Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Wambach, Emiel

Aarlen, 26/11/1854 > Antwerpen, 06/05/1924

Biografie

Wambach, Emiel

door Annelies Focquaert

Emiel Xavier Wambach werd geboren in Aarlen, waar zijn vader Paul sinds 1854 fagottist was van het 10e Linie-Regiment. Vader Wambach nam in 1858 ontslag uit het leger en verhuisde naar Antwerpen om er zowel fagotleraar te worden aan de 'Ecole de Musique', als solist in het 'Théâtre Royal'. Op zesjarige leeftijd begon Emiel met vioollessen in de 'Ecole de Musique', en hij toonde daarin zoveel talent dat Henri Vieuxtemps hem aanspoorde om naar het Conservatorium van Brussel te gaan. In 1866 werd Wambach er leerling van Colyns (viool), Brassin (klavier) en Gevaert (harmonie en contrapunt). Maar toen Benoit een jaar later directeur werd van de Stedelijke Muziekschool van Antwerpen - waar vader Wambach nog steeds les gaf - werd Emile ingeschreven in Antwerpen.

Hij volgde er de klassen van viool (Mertens), piano (Hennen) en orgel (Callaerts). Later volgde hij privéles compositie bij Adolphe Samuel en studeerde hij harmonie, contrapunt, fuga en compositie bij Peter Benoit. Aanvankelijk maakte Wambach carrière als violist bij de 'Cercle Artistique', het 'Théâtre Royal' en de 'Société royale d'Harmonie', maar al vlug liet hij zich ook opmerken als dirigent en componist. Zijn eerste succes als componist bereikte hij met een Ode aan Rubens, die in 1877 tijdens de Rubensfeesten in Antwerpen werd uitgevoerd. In 1880 volgde de cantate Het Vaderland tijdens de Consciencefeesten. In 1881 werd Wambach muziekbestuurder van de Antwerpse St.-Gregoriusvereniging, waarmee hij zich inzette voor de uitvoering van werken van Palestrina en andere oude meesters.

Zijn oratorium Mozes op de Nijl werd in 1881 uitgevoerd in de feestzaal van de Koninklijke Harmonie Maatschappij en werd herhaaldelijk uitgevoerd in Brussel en in Nederland. In 1884 volgde een tweede oratorium Yolande. Naar het voorbeeld van Peter Benoit componeerde Wambach in 1885 een Kindercantate, voor de Antwerpse Wereldtentoonstelling. 

Hoewel Wambach in Wallonië geboren werd, was hij de Vlaamse school met hart en ziel toegedaan: zo droeg hij zijn oratorium Blancefloer op aan Benoit, "als blijk van dankbaarheid aan hem die mij in het rijk der kunsten heeft ingewijd". Na verschillende liederen en godsdienstige werken, schreef hij in 1888 Super Flumina (Harpzang) ter gelegenheid van de Vondelfeesten. Zijn concertaria's Fredegonde's verloving, Terugvaart naar het Moederland en Kerstnacht kenden veel succes en werden in het Frans en Engels vertaald. Voor het "Landjuweel" van 1892 schreef hij Schouwspeldans voor orkest en voor de inhuldiging van "Oud Antwerpen" op de Wereldtentoonstelling van 1894 een Ouverture in de oude stijl

Op 1 juli 1894 werd Wambach benoemd tot kapelmeester van de Antwerpse Kathedraal, een functie die hij zou blijven uitoefenen tot in 1912. Hij zou er onder meer zijn Grote Mis, Stabat Mater en In Exitu Israel laten uitvoeren. In datzelfde jaar 1894 werd ook zijn lyrisch drama Melusina voor het eerst uitgevoerd door het Antwerps Lyrisch Tooneel. In december 1899 volgde in de Vlaamse Opera te Antwerpen de première van zijn meest bekend gebleven opera Quinten Massys

In 1899 kreeg hij in het Antwerpse Conservatorium een aanstelling als leraar Antieke Muziek, en in 1901 werd hij leraar harmonie (in opvolging van Jan Blockx, die directeur was geworden) en een jaar later was hij inspecteur van de Belgische muziekscholen. In 1905 werd in Brussel zijn cantate Aan Belgenland uitgevoerd door de verenigde koren van het Conservatorium, de Brusselse Kathedraal en het orkest van de Munstchouwburg. In 1909 werd in Arras zijn oratorium Jeanne d'Arc voor het eerst uitgevoerd, waarna het ook gespeeld werd in Sao Paulo en Montreal. In 1911 solliciteerde hij tevergeefs als directeur bij het Conservatorium van Luik. In 1912 volgde hij Jan Blockx op als directeur van het Antwerpse Conservatorium, ondanks fel protest tegen zijn vermeende Waalse afkomst vanwege extremistisch-Vlaamsgezinde kant, waar men een voorkeur had voor Mortelmans of Keurvels. 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef Wambach in Nederland en Engeland, waar hij optrad als violist en pianist in verschillende liefdadigheidsconcerten. In die periode componeerde hij 25 Oorlogsgedichten voor stem en orkest, en verschillende koorwerken. Toen hij naar Antwerpen terugkeerde in 1919, nam hij het directeurschap weer op en componeerde hij Huldezang, een cantate op tekst van Maurits Sabbe, die in 1920 werd uitgevoerd onder leiding van Constant Lenaerts. In 1922 richtte hij de cursus muziekgeschiedenis in aan het Conservatorium. Hij zorgde er ook voor dat er een begin gemaakt werd met een grootschalige uitbreiding van de bibliotheekcatalogus en de aanleg van een collectie oude muziekinstrumenten. Zijn laatste composities waren een Pie Jesu, een Invocatie tot Sint Michiel en een onvoltooid gebleven cantate voor de Gelukzalige Zuster Theresia.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert