Van Duyse, Florimond

Gent, 04/08/1843 > Gent, 18/05/1910

Biografie

Van Duyse, Florimond

door Jan Dewilde

Florimond Van Duyse, zoon van dichter Prudens van Duyse, studeerde na het middelbaar onderwijs aan het college te Veurne en het atheneum te Gent rechten aan de Gentse Rijksuniversiteit (hij werd doctor in 1867). Ondertussen behaalde hij aan het Gentse Conservatorium bij Karel Miry de eerste prijzen harmonie (1859) en contrapunt (1862). In 1873 dong hij mee naar de Prix de Rome, waar hij met zijn cantate Torquato Tasso's dood een tweede prijs behaalde.

Van Duyse maakte carrière als magistraat: in 1869 werd hij advocaat bij het hof van beroep in Gent en van 1876 af was hij krijgsauditeur in Antwerpen, Bergen en Gent. Als krijgsauditeur ijverde hij voor het gebruik van de moedertaal bij de militaire rechtspraak. Zo hield hij in 1888 voor het militaire tribunaal een eerste ophefmakend rekwisitoor in het Nederlands. In 1899 steunde hij volksvertegenwoordiger Juliaan Van Der Linden, die bij de behandeling van het militair wetboek met succes amendementen indiende inzake het gebruik van het Nederlands bij de militaire strafrechtspleging.

De grote betekenis van Van Duyse ligt in het domein van de muziekwetenschap. In de traditie van Jan F. Willems en Ferdinand A. Snellaert verzamelde, bestudeerde en publiceerde hij oud-Nederlandse volksliederen. In tegenstelling tot Edmond De Coussemaker of Jan Bols tekende hij de liederen niet op uit de volksmond, maar raadpleegde hij bestaande bronnen. Bij zijn transcripties naar modern notenschrift liet Van Duyse zich vooral leiden door de tekst om zo het oorspronkelijke ritme te kunnen reconstrueren. Met De melodie van het Nederlandsche lied en hare rytmische vormen (1902) en vooral met het driedelige Het oude Nederlandsche lied (1903-1908) publiceerde hij musicologische standaardwerken van internationaal niveau, waarbij hij alle gekende bronnen en varianten becommentarieerde. Toch werd zijn studie Het eenstemmig Fransch en Nederlandsch wereldlijk lied in de Belgische gewesten in 1896 door Peter Benoit in diens verslag voor de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België bekritiseerd, omdat geen aandacht werd besteed aan de "Vlaamsche Muziekschool." Van zijn kant beschuldigde Van Duyse Benoit ervan een slechte conservatoriumdirecteur te zijn en verdedigde hij Jan Blockx in diens vete met Benoit.

Toch werkten Benoit en Van Duyse nauw samen in het "Comiteit ter bevordering van den Nederlandschen zang" van het Willemsfonds. Het was binnen deze vereniging dat Van Duyse vanaf 1898 in Gent liederavonden organiseerde, die later (vanaf 1903 onder de benaming Liederavonden voor het volk) in heel Vlaanderen een groot succes kenden. Ook met praktische lieduitgaven als Het Nederlandsch liederboek (voor het Willemsfonds) en Dit is een suverlick boecksken (voor het Davidsfonds) ondersteunde hij de liedbeweging.

Van Duyse componeerde ook enkele van de vroegste Vlaamse zangspelen, zoals de operette Teniers te Grimbergen (libretto Prudens van Duyse, 1860) en de komische opera Rosalinde (tekst van Karel Versnaeyen, 1864). Verder schreef hij suites voor orkest, koren, cantates, liederen en volksliedbewerkingen.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde