Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Blaes, Eduard

Gent, 19/11/1846 > Gent, 12/12/1909

Biografie

Blaes, Eduard

door Jan Dewilde

Eduard Blaes begon zijn muziekstudies aan het Conservatorium van Gent, waar hij eerste prijzen haalde voor notenleer (1861), fagot (1866) en, bij Karel Miry, harmonie (1867). Daarna trok hij naar het conservatorium van Brussel om er bij François-Joseph Fétis contrapunt en fuga te studeren. Hij haalde er een tweede prijs. Later studeerde hij nog bij Peter Benoit in Antwerpen. Tegelijk met zijn studies was hij als koordirecteur actief in wedstrijden in Luik, Douai, Brussel, Antwerpen en Mechelen.

Nog tijdens zijn studies publiceerde hij zijn eerste composities. Op zijn zeventiende schreef hij het lied De zegen eener moeder, in 1866 verscheen Het ware vaderland en drie jaar later verscheen Liefdepeerlen, een bundel van zes liederen.

Hij nam deel aan de Prijs van Rome in 1871 (met de cantate Christoffel Columbus) en in 1873, waar hij telkens een eervolle vermelding behaalde. In 1875 waagde hij opnieuw zijn kans met De Meermin, maar deze keer werd hij niet onderscheiden - en daarna had hij de leeftijdslimiet bereikt. In datzelfde jaar probeerde hij het ook bij de koorwedstrijd van de Morgendstar, en hier behaalde hij een tweede prijs (er werd geen eerste prijs toegekend).

In Gent maakte Blaes zich zeer verdienstelijk als dirigent. Zo leidde hij het Willems-Genootschap en het Van Crombrugghes Genootschap, waarmee hij zijn koorwerken De jacht en De heidens uitvoerde. Hij was kapelmeester in Sint-Baafs (1873-1877), dirigent van de Vlaamse Schouwburg (de Minard) en van de Artisten-Muzikanten. Hij werkte ook mee aan de Volksvoordrachten van het Willemsfonds. Voor zijn inzet in het Gentse koorleven werd Blaes op 6 februari 1898 gehuldigd door de kunstvereniging Rust Roest. Zijn collega Oscar Roels hield de gelegenheidstoespraak.

Blaes was een gewaardeerd muziekpedagoog. Zo was hij muziekleraar aan de Gentse stadsscholen vanaf 1866; leraar (1878) en directeur (1885) van de muziekschool van Ledeberg; en leraar fagot (1879) en leraar orkestspel (1900) aan het Gentse Conservatorium. Als fagottist in de Gentse opera beschikte hij trouwens over veel ervaring op dat gebied.

Als componist liet Blaes zich vooral met vocale muziek opmerken. Op teksten van Theophiel Coopman componeerde hij onder andere Aan Gent (zes liederen) en Lenteliederen (bundel van elf liederen). Hij schreef ook veel koorwerken (vooral voor mannenkoor), met titels als Gent, Vlaanderen, Vooruit de Geus, Heil Vlaanderen, De broedergroet, en Hymne aan de toekomst (met begeleiding van fanfare; 1883).

Ten behoeve van koordirigenten en -zangers publiceerde Blaes een Verhandeling over koorzang.

In 1906 werd Blaes ridder in de Leopoldsorde benoemd.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde