Van Nuffel, Jules

Hemiksem, 21/03/1883 > Wilrijk, 25/06/1953

Biografie

Van Nuffel, Jules

door Luc Leytens

Alhoewel het oeuvre van Jules Van Nuffel voor het grootste deel beperkt is tot vocale muziek in het algemeen en godsdienstige muziek in het bijzonder, moet hij gerekend worden tot de meest markante Vlaamse componisten van de laatste eeuw.

Zijn leven
Jules van Nuffel werd geboren in een welstellend gezin. Zijn vader, die burgemeester was van Hemiksem, verschafte zijn vier zonen een zeer verzorgde opvoeding. Jules was de tweede zoon. Zeer vroeg bleek zijn bijzondere aanleg voor muziek. Beide ouders waren trouwens muzikaal en zijn eerste muziekonderricht kreeg hij van zijn moeder. Voor zijn klassieke humaniora werd hij als intern naar het klein Seminarie te Mechelen gestuurd, de stad waar hij voor de rest van zijn leven zou blijven wonen. Op school was hij een jaargenoot van Jozef Cardijn, de latere promotor van de katholieke arbeidersbeweging en kardinaal. In 1901 vatte hij dan priesterstudies aan en in 1907 werd hij gewijd door Kardinaal Mercier, die hem dan onmiddellijk tot muziekleraar van het Klein Seminarie benoemde.

Verdere belangrijke momenten in zijn leven waren: de oprichting in 1916 van het Sint-Romboutskoor, de aanstelling in 1918 tot directeur van het Lemmensinstituut en tot lector van de Katholieke Universiteit te Leuven in 1933. In 1926 werd Jules van Nuffel bovendien tot erekanunnik benoemd en in 1946 tot geheim kamerheer van de paus. In 1938 behoorde hij tot de stichtende leden van de Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Na de tweede wereldoorlog ging zijn gezondheid achteruit. Nog tot in 1949 dirigeerde hij het Sint-Romboutskoor en tot in 1952 bleef hij het Lemmensinstituut beheren. Op deze beide posten werd hij opgevolgd door zijn medewerker Jules Vijverman. Hij overleed te Wilrijk op 25 juni 1953.

Zijn betekenis
De droge opsomming van benoemingen en onderscheidingen - de lijst is niet volledig - bewijst hoezeer Jules van Nuffel tijdens zijn leven erkend werd. Inderdaad ontplooide hij een rusteloze activiteit als componist, dirigent, pedagoog, organisator en zelfs musicoloog. Hij was dan ook een van de meest gezaghebbende personaliteiten in het muziekleven van zijn tijd.

Men zou hem in de allereerste plaats een geboren koorleider kunnen noemen. Reeds in zijn studentenjaren verzamelde hij rond zich enkele vrienden om in koorverband zijn composities tot klanken te brengen. Door de indruk die zijn koor van het Klein Seminarie naliet, werd het Sint-Romboutskoor opgericht. Vooral na de eerste wereldoorlog groeide zijn faam op korte tijd. Het Sint-Romboutskoor werd zowat het model van een groot 20ste-eeuws kathedraalkoor. Met dit instrument zette Van Nuffel zich in voor het Gregoriaans, voor polyfonisten en voor de talrijke hedendaagse componisten, wier missen en motetten modeluitvoeringen kregen. De weerklank was enorm. Met zijn koor werd Van Nuffel ook uitgenodigd in het buitenland en op internationale congressen van kerkmuziek werd zijn stem gehoord als die van een uitnemend deskundige. 

Van grote betekenis was natuurlijk zijn directoraat van het Lemmensinstituut dat hij, na een periode van achteruitgang tijdens de eerste wereldoorlog, opnieuw tot bloei bracht. Vanaf 1927 wist hij er het tijdschrift Musica Sacra, waarvan de publicatie in 1914 gestaakt was, terug uit te geven en tot een gezaghebbend orgaan op het stuk van de kerkmuziek uit te bouwen. Voor het Mechelse muziekleven mag zeker de door hem gestichte Mechelse concertvereniging (1926-1939) niet vergeten worden.

Van Nuffel moet tevens als een van de grondleggers van de muziekwetenschap in België beschouwd worden, en dit op een dubbel plan. Vooreerst werd tussen 1927 en 1939 de uitgave van de Mechelse polyfonist Philippus de Monte (1521-1603) aangevat, in samenwerking met Van Doorslaer en met de eminente Brusselse musicoloog Charles van den Borren. Niet minder dan 31 delen kwamen van de pers tijdens die 12 jaar: een verbluffende prestatie! Anderzijds is er de activiteit van Jules Van Nuffel te Leuven geweest. Reeds vóór 1914 had hij zich laten kennen als voordrachtgever. Zijn benoeming als lector voor muziekgeschiedenis in 1933 was derhalve geen verrassing. Hij wist te Leuven de grondslag te leggen voor de oprichting (in 1943) van een volledige musicologische afdeling, de eerste in België.

Zijn composities
De muzikale opleiding van Jules van Nuffel verliep geenszins volgens de gebruikelijke wegen. Een conservatorium heeft hij niet bezocht en veel leerde hij als privé-student. Een min of meer regelmatig onderricht kreeg hij eerst op het Groot Seminarie van Mechelen, eerst van Edgar Tinel (met wie hij echter op het persoonlijk vlak niet zo best kon opschieten), verder van de gedegen organist Oscar Depuydt en van Alfons Desmet. Ook raadpleegde hij soms de Brugse componist Joseph Ryelandt. Voor alles bleef Van Nuffel echter een autodidact. Wat hij hierdoor wellicht tekort kwam, werd ruimschoots vergoed dooreen algemene cultuur en een muzikale belezenheid die ongetwijfeld die van de doorsnee beroepsmusici uit die jaren ver overtrof. Zeer jong al had hij zich grondig vertrouwd gemaakt met Bach en Beethoven, met Weber en Wagner, met Benoit en Tinel. In een brief aan zijn ouders uit 1901 lezen wij dat hij op dat ogenblik Grieg bovenaan plaatste en hij was ook bijzonder ingenomen door het werk van Debussy.

Zijn levenstaak was natuurlijk de godsdienstige muziek. De katholieke kerkmuziek stond in het begin van de 20ste eeuw op een keerpunt: het Motu Proprio, in 1903 door Paus Pius X afgekondigd, schreef een zuivering van profane invloeden voor. In die optiek moet het streven van Van Nuffel geplaatst worden: hij wilde een kerkmuziek die aan de liturgische maar tevens aan de hoogste technische en artistieke eisen tegemoet kwam. Van Nuffels vroegste composities, die meestal niet uitgegeven werden, omvatten onder meer een reeks Gezelleliederen. Zeer vruchtbaar waren de jaren 1907-1914 tijdens dewelke een groot aantal korte motetten ontstonden zowel voor gelijke stemmen (mannenkoor) als voor gemengd koor. Hieronder bevinden er zich pareltjes van muzikaliteit, onopgeschroefd en uitermate fris. Het motet zal wel het genre blijven waarin hij zich het liefst bewoog, méér dan de mis.

Het kan trouwens wat verwonderlijk lijken dat hij slechts vier miscomposities naliet, telkens voor een andere bezetting. De eerste is de Drievuldigheidsmis, op. 22 (1914) voor mannenkoor en orgel. DeMissa in honorem Sacratissimi Cordis Jesu, op. 28 (1916) is de enige voor gemengd koor en orgel - de meest gebruikelijke bezetting bij missen - en dat is toch wel spijtig. Het was ten andere de eerste uitvoering van deze mis die zo'n bijval had dat er tot de oprichting van het Sint-Romboutskoor werd besloten en dat Jules Van Nuffel aangesteld werd tot kapelmeester van de Mechelse kathedraal. De componist zelf was naar het schijnt nochtans niet volkomen tevreden over dit opus, en dat heeft hem misschien geremd om de geijkte mistekst nog vaker te behandelen. Er volgde nog wel de Sint-Jozefsmis, op. 41 (ca. 1924) voor drie gelijke stemmen a capella, en de Missa Paschalis (1927) voor twee knapenstemmen en orgel, maar deze werken zijn naar opzet beknopter. In de Paasmis alterneren polyfone en Gregoriaanse delen.

De meest imposante werken van Jules van Nuffel dagtekenen van na 1920. Zij staan uiteraard volledig in functie van de samenstelling en van de mogelijkheden van het Sint-Romboutskoor. Het is de periode van de grote psalmzettingen waarvoor het vertrekpunt zeker Super flumina Babylonis (Psalm 136) op. 25, uit 1916 was. De belangrijkste stukken die volgden zijn: In Convertendo (Psalm 125), op. 32 (1926);Domine ne in furore (Psalm 6), op. 44 (1935); Laetatus sum (Psalm 121) op. 45 (1935); Voce mea (Psalm 141), op. 47 (1935); Dominus regnavit (Psalm 92), op. 49 (1935); Ad Dominum cum tribularer(Psalm 119), op. 50 (1936) en Ad te levavi (Psalm 122), op. 51 (1936). Behalve Voce mea, een buitengewoon mooie brok voor achtstemmig a capella-koor, zijn al deze werken voor 4 tot 6-stemmig gemengd koor met orgelbegeleiding geschreven. Verschillende ervan werden ook met vaardige hand georkestreerd, waardoor ze in de concertzaal eveneens een plaats kunnen vinden.

In dezelfde geest als de psalmen zijn enkele prachtige gelegenheidsmotetten te vermelden: Statuit, op. 30 (1924) en Ecce Sacerdos Magnus op. 34 (1926), alsook drie Te Deum-composities. Het eerste Te Deum (1914) is voor mannenkoor en orgel, het tweedeTe Deum, op. 41 (1928), een van Van Nuffels meesterwerken, voor gemengd koor en orgel. Het derde Te Deum, het zogeheten Bevrijdings - Te Deum, op. 62 (1944) voor gemengd koor, koper en orgel was zijn laatste groot werk. Ook in de latere jaren zijn er naast deze groots opgevatte stukken, kortere en dikwijls niet minder pregnante motetten ontstaan.

De composities van Jules van Nuffel brachten een nieuw geluid, niet enkel in de katholieke kerkmuziek van de eerste helft van de Xxste eeuw, maar in de Vlaamse muziek in het algemeen. Omwille van hun oorspronkelijkheid veroverden zij ook het buitenland. Een belangrijk deel ervan vond trouwens in Duitsland bij de firma Schwann een uitgever. Die originaliteit is allereerst gebaseerd op een melodisch talent van de eerste orde. Zij put haar inspiratie uit het Gregoriaans. De curve is uitermate persoonlijk, waarbij de teksten, en voornamelijk de poëtische psalmteksten, met opmerkelijke zorg werden voorgedragen. Op het harmonische vlak bereikt Van Nuffel een eigenaardige synthese van oude kerkmodi en impressionistisch getinte kleurharmonieën. Pleitte hij niet reeds vóór 1914 voor de aanvaarding van een toen nog als "gewaagd modern" geachte toonspraak in de kerkmuziek? Ten slotte paart Jules van Nuffel een aparte, in zekere zin "Vlaamse" hang naar feestelijkheid aan een diepgaande religiositeit.

De Latijnse kerkmuziek van Jules Van Nuffel wordt in de kerken helaas niet zo dikwijls meer gehoord sedert de liturgische hervormingen van het Tweede Vatikaans Concilie, toen het gebruik van de volkstaal veralgemeend werd. Dit was haast onvermijdelijk - al was het waarschijnlijk niet de bedoeling - omdat de werken van Van Nuffel nu eenmaal functioneel gedacht zijn. Bij hun gebeurlijke overplanting naar de concertzaal gaat er stellig een deel van hun dimensie (en ongetwijfeld de voornaamste betrachting van de auteur) verloren. Dit belet niet dat zij omwille van hun muzikale kwaliteit hun plaats ook buiten de kerk verdienen.

Vergeten wij evenmin dat van Nuffel ook enkele werken op Nederlandse teksten schreef, zoals de Drie Geestelijke Liederen(waaronder het verrukkelijke O keer dine oghen (1917-1918) op een archaïserend gedicht van Servaas Daems) of de Twee Kerstliederen,die tijdens de donkere oorlogsmaanden van 1917 ontstonden. Ook zijn bewerkingen van oude Vlaamse kerstliederen behouden al hun aantrekkelijkheid.

Grote indruk liet ten slotte ook - zo wij afgaan op de verslagen van de tijd - zijn toneelmuziek bij Vondels Lucifer (1922) voor solisten, koor en orkest, die echter later niet meer tot uitvoering kwam.

© Luc Leytens

Leytens, L.: Jules Van Nuffel, in: Kaderblad Jeugd en Muziek Vlaanderen, juni 1983, nr. 138, p. 2-9.