Van der Stucken, Frank

Fredericksburg, TX (US), 15/10/1858 > Hamburg (DE), 18/08/1929

Biografie

Van der Stucken, Frank

door Jan Dewilde

De Belgo-Amerikaanse componist en dirigent Frank Valentin Van der Stucken mag hier dan in de vergetelheid verdwenen zijn, toch was deze oud-leerling van Benoit en het Antwerpse Conservatorium in zijn tijd een internationaal gevierd componist en dirigent, en geniet hij tot de dag van vandaag een zekere reputatie in de Verenigde Staten. In Fredericksburg, Texas zijn the Friends of Van der Stucken actief, in Cincinnati bestaat er een Frank Van der Stucken Society. Zijn werk wordt er uitgevoerd en bestudeerd. Hoe is het te verklaren dat een leerling van Peter Benoit zich in zoveel Amerikaanse aandacht mag verheugen? Van der Stuckens biografie moet nog geschreven worden en bepaalde data en gegevens nog gecontroleerd, maar dit is alvast een deel van zijn boeiende levensverhaal:

Vader Van der Stucken, Frank senior, is vermoedelijk in 1852 van Antwerpen geëmigreerd naar Texas. Hij hielp er forten bouwen, was later ook 'chief justice' bij een plattelandsrechter en diende als kapitein in het confederaal leger. Hij huwde er ene Sophie Schönewolf en werd vader van vier kinderen. De jongste, Frank Valentin, werd op 15 oktober 1858 in Fredericksburg geboren. In 1865 besloot Van der Stucken sr. om naar Antwerpen terug te keren, vermoedelijk omdat hij na de burgeroorlog problemen kreeg. En het is in Antwerpen dat de jonge Van der Stucken zijn muziekopleiding aanvat.

In een interview waarin hij herinneringen aan zijn carrière ophaalt, liet hij noteren dat hij in 1874 aan Benoits Muziekschool harmoniestudies begon bij Anthony. Hij studeerde ook viool bij Emile Wambach en theorie en compositie bij Peter Benoit. Op zijn zestiende schreef hij twee zettingen van het Tantum Ergo, twee jaar later een Te Deum voor soli, koor en orkest (manuscripten bewaard in de bibliotheek van het Antwerpse Conservatorium). Rond die tijd waagde hij zich ook een ballet en een orkestprelude die Benoit zelf zou gedirigeerd hebben. Tijdens zijn studietijd werd Van der Stucken de boezemvriend van Jan Blockx. In het boekje dat Frank Blockx aan zijn vader wijdde schreef deze dat beide mannen in hun jeugd een pseudoniem hanteerden: Blockx gebruikte het Italiaans aandoende Scolbini, terwijl Van der Stucken zijn naam verlatijnste in Partes. Ook maakten ze samen deel uit van een kunstenaarskring die bijeenkwam in 'Café de la Cité' en waartoe onder andere ook de schilder Emiel Claus en de schrijvers Victor de la Montagne en Georges Eekhoud behoorden.

Samen met een Antwerpse handelaar trok Van der Stucken in 1876 op pelgrimage naar Bayreuth. Nog volgens het hierboven vermelde interview kreeg hij van Benoit een aanbeveling voor Wagner mee en opende die brief de deuren van villa Wahnfried. Daarna trok hij naar Leipzig waar hij dank zij de aanbeveling van een Antwerpse bewonderaarster van Carl Reinecke zijn contacten verder kon uitbouwen. Frank Blockx schrijft dat Van der Stucken vanuit Leipzig een drukke correspondentie met Jan Blockx voerde: "Van der Stucken haalde menig voorbeeld aan van de esthetische en orthographische bemerkingen, die over zijn liederen gemaakt werden door Reinecke, en die hij vergeleek met de critiek door Benoit over dezelfde liederen uitgeoefend. De brieven van Van der Stucken loopen over van jeugdig romantisme, met hier en daar een kwinkslag à la Heinrich Heine, om met zijn eigen ontroering den draak te steken. 'Als men in sommige oogenblikken van het leven' - zoo meende hij - 'beschaamd is, poëtisch te voelen, dat men dan maar gauw de pijp aan Maarten geve, en agent en fonds publics worde, commis-voyageur in poppenlappen, of trommelaar bij de garde-civiek, ad libitum."

Blockx volgde zijn vriend naar Leipzig en samen bezochten ze het Gewandhaus en de opera, componeerden ze of trokken ze naar het Café Français waar ze met Edvard Grieg domino of een partijtje whist speelden, althans zo beweert Frank Blockx : "Met Grieg waren Blockx en Van der Stucken zeer bevriend, niet alleen omdat hij als mensch zeer innemend van karakter was, maar ook omdat de kunstprincipes die hij huldigde, zoozeer met die van de nationalistische Antwerpsche school overeenkwamen." Van der Stucken zou zijn Neun Gesänge aan Grieg opdragen.

Tussen 1878 en 1881 reist Van der Stucken, soms vergezeld door Blockx, door Oostenrijk, Zwitserland, Italië en Frankrijk en onderhoudt hij intense contacten met Verdi, Chabrier en Massenet. Hij verblijft een tijdje in Parijs waar hij zijn lyrisch drama Vlasda componeert (opgedragen aan Théodore Thomas) en huwt er met de Duitse Maria Volmer, een leerlinge van de zangeres Pauline Garcia-Viardot. In 1881 wordt hij dan kapelmeester in Breslau en enige tijd nadien ontmoet hij Liszt die in 1883 voor hem een concert in Weimar mogelijk maakt. Dit concert in het groothertogelijk theater met alleen werk van Van der Stucken werd bijgewoond door grootheden als Liszt, Grieg, Müller-Hartung en de Belg Eduard Lassen, die in 1860 Liszt in Weimar was opgevolgd.

Op aanbeveling van Max Bruch keerde Van der Stucken in 1884 naar zijn geboorteland terug en volgde hij Leopold Damrosch op als directeur van het gereputeerde mannenkoor de New York Arion Society. Hij zou er ook aan het Conservatorium verbonden geweest zijn als lesgever en als dirigent van het koor en orkest. Hij stichtte verschillende concertverenigingen en was actief binnen de North-East German Saenger Bund waarmee hij spectaculaire concerten met massakoren van 4 à 5.000 stemmen organiseerde. Steeds meer werd hij door symfonische orkesten geëngageerd en liet hij zich opmerken als een fervent verdediger van de Amerikaanse muziek.

Tussen 1885 en 1889 dirigeerde hij in Indianapolis en New York verschillende concerten met exclusief werk van Amerikaanse tijdgenoten als Arthur Bird, Louis Maas, Louis A. Russell en Otto Singer. En op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1889 leidde hij het waarschijnlijk eerste "all American-program" op het oude continent. Op het programma stond werk van Chadwick, Foote, Paine en het Pianoconcerto van MacDowell, met de componist als solist. Van der Stucken werd op dat moment gezien als de belangrijkste voorvechter van een eigen Amerikaanse school. De Amerikaanse criticus Henry Krehbiel was een van de pleitbezorgers van een authentiek Amerikaans idioom en sommige van zijn opvattingen waren duidelijk ingefluisterd door zijn vriend Van der Stucken: "By the mere force of example Benoit has created a modern Flemisch school... There is no reason why the same kind of thing should not take place in this country. Only two conditions are necessary - a strong exemplar, and popular encouragement." Voor zijn inzet voor de Amerikaanse muziek zou van der Stucken later beloond worden met een lidmaatschap van het 'National Institute of Arts and Letters' (1898) en van de 'American Academy of Arts and Letters' (1929).

Van der Stucken dirigeerde ook verschillende Amerikaanse premières van Europese werken, waaronder Brahms' Symfonie nr. 3, Chabriers España, De Moldau van Smetana, de Rococovariaties van Tchaikovsky en verder nog werk van o.m. Berlioz, Bruch, Saint-Saëns, Dvorak, Smetana, Rubinstein en Strauss. Ook Vlaamse muziek introduceerde hij aan de andere kant van de oceaan. Daarbij diende hij vooral zijn leermeester Benoit (met het Fluitconcerto, Lucifer, fragmenten uit Charlotte Corday, een deel uit De Schelde) en zijn oude kompaan Blockx (Triptiek, Vlaamse Kermis uit Milenka), maar daarnaast programmeerde hij ook Gevaert, Gilson, De Greef en De Swert. Bij de uitvoering van Tinels Franciscus in New York "wijdde (hij) eene uitgebreide studie aan dit en andere werken van deze toondichter"[1].

Tussendoor werd hij op het oude continent niet vergeten en regelmatig als dirigent geëngageerd: "Als een geliefkoosde jongen die na lange afwezigheid feestelijk in het Sweet Home onthaald wordt, vindt Frank van der Stucken immer teedere belangstelling en gulle sympathie, wanneer hij van over den wijden Oceaan zijne moederstad komt bezoeken", schreef de Vlaamsche School in 1893 naar aanleiding van een concert Van der Stucken in Antwerpen.

In 1895 werd Van der Stucken dan de eerste dirigent van het Cincinnati Symphony Orchestra, een functie die hij bekleedde tot in 1907. Zo groeide Van der Stucken uit tot een prominent figuur in het Amerikaans muziekleven en in Cincinnati in het bijzonder: hij werd directeur en decaan van het Cincinnati College of Music (1897-1903) en muziekdirecteur van het Cincinnati Music Festival (eerst van 1906 tot 1912, dan opnieuw van 1923 tot 1927 toen bleek dat Eugène Ysaye niet voldeed). Ook op dit festival programmeerde hij zowel Amerikaanse als Vlaamse muziek. Op het Meifestival van 1897 dirigeerde hij het Cincinnati Symphony Orchestra en "2.000 children's voices, selected from the public schools of Cincinnati" in Benoits kindercantate De wereld in ('Into life').

In het programmaboek wordt Van der Stucken omschreven als een krachtdadigman: "He is a man of great energy: an indefatigable worker; a musician to whom artistic profiency is paramount to every other quality; and one who spares not himself anymore than others in endeavour to obtain the desired result. The idea of the Children's May Festival originated with him; he had long wishes to bring out Benoit's Kinder Cantata on a grand scale, and would have done so in New York, had he not accepted Cincinnati's urgent call to reorganize and rebuild our orchestra, whit what skill and admirable success, we have seen." Ook interessant is de toelichting over Benoit die getypeerd wordt als "the chief modern exponent of the Flemish school of music: he has so devoted himself to developing the national tendency, that his own productions have not, as yet, attracted general attention beyond the confines of his country." De kindercantate wordt omschreven als "a work of great beauty and fascination, combining the simplicity of a child chorale with the intricate instrumentation of a Wagner score."

Na 1907 verbleef Van der Stucken vooral in Duitsland, maar hij keerde nog regelmatig naar Amerika terug (o.a. voor de Meifestivals). Hij dirigeerde in verschillende Europese steden, ook in Brussel en Antwerpen en het is in die periode dat hij de jonge Daniël Sternefeld directielessen moet hebben gegeven. Zijn afscheidsconcert dirigeerde hij in Antwerpen, op 23 maart 1927 in de concertreeks van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde. Zijn zeventigste verjaardag werd uitgebreid gevierd in Fredericksburg, New York en Cincinnati. Op 16 augustus 1929 stierf hij in Hamburg aan de gevolgen van een beroerte.

Als componist is Frank Van der Stucken een adept van Germaanse school, vooral van Wagner. The Musical Courier van 21 mei 1884: "Mr. Van der Stucken, in his tastes and compositions, shows that he belongs to the ultra-Wagnerian school, which sooner than even the Wagnerites anticipated, seems to have become, instead of the music of the future, the music of the present." Tot zijn bekendste orkestwerken behoren Musik zu Shakespeares Sturm; Sinfonischer Prolog zu Heinrich Heine's Tragödie William Ratcliff (opgedragen aan Arthur Nikisch); Rigaudon (opgedragen aan Joseph Schwartz); Festzug (een festivalmars opgedragen aan Peter Benoit); Louisiana; Ein kleiner Walzer en Pagina d'amore (met als opdracht : Seinem Freunde Emmanuel Chabrier). Zijn bekendste creatie is Pax Triumphans, met een indrukwekkende finale waarin een volkskoor begeleid door een zeer uitgebreid orkest, de hymne Nun danket alle Gott mit Herzen, Mund und Händen zingt. 

Daarnaast is Van der Stucken ook de auteur van een lyrisch drama, pianomuziek, koorwerken en veel liederen, en genre waar hij zich goed in voelde. Hij was alleszins kieskeurig in zijn teksten die hij vaak bij de grote Duitse literatoren zocht: Heine, Goethe, Rückert. De Amerikaanse muziekcriticus Rupert Hughes was in 1914 erg opgetogen over zijn liederen: "They are written in the best modern Lied style, and are quite unhackneyed. It is always the unexpected that happens, though this unexpected thing almost always proves to be a right thing. Without any sense of strain or bombast he reaches superb climaxes; without eccentricity he is individual; and his songs are truly interpreters of the words they express."

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde

NOTEN
[1]De Vlaamsche School, 1893, p. 96.