Vilain, Léandre

Trazegnies, 26/02/1866 > Oostende, 16/11/1945

Biografie

Vilain, Léandre

door Annelies Focquaert

Léandre Vilain werd geboren in het Waalse dorpje Trazegnies, als zoon van een weinig bemiddeld mijnopzichter in de mijnen van Courcelles. Het geromantiseerde verhaal dat over hem bestaat - de kasteelheer van Trazegnies zou hem onder zijn vleugels hebben genomen en hem naar de pas opgerichte 'Ecole de musique religieuse' in Mechelen hebben gestuurd - is grotendeels correct. Vilain werd er orgelleerling van Jacques-Nicolas Lemmens maar staat in de registers van de school niet officieel vermeld. Vilain combineerde zijn studies te Mechelen met een bescheiden betrekking als orgelist bij de Paters Josefieten te Leuven. Na het plotse overlijden van Lemmens in januari 1881 vertrok Vilain naar het Conservatorium van Brussel, waar hij les ging volgen bij Alphonse Mailly. In 1886 behaalde hij zowel de eerste prijs harmonie (in de klas van Joseph Dupont) als de eerste prijs orgel, gevolgd in 1887 door de eerste prijs praktische harmonie (klas van E. Samuel) en het zelden uitgereikte 'Diplôme de capacité' of het bekwaamheidsdiploma orgel in 1889. Dit diploma werd in de klas van Mailly slechts 4 maal uitgereikt: aan Jean-Baptiste De Pauw in 1873, Charles Danneels in 1881, Léandre Vilain in 1889 en aan August De Boeck in 1891. Van 1887 tot 1889 was Vilain Mailly's assistent. 

Op 3 maart 1890 werd Vilain organist van de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Oostende, na een overtuigend proefspel op het Anneessensorgel van die kerk. Vilain volgde er Auguste Wiegand op, die zijn carrière verder zou uitbouwen in Australië. Ook toen de kerk enkele jaren nadien door brand werd geteisterd en het orgel vernield werd, bleef Vilain organist in de tijdelijke kerk, tot in 1907 de heropgebouwde kerk een 3-klaviers Schyven-orgel kreeg. 

Vilain nam vanaf 1891 ook Wiegands functie over als organist van het beroemde Kursaal van de 'Koningin der Badsteden', waar hij eveneens een Anneessensorgel onder zijn hoede kreeg en waar hij al snel bekend raakte om zijn virtuoze orgelspel, arrangementen en improvisaties. Naast zijn vertolkingen van de orgelpartij in orkestwerken droegen ook zijn wekelijkse (soms dagelijkse) solorecitals in grote mate bij aan de roem van het Kursaalorkest, dat in deze periode onder de leiding stond van Léon Rinskopf, met wie sterren als Camille Saint-Saëns, Richard Strauss en Enrico Caruso graag kwamen optreden. Vilain maakte ook een internationale carrière en werd regelmatig gevraagd voor inspelingen van nieuwe orgels of voor liefdadigheidsconcerten (waar hij samenspeelde met bekende namen als Eugène Ysaÿe). Zijn orgelreizen brachten hem onder meer in Londen, Bradford, Rugby, Manchester, Glasgow, Rome, Algiers en Marseille. Terzelfdertijd zorgde zijn uitstraling er ook voor dat beroemde organisten concerten kwamen geven in Oostende, zoals Charles-Marie Widor (die op 23 juli 1895 een exemplaar van zijn kraakverse Symphonie Gothique opdroeg 'à son ami L. Vilain', ter gelegenheid van het grote Widorconcert dat toen in het Kursaal plaatsvond). 

Vilains laatromantische en populaire stijl sloot perfect aan bij wat de Oostendse rijke burgerij en de toeristen graag hoorden, maar hij combineerde dit graag en vaak met meer serieuze muziek, die hij even goed aan kon. Hij speelde regelmatig Belgische muziek, zoals de première van Joseph Jongens Quatre Pièces voor orgel (5 juli 1911). Kranten uit de tijd roemen zijn 'concerts vraiment artistiques', maar er is ook kritiek voor zijn te populistische programmakeuze en zijn té grote virtuositeit, die een gebrek aan expressiviteit zou verbergen.

In september 1902 volgde hij Joseph Tilborghs op als orgelleraar aan het Koninklijk Conservatorium te Gent, waar hij onder meer lesgaf aan Maxime Vanneste, August Maeckelberghe, Jenny Van Rysselberghe, L. Impe, D. Clément, Solange De Gryse en Berthe Pluym. Toen in 1903 de post van orgelleraar in het Brusselse Conservatorium vrij kwam, was ook Vilain kandidaat, maar o.m. wegens zijn banden met het Gentse Conservatorium werd hij door directeur Gevaert niet toegelaten om aan het vergelijkende examen mee te doen. Vanaf 1909 combineerde Vilain zijn Gentse lesopdracht met een functie als leraar muzikale opvoeding aan de Kunstacademie te Oostende. 

Na de Eerste Wereldoorlog was de gouden 'belle époque' van Oostende voorgoed voorbij en de onbezorgde luxe van weleer moest plaats maken voor een grotere soberheid. In het Kursaal werden de optredens en recitals teruggeschroefd en Vilains stijl bleek niet echt meer bij de tijd te zijn, wegens te weinig gefocust op ernstige muziek. Toch behield Vilain lange tijd zijn schare bewonderaars en in december 1920 ondernam hij nog een succesvolle tournee doorheen Spanje. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot Officier in de Leopoldsorde; later ook tot Officier in de Kroonorde. In november 1931 ging hij op pensioen als orgelleraar in Gent en werd hij opgevolgd door Flor Peeters. 

Vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog, op 3 maart 1940, vierde Vilain zijn gouden jubileum als organist van de Sint-Petrus-en-Pauluskerk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Vilain net als zovele andere oudere Oostendenaars uit de stad geëvacueerd. Al die tijd verbleef hij te Ninove, waar zijn leerlinge Jenny Van Rysselberghe woonde. In januari 1945 keerde hij terug naar Oostende, dat nooit meer zijn oude glorie zou terugkrijgen: het prachtige Kursaal, dat plaats had moeten maken voor de Duitse Atlantikwal, was volledig gesloopt, samen met het orgel.

Vilain speelde regelmatig zijn eigen werken op recitals, met typische titels zoals Invocation, Pourquoi?, Alleluia, Tristis est anima mea, Invocation, Marche Solemnelle, In memoriam of Mélodies. Zijn Treurmarsch, opgedragen aan Alphonse Mailly, werd in 1895 door de Orgelistenbond van West-Vlaanderen uitgegeven. 

Vilain overleed in zijn 'Villa Widor' in Oostende, na een korte ziekte. In zijn geboortedorp werd een straat naar hem genoemd, in Oostende kreeg een plein zijn naam. 

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert