Candael, Karel

Antwerpen, 04/09/1883 > Rotterdam (NL), 27/03/1948

Historische teksten

Rede bij de uitvaart van Karel Candael

door Maurice Gilliams

Er zijn vriendschappen, die het hart en de ziel verwarmen; er zijn vriendschappen, die het leven de moeite waard maken om geleefd te worden.

"De smart is heilig", zingt Beethoven bij het afscheidsnemen van een geliefd wezen op aarde.

En nu wij op het punt staan om Karel, onze vriend, vaarwel te zeggen, moesten we onze innerlijke krachten kunnen verzamelen om de wijze dichter achterna te spreken en te zeggen: dat er in onze rouw ook Blijdschap is.

Want waar de eene mensch de andere mensch in schoonheid ontmoet, - schoonheid der vriendschap, schoonheid der werken, daar legt de dankbaarheid om het genotene een onverflauwbare glans op alles wat de een van de andere zich blijft herinneren.

Op zoo'n verheven plan is de dankbaarheid immers niet van de Blijdschap te scheiden, en door geen sterven wordt ze voor ons uitgedoofd.

+++

Ik ben dankbaar, ik ben blij, ik ben fier u gekend te hebben, Karel, mijn trouwe kameraad van bijna iedere dag.
Gij waart eenvoudig, zooals alle dingen die zuiver zijn.
En gelijk bij ieder kunstenaar klopte er in uw borst een groot kinderhart.
Zooveel vragen hebt de mij gesteld. En gij verlangde met ontroerende aandrang op uw vragende onrust antwoord te krijgen.

Gij hebt u gedurig aan over de boosheden van de wereld verwonderd, alsof ze pas, en door niemand nog gekend, als schrale distelen aan de aardbodem ontsprongen waren.

+++

In de latere jaren toen wij vrienden werden, waart ge zeker de alléén maar spontane en opgeruimde natuur niet meer waar uw vroegere kennissen u voor blijven houden.
Ik, zag, ik voelde, ik hoorde u rijpen.
En wel zeker: gij wààrt de zonne-minnaar gebleven, gij wààrt de enthousiast; en er was een bijzonder zwierig élan in u.
Doch er trilde weemoed, ergens diep in een schuilhoek van uw kunstenaarsgemoed verscholen.

En als ik naar bepaalde liederen uit uw jeugd luister, zooals o.m. naar de Ballade die zoo verrukkelijk naïef door uw kinderlijke vrouw gezongen werd, dan hoor ik van reeds lang geleden weemoed in u wonen.

Ja, er is een diepere, ernstige Karel Candael, en uw liederen, zooals De hovenier, De lange weg, en uw grootsche intieme schepping Het Maria-Leven, zijn er het bewijs van.

Maar omdat gij veel voor het volk hebt gedaan, er voor gebracht: zie nu maar rond op dit plechtig oogenblik, - hier zijn ze met zoovelen als ze maar kunnen om u vaarwel te zeggen.

Karel, gij waart een man die van de menschen hebt gehouden.
Karel, gij waart een man die maar gelukkig was wanneer hij werd bemind.

+++

Pas een paar weken geleden zoudt ge een Adieu-liedeken componeeren voor een onbekende dame.
En het past hier wel aan dit laatste gedicht te herinneren waarmede ik, zonder voorgevoelens hoegenaamd, vaarwel tot u zei.
En even onbewust van uw naderend einde, hebt gij onder het componeeren uw eigen zwanenzang uitgezongen.

Adieu-liedeken

Uw handen hebben wél gedaan.
De blinden van het raam gaan dicht;
De bloemen àl zijn binnen, nu.
Uw oogen zien de jaren gaan.
En zooveel namen spreiden licht
in 't avondhart: zijn minnen u.

+++

Karel, ons aller goede, trouwe, en mijn lieve vriend: dat het u wel ga.

Vaarwel.

Gilliams, M.: Rede uitgesproken op de uitvaart van Karel Candael, in de Koninklijke Vlaamsche Opera te Antwerpen - 1 april 1948, in: Archief Koninklijk Conservatorium Antwerpen.