Arschodt, Louis

Gent, 23/08/1879 > Sint-Amandsberg, 03/11/1946

Historische teksten

Over Louis Arschodt in Muziek-Warande

door Lambrecht Lambrechts

Meermalen hebben wij in ons orgaan over deze moedigen Cellist-Gambist-Zanger-Dirigent gesproken. Ook durven wij den lezer verzoeken, als een praeludium tot dit opstel, even te willen nagaan wat wij reeds gezegd hebben over zijn uitvoering van Benoit’s Oorlog en Beethoven’s Missa Solemnis, over het inrichten van een Festival Gilson-Roels en zijn streven in de Gentsche Volksmuziekschool. L. Arschodt is een dappere onder de dapperen. Ontbreekt het in Vlaanderen aan beslagen muziekleeraars, aan onvermoeide repetitors en gezagvolle orkestmeesters, hier staan wij voor een praktisch en krachtdadig man, die ontelbare kunstfeesten heeft ineengestoken, dozijnen van voordrachten heeft gehouden, eerbied voor edele kunstgewrochten heeft afgedwongen, en jongeren ten onzent door levendige uitvoeringen heeft gesteund.

Zijn Familie
Hij behoort tot een kunstenaarsfamilie, want Oscar Roels, de zanger van Pinksternacht, is zijn oom, evenals zijn peter Karel Roels, die een veelbesproken Jubelmarsch heeft gecomponeerd, alsook vele andere werken. Zijn vader is lange jaren kapelmeester geweest in de kerk der Augustijnen (St-Stephanus) te Gent. A. Vanderborcht, die insgelijks een oom van hem was werd kapelmeester te Brussel, en J. Alsters was toondichter-beiaardier te Gent. De muziek zal dus wel het dagelijksch brood van L. Arschodt geweest zijn. Trouwens in zijn huisgezin moet groote eerbied voor de kunst van Euterpe bestaan, want zijn talentvolle echtgenoote mochten wij meermalen als solo-zangeres toejuichen, en met zijn begaafde oudste dochter Geertrui, die een kundige en fijne begeleidster is, wordt zijn taak van bestuurder der Volksmuziekschool merkelijk verlicht. Dus, een familie die leeft voor de muziek, die zwemt in de muziek.

Zijn Jeugd
Hij werd geboren te Gent, den 23n Augustus 1879. In zijn kinderjaren had hij een mooie sopraan-stem, waarvan de reine tonen nog leven en beven in de gewelven van verscheidene Gentsche kerken. Aan het Conservatorium onderscheidde hij zich in meer dan een vak, vooral in Cello, Zang en Kamermuziek. Onder de leeraars, met wie hij harmonie, contrapunt en fuga bestudeerde wordt P. Fr. Uyttenhove genoemd, die Marieke van Nijmegen schiep en Ad. D’Hulst, een schitterend contrapuntist, dien wij een prachtig Kwartet en een meesterlijken Psalm XVIII verschuldigd zijn. De Cellist maakte een korte carrière. Geleidelijk hebben wij – gelukkig voor Gent en voor allen- een puik dirigent uit hem zien groeien.

De Cellist
Na een schitterend leerling van Joseph Jacob geweest te zijn, heeft hij de eerste jaren van zijn loopbaan gewijd aan de virtuositeit. Als gevierd Cellist trad hij op in ontelbare kunstconcerten in de meeste groote steden van het land, evenals buiten de grens te Roubaix, Rijsel, Calais en te Paramé (Bretanje). Verscheidene concerto’s van J. Haydn, R. Schumann, C. Sant-Saëns, J. Jacob, J. De Swert, Lied van V. d’Indy, Kol Nidrei van M. Bruch en tal der moeilijkste stukken van D. Popper werden door hem met virtuositeit en met een prachtige warme toon voorgedragen. L. Arschodt was Cello-solo van het orkest van den Nederlandsche Schouwburg (Opera periode, bestuur H. Wannyn), het Waux-Hall orkest, evenals verscheidene orkesten in Frankrijk. Gelijk vele jonge musici uit onze vlaamsche gewesten heeft hij eenige liederen en instrumentale composities geschreven, doch spoedig zag hij in, dat zijn roep elders lag.

De Kamermuziekspeler
Vooral in de Kamermuziek heeft de cellist zijn plaats gevonden. Hier heeft hij een rustelooze bedrijvigheid getoond, artistieke leerrijke avonden ingericht, de Nationale toonkunst krachtig gesteund en verscheidene degelijke gezelschappen in ’t leven geroepen. Eerst een Trio met D. Defauw, thans Concertleider aan het Brusselsch Conservatorium, dan met A. Jacobs thans verbonden aan de Opéra-Comique te Parijs, dan met J. Drubbel, vervolgens met S. De Muynck en met als pianist den zeer verdienstelijken G. Metdepenninghen. Een andere maal werden door hem zes auditiën gewijd aan de Geschiedenis van het instrumenteele trio door de eeuwen heen met Mejuffers A. Goossens, pianiste, en H. Slingeneyer, violiste. Een eerste Kwartetvereeniging, stichtte hij met D. Defauw, J. Braem en G. Guillemyn; zonderling toeval: alle vier zijn vermaarde koor- of orkestleiders geworden! Met deze verschillende groepen heeft hij meer dan honderd auditiën binnen en buiten de Arteveldestad gegeven. Hij ontwikkelde de stof in reeksen en lessen, die telkens met inleidende woorden van hem en met verklarende programma’s gegeven werden.

Ten einde meer concerten van historischen aard te kunnen geven, had hij den moed zich te oefenen op de oude Viola di Gamba, voorlooper van de cello. Hij werd een voortreffelijk gambist. Ook was hij een der allereersten in Vlaanderen, die Kunstconcerten met speeltuigen uit de XVIIe en de XVIIIe eeuw aandurfde, hetgeen ten huidigen dage geen zeldzaamheid meer is. Tijdens den oorlog 1914-1918 gaf hij ten stadhuize een zeer geslaagd feest, waarop het tweede bedrijf van Monteverdi’s Orfeo evenals een greep andere muziekwerken van voorheen ten gehoore werden gebracht. In meer dan één stad bood hij een volledigen en buitengewonen avond over de muziek der XVIIIe eeuw aan. Reeds vóór den oorlog had L. Arschodt met Mej. M. De Vos, Mevr. ten Berge en J. Verniers een Gentsch Zangkwartet tot stand gebracht,dat op talrijke plaatsen om zijn homogeniteit en zijn expressieve eigenschappen geprezen werd, en dat de pogingen der Vlaamsche componisten op het gebied der A Capella muziek beslist heeft aangemoedigd. Om zijn bevoegdheid, zijn moed en zijn vlijt in het vertolken van Kamer- en Zangkwartetmuziek, verdient L. Arschodt dus onvoorwaardelijk lof. Hier is hij een durver geweest, trouwens, hij weet dat zelfvolmaking nooit schaadt, al nadert hij de vijftig, geregeld volgt hij aan de Hoogeschool den leergang in de kunstgeschiedenis, gegeven door Professor Fl. Van der Mueren en dien van Professor A. Vermeylen over de ontwikkeling der Nederlandsche letteren! Bravo! Jamais professeur, toujours élève, heeft een fransch musicus gezegd.

De Dirigent
Zijn beste krachten heeft L. Arschodt besteedt aan het beroemde koorgezelschap De Melomanen waarover destijds een K. Miry, een Waelput en een Ed. Nevejans den maatstok hadden gezwaaid, en waar hij, als onderbestuurder, den rechterarm werd van O. Roels. Daar hielp hij machtige uitvoeringen tot stand brengen, waarover heel Gent en heel Vlaanderen hebben gesproken. Ik noem: Lucifer van P. Benoit, De Pacificatie en de Zegen der Wapens van H. Waelput, Kollebloemen van E. Tinel, Een Droom van ’t Paradijs van J. Blockx, Vlaanderen van O. Roels, gecomponeerd ter gelegenheid der 75e viering van ’s Lands onafhankelijkheid en opgevoerd door 4500 uitvoerders in tegenwoordigheid van Koning Leopld II. Voorheen won hij, als Directeur der Koninklijke Fanfare van Yper, reeds hooge onderscheidingen. In dien verren uithoek heeft hij belangstelling voor schoone muziek pogen te wekken, ja, het mogelijke en het onmogelijke gedaan om de bevolking kennis te laten maken met de beste producten der inheemse muze. Met het oog op die bedrijvigheid was het dat, in 1909, O. Roels zijn levendig-mooie Yper-Cantate op tekst van H. Sobrie ontwierp.

Ook als bestuurder der Koninklijke Harmonie Cecilia van Zele wist L. Arschodt van deze Harmonie een der beste van het Waasland te maken en deed aldaar op de Groote Markt met buitengewoon succes een cantate van Meester Roels Hulde aan onze Helden voor gemengd koor en harmoniebegeleiding op tekst van George Callebert uitvoeren. L. Arschodt vond genoegen in het dirigeeren; hij hoorde zich een gloedvol, nauwlettend en mooie kunstleider noemen. Ook was hij tijdens den vorigen oorlog de aangewezen man, om grootsche liefdadigheidsconcerten in te richten. Hij wist een leger van 85 instrumentisten en 150 zangers uit den grond te stampen. Zelf verscheidene leden uit den adel en de hooge burgerij stonden hem willig ter zijde. Door schitterende uitvoeringen van de volgende werken konden vrij aanzienlijke sommen vereenigd worden: Te Deum E. Tinel, Freyhir E. Mathieu, La Belle au Bois dormant Mevr. Fuerison, Requiem Mozart, enz. Voor dit edelmoedig gebaar werd hij, na den oorlog, tot ridder in de Kroonorde verheven. In 1919 aanvaardde hij het bestuur van de Koorkring De Melomanen die sedert den oorlog nog enkel op papier bestond. Door een toewijding zonder weerga wist hij het gezelschap nieuw bloed te schenken en tot zijn glansperioden van vroegere jaren terug te voeren. Dat mocht een daad met esthetisch-historische beteekenis heten. Wat dood was werd door zijn tooverstok aangeraakt, plotseling gewekt en tot nieuwe zang en levensvreugde gedwongen. Hier dienen eenige welsprekende titels van kunstgewrochten neergeschreven: Hulde aan Conscience A . De Boeck, Christus Ad. Samuel, L’Aveugle né L. Du Bois, De laatste Zonnestraal G. Huberti, Negende Symphonie en Missa Solemnis L. van Beethoven, Jacob van Artevelde A. Gevaert, De Leie, De Genius des Vaderlands, het oratorio De Oorlog P. Benoit, voor dit laatste werk traden circa 900 uitvoerders op.

Ook voor het aanpakken van Vlaamsche schoolcantaten vond hij ruim duizend kinderen gereed: De Wereld in P. Benoit, Gloria Flori A. De Boeck, Kindervreugd P. Gilson, Yper-Cantate O. Roels. Op de luisterrijke prijsdeelingen van het Taal- en Handelsinstituut werden de meeste van die cantaten opnieuw ten gehore gebracht. Als bestuurder van de Stadsharmonie heeft L. Arschodt met dit keurkorps een heele reeks nationale festivals ingericht, die gewijd waren aan Benoit, Gevaert, Blockx, Gilson, Lebrun, Roels, Moeremans, Strauwen, Van der Meulen, enz. Zij vielen duchtig in den smaak en deden stroomen van het volk naar den Kouter gaan. Zelden is de Nationaal-Vlaamsche Muze zoo dapper in de bloemenstad toegejuicht geworden als daar. Door een pennetrek van het Gemeentebestuur werden die populaire avondfeesten, wegens geldgebrek, weer afgeschaft zoodat, jammer genoeg, een der schoonste en degelijkste organismen van volksontwikkeling moest verdwijnen. In 1923 zegde L. Arschodt plotseling vaarwel aan de leiding der Melomanen, ten einde al zijn krachten te kunnen wijden aan het bestuur van de Gentsche Volksconcerten die zijn naam dragen. Het mag wel eens gezegd, dat het comiteit der Melomanen in onmin met verscheidene van zijn Muziek-Directeurs leefde als Nevejans, Roels, Loockx, Duvosel en Arschodt. Met zulken moed spande deze zich nu weer in het gareel, dat hij spoedig daarna reeds een 17e Volksconcert kon aanbieden. De meeste waren uitsluitend aan scheppingen van inheemsche meesters gewijd, die hij, zonder onderscheid van denkwijze, van strekking, school of ouderdom, aan de beurt liet komen. Trouwens hij werd krachtig gesteund door zijn verkleefde koorgroep Pro Arte Vocali die zooveel als de ziel van die schoone kunstplechtigheden was. Vooral de jongere componisten mogen hem een kaarske te branden zetten. Hebben wij hier niet onlangs gedrukt op de beteekenis van één zijner Nationale Concerten, dat een keuze uit het werk van C. Buysse, G. Lonque, J. Ryclandt en Mevr. Fuerison op een zelfde spelwijzer vereenigde. Hij steekt ook gaarne een handje toe, om de jonge mededingers naar den Prijs van Rome te helpen. Bereidwillig zag men hem de uitvoering van een reeks proefcantaten voorbereiden als: Le Roi Reynaud Mej. Busine, Légende de Noël en Thijl Uilenspiegel J.T. De Sutter, Le Rossignol G. Lonque, en anderen. Als dirigent verdient L. Arschodt dus zonder twijfel genoemd te worden in gezelschap van mannen als Keurvels, Jehin, Alpaerts, Roels, Rasse, Candael, De Vocht en Defauw, die tot de edelste en onbaatzuchtigste volksopvoeders ten onzent behooren.

De Leeraar
In 1920 werd hij, voorzien van de noodige diploma’s, tot muziekleeraar aan het Kon. Athenaeum benoemd, waar hij door talrijke uitvoeringen bewezen heeft, dat de kinderstem weinig of geen geheimen voor hem bezit. In 1923 werd hij aan het Kon. Conservatorium te Gent titelvoerend leeraar voor de beide klassen van Kamermuziek en tevens belast met den leergang van Samenzang, zoodat hij den helper en medewerker van den Bestuurder is, wanneer de zware winterconcerten moeten aangepakt worden. Hier blijkt hij het doel van zijn leven bereikt te hebben. Voor een dergelijke taak was hij in de wieg gelegd. Ook heeft hij dit met liefde, met overtuiging aanvaard, vastbesloten er het beste aan te wijden wat in hem is. Wie eenige prijskampen van zijn leerlingen heeft bijgewoond, - ware concerten – of een paar grootsche uitvoeringen met koren in het Gentsche Conservatorium heeft toegejuicht, neem Handel’s Messias, Mozart’s Requiem, Beethoven’s Negende, Tinel’s Franciscus of Wagner’s Parsival, kan zich een oordeel vormen over de aanhoudende inspanning, die deze nederige en talentvolle arbeider zich op het veld der kunst heeft getroost.

De Zangleider der Volksmuziekschool
In de Volksmuziekschool hebben wij hem verleden jaar aan ’t werk gezien. Een gansch nieuwe inrichting – iets in den aard van de vroegere Volière te Brussel en Mimi Pinson te Parijs, - waar mannen en vrouwen uit de Volksklas, na hun dagwerk in den winkel of op de fabriek, geoefend worden in het zingen van liederen en opera-fragmenten, die later moed, vertrouwen en geluk in het huisgezin kunnen brengen. Niets zoo roerend als het bijwonen van een prijskamp onder die simpele maar wilskrachtige volkselementen. Nu zou ik nog en dreunende slotrede moeten schrijven. Ik zie er van af, overtuigd, dat de lezer het met mij zal beamen. L. Arschodt dient als een beslagen en gloedvol Cellist, Gambist, Kamermuziek, Zanger, Koor en Orkest-Dirigent begroet te worden.

Lambrechts, L.: Louis Arschodt, in: Muziek-Warande, jrg. 7, nr. 5, 1 mei 1928, p. 97- 101.