Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Van Reysschoot, Désiré

Gent, 08/11/1831 > Gent, 25/11/1908

Biografie

Van Reysschoot, Désiré

door Annelies Focquaert

Désiré-Louis Van Reysschoot was een telg van de beroemde gelijknamige Gentse schildersfamilie en kreeg zijn eerste muzieklessen bij zijn vader, die contrabassist was in het theater. Toen hij zeven jaar was, werd hij onder leiding van Jean Gabriels koorknaap in de Sint-Michielskerk. Zijn eerste pianolessen kreeg hij van Jean Fynn. In 1841 werd hij toegelaten in het Conservatorium van Gent, waar hij piano volgde bij Jacques Soetaert en cello bij François De Vigne. Vanaf 1843 volgde hij de "cours supérieur de piano" bij  De Somere en in 1845 werd hij opgemerkt in de kamermuziekklas van Jospeh Mengal en Jean Andries. Tegelijkertijd volgde hij lessen in becijferde bas bij Georges Aelsters, kapelmeester en organist van de Sint-Martinuskerk én viool bij François Kregerman, Edouard Ingels en Charles Steyaert. Weer twee jaar later begon hij met harmonie, contrapunt en fuga bij Auguste Gevaert, totdat deze laatste in mei 1849 naar Italië vertrok. Daarna kreeg hij orgellessen van Christian Girschner, die in Brussel (ten onrechte) door Fétis was ontslagen en daarna naar Gent was getrokken.

Tijdens zijn muziekstudies was Van Reysschoot ook nog ingeschreven in de Academie voor Schone Kunsten, waar hij tekenles volgde, in 1847 zesde werd in de wedstrijd van de "grandes figures" (klas van Joseph Pinnoy), in 1848 zevende in de wedstrijd voor de "petits ornements" en in 1849 derde in de wedstrijd van de "grands ornements" (klas van Jean De Baets). 

In 1849 werd Van Reysschoot repetitor voor de lagere pianoklassen in het Conservatorium van Gent, maar al na een jaar gaf hij er de brui aan omdat de positie te onzeker was, hem tijd deed verliezen en hij veel privélessen kon geven (iets wat hij al deed vanaf zijn vijftiende).

Al vanaf jonge leeftijd was hij aangetrokken tot het orgel: hij oefende op het oude instrument van de Sint-Niklaaskerk en verving er regelmatig zijn oom Auguste Strauven (1814-1892). In trok hij 1854 voor een eerste keer naar Parijs, waar hij bij Lefébure-Wely privéles volgde. In maart 1856 kwam Aristide Cavaillé-Coll voor de inspeling van het nieuwe orgel van de Sint-Niklaaskerk naar Gent in gezelschap van Lefébure-Wely. Van Reysschoot bood zijn diensten aan en elke dag na de avondmis waren de drie mannen bezig met het uitproberen van het nieuwe orgel: Lefébure liet Van Reysschoot verschillende registers en combinaties uitproberen terwijl hij zelf beneden in de kerk luisterde. Nog datzelfde jaar, en vele jaren daarna, trok Van Reysschoot opnieuw naar Parijs om zich bij Lefébure te vervolmaken. 

Eveneens in 1856 werd Van Reysschoot organist en pianoleraar aan het Sint-Barbaracollege (voor de kerk in hun residentie in de Posteernestraat lieten de Jezuïeten trouwens in 1880 een Cavaillé-Coll-orgel bouwen). Hij werd op verschillende plaatsen gevraagd om organist te worden maar weigerde in 1867 zelfs de post in de Sint-Baafskathedraal: toen dan in datzelfde jaar Auguste Strauven organist werd in de Kathedraal kon Van Reysschoot eindelijk zijn droom waarmaken en werd hij organist van 'zijn' Cavaillé-Coll-orgel in de Sint-Niklaaskerk. Hij zou er blijven tot in 1901: dit blijkt uit het feit dat hij op verschillende plaatsen in het orgel zijn naam en functie achterliet, evenals de begin- en einddatum van zijn carrière als kapelmeester-organist. Hij werd ook gevraagd voor het keuren van het Schijven-orgel in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (1891).

Hij vond daarnaast ook nog de tijd om zich als pianist en bestuurslid te engageren in een groot aantal muziek- en cultuurkringen, zoals bij Euterpe (vanaf 1848), het Willemsgenootschap, de Leuvense Rederijkerskamer De Roos en de Gentse verenigingen Les Ouvriers réunis en L'union. Hij was ook directeur van de vereniging Jong en leerzuchtig en speelde hij een belangrijke rol in de Société des Mélomanes, waarvan hij lid werd in 1850 en in september 1856 onderdirecteur. In 1858 was hij één van de mede-oprichters van het Beethovengenootschap en in 1859 werd hij dirigent van het muziekkorps van de garde civique. Gedurende achttien jaar was hij ook de vaste begeleider in het Casino. In 1880 werd hij directeur van de Cercle Musical, in 1893 ontving hij de Leopoldsorde.

Hij componeerde liederen, sonates, 9 Noëls, koren, strijktrio's, geestelijke koorwerken, en pianomuziek. Ook was hij de auteur van een operette Ni roi, ni reine, die werd opgevoerd in een particulier salon in Gent op 26 december 1864 en in 1894 werd uitgegeven. 

Van Reysschoot had een brede kijk op de internationale evoluties in de orgelbouw en zag ook al van in de vroege beginjaren de waarde van de firma Cavaillé-Coll in. Combineer dat met Van Reysschoots erfelijk bepaalde tekentalenten, zijn indrukwekkende activiteiten als pianobegeleider en kapelmeester, zijn cello- én viooldiploma's, zijn kamermuziekopleiding bij Mengal, harmonieles bij Gevaert en orgelopleiding bij zowel Girschner als Lefébure en je krijgt een muzikant die van bepaald veel markten thuis was.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert