Brenta, Gaston

Schaarbeek, 10/06/1902 > Schaarbeek, 30/05/1969

Biografie

Brenta, Gaston

door Lien Alaerts

Brenta bezocht geen enkele officiële muziekschool maar startte op achttienjarige leeftijd zijn muzikale studies bij Paul Gilson, die zijn eerste en enige leraar zou zijn. Dit was ongewoon, want het kwam zelden voor dat een componist zijn opleiding voltooide bij een enkele leermeester.

De invloed van Gilson op zijn leerlingen was zeer diepgaand. Rond 1925 verenigden zijn leerlingen hun interesses en tendensen in de groep Les Synthétistes. Samen gaven zij het tijdschrift La Revue Musicale Belge uit met Paul Gilson als artistiek leider en Marcel Poot als hoofdredacteur. Hoewel Brenta nog vrij jong was, sloot hij zich eveneens bij deze groep aan.

In tegenstelling tot veel van zijn collega’s maakte Brenta geen carrière in het muziekonderwijs. Hij was wel muziekcriticus in verscheidene kranten en tijdschriften en hij schreef enkele publicaties: Panorama de la musique belge au XIXe siècle, Notes brèves sur les symphonies de Beethoven, Adolphe Sax et la facture instrumentale en een gedetailleerde biografie van Paul Gilson. In 1931 werd hij benoemd tot waarnemend directeur en in 1938 tot adjunct-directeur bij het Belgisch Radio Instituut, waar hij de eveneens de discotheek creëerde. Tussen 1953 en 1967 was hij muziekdirecteur bij de RTB.

Brenta was lid van de Koninklijke Academie van België, de Nationale Raad voor Muziek en de Belgische Vereniging voor Musicologie. Als componist kende hij succes met zijn opera Le Khadi dupé, gecreëerd in de Munt tijdens het seizoen 1929-1930. In 1968 kreeg hij de eervolle opdracht om het plichtwerk te schrijven voor de Koningin Elisabethwedstrijd; zo ontstond zijn Concerto n° 2 voor piano en orkest.

In zijn composities geeft Brenta de voorrang aan de melodie: hij heeft een voorliefde voor lange, breed uitgewerkte, muzikale volzinnen. De Aria uit het tweede deel van zijn Symphonie is hier een mooi voorbeeld van: uitdijende frases die de kunst van het lyrisme niet uit de weg gaan. Zijn stijl neigt bij zijn eerste composities sterk naar de stijl van Gilson: de manier van orkestratie, zijn smaak voor het exotisme, zijn gebruik van klassieke vormen en zijn traditionele ideeën. Zoals veel tijdgenoten maakt Brenta in zijn harmonie vrij gebruik van dissonanten, hoewel hij toch trouw blijft aan de fundamenten van de tonaliteit. Naar het einde van zijn leven toe, gaat Brenta op zoek naar vernieuwing en evolutie door te experimenteren met polytonaliteit en atonaliteit. Ondanks deze gedurfdere harmonische taal wordt zijn muziek toch soberder. Het eerder genoemde Concerto n° 2 is hier een mooi voorbeeld van.

Een groot deel van Brenta’s oeuvre bestaat uit instrumentale muziek, met de nadruk op orkestwerken. Als symfonisch toondichter componeert hij namelijk meteen in functie van het orkest zoals in zijn Arioso et Moto perpetuo (1940). Net zoals Gilson gaat Brenta’s voorkeur gaat echter vooral uit naar muziek voor blaasinstrumenten. In zijn oeuvre zijn dan ook verscheidene werken te vinden voor harmonieorkest zoals Marche Barbare (1926) en Variations sur un thème congolais (1926). Ook de hulde die hij schreef voor zijn leermeester - In Memoriam Paul Gilson (1943-1944) - werd geschreven voor harmonieorkest of fanfare. Zijn werken voor kamermuziek zijn minder talrijk dan die voor orkest. Het Strijkkwartet (1939) is echter het vermelden waard: de innige en bedaarde sfeer van het middendeel staat haaks op het uitbundige ritme van de andere twee delen.

Ook voor de scène schreef Brenta enkele composities. Naast zijn opera (waarvoor hij zelf ook het libretto schreef) componeerde hij namelijk de muziek voor een aantal balletten zoals Zo’Har (1928), Le Bal chez la Lorette (1954) en Candide (1955).

Tot slot componeerde Brenta nog een aantal vocale werken. Enkele daarvan zijn dramatische werken bedoeld voor radio zoals Aucassin et Nicolette (1934), een gezongen fabel uit de Middeleeuwen, en Herakles (1955), het treurspel van Euripides. Andere werken zijn voor koor of zang en piano. Voor sommige vocale muziek schreef Brenta zelf de tekst: Chevauchée à l’aube (1926) en Masikini (1939), beide liederen voor zang en piano. Tot slot schreef hij het oratorium La Passion de Notre Seigneur op tekst van A. Gebran in 1949.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Lien Alaerts