Candael, Karel

Antwerpen, 04/09/1883 > Rotterdam (NL), 27/03/1948

Historische teksten

Rede bij de grafonthulling van Karel Candael

door Maurice Gilliams

Achtbare mevrouw Karel Candael,
achtbare familie,
achtbare vrienden en aanwezigen,

Het is thans een jaar en acht maanden geleden, dat Karel, te Rotterdam aan het klavier gezeten, plotseling en al te vroeg van ons heen moest gaan.

Vandaag zijn we tesamen gekomen om zijn nagedachtenis hulde te brengen; we zien hem op dit ogenblik in onze gedachten herleven en in ons hart spreken wij met hem.

Hij was een artiest. Zoals kunstenaars ging Karel Candael dromend en scheppend door het leven om zich als persoon, als mens te verpuren; om gestaag en schijnbaar zorgeloos, doch naar binnen gewetensvol bezig, steeds groter zuiverheid voor zijn mens-zijn te winnen. Zo heb ik Karel Candael de laatste jaren van zijn leven gekend, en ik heb hem dagelijks, onder geen enkel voorbehoud der vriendschap, in wel en wee gekend.

Naar leeftijd moet Karel Candael gerekend worden tot een generatie die romantisch van aanleg is. In de kritische bijdragen uit die thans reeds verre dagen, ruim genomen tussen 1900 en 1914, bejegende men de jonge kunstenaars als begenadigde wezens, zonder de eigenlijke zin van dit zogenaamde begenadigd-zijn kritisch of analytisch te omschrijven. Een dwepende oude juffrouw bloosde niet, een aankomend componistje een "god van muziek" te heten. Want noch al scheppende, noch al kritiserende werd er op het essentieel menselijke van het kunstenaarsschap ingegaan. Men was nogal zelf-tevreden.

Evenals in de Vlaamse letterkunde, heerste er in de Vlaamse muziekkunst een soort van particularisme; Gezelle enerzijds, Benoit anderzijds wierp zijn ontzaglijke schaduw op de jeugd die aan het schrijven of componeren toog. Beide meesters waren scheppers van een achtenswaardig "isme", dat zij met een billijk gevoel van eigenwaarde het hùnne mochten noemen. Doch de later gekomenen meenden meestal het eigen uitdrukkingsmiddel reeds gevonden, toen zij eenvoudig zich-zelf rekenden tot de school van Gezelle, tot de school van Benoit, of wanneer zij er door de kritiek toe gerekend werden. Wat zij aldus maar voort wisten te brengen, kon niet anders dan op navolging berusten. En zo is die navolging in essentie als het troosteloze bewijs van een nogal onschuldige, provinciale en sociale tevredenheid te beschouwen. Het kwam er in die verre periode allereerst op aan in de kunst zogenaamd "iets" te gevoelen; en wanneer er ergens een eenzame ziel een greintje geestelijke vitaliteit aan de dag durfde leggen, als hij schoonheid schiep, dan werd het tamelijk verdacht gevonden. Die eenzame werd makkelijk met verkeerde of te grote definities te lijf gegaan; men noemde hem een te verstandige, een cerebrale of decadente, en dààrom een verraderlijke want onvlaamse natuur. Het klonk zowat als een excommunicatie.

Het is dan niet te verwonderen, dat die tevredenheid met wat men zogenaamd maar voelde, een bedriegelijke zelfgenoegzaamheid in het leven riep. Wij meenden in een gegeven moment, warempel méér dan de ons omringende volken te gevoelen, denk eens aan, omdat onze denkvermogens meer bekrompen waren. Om het bewijs van onze gevoeligheid te schenken, werd er dikwijls in mineur getoonzet, voortgaande op het voorschrift van een compositorisch schema. En we hoorden de schriftvervalsing meestal niet. Uitgezonderd enkele liederen, gewijd aan de Vlaamse strijd, viel er zo weinig van een grondeloos beleefde zaligheid of tragiek te bespeuren; met andere woorden: er was zo weinig van het innerlijk noodzakelijke, dat in geen omstandigheden te onderdrukken, te weerhouden is. Men werd, naar alle waarschijnlijkheid, te veel door het accidentele in een bepaald moment ontroerd; men onderging hoofdzakelijk maar een stemming; en naar het voorschrift van Jacques Perk, de jonggestorven Hollandse dichter, werd er bij de verwerking van die stemming tot een vers, tot een lied ook al niet méér dan een zogenaamd kunst-genot nagestreefd. "U dichten was genieten", klonk het in zijn befaamde sonnet. De ware zaligheid, de ware tragiek, die de menselijke geest met oneindige achtergronden vult, zij kunnen maar op voorwaarde van een abstracte geëmotionneerdheid in de kunst ontstaan. En daarvan is bij mijn weten in de Vlaamse muziek geen spoor te merken. Zelfs een pregnante fin de siècle sfeer, zoals wij in den dichtkunst aantreffen, heeft onze muziekliteratuur op het gepaste ogenblik niet gekend. Langer dan de dichters, zijn de componisten hier, naar vorm en inhoud, met stijfhoofdigheid erg conservatief gebleven.

Karel Candael, die sommige blinden en doven tot aan zijn levenseinde voor een zorgeloos uitbundig wezen blijven houden, Candael durfde de hier door mij nauwelijks aangetoetste appreciatie beamen. Dikwijls heeft hij het me herhaald: dat alles wat we thans aan dagelijkse werkelijkheid door te maken krijgen, ons dwingt om dieper op de dingen in te gaan; dat het optimisme, het enthousiasme zonder meer, voor de artiest geen steek kan houden. Ter verontschuldiging, wanneer hij de schoonheidsroes van zijn jeugd herdacht, slaakte hij een heimweevolle zucht, want zulke gelukkige, weldadige jongelings- en jongemannenjaren had hij gesleten, bij zijn eenvoudige, brave ouders, bij zijn aangebeden lieve vrouw. En die terugblik op zijn zonnig, zorgeloos verleden, ging telkens weder met een natuurlijke, oprechte weemoed gepaard.

Hij had ze nog gedirigeerd, de gewrochten van de vereerde Peter Benoit, met de onverstoorbaar innige overgave van de jonge idealist. Later hebben wij hem die krachtig bazuinende of romantisch klagende muziek weten vertolken op zulke geïnspireerde wijze gelijk de jeugd van heden ze, helaas, niet meer ten gehore krijgt. En het is toch maar op voorwaarde van zulke geïnspireerde wijze van dirigeren, dat het oeuvre van Vlaanderens bard genietbaar is. Candael is de laatste dirigent die de lyrische overdaad van de Meester aanvaardbaar deed herleven. De stemmen zongen. En het werden geen benepen, preutse stemmetjes van juffertjes en heertjes, doch voluit volkse, opgetogen vrouwen- en mannenstemmen, zoals de grote Peter, de fiere, volkse revolutionnair, er voor zijn scheppingen heeft gedroomd.

Men moest Karel Candael aan het klavier een Benoit-partituur horen doornemen, als hij u een overtuigend bewijs wou schenken van de geniale momenten; als hij u poogde voor Benoit te winnen, in liefdevol begrijpen. Want van iets houden, iets bewonderen: dàt lag opvallend in Karels aard. En dit liefhebben, die bewondering met anderen te delen: het verschafte hem zijn dagelijks geluk.

Die karaktertrek, gepaard met zijn muziek-theoretische bevoegdheid, maakte van Candael een uitstekend muziek-pedagoog. Hij stond niet ongenaakbaar tegenover zijn leerling op het troontje van een bekrompen professoraal gezag. Hij ging niet zoals sommigen onder zijn collega's op een schat van muziekgeheimen zitten, uit vrees dat zijn leerlingen maar eens iets niet uit zijn hand te weten kwamen. Met suggestieve dagelijkse beelden - die in de aanvang nogal onthutsten, moet ik er aan toevoegen, - wist hij een ingewikkeld muziek-probleem doorzichtig en bevattelijk te maken. Dit ging altijd met goedgehumeurdheid gepaard. En wanneer zijn studenten hem naar wens begrepen hadden, dan straalde de goede man; speciaal maakte hij een omwegje bij het huiswaartskeren van het conservatorium om mij te komen zeggen, welke aangename voormiddag hij in zijn klas had doorgebracht. In de examentijd, als zijn kwekelingen in de examenloge opgesloten waren, dan kon men mijnheer de professor altijd aantreffen op de Sint-Jacobsmarkt, waar hij op en neer liep met zijn eigenaardig verende en jeugdige tred. Daar liep hij zijn spanning, dagen lang, als het ware weg te wandelen.

Als componist fantaseerde hij breed aangelegde orkestrale werken: De zeven hoofdzonden (1925-1927), Het poëma in de vorm van een rhapsodie (1930), Het hooglied (1936), Ode (1939), Passacaglia en bourrée (1945). Behalve in het laatst genoemde werk hield Candael van een zwoel, een bijna overdadig orkestraal coloriet; de instrumentale bezetting was opvallend compact; en de vaak voorkomende neiging om tot een climax over te gaan, scheen moeilijk te bedwingen. Doch het zou verkeerd zijn, om die merkwaardige scheppingen zijn stillere werken te vergeten: liederen als De hovenier (1936), De lange weg (1937), en de Drie Katrijnen (1938). Dit waren voorboden van een rijper levensaanvoelen, van een dieper levensaanschouwen. In 1941 ontstond er dan, niet onvoorbereid, een wonderlijk werkje voor snaarorkest, nl. Meditatie, waar de àndere, de voor velen onbekende Karel Candael als het ware innerlijk totaal van gedaante verwisseld was. Zwaar van droom vervuld, mijmerend schijnt de componist in een ander land van het geestelijk verlangen te zijn ontwaakt. De vroegere emphase, de vroegere zinnelijke lyriek is hier ingekeerdheid, is hier bidden geworden. Welke weerspiegeling van het eeuwige, onnoembare Hiernamaals heeft Karel waargenomen terwijl hij deze bladzijden schreef, wakend aan het ziekbed van een jonge vriend.

Dan is er eindelijk het grote, het in mysterie gehulde werk Het Maria-Leven tot stand gekomen (1941-1942), dat nog altijd op een wààrdige uitvoering ligt te wachten. Bij zijn uitvaart heb ik schuchter van een omkeer in Karels gemoeds- en zielsleven gewaagd. In zijn Marie-Leven liggen de blanke, de lichtgevende spanningen van die geestelijke omkeer voor immer bewaard. Op slag is hij met zijn zwanenzang de eerste belangrijke componistenfiguur van zijn generatie geworden, en meteen de meester waarin de jongeren van heden een voorloper van de nieuwe tijd erkennen. Vooraan in de partituur schreef hij de opdracht: "Aan alle moeders".

Hoe zou zo iemand gedeugd hebben om door middel van diplomatisch of andere listen onverdiend aanzien te verwerven? Hij was een man met respect voor zijn medemens, maar ook een man met zelf-respect. Hij bezat geen gift en geen angel. Hij was weerloos tegenover degenen die hem schade wilden berokkenen. Het boze inzicht van zijn tegenstander begreep hij niet; hij geloofde een tikje te veel wat hem, in voor- en tegenspoed, in het oor werd gefluisterd. Toen hij daarna tot de ontdekking kwam, toen hij de ware omvang van het hem toegebrachte leed plotseling ondervond, dan zag men hem verbleken en met nauwelijks hoorbare stem drukte hij zijn leedwezen uit over de onverbiddelijkheid van de onbeduidende mensjes. Daartoe gebruikte hij slechts het éne woord: schande, waar zijn walg en verdriet lag in opgekropt. Nooit vergeet ik de ontzetting waarmede dit woord uit Karels mond vernomen, heeft geklonken. Schande, kreunde het in hem. Doch toen vermoedden we nog niet, dat men hem ten gronde had gericht.

Woorden om de feiten te herdenken baten niet meer. Wij bevinden ons bij het gesloten graf van een vriend, van een kunstenaar. Wij zeggen hem nogmaals vaarwel. Hij ruste in vrede. Zijn nagedachtenis, zijn werk houden wij in ere.

Gilliams, M.: [Grafonthulling Karel Candael - rede uitgesproken door Maurice Gilliams], in: Archief Koninklijk Conservatorium Antwerpen.