italienne ou de l’école française, et il faut proclamer haut – surtout, en notre Belgique si volontiers dénigrante à l’égard de nos compatriotes – l’incontestable habileté d’un musicien qui connaît son métier sans faire étalage de virtuosité, le charme prenant de son invention mélodique, la constante distinction de ses inspirations, la richesse chatoyante de son orchestration, le bon goût de ne pas écrire de la musique tarabiscotée sur un livret de franche allure et surtout l’heureux choix d’un drame bien construit.

 

Cette âme belge

Van den Eeden had de smaak goed te pakken en maakte zich op voor een heuse comeback: samen met Carrré begon hij aan het lyrisch drama L’œuvre de Jacques Serval. Jammer genoeg maakte de eerste wereldoorlog een voortijdig einde aan Van den Eedens artistieke bezigheden. Diezelfde oorlog zorgde er ook voor dat een opvoering van Rhéna aan de Parijse Opéra Comique – vermoedelijk bewerkstelligd door Carré – niet doorging:

Le grand succès dont cette œuvre fut l’occasion pour Van den Eeden devait lui en valoir un autre: ‘Rhéna’, accueilli à l’Opéra-Comique de Paris, devait y être représenté au moment où surgirent les événements terribles de la grande guerre. Depuis, je ne sais ce qu’attendent les dirigeants de cet établissement pour consacrer le succès de ce drame lyrique. Van den Eeden attendait, faut-il le dire, avec une émotion compréhensible, l’heure où ce projet aurait pu être mis à exécution ; le destin n’a pas voulu qu’il goûtât cette joie suprême, si pure et si légitime. (Delsaux)

Samen met zijn gezin vluchtte Van den Eeden naar Engeland, vermoedelijk naar zijn schilderende broer Nicolas. Op vraag van het Bergense conservatorium keerde hij al in 1915 terug naar België. Daarbij liet hij zijn dochter en twee kleindochters achter, die hij nooit terug zou zien.

Nog één keer liet hij zich opmerken, toen hij in een toespraak – getiteld Le peuple chante – ervoor pleitte om kinderen in het onderwijs meer (populaire) volksliedjes te laten zingen. Kort nadien, in april 1917, stierf hij, vierenzeventig jaar oud. Twee maanden daarvoor – in volle oorlogsstrijd – dirigeerde hij nog een uitvoering van Jacoba van Beieren.

Op de (in vergelijking met andere componisten weinig luisterrijke) begrafenis legde schepen Mestriaux in zijn toespraak de klemtoon op de communautaire waarde van deze Vlaams-Waalse componist:

Durant ces quarante années passées à Mons, le Flamand qu’il était avait appris à connaître le peuple de la Wallonie ; il avait su s’imprégner de ce qui fait la caractéristique de son tempérament. Il aimait les Wallons, avec qui il avait si longtemps vécu, ses professeurs, ses élèves, ses amis, et il semble qu’il pouvait un peu personnifier cette âme belge – si vibrante à cette heure – que son grand ami Edmond Picard a depuis longtemps célébrée.

Het was zijn innigste wens om in Bergen, ‘zijn’ Waalse stad, begraven te worden. Want, zoals hij zelf zou gezegd hebben: Je désire rester à Mons parce que les arbres des cimetières sont très beaux, et parce qu’ils abritent beaucoup d’oiseaux qui parfois viendront chanter sur ma tombe! Sindsdien is het erg rustig geworden rond Jan Baptist Van den Eeden. Te rustig, want gezien zijn opvallend erudiete en omvangrijke oeuvre (waaronder enkele orkestliederen), zijn smaakvolle tekst- en librettokeuzes en zijn bijdetijdse concertprogrammering verdient ’s mans werk flink wat meer belangstelling.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Tom Janssens