ShareShare | print|
E-mail deze pagina

André Felleman (Borgerhout, 1902 - Auschwitz, 1943)

Erik Zwysen schreef een erg boeiend artikel over de Vlaamse cellist André Felleman. Felleman was een begaafd muzikant die speelde in het orkest van de Vlaamse Opera en in het trio 'Jef Alpaerts'. Na verloop van tijd stampte hij zijn eigen orkest uit de grond. De carrière van Felleman werd abrupt beëindigd door de Tweede Wereldoorlog. Hij werd samen met zijn vrouw en twee zonen gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij in 1943 stierf.

Ook op de Nederlandse website http://www.wo2-muziek.nl/nl wordt het lot van de Joodse muzikanten uit de Tweede Wereldoorlog uitvoerig beschreven. Deze organisatie werd door het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek voorgedragen voor de Visser Neerlandiaprijs 2011.



André Felleman was eerste cellist in de Koninklijke Vlaamsche Opera (1922-1932), maakte deel uit van het trio Jef Alpaerts (1929-1933), en was leider van het bekende orkest André Felleman (1932-1940). De specifieke mogelijkheden en moeilijkheden van het sociale en culturele klimaat in het interbellum, maken het zeer boeiend om muzikanten te volgen in hun artistieke ambities en hun lucratievere werkzaamheden. Zo treffen we ze aan bij het uitdragen van de oude en moderne muziek of de muziek van de Vlaamse componisten, in recitals en concerten van stijlvolle kamermuziek, maar ook bij het opluisteren van feesten en bals allerhande, in de horeca of in de revuetheaters. Zo ook André Felleman.

Een grote belofte

Fellemans ouders en grootouders waren diamantairs en verhuisden in 1897 van Amsterdam naar de toenmalige groeipool Antwerpen, meer bepaald Borgerhout. Daar werd, vier jaar na de geboorte van hun dochter Judith, op 4 maart 1902 André Felleman geboren. Zijn officiële naam is Adriaan Philippe, een vernoeming naar zijn grootvaders langs moeders- en vaderszijde.

In september 1912 begon Felleman aan zijn studies in het Conservatorium van Antwerpen, maar die moest hij bij het begin van de Eerste Wereldoorlog onderbreken. Het gezin vluchtte naar Nederland waar hij les zou hebben gekregen van de cellisten Leon Meerloo en Isaac Mossel. In september 1915 was hij terug in het Conservatorium. Daar volgde hij notenleer (De Schacht), harmonie (Verheyden) en cello (Arnold Godenne). Op 22 juli 1918 behaalde de 16-jarige Felleman het diploma ‘Vioolcel’ met grootste onderscheiding. Daarna werkte hij bij de Vlaamse Opera (KVO). In april 1919 werd hij gepolst om mee te werken aan de concerten van de Koninklijke Maatschappij van Dierkunde. In april 1920 speelde hij op een thee-concert in het Antwerpse stadhuis met een strijkkwartet dat verder was samengesteld uit Mej. Flore Cousyns (piano), Hippoliet Steylaerts (1ste viool), Theo Van Doren (2de viool) en Lode Vets (altviool), allen leerlingen van de klas van esthetica van Emile Wambach.

Als gevolg van een conflict met het syndikaat der toonkunstenaars en de ontoereikende stadssubsidies bleven beide Antwerpse opera’s in het seizoen 1920-1921 gesloten. Felleman werd dan in oktober 1920 aangeworven als eerste solo-cellist van de Arnhemse orkestvereniging, toen onder de leiding van Martin Spanjaard. Zijn vertrek was aanleiding voor het tijdschrift van de Toonkunstenaarsvakbond om een speciaal artikel te wijden aan de vraag waarom we hier zo gemakkelijk onze pas afgestudeerde muzikanten naar het buitenland laten vertrekken. Het belette Felleman niet om ook nog in Antwerpen op te treden, zoals in oktober 1921 op een kamermuziekavond in de Arenbergstraat met de pianiste Anna Nelles-Van Geffen, waarbij Fellemans “gevoelvol spel trof en bekoorde.”

Cellist bij de KVO

Vanaf het seizoen 1922-23 was Felleman echter opnieuw in Antwerpen als eerste cellist bij de Vlaamse Opera onder de nieuwe directie van Flor Alpaerts en Arthur Steurbaut. Na de voorstelling van die Walküren in november 1923 schreef de recensent bewonderend dat André Felleman zijn cello-solo speelde “om er bij te knielen”. Hij zou er blijven tot en met het turbulente operaseizoen 1931-1932. Felleman ging toen werken met een eigen orkest en werd in de KVO vervangen door Theo Van Hamberg. In zijn laatste seizoen kreeg hij nog enkele keren de kans om in de Vlaamse Opera te dirigeren, zoals op 10 maart 1932 het ballet ‘de Notenkraker’.

Felleman bouwde in deze jaren 20 zijn reputatie als cellovirtuoos verder uit. Op 17 april 1923 trad hij in het Koninklijk Kunstverbond opnieuw op met Anna Nelles-van Geffen die onder meer de eerste uitvoeringen bracht van ‘Het Wielewaalt en Leeuwerkt’ van Lode Mortelmans en ‘In schemeravond gingen zij’ van J.J.B. Schrey. Na zijn huwelijk in Antwerpen op 15 april 1924 met de pianiste Berthe Marx, trad hij samen met haar op o.a. in Middelburg voor de ‘Vereniging voor Instrumentale Muziek’. In juli 1924 genoot hij als solist met het populaire celloconcerto van Saint-Saëns “overgrooten bijval” in het Kurhaus van Scheveningen onder leiding van Ignaz Neumark. Op 18 oktober 1925 werkte hij mee met Jeanne Kennes (klavier) en Hippoliet Steylaerts (viool) aan de ‘Vlaamsche Liederenvoordracht’ ingericht door de tenor Edmond Borgers. In januari 1926 organiseerde Borgers een ‘Vlaamsche Symphonische Kunstavond’ onder leiding van Leo Van den Broeck waar André Felleman zich in de ‘Schets voor cello en orkest’ van Jef Van Hoof toonde als “een uitmuntend vertolker, met hoogstaande technische ontwikkeling, mooie sonoriteit en gelouterden artistieken smaak.”

Felleman trad op voor liefdadigheidsverenigingen en andere maatschappijen zoals de Joodsche muziekkring (Cercle Musical Juif) onder leiding van Fred. Grunzweig en de Bachvereniging van de orgelist Jos Watelet. Over zijn vertolking in de Nederlandsche Hervormde kerk op 20 oktober 1924 van de 1ste suite voor cello van Bach en een sonate van Vivaldi schreef een recensent : “Onder de diepste stilte en op waarlijk onovertreffelijke wijze, laat mij zeggen in volmaaktheid, werd het werk vertolkt. Kleur en toon, krachtig en teeder, grootsch en lieflijk, gepaard aan eene bewonderenswaardige techniek, vormen de stijl van Felleman, en bevindt zich de man in al het rijpe zijner kunst. Bloeiend in zijn manier van spelen, vol beweging en rijk afgewisseld in zijne opvatting, schept zijn strijkstok bewonderenswaardig op de snaren der cello. Overheerlijk is dan ook het werk van A. Vivaldi’s Sonata 4 voor cello vertolkt, waarin hij de veelzijdige hoedanigheden van zijn talent heeft laten blijken.” Met deze cellosuite van Bach behaalde Felleman in 1925 de tweede prijs - na de violist Edward Steylaerts - in de ‘Grote Bach-wedstrijd’, uitgeschreven door de Toonkunstenaarsvereniging van Antwerpen ter gelegenheid van hun jubileum. Met de Bachvereniging concerteerde hij overigens meermaals, zoals in maart 1926 bij de uitvoering van werken van oude meesters waaronder Theo Evertz, Jacobus Clemens non Papa en Matthias Van den Gheyn. Dit concert ging in samenwerking met de fluitist Daniël Sternefeld, Jos Watelet zelf en het koor onder leiding van Jan Ceulemans. Wellicht leidde Felleman later zelf enige tijd dit koor van de Bachvereniging.

Trio Jef Alpaerts

Het trio Alpaerts begon zijn tweede seizoen in november 1929 met de cellist Felleman in de plaats van Laurent Douliez. Zijn komst werd door ‘Het Tooneel’ van harte toegejuicht “daar inderdaad André Felleman, zeer gekend onder het Antwerpsch publiek, telkens bij ons en in den vreemde groote successen oogstte, hetgeen hem onder de groote hedendaagse virtuoozen rangschikt.” Felleman zou er blijven tot en met het seizoen 1932-1933. Daarna werden hij en Walter Weyler (viool) vervangen respectievelijk door Jacques Snellaert en Jos Van der Smissen. Jef Alpaerts zelf was de pianist van het trio.

Bij hun creaties van Vlaamse muziek horen onder meer de aan het trio Alpaerts opgedragen werken van Jef Van Durme: ‘Trio in la mineur voor viool, cello en klavier’, uitgevoerd op 16 januari 1931 en het ‘2e trio’, uitgevoerd op 11 april 1932. Van Léon Delcroix werd toen uitgevoerd het ‘2e trio op.73’, eveneens opgedragen aan het trio Alpaerts. Van Alfons Van Nieuwenhoven speelde men in oktober 1932 het ‘trio in sol grote terts’ en van Maurits Schoenmaker het ‘trio in mi bemol’ in april 1933. Behalve voor hun abonnementsconcerten, speelde het trio ook voor de radio en bij andere gelegenheden zoals in april 1932 te Brussel voor de Société des Compositeurs Belges met de uitvoering van trio’s van Goffin en van Delcroix.

Ondertussen bleef Felleman ook in andere formaties optreden, onder andere met Maurits Veremans (piano) en Jos Van der Smissen (viool) of met de pianiste Yvonne Van Den Berghe. Met Jef Alpaerts trad hij nog op voor de ‘abonnementsconcerten Torfs’. In de zomermaanden treffen we hem aan als gast in het casino-kursaal te Knokke onder leiding van Karel Candael. Hun celloconcerto van Ed. Lalo werd op 20 juli 1931 rechtstreeks uitgezonden door het pas opgerichte Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR). In november 1931 werkte hij ook mee aan een radiouitzending gewijd aan de werken van Peter Benoit. Hij oogstte opnieuw veel lof na zijn concert op 15 februari 1933 voor de Kon. Mij voor Dierkunde met Mej. Irène Van Rijsselberghe aan de piano : “De heer A. Felleman behoort tot onze allerbeste cellisten; hij vermag een rijke en aansprekenden toon te ontwikkelen, die steeds onberispelijk zuiver blijft;- hij phraseert met overtuiging en sierlijkheid; - hij heeft zin voor kleur, voor rythmysche kracht, voor schoonheid en stijl in de voordracht. Daarbij beschikt hij over ernstige technische kwaliteiten, waarvan hij zich echter steeds met goeden smaak en met bescheidenheid bedient.”

Orkest Felleman

Felleman deed ervaring op als orkestleider met het kamerorkest van de Socialistische Arbeiders Radio Omroep voor Vlaanderen (S.A.R.O.V., opgericht in 1928). Tijdens de wereldtentoonstelling dirigeerde hij een symphonisch orkest op het Juwelenbal in september 1930 en het daaropvolgende ‘Défilé des Mannequins’. Wellicht werkte hij ook mee als muzikant aan de uitvoering van ‘De Schelde’ in juli en in september was hij ook present op het groot kunstconcerto in de feestzaal van de wereldtentoonstelling onder leiding van Ivo Mortelmans met Leo De Backer aan de piano. Zoals gezegd kreeg hij ook in de Vlaamse Opera nu en dan gelegenheid tot dirigeren.

Minstens sinds 1932 maar mogelijk ook al eerder, werkte Felleman met zijn eigen zogenaamde ‘jazz-orkest’ of ‘mixed orchestra’. Felleman was dat jaar als solist in de zomer werkzaam in het Kursaal van Oostende (celloconcerto van C.Saint-Saëns), maar ook zijn orkest. Hun concert van 31 juli 1932 werd rechtstreeks uitgezonden door het N.I.R. Daarna speelde dit orkest in het Grand Hotel, op de hoek van de De Keyserlei en de Frankrijklei. Deze concerten werden meermaals in de week rechtstreeks door het N.I.R. uitgezonden. Zo gingen ook de ‘Kermesse flamande’ en de slow-fox ‘Violette des prés’ van de voormalige orkestleider van de cinema Coliseum, J.A. Zwijsen, de ether in. Op dat ogenblik had Zwijsen een muziekhandel in de Lange Beeldekensstraat, en de ruimte werd regelmatig gebruikt voor de repetities. Naast Zwijsen (pianist, componist, arrangeur) speelden in deze eerste jaren nog in dit orkest : Nic.Lahaye (viool), Arthur Maebe (viool), Jan Douliez (viool, accordeon, componist), Antoon Horemans (gitaar, cello, sax-tenor – ‘buikviool’ schrijft hij zelf), L. Akkermans (bas, sousafoon), F. Gooremans (trompet), John Schram (trombone), L. Gebruers (fluit, 3e sax-alto), Jules Lewis (1e sax-alto, harmonium, scatsinger) en Carlo Frank (jazzdrummer, zanger, pauken).

De geschiedenis van het orkest Felleman moet nog geschreven worden, maar vermoedelijk was tegen de zomer van 1934 hun engagement in het Grand Hotel afgelopen. Toen traden ze nog op in Rotterdam, en dit concert werd rechtstreeks uitgezonden door radio Hilversum. Daarna verzorgden ze de artistieke concerten in de tearoom van de Grand Bazar. De samenstelling van het 12-koppige orkest is dan wellicht gewijzigd. In alle geval speelden Akkermans, Schram en Zwijsen toen in het orkest van de Hippodroom en op het kunstconcert in de Grand Bazar in oktober 1934 was Frans Cauwenberghs er de pianist. Na de zomer van 1935 zien we het orkest Felleman regelmatig optreden in de cinema-schouwburg Scala. De optredens van het orkest werden regelmatig uitgezonden door het N.I.R. (minstens tot maart 1940). Ook May Dale zong in de jaren 30 in het orkest van Felleman.

Felleman veroverde zich een plaats in het kringetje van Antwerpse dirigenten voor het lichtere genre. Wanneer Jan Vanderheyden na zijn succes met ‘De Witte’, in december 1934 in cinema Majestic een feest organiseerde om ‘nieuwe Vlaamse filmsterren’ te ontdekken, luisterde Felleman met zijn orkest het feest op. Hij dirigeerde en componeerde voor enkele revues in de Hippodroom. Op het galabal van de artisten in april 1935 was het puik van de Antwerpse dirigenten van de partij : André Felleman, Hugo Lenaerts, Rik De Backer, Gerard Horens en Hendrik Diels. Het orkest verzorgde ook de bals van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde. In 1936 dirigeerde hij daar op het ‘Bal der Tulpen’ naast Jacques Klugers jazzorkest en ook het prestigieuze oudejaarsbal. In 1937 dirigeerden Felleman en Johan Zwijsen zij aan zij de twee orkesten in de Zoologie tijdens het carnavalbal en een maand later tijdens het ‘Black and White’ halvastenbal. Overigens werd zijn orkest nu ook regelmatig ‘dansorkest’ genoemd.

Al die tijd bleef André Felleman ook optreden als solo-cellist of in een ‘trio Felleman’. Radio Hilversum zond in 1934 een orgelconcert uit met Pieter Van Egmond en André Felleman. In december 1937 speelde hij met Theo Van Doren, Van der Mueren en J. Maes Ernest Chaussons ‘concerto opus 21 voor klavier en strijkkwartet’ op het recital Yvonne Van Den Berghe – Jozef Van Poppel. Begeleid door het groot symphonisch orkest van het N.I.R. vertolkte hij in april 1939 de ‘Variations symphoniques’ van de Franse componist Leon Boëlmann. Het ‘trio Felleman’ begeleidde o.a. in december 1934 op de ‘Internationale Poppententoonstelling’ het dansgala met balletmeester Karnetzki en eerste danseres Mw.Belowa van de K.V.O. . En einde jaren 1930 verzorgde André Felleman nog de “thée’s en soirées” in de salons van de Plaza in een trio met Willy Rhulman en Jean Delhez.

Een abrupt einde

De carrière van deze begaafde musicus werd abrupt afgebroken bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Zijn ouders, Abraham Felleman en Helena Cohen werden eind 1942 via het verzamelkamp Dossin bij Mechelen weggevoerd naar Auschwitz. André Felleman, die met zijn gezin naar Frankrijk was gevlucht, werd daar helaas ook opgepakt. Op 11 februari 1943 werden ze gedeporteerd vanuit het verzamelkamp Drancy nabij Parijs naar het vernietigingskamp Auschwitz. Op de transportlijst staat hij vermeld als ‘cultivateur’. Felleman is pas 40 jaar oud en zijn vrouw Bertha slechts enkele jaren ouder wanneer ze door de Nazi’s worden vermoord. Ook het leven van hun twee zonen, Philippe-Marc, net 17 geworden, en Jacques, nog geen 14 jaar oud, werd hiermee vroegtijdig afgebroken.

Bronnen

  • Bevolkings- en vreemdelingenregister stad Antwerpen
  • Diverse krantenberichten
  • ‘De Toonkunstenaar’, orgaan van de Toonkunstenaarsvakbond van Antwerpen, 1920-1930
  • ‘Het Tooneel’ en ‘Het Antwerpsch Tooneel’, 1920-1939
  • ‘De Scaldis’, ‘Onze Symphonie’, ‘Onze Artisten’, ‘Kinema- en Tooneelwereld’,
    diverse jaargangen.
  • Algemene naslagwerken