Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Wagner, Gerrit

Amsterdam (NL), 08/03/1862 > Antwerpen, 24/11/1892

Biografie

Wagner, Gerrit

door Jan Dewilde

Van oorsprong Nederlander studeerde hij in Antwerpen aan Benoits Muziekschool. Daar volgde hij lessen bij Jos Huybrechts (voorbereidende harmonie), Joseph Tilborghs (contrapunt en fuga) en Jan Blockx (hogere harmonie, orkestratie en compositie). Samen met zijn medestudenten Lodewijk Mortelmans, Emile Ergo, Edmond Lemoine en Albert De Vleeshouwer (een vrij leerling van Blockx) stelde hij op 26 april 1888 in de grote zaal van de 'Cercle artistique' zijn eerste composities aan het Antwerpse publiek voor. Wagner mocht er twee grote werken dirigeren, met name Lentezang (voor sopraan, koor en orkest; tekst van Staring) en Babylonische gevangenis. Psalm 136 van Vondel (voor solisten, vocaal kwartet, koor en orkest). En dat hij indruk maakte, dat staat te lezen in Het Handelsblad van 28 april 1888: "Gerrit A. Wagner is een gewetensvol artist die een diep gevoel paart aan veel kennis. In zijn Lentezang is poëzie en kleur, in zijn Babylonische gevangenis, Vondels psalm, godsdienstzin en ongekunstelde verhevenheid. Dit leste stuk vooral getuigt, niet alleen van arbeid, doch van grondige kennis, van kunstsmaak." 

Niettegenstaande het opzet - leraar stelt trots de nieuwe oogst voor - zorgde het concert toch voor wat rumoer in de pers. Dat deze aanstormende, nog niet gediplomeerde componisten werden geafficheerd als leerlingen van Jan Blockx en niet van de Antwerpse Muziekschool (en dus ook van de andere leraars) zorgde bij sommigen voor wrevel. Daags na het concert sneerde L'Escaut naar Blockx: "Un professeur, de quelque mérite qu'il soit, se doit avant tout à l'école à laquelle il appartient." Blockx repliceerde op 4 mei in een ingezonden brief dat dit concert niets te maken had met cursussen harmonie of contrapunt, maar alles met orkestratie en compositie en dat alleen hij en niemand anders die vakken had gegeven. Hij wees er ook op dat hij de hiërarchie had gerespecteerd en dat Benoit hem de toelating had gegeven om bij de stad subsidies aan te vragen. 

Le Précurseur daarentegen prees Blockx als een uitstekende pedagoog die zijn leerlingen niet als een bedreiging zag, maar ze als kameraden behandelde en ze regelmatig bij hem thuis ontving. Op 28 april schreef de krant: "Quelle différence avec les procédés de certains maîtres qui tiennent leurs disciples à distance, leur communiquant leur science à regret, comme s'ils craignent de voir surgir en eux des rivaux." Wie neemt de krant hier in het vizier? Het moet gezegd, uit Blockx' correspondentie blijkt overduidelijk dat hij zijn taak als leraar ter harte nam en zijn leerlingen een warm hart toedroeg. In een enthousiaste brief van 19 december 1887 aanvaardde hij volgaarne de opdracht van Gerrit Wagners eerste (niet genoemde) compositie. En hij besloot: "Kan ik voor u iets doen, spaar me dan niet, mijn leven lang zou ik fier en gelukkig wezen, mogt gij en al diegenen die het ernstig met de kunst meenen gelukken in hun streven." In de zomervakantie nodigde Blockx zijn leerlingen ook steevast naar zijn buitenhuis in Westerlo uit. 

Samen met zijn goede vriend Lodewijk Mortelmans werd Wagner beschouwd als de meest talentvolle componist van zijn generatie. In 1889 werd Wagner gevraagd om het pas gestichte Antwerpsch Mannenkoor te dirigeren, een koor waarin ook Lodewijk Mortelmans en diens broer Frans, de kunstschilder, meezongen. Dankzij dat ensemble kon Wagner zijn werken, én die van zijn medestudenten, in het publiek verdedigen. In de feestzaal van de voormalige muziekschool in de Blindenstraat creëerde hij op 12 november 1890 Mortelmans' koor Licht zij uw geest (Emanuel Hiel) met de componist en Ernest Janssens vierhandig aan de piano. Dat zelfde pianistenduo speelde, tussen koren van Blockx, Mendelssohn en Schubert door, ook bewerkingen van Beethovens Septuor op. 20 en Griegs Noorse dansen op. 35. Mortelmans' koorwerk bleek een succesnummer en sloot ook op 15 april 1891 het optreden van het Antwerpsch Mannenkoor af. Op dat zelfde concert werd Wagners koorwerk Napoléon (Victor Hugo) gecreëerd en zijn liefdeslied Hafisa (Mirza Schaffy, alias Friedrich von Bodenstedt) gezongen en speelde Arthur Wilford zijn pianocyclus Silhouettes d'Italie. 

Wagner beperkte zich niet tot het (dirigeren van en het componeren voor) koor. Zo dirigeerde hij begin januari 1891 in de 'Concerts populaires' zijn Toewijding. Karakteruitdrukking voor snaarspeeltuigen.En daarover schreef Le Précurseur genuanceerd op 12 januari 1891: "C'est un très joli morceau, d'un caractère intime et pénétrant, conçu dans le style de la romance sans paroles. M. Wagner (...) a le don de l'orchestre. Son inspiration est un peu nébuleuse, et il a le défaut de trop fleurir ses compositions. Mais à son âge, mieux vaut pécher par l'abondance que par l'indigence. (...) M. Wagner est un peu touffu, mais nullement banal, et nous pouvons beaucoup attendre de lui. Il a un vrai tempérament d'artiste." Ondertussen was hij ook al volop bezig aan een de bijbelse opera Esther. Eveneens in de reeks van de 'Concerts populaires' liet hij in maart 1891 Engheringh en Fontaine een duet zingen uit deze nooit voltooide opera. Steeds weer werd Wagner geloofd om zijn compositorische kwaliteiten, zijn integriteit, zijn inzet voor zijn collega's. Een grote toekomst werd hem voorspeld. 

Maar toen sloeg het noodlot toe. Wagner had tering onder de leden, die vreselijke ziekte die in de 19e eeuw enorme ravage aanrichtte. Niettegenstaande die slepende ziekte bleef Wagner zo lang mogelijk actief. Voor het jaarconcert van het Antwerpsch Mannenkoor op 25 april 1892 maakte hij een pianoreductie van Benoits Hulde aan Conscience en hij voerde het werk uit samen met een bijgevoegd vrouwenkoor. Er stonden toen ook enkele stukken uit de Vertelsels en balladen van Benoit op het programma, naast liederen van Blockx, Huberti en Mortelmans. Volgens de muziekpers had het koor sinds zijn stichting op 8 juli 1889 veel progressie gemaakt. Maar de tering deed zijn ondermijnend werk, sloopte Wagner steeds meer en in mei was hij zo ziek dat hij verstek moest laten gaan voor de repetities van de Deutsche Liedertafel, een koor dat hij sinds een jaar leidde. Hij werd vervangen door Wilford en Bocklisch.

Op het driedaagse festival dat begin juni ter gelegenheid van het zilveren jubileum van de muziekschool werd georganiseerd, stond zijn Poème symphonique geprogrammeerd. Wagner kon er nog wel bij zijn maar was niet langer in staat om zelf zijn eigen werk te dirigeren. Hij vermagerde zienderogen, werd bleker, de ogen diep in hun kassen. Omdat zijn privé-leerlingen uit vrees voor besmetting wegbleven, verloor hij ook zijn enige bron van inkomsten. Om hem en zijn gezin geldzorgen te besparen bracht Blockx 700 fr. samen, maar Wagner wilde die alleen aanvaarden nadat Blockx hem had voorgelogen dat het om een voorschot van een muziekuitgever ging. Blockx adviseerde zijn leerling zijn eigen gangen te gaan en op tijd te rusten: "Luistert niet te veel naar die rare vogels die tonale zevens fluiten want dit zou uwen appetijt kunnen doen verdwijnen: leeft gelijk ne boom, zuigt zooveel sap mogelijk uit de aarde, en als ze u wederom frisch zal opgeknapt hebben, dan zult ge haar uwe erkentenis betoonen met werken te scheppen, vol gloed, volgeestdrift, vol leven, vol natuur, maar eerst wees sterk." Wagner moest maar een voorbeeld nemen aan de dichter Jan Van Beers, zo schreef Blockx. Toen hij eens met hem op vakantie was in Blankenberge merkte hij op dat Van Beers al vier uur lang het zelfde blad in zijn boek aan het lezen was. Waarop Van Beers laconiek antwoordde: "Ik wacht totdat er een windeke mijn page omdraait!"

In de hoop om de ziekte toch nog te keren trok Wagner nog naar Les Eaux-Bonnes, een plaatsje in de Pyreneeën dat nu nog altijd bekend is om zijn heilzaam klimaat en druk bezocht wordt door mensen met ademhalingsproblemen. Maar het mocht niet baten. Ook op 750 m. hoogte hoestte hij, spuwde hij bloed en had hij hoge koorts. Na zijn terugkeer werd hij verzorgd in een sanatorium in de bossen van Brasschaat. Van daar schreef hij op 6 juli aan een vriend van het mannenkoor: "Ik ben 's nachts allerberoerdst geweest; zoo vermoeid, zoo afgemat. (...) Ik ben niet beter; dat is alles wat ik u zeggen kan; mijne kwaal vordert steeds." Maar in een brief aan de familie Mortelmans, geadresseerd op 22 juli, koesterde hij toch nog hoop: "Mijn toestand is iets verbeterd, doch op 't oogenblik is mijne koorts weer aan 't opkomen. Langzaam, langzaam, misschien! Hoop heb ik nog. Adieu vrienden."

Het werd een adieu voor eeuwig en altijd. Gerrit A. A. Wagner overleed op 24 november 1892, dertig jaar jong. De krantenberichten prezen in hun necrologieën de moed waarmee hij, tegen beter weten in, was blijven hopen, vechten en plannen maken. Zijn dood had een diepe snaar geraakt, zoals blijkt uit dit artikel in Het Nieuws van de Dag: "Arme Wagner! Wat al schatten van talent en gemoed, beide zijn met zijn jeugdig en reeds door de vreeselijkste aller kwalen, de tering, als het ware verwoeste lichaam, in het graf bedolven. Een echte, zeldzame kunstenaarsnatuur, des te zeldzamer, daar zij geruggesteund was door eene degelijke literaire ontwikkeling. Toen hij steller dezer regelen, einde Juli, naar aanleiding van een woord van warme waardeering, hem door mij gewijd, een bezoek bracht, sprak hij geestdriftig al de hoop uit, welke een verblijf van eenige weken in een gezonde bergstreek hem had doen opvatten. Dan zou hij de hand voor goed aan het werk slaan, zijn muzikaal treurspel, Esther, voltooien, en een symphonisch werk op Hamerlings rhapsodie: Vor einer Genziane, aanpakken. Terwijl hij sprak, kraaide de haan des doods, spottend als het ware met dat hopen van een arm menschenkind, het hartverscheurend hoesten, dat hem telkens en telkens weer deed afbreken."

In zijn sterfhuis op Zurenborg schilderde Frans Mortelmans zijn vriend Wagner op zijn doodsbed, een portret dat beantwoordt aan de beschrijving die Le Précurseur op 11 december 1892 in een necrologie afdrukte: "C'était une délicate et charmante nature. Il était élancé, élégant, et ses traits, qui eussent tenté un Velasquez, étaient d'une rare distinction. Il avait une opulente chevelure blonde, des yeux d'un bleu céleste, un sourire presque virginal."  

In 2002 werden verschillende manuscripten van Wagner in een privécollectie ontdekt. Tot dan waren er slechts drie manuscripten bekend. Het Symfonisch gedicht wordt bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen en het Antwerpse Letterenhuis bewaart naast de brieven van Wagner ook twee manuscripten: Aan zee, een lied uit 1887 voor bariton en piano op tekst van P.A. de Genestet en opgedragen aan Lodewijk Mortelmans, en het een jaar later geschreven Ik min het roosjen (Hiel) voor tenor en piano, opgedragen aan Albert De Vleeshouwer. Was Wagner tot voor kort met slechts drie werken bekend, dan komen daar nu een vijftiental manuscripten bij. Daaronder Luctor et emergo. Description symphonique pour orchestre à cordes, enkele werken voor mannenkoor, orkestraties van Schubertliederen en omvangrijke partituren, zoals Der Bergstrom voor twee koren (elk "wenigstens 140 Sänger") en groot orkest. 

Die manuscripten hebben ooit zware waterschade geleden zodat elke manipulatie het papier als in een wolk van haarroos doet verpulveren. Vooraleer de partituren bestudeerd kunnen worden, zal er dus eerst een oplossing voor dit probleem moeten gevonden worden. Toch is het al bij een eerste kennismaking duidelijk dat het muziektijdschrift Le guide musical het op 4 december 1892 bij het rechte eind had toen het de overleden componist omschreef als "un jeune musicien qui avait déjà donné plus que des promesses."

Opvallend alleszins is Wagners on-Vlaamse keuze van onderwerpen, thema's en tekstdichters. Naast de reeds vermelde Vondel, de Genestet, von Bodenstedt, Staring en Hugo greep hij ook naar Emanuel Geibel (in een vertaling door de "literaire firma" Teirlinck-Stijns) voor Zusterengelen (voor gemengd koor en orkest; 1888). Wagner had veel belangstelling voor literatuur, hij publiceerde kritieken in De Vlaamsche School en schreef zelf het libretto voor zijn opera Esther. Wagners voorkeur ging uit naar grote vocale werken die ambitieus van opvatting zijn en meticuleus werden uitgeschreven. Dat hij de partituur van Napoléon begint en eindigt met het motto "la belle forme, sans l'expression du texte, c'est le manteau royal autour d'un cadavre", bewijst dat hij de lat hoog legde. Of het met zijn familienaam te maken heeft of gewoon de geest des tijds is, zeker is dat uit enkele van zijn partituren een warme belangstelling voor zijn beroemde naamgenoot spreekt. En niet alleen uit zijn partituren. Want Gerrit A. A. Wagner liet, naast de onvoltooide opera Esther en veel niet ingeloste verwachtingen, een weduwe en twee kleine kinderen na die hij Siegfried (!) en Richard (!!) had gedoopt. Siegfried trad trouwens in de voetsporen van zijn vader. Tussen 1907 en 1911 studeerde hij aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium piano bij Emile Bosquet en orgel bij Willem de Latin. Siegried Wagner trad onder andere op als begeleider van de violist Jos. Camby. 

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde